Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:10878

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-11-2014
Datum publicatie
17-04-2015
Zaaknummer
3087513 VZ VERZ 14-6302
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2015:1094
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

niet-ontvankelijkheid FNV geen belanghebbende in de zin van artikel 36 WOR

Wetsverwijzingen
Wet op de ondernemingsraden
Wet op de ondernemingsraden 2
Wet op de ondernemingsraden 36
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 305a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0990
OR-Updates.nl 2015-0154
JAR 2015/31
JAR 2015/31
AR 2015/670

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 3087513 / VZ VERZ 14-6302

uitspraak: 14 november 2014

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, inzake een verzoekschrift ex artikel 36 Wet op de ondernemingsraden

in de zaak van

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

FNV BONDGENOTEN,

gevestigd te Utrecht,

verzoekster,

gemachtigde: mr. M.J.M. Postma,

gericht tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ISTA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Schiedam,

verweerster,

gemachtigde: mr. S.A. Tan.

Partijen worden hierna “FNV” en “Ista” genoemd.

1 De loop van het geding

1.1

Het verzoekschrift met producties is ter griffie binnen gekomen op 19 mei 2014. Op 4 september 2014 is een verweerschrift ontvangen.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2014. Daarbij zijn verschenen namens FNV de gemachtigde en namens Ista de heer [de heer P.], directeur, bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben ter zitting hun standpunt nader toegelicht. Door FNV zijn daartoe pleitaantekeningen overgelegd. Ista heeft een aantal producties ingebracht. Van de behandeling ter zitting heeft de griffier aantekening gehouden.

1.3

De kantonrechter heeft de beschikking nader bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

2.1

Ista heeft een onderneming waarin meer dan 50 werknemers werkzaam zijn. Een deel daarvan is lid van FNV.

2.2

Tot december 2011 had Ista een ondernemingsraad (OR). De toenmalige leden van de OR zijn allen teruggetreden. Er zijn geen medewerkers bereid gevonden om hun plaatsen in te nemen, zodat de OR opgehouden is te bestaan.

2.3

Na december 2011 heeft Ista op andere wijze in medezeggenschap van haar werknemers voorzien.

2.4

Bij brief van 24 oktober 2013 heeft FNV aan Ista onder meer het volgende bericht.

“(…) Volgens de wet bent u verplicht een ondernemingsraad in te stellen. Vanuit uw bedrijf ontvangen wij van diverse kanten berichten omtrent de behoefte aan een ondernemingsraad.

Vanuit de leden van het FNV is er ook door diverse mensen aangegeven zich hiervoor kandidaat te willen stellen. Graag maak ik op korte termijn een afspraak met u om te bespreken op welke wijze u voornemens bent invulling te geven aan deze wettelijke verplichting. (…)”

2.5

Ista is niet overgegaan tot het instellen van een OR. Door FNV is vervolgens de Bedrijfscommissie Markt I (hierna: de bedrijfscommissie) gevraagd om tussen haar en Ista te bemiddelen en te adviseren.

2.6

De bedrijfscommissie heeft in haar advies onder meer het volgende overwogen:

“(…) De ondernemer dient om invulling te geven aan de wettelijke verplichting de omstandigheden te creëren waaronder het mogelijk wordt een verkiezing te organiseren. Het passief wachten op 5 of meer kandidaten, die volgens de ondernemer nodig zouden zijn, acht de commissie een niet toereikende invulling van die wettelijke verplichting. De commissie wil benadrukken dat het houden van een verkiezing reeds zinvol kan zijn indien het aantal kandidaten dat zich heeft gemeld een meerderheid vormt binnen het aantal dat artikel 6 voorschrijft. Dat betekent dat, waar een OR-reglement uit kan gaan van 5 leden, een OR reeds kan functioneren met drie gekozen leden. Bovendien kan in het belang van het goed functioneren van de onderneming afgeweken worden van de in artikel 6 WOR genoemde aantallen. (…)”

2.7

Ista heeft het advies van de bedrijfscommissie niet overgenomen en geen toestemming gegeven tot het instellen van een OR met minder dan 5 leden.

2.8

Ista heeft met een tweetal enquêtes de belangstelling onder haar medewerkers gepeild voor het instellen van een OR en de bereidheid om daarin plaats te nemen.

3 Het geschil

3.1

FNV heeft verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, om

  • -

    te bepalen dat Ista gehouden is om uiterlijk de tiende dag na het wijzen van deze beschikking voor haar onderneming een ORin te stellen, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag voor welke dag dat Ista daarmee in gebreke blijft;

  • -

    te bepalen dat Ista gehouden is om uiterlijk de tiende dag na het wijzen van deze beschikking verkiezingen voor haar ORuit te schrijven, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag voor elke dag dat Ista daarmee in gebreke blijft;

  • -

    te bepalen dat Ista gehouden is om uiterlijk 5 dagen na het wijzen van deze beschikking aan FNV een voorlopig reglement toe te zenden, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag voor elke dag dat Ista daarmee in gebreke blijft.

  • -

    Ista te veroordelen in de kosten van de deze procedure.

3.2

FNV heeft - zakelijk weergegeven - aan haar verzoek het volgende ten grondslag gelegd. Bij Ista zijn momenteel ten minste 50 personen werkzaam. Krachtens artikel 2 van de Wet op de ondernemingsraden (hierna: WOR) is Ista verplicht om ten behoeve van het overleg met en de vertegenwoordiging van de in haar onderneming werkzame personen een OR in te stellen. In verband hiermee moet op grond van artikel 48 lid 1 WOR een voorlopig reglement worden opgesteld en op grond van artikel 10 WOR moeten er verkiezingen worden georganiseerd. FNV moet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 36 WOR en voor zover nodig wordt het verzoek, dat strekt tot bescherming van de belangen van haar leden bij Ista, gegrond op artikel 3:305a BW.

3.3

Ista heeft verweer gevoerd.

3.4

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

De ontvankelijkheid

4.1

Mede naar aanleiding van de behandeling op zitting is de eerste vraag die voorligt of FNV kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 36 WOR. In dit artikel is bepaald dat iedere belanghebbende de kantonrechter kan verzoeken te bepalen dat de ondernemer gevolg dient te geven aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald omtrent - onder meer - het instellen van een OR, het vaststellen van een voorlopig of een definitief reglement en de kandidaatstelling voor en de verkiezing van de OR-leden.

4.2

Door Ista is in dit verband naar voren gebracht dat de acties van FNV niet worden gedragen door de leden die binnen Ista werkzaam zijn. Daartoe heeft zij van een drietal werknemers brieven overgelegd waaruit volgt dat zij niet op de hoogte zijn gesteld van de acties en daarvan afstand nemen. Hiertegenover heeft FNV enkel aangevoerd dat in ieder geval één werknemer achter de acties staat. Nu voorts niet is weersproken dat, aldus Ista, ongeveer 20% van haar werknemers lid is van FNV en niet is gesteld of gebleken dat FNV deze leden over de acties heeft geraadpleegd, komt de kantonrechter tot het oordeel dat FNV onvoldoende heeft geconcretiseerd dat en waarom zij als belanghebbende in de zin van artikel 36 WOR is aan te merken. Dit betekent dat FNV op deze grondslag niet kan worden ontvangen in haar vordering.

4.3

Voor zover FNV haar vordering (subsidiair) grondt op artikel 3:305a BW kan haar dat evenmin baten. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt. FNV verwijst naar een uitspraak van de Hoge Raad van 26 februari 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BK5756) waarin onder meer is overwogen dat “[d]e omstandigheid dat een (al dan niet aanmerkelijk) deel van de personen ter bescherming van wier belangen een collectieve actie strekt, niet instemt met (het doel van) de rechtsvordering of zelfs een tegenovergesteld standpunt inneemt, staat op zichzelf niet in de weg aan het oordeel dat de vordering strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen. Ook dan is voldoende dat de belangen ter bescherming waarvan de rechtsvordering strekt, zich lenen voor bundeling, zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming wordt bevorderd.”

4.4

In het arrest komt echter ook het vijfde lid van artikel 305a aan de orde. Dit luidt: “Een gedraging kan niet ten grondslag worden gelegd aan een rechtsvordering als bedoeld in lid 1, voor zover degene die door deze gedraging wordt getroffen, daartegen bezwaar heeft.” Door de Hoge Raad is zijn arrest overwogen dat deze bepaling niet aan toewijsbaarheid van de (in die zaak) ingestelde vordering in de weg staat omdat gelet op de aard en inhoud van het gevorderde de werking ten opzichte van bepaalde personen kan worden uitgesloten, zodat de personen die niet instemmen met de vordering zich desgewenst op de voet van het vijfde lid kunnen verzetten tegen de werking van de uitspraak ten opzichte van hen.

4.5

Nu in onderhavige zaak moet worden vastgesteld dat de werking van de door FNV gevorderde instelling van een OR zich, anders dan in genoemd arrest, naar zijn aard en inhoud niet leent voor het uitsluiten van bepaalde werknemers van Ista, dat alle werknemers dus worden getroffen door een gebod tot het instellen van een OR en dat, zoals hiervoor al is overwogen, bepaalde werknemers die lid zijn of waren van FNV bezwaar hebben tegen de acties, het bepaalde in artikel 305a lid 5 BW naar het oordeel van de kantonrechter ook moet leiden tot een niet-ontvankelijkverklaring van FNV.

4.6

Ten overvloede wordt opgemerkt dat Ista onbetwist naar voren heeft gebracht dat binnen het bedrijf op een andere wijze invulling wordt gegeven aan de medezeggenschap van haar werknemers. Zo zijn en worden op basis van vrijwilligheid werkgroepen gevormd, die elk een specifiek thema behandelen. Na al dan niet extern advies te hebben ingewonnen, wordt de directie van Ista door de werkgroepen geadviseerd. Ook heeft Ista uitdrukkelijk aangegeven dat begin 2015 weer een enquête zal worden gehouden om de belangstelling voor het instellen van een OR te peilen en dat als daaraan behoefte blijkt te bestaan daartoe ook zal worden overgegaan.

4.7

FNV zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure, aan de zijde van Ista begroot op € 400,00 (2 punten x tarief € 200,00) aan salaris voor de gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter,

verklaart FNV niet-ontvankelijk in haar verzoek.

veroordeelt FNV in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Ista vastgesteld op € 400,00.

Deze beschikking is gegeven door mr. V.F Milders en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

1158