Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:10832

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-10-2014
Datum publicatie
16-03-2015
Zaaknummer
10/661402-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van de verkrachting dan wel ontucht met 13-jarig meisje, waarbij er op twee momenten seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. De seksuele handelingen vonden de eerste keer plaats met een vijftal minderjarige verdachten en de tweede keer met een drietal minderjarige verdachten. De verdachten varieerden in de leeftijd van 13-16 jaar.

Geen sprake van verkrachting nu van geweldshandelingen slechts blijkt uit de verklaringen van het meisje, hieruit niet zonder meer valt af te leiden dat de benoemde geweldshandelingen als geweldshandelingen zijn ervaren en onvoldoende is gebleken dat het meisje door andere feitelijkheden is gedwongen de seksuele handelingen te ondergaan.

Geen sprake van ontuchtige handelingen nu er omstandigheden waren waardoor het ontuchtige karakter aan de gepleegde handelingen is komen te vervallen. Hierbij overweegt de rechtbank dat niet in het algemeen gesteld kan worden dat, hoewel jeugdigen op steeds jongere leeftijd seksueel actief zijn, de sociaal ethische norm zodanig is verschoven dat ook onderhavige seksuele handelingen inmiddels sociaal-ethisch aanvaardbaar zijn. De rechtbank gaat ervan uit dat de onderhavige seksuele handelingen met instemming van het meisje hebben plaatsgevonden. De rechtbank is, alles afwegend, op grond van de in het vonnis genoemde bijzondere omstandigheden van oordeel dat er op het moment van de seksuele handelingen sprake was van een zodanige en gelijkwaardige situatie tussen het meisje en de (mede)verdachte(n), dat hierdoor het ontuchtig karakter aan de seksuele handelingen is komen te vervallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Jeugd

Parketnummer: 10/661402-13 [Promis]

Datum uitspraak: 9 oktober 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[Naam verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

verblijvende te [geboorteplaats],

raadsman mr. T.P. van Eerden, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 september 2014 en 25 september 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. P. Swaak heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder feit 1 primair en het onder feit 2 primair ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van tien maanden met aftrek
van voorarrest, waarvan vier maandenvoorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met

als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich zal gedragen naar de voorschriften en

aanwijzingen hem te geven door of namens Bureau Jeugdzorg, stadsregio Rotterdam,

afdeling jeugdreclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk vindt, een

contactverbod met [aangeefster] en meewerken aan een behandeling bij Het Dok.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Feit 1

Het primair ten laste gelegde

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte veroordeeld dient te worden ten aanzien van de primair ten laste gelegde in vereniging gepleegde verkrachting. Hiertoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat er sprake is van dwang nu er enig fysiek geweld is gebruikt tegen [aangeefster]. Zij is op het bed getrokken, haar hoofd en haar haren zijn vastgepakt en haar benen zijn uit elkaar geduwd. Daarnaast is er sprake van andere feitelijkheden nu er een numeriek en fysiek overwicht was en het gebeuren zich heeft afgespeeld in een haar onbekend huis waar zij door de verdachten mee naartoe was genomen.

De verdachte en de medeverdachten hebben niet ontkend dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen hen en [aangeefster], die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Betwist wordt echter dat er sprake zou zijn geweest van dwang, hetgeen, aldus het bepaalde in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht, kan bestaan uit geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid.

Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende komen vast te staan dat er sprake is geweest van geweld uitgeoefend door de verdachten. Het enige directe bewijsmiddel voor de door [aangeefster] omschreven geweldshandelingen is de verklaring van [aangeefster] zelf, zodat het dossier op dit punt onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de vaststelling hiervan. Bovendien geldt dat uit de verklaring van [aangeefster] niet zonder meer valt af te leiden dat de benoemde geweldshandelingen (op het bed duwen, benen uit elkaar duwen, haar en hoofd vastpakken) als geweldshandelingen zijn ervaren. Dergelijke handelingen kunnen ook als zodanig onderdeel zijn van het vrijwillig ondergaan van seksuele handelingen.

Blijft over de vraag of wellicht sprake is geweest van dwang door feitelijkheden waardoor [aangeefster] is gedwongen tot het ondergaan van handelingen die onder meer hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Doorslaggevend in het algemeen bij die vraag is of een slachtoffer datgene toelaat wat het, ware er geen dwang geweest, niet zou hebben gedaan. Dit toelaten kan het staken van verzet betekenen, maar dat hoeft niet; het staat zelfs niet in de weg aan (uiteindelijke) medewerking. Hierbij gaat het om de totale bedreigende situatie die mede door de daad van de verdachte wordt geschapen en die daarvan tegelijkertijd de betekenisverlenende context vormt. Van dwingen kan dan, aldus bestendige jurisprudentie, slechts sprake zijn indien een slachtoffer door die feitelijkhe(i)d(en) de handelingen van de verdachte tegen haar wil heeft ondergaan, het opzet van verdachte daarop was gericht en dit kan volgen uit de bewijsmiddelen.

Die feitelijkheid zou in de onderhavige zaak dan hebben moeten bestaan uit het gegeven dat [aangeefster] – volgens haar verklaringen – seksuele handelingen heeft moeten ondergaan onder de (niet door haar te weerstane) druk van de vijf in de kamer aanwezige jongens in een haar onbekende woning, die haar hebben aangezet tot het verrichten en ondergaan van die handelingen.

De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat [aangeefster] met vijf jongens in een voor haar onbekende woning seks heeft gehad onvoldoende is voor de vaststelling dat er sprake is geweest van dwang door feitelijkheden. Hierbij dienen naar het oordeel van de rechtbank tevens de overige van belang zijnde omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen.

De rechtbank acht de verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachten wat betreft de context waarin de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden niet onaannemelijk. De verklaringen van verdachte en zijn medeverdachten zijn niet alleen op hoofdpunten gelijkluidend en consistent, maar ook bijzondere details van het gebeurde voorafgaand, tijdens en na de seksuele handelingen komen overeen. De door [aangeefster] bij de politie en onder leiding van de rechter-commissaris afgelegde verklaringen wijken van die verklaringen af. Haar verklaringen zijn ook onderling minder gelijkluidend en consistent. Zo heeft zij onder meer met betrekking tot wat zich vooraf in [medeverdachte 1] portiek heeft afgespeeld, over hoe het pijpen van [medeverdachte 1] is gestopt en over hoe bedreigd ze zich zou hebben gevoeld doordat de seks plaatsvond in het bijzijn van vijf jongens niet in gelijke zin verklaard. Het laatste heeft zij bij de rechter-commissaris uiteindelijk afgezwakt tot ‘een beetje bedreigd’. De verklaringen van [aangeefster] vinden, met name op de met de verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachten afwijkende punten, onvoldoende steun in de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting.

Uit de verklaringen van de verdachten blijkt dat [aangeefster] vooraf via WhatsApp met een aantal van de jongens contact heeft gehad waarbij met een aantal van hen over ‘seks’ is gesproken, dat [aangeefster] vrijwillig naar de woning is meegegaan en zich in het portiek op haar initiatief heeft laten vingeren, dat zij vervolgens door een buurman zijn weggestuurd, waarna zij de woning van [medeverdachte 1] zijn binnengegaan. Voorts blijkt uit die verklaringen dat [aangeefster] voor aanvang van de seksuele handelingen in de woning van [medeverdachte 1] uitlatingen heeft gedaan waaruit de verdachte en de medeverdachten hebben afgeleid dat zij op dat moment seks wilde, dat de seksuele handelingen op initiatief van [aangeefster] zijn aangevangen met het pijpen van [medeverdachte 1] en dat [aangeefster] zich ook tijdens de seksuele handelingen heeft uitgelaten op een manier waaruit de verdachte en de medeverdachten afleidden dat zij instemde met de seksuele handelingen. [aangeefster] heeft na afloop op normale wijze afscheid genomen van de jongens. De jongens hebben op geen enkele wijze de indruk gekregen dat [aangeefster] niet (meer) instemde met de seksuele handelingen. Integendeel, direct na afloop van het gebeurde in de kamer van [medeverdachte 1] is [aangeefster] nog mee gegaan naar het huis van [medeverdachte 2] ([medeverdachte 2]). Daarna is zij met twee van de jongens naar haar eigen huis gegaan waar zij vervolgens op haar initiatief seksuele handelingen heeft gepleegd met [medeverdachte 2]. Ook achteraf heeft [aangeefster] via WhatsApp nog contact met de verdachten gehad. Zij heeft daarbij op geen enkele wijze aangegeven dat de seksuele handelingen (achteraf) tegen haar zin hebben plaatsgevonden noch dat zij enige vorm van dwang heeft ervaren.

De rechtbank is van oordeel dat uit de hiervoor overwogen omstandigheden waaronder die handelingen hebben plaatsgevonden onvoldoende blijkt dat [aangeefster] is gedwongen tot het ondergaan van de ten laste gelegde seksuele handelingen.

Gelet op al het overwogene kan het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen worden, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Het subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of in de voorliggende zaak sprake is

van ontuchtige handelingen.

Vaststaat dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen de (mede)verdachte(n) en [aangeefster] waarbij er tevens sprake is geweest van seksueel binnendringen van het lichaam.

Blijkens de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie strekt artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht tot bescherming van de seksuele integriteit van personen die gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen geacht moeten worden niet of onvoldoende in staat te zijn zelf die integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien. Onder omstandigheden kan aan seksuele handelingen met een persoon tussen de twaalf en zestien jaren het ontuchtige karakter echter ontbreken. Dat kan het geval zijn indien die handelingen vrijwillig plaatsvinden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen. Bij het oordeel over het al dan niet ontuchtige karakter van bepaalde handelingen komt het in belangrijke mate neer op de weging en waardering van de omstandigheden van het geval.

In de onderhavige zaak dient naar het oordeel van de rechtbank de vraag beantwoord te worden of er omstandigheden waren, waardoor het ontuchtige karakter aan de door verdachten gepleegde handelingen is komen te vervallen. De rechtbank gaat hierbij, zoals reeds eerder is toegelicht, uit van de verklaringen van de verdachte en de medeverdachten wat betreft de context waarin de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden.

Voorop gesteld kan worden dat de sociaal-ethische norm de afgelopen jaren is verschoven, in die zin dat jeugdigen op steeds jongere leeftijd seksueel actief zijn. De rechtbank is echter van oordeel dat niet in het algemeen gesteld kan worden dat deze norm zodanig is verschoven dat ook onderhavige seksuele handelingen inmiddels sociaal-ethisch aanvaardbaar zijn.

Op grond van hetgeen over het primair ten laste gelegde is geoordeeld, gaat de rechtbank ervan uit dat de onderhavige seksuele handelingen met instemming van [aangeefster] hebben plaatsgevonden.

Het leeftijdsverschil tussen [aangeefster], destijds 13 jaar, en de verdachte en zijn medeverdachten, destijds variërend in leeftijd van 13 jaar tot en met 16 jaar, verschilt van klein tot relatief groot. Opmerking verdient hierbij dat in het algemeen geldt dat meisjes zich in de puberteit eerder en sneller ontwikkelen dan jongens. In onderhavige zaak heeft [aangeefster] wat betreft haar seksuele ontwikkeling verklaard dat zij reeds sinds haar twaalfde jaar seksueel actief is en met een haar onbekend aantal jongens seksuele contacten heeft onderhouden ([aangeefster] heeft in dit verband gezegd dat zij het aantal jongens niet heeft geteld). Dat [aangeefster] bezig was met haar seksuele ontwikkeling blijkt tevens uit de naaktfoto’s en een filmpje (waarop te zien is dat zij zichzelf vingert) die zij, zoals zij ook heeft verklaard, in de periode voorafgaand aan de gepleegde seksuele handelingen (onder meer) naar de (mede)verdachte(n) heeft verzonden. De jongens hebben hierover verklaard dat [aangeefster] de foto’s en het filmpje zowel gevraagd als ongevraagd naar hen verstuurde en dat sommigen van hen in het bezit zijn (geweest) van wel dertig naaktfoto’s van [aangeefster].

Doordat [aangeefster] meermalen het initiatief nam tot en tijdens het plegen van de seksuele handelingen, is goed voorstelbaar dat de jeugdige (mede)verdachte(n) seksueel geprikkeld werden. [medeverdachte 2] (16 jaar),[medeverdachte 3] (13 jaar) en [medeverdachte 1] (die in de ten laste gelegde periode 16 jaar is geworden) hadden (beperkte) ervaring met meisjes op seksueel gebied, [medeverdachte 4]

(15 jaar) en [verdachte] (15 jaar) hadden nog geen enkele ervaring op dit gebied. Er was weliswaar sprake van een numeriek overwicht van de kant van de jongens, maar uit de verklaringen van de (mede)verdachte(n) valt eerder af te leiden dat zij zich hebben laten overrompelen, (mede) door het initiatief van [aangeefster], dan dat zij hun numerieke meerderheid hebben uitgebuit. Uit de verklaringen van de (mede)verdachte(n) kan voorts worden afgeleid dat zij zich door het initiatief van [aangeefster] en de sfeer die toen ontstond de seksuele handelingen vervolgens min of meer hebben laten gebeuren. Voor sommige jongens telde daarnaast mee dat zij bang waren niet voor vol te worden aangezien. De rechtbank acht op grond hiervan aannemelijk dat de jeugdige verdachte en medeverdachten onvoldoende in staat zijn geweest de gevolgen van hetgeen zich in de kamer van [medeverdachte 1] afspeelde te overzien en dat zij eerder zijn meegegaan met het initiatief van [aangeefster] dan dat zij zelf het voortouw hebben genomen.

De rechtbank is, alles afwegend, op grond van deze bijzondere omstandigheden van oordeel dat er op het moment van de seksuele handelingen sprake was van een zodanige en gelijkwaardige situatie tussen [aangeefster] en de (mede)verdachte(n), dat hierdoor het ontuchtig karakter aan de seksuele handelingen is komen te vervallen.

De rechtbank zal verdachte daarom ook van het subsidiair ten laste gelegde vrijspreken.

Feit 2

Het primair ten laste gelegde

De officier van justitie heeft zich ook hierover op het standpunt gesteld dat de verdachte veroordeeld dient te worden ten aanzien van de primair ten laste gelegde in vereniging gepleegde verkrachting. Hiertoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat [aangeefster] in de woning van[medeverdachte 5] was, in gezelschap van[medeverdachte 5], [verdachte] en [medeverdachte 6]. [verdachte] heeft toen gezegd dat [aangeefster] haar broek uit moest doen. Vervolgens hebben[medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] de broek en onderbroek van [aangeefster] uitgetrokken waarna [verdachte] haar benen wijd heeft gedaan en [aangeefster] heeft geneukt. Vervolgens heeft ook[medeverdachte 5] [aangeefster] geneukt. [aangeefster] heeft bij [verdachte] en[medeverdachte 5] aangegeven dat het pijn deed. [aangeefster] was bang en kon voor haar gevoel niet weg omdat de jongens haar kleding uit hadden getrokken en omdat ze met zijn drieën waren. Ook heeft [aangeefster] tegengestribbeld.

De verdachte en de medeverdachten hebben niet ontkend dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen hen en [aangeefster], die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Betwist wordt echter dat er sprake zou zijn geweest van dwang, hetgeen, aldus het bepaalde in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht, kan bestaan uit geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid.

Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende komen vast te staan dat er sprake is geweest van geweld uitgeoefend door de verdachten. Het enige directe bewijsmiddel voor de door [aangeefster] omschreven geweldshandelingen is de verklaring van [aangeefster]. In het dossier is op dit punt geen steunbewijs te vinden. Bovendien valt uit de verklaring van [aangeefster] zelf niet zonder meer af te leiden dat de benoemde geweldshandelingen (ontkleden en benen uit elkaar duwen) als geweldshandelingen zijn ervaren. Dergelijke handelingen kunnen ook als zodanig onderdeel zijn van het vrijwillig ondergaan van seksuele handelingen.

Blijft over de vraag of wellicht sprake is van dwang door feitelijkheden om [aangeefster] te dwingen tot het ondergaan van handelingen die onder meer hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Die feitelijkheid zou in de onderhavige zaak dan hebben moeten bestaan uit het gegeven dat [aangeefster] - volgens haar verklaringen - seksuele handelingen heeft moeten ondergaan onder de (niet door haar te weerstane) druk van de drie aanwezige jongens in een haar onbekende woning die haar hebben aangezet tot het verrichten en ondergaan van die handelingen.

De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat [aangeefster] met drie jongens in een voor haar onbekende woning seks heeft gehad onvoldoende is voor de vaststelling dat er sprake is geweest van dwang door feitelijkheden. Hierbij dienen naar het oordeel van de rechtbank tevens de overige van belang zijnde omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen.

De rechtbank acht de verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachten wat betreft de context waarin de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden niet onaannemelijk. De verklaringen van[medeverdachte 5], [verdachte] en [medeverdachte 6] zijn niet alleen op hoofdpunten gelijkluidend en consistent, maar ook bijzondere details van het gebeurde voorafgaand, tijdens en na de seksuele handelingen komen genoegzaam overeen, met name op de punten waarop door [aangeefster] anders is verklaard. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat [aangeefster] haar verklaring bij de politie vervolgens bij de rechter-commissaris enigszins afzwakt. Zo heeft zij desgevraagd verklaard dat zij niet meer weet wanneer zij tegen [medeverdachte 6] gezegd heeft dat zij geen ‘nee tegen een pik kan zeggen’, dat zij niet meer weet of zij toen zij bij [medeverdachte 6] op schoot kwam zitten zijn hand heeft gepakt en met die hand haar kut heeft gestreeld. Ook heeft ze bij die gelegenheid verklaard zich eigenlijk maar ‘een beetje bedreigd’ te hebben gevoeld door de aanwezigheid van de drie jongens. Opvallend is bovendien dat [aangeefster] heeft verklaard dat zij niet had gedacht dat het nog een keer zou gebeuren, terwijl getuige [naam getuige], een goede vriend van [aangeefster] die zij had verteld over hetgeen in de woning van [medeverdachte 1] was voorgevallen, heeft verklaard dat hij [aangeefster] gewaarschuwd heeft. [naam getuige] heeft verklaard dat [aangeefster] hem had verteld dat [medeverdachte 6] en[medeverdachte 5] haar gevraagd hadden seks met haar te hebben, maar dat zij dat had geweigerd. [aangeefster] dacht erover toch met hen af te spreken omdat ze het zielig vond voor [medeverdachte 6] en[medeverdachte 5]. [naam getuige] is toen boos geworden op [aangeefster] omdat ze zo eigenwijs deed. [naam getuige] heeft toen gezegd dat [aangeefster] dan maar moest doen wat ze zelf wilde ‘ook al wisten we allemaal hoe het af zou lopen.’

Uit de verklaringen van de verdachten blijkt dat de drie jongens gevraagd en ongevraagd meerdere naaktfoto’s van [aangeefster] hebben ontvangen en ook een of meer (seksueel getinte) filmpjes. [verdachte], die [aangeefster] in de woning van [medeverdachte 1] al had gevingerd, had via WhatsApp aan [aangeefster] gevraagd of ze seks wilde en [aangeefster] heeft toen ja gezegd. Verder heeft [medeverdachte 6] ook contact gehad met [aangeefster], waarbij [aangeefster] aan [medeverdachte 6] had gevraagd of hij seks met haar wilde. [medeverdachte 6] had ja gezegd en gevraagd wat [aangeefster] dan wilde. [aangeefster] heeft toen geantwoord ‘maakt mij niet uit want ik kan geen nee tegen een pik zeggen’. [medeverdachte 6] had, op de dag dat er seksuele handelingen zijn gepleegd in de woning van[medeverdachte 5], aan [aangeefster] gevraagd wat ze wilde doen die dag. [aangeefster] had toen gezegd dat ze gevingerd en geneukt wilde worden. [medeverdachte 6] heeft toen nog aan [aangeefster] gevraagd of ze echt seks wilde, wat [aangeefster] heeft bevestigd. [medeverdachte 6] vroeg [aangeefster] via WhatsApp naar de woning van[medeverdachte 5] te komen. [medeverdachte 6] had tegen [aangeefster] gezegd dat hij, [verdachte] en[medeverdachte 5] er zouden zijn en dat vond [aangeefster] geen probleem.

Toen [aangeefster] op schoot zat bij [medeverdachte 6], nam zij het initiatief door de hand van [medeverdachte 6] te pakken en daarmee haar vagina te strelen. [medeverdachte 6] heeft [aangeefster] toen gevingerd. [verdachte] heeft toen nogmaals gevraagd of [aangeefster] nog wilde neuken. Vervolgens heeft [aangeefster] haar broek en onderbroek uit gedaan, waarbij [medeverdachte 6] [aangeefster] heeft geholpen. [aangeefster] heeft ook haar shirt uit gedaan en is op het matras gaan liggen.[medeverdachte 5] heeft [aangeefster] gevingerd en op diens verzoek heeft [aangeefster][medeverdachte 5] onder een deken gepijpt terwijl [verdachte] en [medeverdachte 6] [aangeefster] vingerden. [verdachte] heeft [aangeefster] geneukt zonder dat de anderen erbij waren. Vervolgens heeft[medeverdachte 5] [aangeefster] geneukt zonder dat de anderen erbij waren. Toen moest [aangeefster] naar huis en deed daarom haar kleren aan.

[aangeefster] heeft na afloop op een normale, zelfs leuke, manier afscheid genomen van de verdachten waarbij ook [aangeefster] de jongens alledrie een knuffel heeft gegeven. [medeverdachte 6] heeft [aangeefster] later via WhatsApp gesproken en [aangeefster] heeft toen laten weten dat het wel pijnlijk was geweest maar dat ze het wel lekker had gevonden. Ook daarna heeft [aangeefster] nog normaal contact gehad met [medeverdachte 6] via WhatsApp.

De rechtbank is van oordeel dat uit de hiervoor omschreven omstandigheden waaronder de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, onvoldoende blijkt dat [aangeefster] is gedwongen tot het ondergaan van de ten laste gelegde seksuele handelingen.

Gelet op het overwogene kan het onder feit 2 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen worden, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Het subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank ziet zich vervolgens ook ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde voor de vraag gesteld of in voorliggende zaak sprake is van ontuchtige handelingen.

Zoals hiervoor overwogen, staat vast dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen de verdachten en [aangeefster] waarbij tevens sprake is geweest van seksueel binnendringen van het lichaam.

De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de uitleg en strekking van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht.

Centraal staat de vraag of er omstandigheden waren waardoor het ontuchtig karakter aan de door de verdachten gepleegde handelingen is komen te vervallen. Evenals bij het primair ten laste gelegde acht de rechtbank ook ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde de verklaringen van de verdachte en de medeverdachten niet onaannemelijk.

Zoals ook ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde is overwogen, moet geconstateerd worden dat de sociaal-ethische norm de afgelopen jaren is verschoven in die zin dat jeugdigen op steeds jongere leeftijd seksueel actief zijn. De rechtbank is echter van oordeel dat niet in het algemeen geldt dat deze norm zodanig is verschoven dat ook de onderhavige seksuele handelingen inmiddels sociaal-ethisch aanvaardbaar zijn.

Op grond van hetgeen over het onder 2 primair ten laste gelegde is geoordeeld, gaat de rechtbank ervan uit de onderhavige seksuele handelingen met instemming van [aangeefster] hebben plaatsgevonden.

Er is sprake van een leeftijdsverschil tussen de verdachte en de medeverdachten enerzijds en [aangeefster] anderzijds dat varieert van één tot drie/vier jaar waarbij de jongens ouder waren dan [aangeefster]. Allemaal waren zij jonger dan 18 jaar. Zoals hiervoor met betrekking tot feit 1 subsidiair is overwogen, was [aangeefster] al verder in haar seksuele ontwikkeling. [aangeefster] heeft ook hieraan voorafgaand naaktfoto’s en één of meer filmpjes naar de (mede)verdachte(n) gestuurd. Tevens is er van tevoren via WhatsApp over seks gesproken. Voor [verdachte] waren de seksuele contacten die hij met [aangeefster] had zijn eerste seksuele ervaringen. [aangeefster] is ten aanzien van de seksuele handelingen degene die het initiatief nam en degene die bepaalde wanneer de seksuele handelingen stopten door zichzelf aan te kleden. [medeverdachte 6] heeft aangegeven dat hij wel enige mate van groepsdruk heeft gevoeld op het moment dat de seksuele handelingen in het bijzijn van twee vrienden plaatsvonden. Ook[medeverdachte 5] geeft aan dat hij zich niet helemaal op zijn gemak heeft gevoeld. Het lijkt erop dat de verdachte en medeverdachten zijn meegegaan in de door [aangeefster] geïnitieerde seksuele handelingen waarbij zij zich de seksuele handelingen hebben laten gebeuren. Uit hun verklaringen kan worden afgeleid dat zij zelf onvoldoende in staat zijn geweest de gevolgen voor henzelf en voor [aangeefster] te overzien. Aannemelijk is dat zij zijn meegegaan in het door [aangeefster] ten toon gespreide initiatief, waarbij [aangeefster] er naar de (mede)verdachte(n) toe geen blijk van heeft gegeven enige druk te hebben gevoeld. Integendeel, zij heeft op een normale manier afscheid genomen en nadien heeft zij juist aangegeven dat zij het fijn had gevonden.

De rechtbank is, alles afwegend, op grond van deze omstandigheden van oordeel dat er op het moment van de seksuele handelingen sprake was van een zodanige en gelijkwaardige situatie tussen [aangeefster] en de verdachten, dat hierdoor het ontuchtig karakter aan de seksuele handelingen is komen te vervallen.

De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken ten aanzien van het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ/SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [aangeefster], wonende te [adres], ter zake van de tenlastegelegde feiten.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij vordert tevens de wettelijke rente over genoemd bedrag en verzoekt de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

De raadsman heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring dan wel afwijzing van de vordering van de benadeelde partij; primair omdat hij vrijspraak heeft bepleit, subsidiair wegens onvoldoende onderbouwing van de vordering. Meer subsidiair heeft de raadsman geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering nu deze een onevenredige belasting van het strafgeding vormt.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu aan de verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing heeft gevonden.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde en het onder feit 2 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, welke voorlopige hechtenis bij eerdere beslissing is geschorst;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering; bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.A. van der Laan-Kuijt, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. G.M. Paling en S.C.C. Hes-Bakkeren, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.I. van der Hoek, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 oktober 2014.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

TEKST TENLASTELEGGING.

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij

in of omstreeks de periode van 01 september 2013 tot en met 28 september 2013

(in een woning gelegen aan [adres]) te Capelle aan den IJssel

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of

(een) andere feitelijkhe(i)d(en) [aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan

van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het

seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster], namelijk

het brengen en/of houden van zijn/hun penis(sen) en/of vinger(s) in de vagina

en/of de mond van die [aangeefster],

het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met

geweld en/of de bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben

bestaan uit het

- ( naar zich toe)trekken op het bed en/of

- geheel en/of gedeeltelijk ontkleden van die [aangeefster] en/of

- uit elkaar duwen/trekken van de benen van die [aangeefster] en/of

- vastpakken van het hoofd en/of het haar/de haren van die [aangeefster] en/of

- vastpakken bij de schouders en/of de armen van die [aangeefster] en/of

- toevoegen van de woorden: "staak het, staak het", of vergelijkbare woorden

en/of

- creëren van een dusdanige dreigende en /of intimiderende situatie dat die

[aangeefster] zich daaraan niet kon en/of durfde te onttrekken;

(Artikel 242/47 en 248 Wetboek van Strafrecht)

art 242 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij

in of omstreeks de periode van 01 september 2013 tot en met 28 september 2013

(in een woning gelegen aan [adres]) te Capelle aan den IJssel

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met iemand

de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt,

te weten met [aangeefster] (geboren op [geboortedatum] 2000), buiten echt ontuchtige

handelingen heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het

seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster], namelijk het

brengen en/of houden van zijn/hun penis(sen) en/of zijn/hun vinger(s) in de

vagina en/of de mond van die [aangeefster];

(Artikel 245/47 en 248 Wetboek van Strafrecht)

art 245 Wetboek van Strafrecht

art 248 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij

in of omstreeks de periode van 01 september 2013 tot en met 28 september 2013

(in een woning gelegen aan [adres]) te Capelle aan den IJssel

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of

(een) andere feitelijkhe(i)d(en) [aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan

van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het

seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster], namelijk

het brengen en/of houden van zijn/hun penis(sen) en/of vinger(s) in de vagina

en/of de mond van die [aangeefster],

het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met

geweld en/of de bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben

bestaan uit het

- geheel en/of gedeeltelijk ontkleden van die [aangeefster] en/of

- uit elkaar duwen/trekken van de benen van die [aangeefster] en/of

- creëren van een dusdanig dreigende en/of intimiderende situatie dat die

[aangeefster] zich daaraan niet kon en/of durfde te onttrekken;

(Artikel 242/47 en 248 Wetboek van Strafrecht)

art 242 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij

in of omstreeks de periode van 01 september 2013 tot en met 28 september 2013

(in een woning gelegen aan [adres]) te Capelle aan den IJssel

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met iemand

de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt,

te weten met [aangeefster] (geboren op [geboortedatum] 2000), buiten echt ontuchtige

handelingen heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het

seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster], namelijk het

brengen en/of houden van zijn/hun penis(sen) en/of vinger(s) in de

vagina en/of mond van die [aangeefster];

(Artikel 245/47 en 248 Wetboek van Strafrecht)

art 245 Wetboek van Strafrecht

art 248 lid 1 Wetboek van Strafrecht