Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:10827

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-06-2014
Datum publicatie
02-03-2015
Zaaknummer
1410784
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding na onrechtmatige ontruiming; tussenvonnis

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 1410784 CV EXPL 13-1327

uitspraak: 13 juni 2014

vonnis van de kantonrechter, zittinghoudende te Rotterdam

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te Rotterdam,

eiser,

gemachtigde: mr. E.H.P. Dingenouts te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te Rotterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. N. Lagerweij te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid met ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’.

1 Het verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

  • -

    het tussenvonnis van 15 november 2013 met de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

  • -

    het proces-verbaal van de op 14 januari 2014 gehouden comparitie van partijen;

  • -

    de acte van [eiser], houdende een vermindering van eis;

  • -

    de acte van [gedaagde].

De kantonrechter heeft de uitspraak van het vonnis nader bepaald op heden.

2 Aanvullende vaststaande feiten

Aan de reeds bij tussenvonnis van 15 november 2013 vastgestelde feiten worden de navolgende feiten als vaststaand toegevoegd, omdat deze enerzijds zijn gesteld en anderzijds niet of onvoldoende zijn bestreden.

2.1

Op 27 september 2008 en op 12/13 november 2009 hebben zich lekkages voorgedaan in de woning.

2.2

Bij brief van 3 oktober 2008 schreef de gemachtigde van [eiser] aan [gedaagde]:

“Op zaterdag 27 september jl. heeft cliënt te kampen gehad met een lekkage van de bovenburen. Deze lekkage heeft de nodige inboedel beschadigd en onbruikbaar gemaakt. De hulpdiensten zoals politie en brandweer zijn ingeschakeld teneinde de lekkage te stoppen. Evenwel is woning onbewoonbaar.

Hierbij stel ik u namens cliënt aansprakelijk voor de schade. Ik wil u verzoeken om binnen 14 dagen na heden de gevolgen van de lekkage te herstellen, bij gebreke waarvan de schade op u zal worden verhaald.”

3 De verdere beoordeling van het geschil

3.1

Ter verhoging van de doelmatigheid van de comparitie van partijen heeft de kantonrechter in zijn tussenvonnis van 15 november 2013 over de verschillende vorderingen een voorlopig oordeel gegeven, uitgaande van de toen voorliggende feiten en standpunten. Aan partijen is voorgehouden dat nader te verstrekken inlichtingen tot een ander eindoordeel kunnen leiden. De kantonrechter heeft partijen de gelegenheid geboden te reageren op de inhoud van het proces-verbaal. Dat hebben partijen gedaan in hun akte van 18 maart 2014. Aan al hetgeen buiten dit kader wordt aangevoerd zal de kantonrechter voorbijgaan. Partijen hebben immers door van repliek en dupliek te concluderen, ampel de gelegenheid gehad hun standpunt te verwoorden. Het innemen van nieuwe stellingen of het aanvoeren van niet eerder opgeworpen verweren, wordt als strijdig met een goede procesorde, niet meer toegelaten.

3.2

Aangesloten en volhard wordt bij hetgeen in voormeld tussenvonnis werd overwogen en beslist, voor zover hierna niet uitdrukkelijk daarvan afgeweken wordt.

3.3

Zoals reeds overwogen, is [gedaagde] aansprakelijk voor de schade die [eiser] geleden heeft ten gevolge van de achteraf gebleken onrechtmatige ontruiming. In dit vonnis zal nader worden vastgesteld welke schadeposten voor toewijzing in aanmerking komen. Daarvoor wordt de volgorde aangehouden als gebruikt in voormeld tussenvonnis.

Ad A (€ 3.000,00 /schadevergoeding lekkages)

3.4

[eiser] heeft zijn vordering beperkt tot de gevolgen van de lekkages op 27 september 2008 en op 12/13 november 2009, waarvan hij stelt dat deze tot schade hebben geleid aan onder andere diverse elektronica en toebehoren, meubels en overige inventaris.

De waterlekkage op 27 september 2008

3.5

[gedaagde] heeft in zijn akte (van 18 maart 2014) nader aangevoerd dat de waterschade van 27 september 2008 als “definitief geregeld” kan gelden. [gedaagde] beroept zich in dit verband op de eerdergenoemde brief van 3 oktober 2008 (rov 2.2). Dit beroep wordt afgewezen. [gedaagde] heeft de gevolgen van de lekkage, dat wil zeggen de schade, immers niet ‘hersteld’. Bovendien houdt de wijze waarop deze brief is geformuleerd geen onherroepelijk afstand van recht in.

3.6

Op grond van artikel 7:205 BW zijn naast de bepalingen uit titel 4 van boek 7, ook de algemene bepalingen uit boek 6 van toepassing. Artikel 6:174 BW, waarop [eiser] subsidiair een beroep doet, ziet echter op risicoaansprakelijkheid van de bezitter van de opstal en geldt in het geval een opstal door de gebrekkigheid ervan een gevaar oplevert en het gevaar zich verwezenlijkt. Dat van zodanig gevaar sprake was is gesteld noch gebleken.

3.7

Zoals reeds in het tussenvonnis overwogen is, is [gedaagde] slechts aansprakelijk voor de schade voor zover deze hem toe te rekenen is (artikel 6:74 lid 1 BW). Bepalend is dan ook of de oorzaak van de schade gelegen is in een gebrek, in welke geval artikel 7:208 BW van toepassing is, dan wel aan derden of aan andere omstandigheden toe te schrijven is.

3.8

Partijen verschillen van mening over de oorzaak van deze lekkage. [gedaagde] stelt dat de lekkage veroorzaakt werd door de bovenbuurman “die aan zijn douche aan het werken was”. Daarbij is een leiding losgesprongen en is schade in de wc en in de keuken ontstaan die hersteld is door de bovenbuurman, aldus [gedaagde]. [gedaagde] stelt voorts dat hij de waterschade heeft doen herstellen voor rekening van de veroorzakende bovenburen, zodat hij ervan uit kon gaan dat schade niet meer op hem zou worden verhaald (conclusie van repliek blz. 11).

3.9

[eiser] stelt –anders dan [gedaagde]– dat de schade is ontstaan uitsluitend in de woonkamer en niet in de keuken of de wc. Bij repliek verduidelijkt [eiser] zijn standpunt en stelt dat de oorzaak van de lekkage gelegen is in het ondeugdelijk aanbrengen van de keuken door [gedaagde] die, toen hij eigenaar werd, de derde verdieping in tweeën heeft verdeeld en in ieder deel een keukenblok heeft geïnstalleerd en op de zolderverdieping een douche heeft aangebracht. Kortom, Mastbroek stelt dat de lekkage het gevolg is van de ondeugdelijk door [gedaagde] aangebrachte voorzieningen in de woning(en) boven het gehuurde. De uitleg die [eiser] geeft aan de passage in de brief van 3 oktober 2008

(“… een lekkage van de bovenburen.”) wordt aangenomen, zodat deze passage gelezen wordt als een lekkage bij, maar niet veroorzaakt door de bovenburen.

3.10

Ter toelichting op de stelling dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming heeft [eiser] in zijn akte (van 18 maart 2014) verwezen naar het als productie L bij dagvaarding overgelegde arrest van 4 oktober 2011 en de daarin vastgestelde feiten.

Aan de inhoud van het arrest en de daaraan ten grondslag liggende stukken waaronder de uitspraak van de huurcommissie waartegen geen van de partijen tijdig is opgekomen, wordt in deze procedure het als vaststaand aangenomen dat de algehele onderhoudstoestand van de woning slecht was en herstel behoefde. Daarmee is echter nog geen grond gegeven voor de aansprakelijkheid voor de gevolgen van de lekkage op 27 september 2008. Gezien de toelichting van [eiser] is de lekkage immers niet het gevolg van de algehele slechte staat van onderhoud waarmee [gedaagde] bekend was, maar het gevolg van het ondeugdelijk aanbrengen van de voorzieningen (keukens en een douche) op de bovengelegen verdieping en zolder door [gedaagde].

3.11

Als het standpunt van [gedaagde] juist is en aangenomen moet worden dat de bovenburen de lekkage veroorzaakt hebben doordat zij buiten medeweten van [gedaagde] aan de douche hebben gewerkt waardoor een leiding is losgesprongen en de waterschade werd veroorzaakt, is niet [gedaagde], maar zijn de bovenburen aansprakelijk. Als het juist is dat de lekkage werd veroorzaakt door de ondeugdelijke wijze waarop de keukens en/of douche door [gedaagde] zijn aangelegd, is [gedaagde] aansprakelijk.

3.12

[eiser] zal conform zijn bewijsaanbod worden toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat de schade op 27 september 2008 is veroorzaakt door het ondeugdelijk aanbrengen van de keukens op de bovengelegen verdieping en/of van de douche op zolder door [gedaagde].

3.13

Indien [eiser] slaagt in het leveren van het hem opgedragen bewijs en de grondslag voor de vordering komt vast te staan, zal de kantonrechter aan de hand van de thans versterkte gegevens de omvang van de schade beoordelen.

De lekkage op 12/13 november 2009

3.14

Aan de omstandigheid dat de lekkage zich voordeed op een moment ná de afgesproken datum van ontruiming komt in deze zaak, mede gezien het feit dat, naar later wordt vastgesteld, de huurovereenkomst op 12/13 november 2009 nog voortduurde, geen betekenis toe. Anders dan met betrekking tot de lekkage van 27 september 2008 is ten aanzien van de lekkage op 13 november 2009 ter comparitie, noch in de latere akte, een duidelijke oorzaak gesteld, behalve dat de lekkage ‘afkomstig was van bovengelegen verdiepingen’ was. In het tussenvonnis is overwogen dat gelet op de bij het ‘proces-verbaal van constatering’ overgelegde foto’s de indruk ontstaat dat sprake was van een eenmalige en ernstige lekkage die niet het gevolg is van achterstallig onderhoud. Nu ten aanzien van de lekkage op 13 november 2009 geen duidelijke oorzaak is gesteld en deze niet zonder meer volgt uit de (als vaststaand aangenomen) algehele slechte staat van onderhoud, wordt dit onderdeel van de vordering afgewezen. Aan bewijslevering wordt dus niet toegekomen.

Ad B (€ 41,78 / teveel betaalde huur)

3.15

Dit onderdeel van de vordering is reeds gegrond bevonden in het eerder genoemd tussenvonnis en wordt bij eindvonnis toegewezen.

Ad C (verminderd tot € 630,36 / schadevergoeding)

3,16 [eiser] vordert schadevergoeding omdat hij de nieuwe huurwoning niet heeft kunnen gebruiken omdat hij nog geen geld van SoZaWe had ontvangen voor de inrichting.

De gevorderde vergoeding van de administratiekosten zijn als direct gevolg van de onrechtmatige ontruiming toewijsbaar. Bij eindvonnis zal hiervoor € 76,00 worden toegewezen.

3.17

[eiser] heeft naar hij stelt huur moeten betalen voor een woning waarvan hij gedurende twee maanden geen gebruik heeft kunnen maken omdat hij geen geld had voor de inrichting. [eiser] heeft nader gesteld dat de hoofdreden voor deze schade gelegen is in de onrechtmatige ontruiming en niet in de beschadiging van de inboedel door de lekkages. [gedaagde] is aansprakelijk voor de schade die het gevolg is van de onrechtmatige ontruiming. De schade moet echter wel voldoende causaal verband hebben met de onrechtmatige ontruiming. Dat [eiser], naar hij stelt, geen gebruik heeft kunnen maken van de hem ter beschikking gestelde woning omdat hij geen geld voor de inrichting had, staat in een te ver verwijderd verband met de tekortkoming van [gedaagde] om deze schade als een gevolg daarvan aan [gedaagde] toe te kunnen rekenen. Dit onderdeel van de vordering (voor zover het de betaalde huur betreft) wordt als ongegrond afgewezen.

Ad D (verminderd tot € 5.396 / verhuis- en inrichtingskosten)

3.18

De omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien de schadeveroorzakende gebeurtenis niet zou hebben plaatsgevonden (HR 26 maart 2010, LJN BL0539, RvdW 2010, 468). Uitgangspunt is derhalve een concrete schadeberekening. Op dit uitgangspunt zijn zowel in de wet als in de rechtspraak uitzonderingen aanvaard. In bijzondere gevallen kan namelijk een abstracte schadeberekening gerechtvaardigd zijn en wel op grond van praktische overwegingen (doelmatigheid) en/of de redelijkheid van het resultaat. In dit geval ziet de kantonrechter geen aanleiding om van de rechtsregel van de concrete schadevergoeding af te wijken.

3.19

Uitgangspunt is en blijft dat [eiser] recht heeft op integrale vergoeding van de werkelijk gemaakte mits redelijke verhuis- en inrichtingskosten. Met dit uitgangspunt verdraagt zich niet om de forfaitaire vergoeding die woningcorporaties plegen te betalen bij onvrijwillige verhuizing als minimum te beschouwen.

3.20

[eiser] is in de gelegenheid gesteld deze kosten nader te specificeren en te onderbouwen met justificatoire bescheiden. Hiervan is geen gebruik gemaakt. Nu voldoende vaststaat dat [eiser] schade heeft geleden en de omvang daarvan niet nauwkeurig is vast te stellen, zal de kantonrechter deze moeten schatten, daarbij strevend naar een zo volledig mogelijke vergoeding van de werkelijk geleden schade.

3.21

Die schatting wordt gedaan aan de hand van de feitelijke omstandigheden zoals die uit de stukken blijken ten aanzien van de omvang de van de inboedel van [eiser]. [gedaagde] heeft [eiser] omschreven als een bijstandsuitkeringsgerechtigde klusjesman die het gehuurde aanhield als rommelhok en verblijfplaats voor zijn vele katten, waarschijnlijk ter voorkoming van korting op zijn uitkering wegens samenwoning met mevrouw [S.]. Aan deze overigens niet nader onderbouwde omschrijving van de inrichting en meubilering van de woning, neerkomend op de stelling dat de inboedel in feite waardeloze spullen betreft, gaat de kantonrechter voorbij en zal zich laten leiden door de foto’s die met het proces-verbaal van constatering zijn overgelegd. Deze foto’s tonen voldoende aan dat in de woning de gebruikelijke meubels voor normale bewoning aanwezig waren evenals overige persoonlijke eigendommen. Dat [eiser] kosten heeft moeten maken om deze inboedel te verhuizen is aannemelijk, zij het dat deze beperkt zullen zijn gebleven nu hij de verhuizing zelf met hulp van enige vrienden heeft uitgevoerd. Ook is aannemelijk dat [eiser] algemene en gebruikelijke kosten (vloerbedekking, stoffering e.d.) heeft moeten maken die inherent zijn aan de herinrichting van een woning. Op basis van de thans voorliggend gegevens schat de kantonrechter de totale kosten (hoofdzakelijk inrichtingskosten nieuwe woning) op € 2.750,00. Dit bedrag zal bij eindvonnis worden toegewezen.

Ad E (nakoming, subsidiair vervangende schadevergoeding)

3.22

[eiser] heeft bij akte van 18 maart 2014 afstand gedaan van zijn primaire vordering tot nakoming en gekozen voor de subsidiair gevorderde (secundaire) vervangende schadevergoeding. Dit houdt een wijziging van de grondslag van de vordering in, zodat beoordeeld moet worden of [eiser] daartoe bevoegd was en [gedaagde] de gelegenheid heeft gehad zich daartegen te verzetten. Nu nog geen eindvonnis gewezen is, is [eiser] bevoegd zijn eis te wijzigen. Blijkens het proces-verbaal van de comparitiezitting heeft [eiser] al ter comparitiezitting aangegeven deze wijziging van eis te willen. Echter, deze ter zitting uitgesproken wens kan niet gelijkgesteld worden met de vereiste schriftelijke omzettingsverklaring als bedoeld in artikel 6:87 lid 1 BW, zodat deze omzettingsverklaring voor het eerst in de akte van 18 maart 2014 te lezen is. Hierop heeft [gedaagde] niet kunnen reageren in zijn gelijktijdige akte. Voor het alsnog bieden van die mogelijkheid wordt geen aanleiding gezien gelet op het navolgende. Omzetting naar vervangende schadevergoeding is niet mogelijk wanneer nakoming blijvend onmogelijk is.

De kantonrechter heeft de partijen in het tussenvonnis erop gewezen dat hij omtrent de feitelijke mogelijkheden voor [gedaagde] om de woning weer aan [eiser] ter beschikking te stellen geïnformeerd wilde worden. [eiser] is blijven betwisten dat [gedaagde] in de onmogelijkheid verkeert en verkeerde om de woning weer aan [eiser] te verhuren. [gedaagde] heeft aangevoerd dat de woning na eerst te zijn gerenoveerd, per 1 mei 2010 is verhuurd aan de heren [S. en L.], daarbij verwijzend naar de als productie 5 bij antwoord overgelegde huurovereenkomst. Deze betwisting is vooralsnog niet toereikend. Het overgelegde huurcontract is immers niet ondertekend en geldt voor een periode van een jaar, terwijl nergens uit blijkt dat de huurovereenkomst is voortgezet. Het ligt op de weg van [gedaagde] om te bewijzen dat hij de woning aan de [adres] te Rotterdam na de ontruiming door [eiser] en renovatie, verhuurd heeft aan een derde, dan wel anderszins praktisch en/of wettelijk niet in staat was en is om voornoemde woning alsnog aan [eiser] ter beschikking te stellen zonder zich onredelijk offers te getroosten.

Ad F (vertragingsschade)

3.23

Gelet op het belang van de uitkomst van de bewijslevering omtrent de blijvende onmogelijk tot nakoming, in welk geval van verzuim geen sprake meer kan zijn, wordt de beoordeling van dit onderdeel nu aangehouden.

Ad G (buitengerechtelijke kosten )

3.24

Het voorlopig standpunt van de kantonrechter, gebaseerd op het rapport Voorwerk II zoals weergegeven in het tussenvonnis, wordt herzien. Aan [eiser] is een toevoeging verstrekt die afhankelijk van de uitkomst van deze procedure kan worden ingetrokken. De beoordeling van deze post wordt daarom aangehouden tot de eindbeoordeling.

6 De beslissing

De kantonrechter,

alvorens verder te beslissen,

laat [eiser] toe met alle middelen rechtens te bewijzen dat de lekkage op 27 september 2008 het gevolg was van het ondeugdelijk aanbrengen van de keukens en een douche op de bovengelegen verdieping en zolder door, althans in opdracht van [gedaagde];

laat [gedaagde] toe te bewijzen dat hij de woning aan de [adres]na de ontruiming door [eiser] en renovatie, verhuurd heeft aan een derde, dan wel anderszins praktisch en/of wettelijk niet in staat was en is om voornoemde woning alsnog aan [eiser] ter beschikking te stellen zonder zich onredelijk offers te getroosten.

verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 8 juli 2014 te 14.30 uur om partijen de gelegenheid te geven zich bij akte uit te laten of en hoe zij aan hun bewijsopdracht willen voldoen en/of stukken het probandum betreffende in het geding te brengen;

indien partijen getuigen wil doen horen, dienen zij opgave te doen van naam en woonplaats van de te horen getuigen, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata in de komende drie maanden van alle betrokkenen, opdat aansluitend een datum en tijdstip voor de getuigenverhoren kan worden vastgesteld.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Vlaswinkel en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

693