Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:10820

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-11-2014
Datum publicatie
25-02-2015
Zaaknummer
C/10/461496 / KG ZA 14-995
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

nakoming. Kwalitatieve verplichting ex artikel 6:252 BW met derdenwerking? Vordering toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2015/57

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/461496 / KG ZA 14-995

Vonnis in kort geding van 20 november 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INTER BUILDING GROUP B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. A.P. van Oosten,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MOERVAST TRANSFORMATIONS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. F. van Westrhenen.

Partijen zullen hierna Inter Building en Moervast genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de eis in reconventie;

  • -

    de mondelinge behandeling;

  • -

    productie 1 t/m 30 zijdens Inter Building;

  • -

    producties 1 t/m 18 zijdens Moervast;

  • -

    de pleitnota van Inter Building;

  • -

    de pleitnota van Moervast.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Inter Building is eigenaar van de percelen met grond en panden aan de [straat1]. De panden zijn in gebruik als kantoorpanden. Achter de panden ligt een tuin die niet vanaf de openbare weg toegankelijk is (hierna ook: de stadstuin).

2.2.

Tot 2000 had Inter Building tevens enkele panden en grond aan de [straat2] in eigendom. In 2000 heeft Inter Building deze grond en panden aan de [straat2] verkocht aan Aanneming-Maatschappij [verkoper]. (hierna: [verkoper]).

2.3.

Op de gekochte grond heeft [verkoper] het pand ‘[appartement]’ (adres [straat2] 20, 30 en 40) gerealiseerd, bestaande uit een parkeergarage, bedrijfsruimte en woonappartementen. De perceelnummers zijn op enig moment gewijzigd, maar uitgaande van de thans geldende nummers van de percelen, betreft het perceel [perceel] een strook grond van ca. 2 meter aan de achterzijde van ‘[appartement]’, dat thans deel uitmaakt van de tuin behorend bij de [straat1].

2.4.

Voorafgaand aan de verkoop aan [verkoper] hebben Inter Building en [verkoper] afspraken gemaakt over de stadstuin. In de koopovereenkomst d.d. 3 maart 2000 is hierover de volgende bepaling opgenomen:

“Vestiging kwalitatieve verplichting

Artikel 24

In de akte van levering zal ten gunste van verkoper en ten laste van het verkochte een kwalitatieve verplichting worden bedongen teneinde te bewerkstelligen dat verkoper gerechtigd is om – na realisatie van de voorgenomen planontwikkeling van koper – boven de aan te leggen parkeerkelder, op maaiveld doorlopend tot het appartementengebouw, de tuin met parkeervoorzieningen door te trekken en te handhaven, aansluitend aan de tuin die verkoper op het naburige erf in eigendom behoudt. De kosten van aanleg, onderhoud en vernieuwing van de tuin zijn voor rekening van verkoper. Koper dient de tuin en toegang tot die tuin ten gunste van verkoper respectievelijk diens rechtsopvolgers te dulden voor de duur dat het appartementsgebouw blijft bestaan.

2.5.

In de akte van levering d.d. 5 oktober 2000 is de volgende bepaling opgenomen:

“Vestiging kwalitatieve verplichting

Ter uitvoering van hetgeen tussen partijen ter zake is overeengekomen in de aan deze levering ten grondslag liggende koopovereenkomst worden hierbij de navolgende kwalitatieve verplichtingen als bedoeld in artikel 252 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek bedongen en aanvaard:

Koper zal dulden dat verkoper – na realisatie van de voorgenomen planontwikkeling van koper op het verkochte – boven de aan te leggen parkeerkelder, op maaiveld doorlopend tot het op het verkochte te stichten appartementengebouw, de tuin met parkeervoorzieningen door zal trekken en handhaven, aansluitend aan de tuin die verkoper op het naburige erf, kadastraal bekend gemeente Rotterdam sectie [sectie]nummers [nummers] en [nummers], plaatselijk bekend te Rotterdam als [straat1], in eigendom behoudt. De kosten voor aanleg, onderhoud en vernieuwing van de tuin zijn voor rekening van verkoper. Koper dient de tuin en toegang tot de tuin ten gunste van verkoper respectievelijk diens rechtsopvolgers te dulden voor de duur dat het op het verkochte te stichten appartementsgebouw blijft bestaan. Voor de situering van de door koper voorgenomen planontwikkeling en de begrenzing van parkeerkelder respectievelijk de bouw van de opstallen wordt verwezen naar een aan deze akte gehechte tekening waarbij met schetsmatig kruisarcering is aangegeven op welk gedeelte de hiervoor gevestigde kwalitatieve verplichting toepassing vindt.”

2.6.

[verkoper] heeft de percelen [perceel], [perceel] en [perceel] verkocht en geleverd aan een derde.

In de leveringsakte van 17 april 2003 is de in 2.5. genoemde bepaling ‘vestiging kwalitatieve verplichting’ opgenomen.

2.7.

[verkoper] heeft - kort gezegd – meerdere appartementsrechten voor het gebruik van parkeerplaatsen op onder meer de percelen [perceel], 1973, [perceel] en [perceel] verkocht en geleverd aan Inter Building. In de leveringsakte van 28 juli 2005 is de in 2.5. genoemde bepaling ‘vestiging kwalitatieve verplichting’ opgenomen.

2.8.

Moervast is op 2 mei 2014 eigenaar geworden van de appartementsrechten op de begane grond van [appartement]. In de akte van levering, met [verkoper1] als verkoper en Moervast als koper, is de in 2.5. genoemde bepaling ‘vestiging kwalitatieve verplichting’ opgenomen.

2.9.

Op 26 september 2014 is een koopovereenkomst gesloten tussen Arrange IT B.V. als verkoper en Moervast als koper ten aanzien van ‘Restpercelen binnentuin [straat2] te Rotterdam’. In de akte van levering van 26 september 2014 is onder 6.2 sub (b) de in 2.5 genoemde bepaling ‘vestiging kwalitatieve verplichting’ opgenomen.

2.10.

Moervast is voornemens de bedrijfsruimte om te bouwen tot woonruimte en heeft daartoe de appartementsrechten reeds verkocht.

Ten aanzien van de 2 meter brede strook grond (perceel [perceel]), dat tot nu toe steeds deel uit heeft gemaakt van de tuin behorend bij de [straat1], luidt de tekst van Moervast in de technische specs d.d. 1 augustus 2014 bij de koopovereenkomsten:

“(…)

3. Buitenruimte

Tot twee meter uit de achtergevel is de buitenruimte van de VVE [appartement], met een gebruiksrecht voor het achterliggende kantorencomplex. Wij zijn voornemens deze buitenruimte in te richten met een hardhouten vlonder, welke iets hoger komt te liggen dan de rest van de tuin. (…) De inrichting van de tuin geschiedt in overleg met het achterliggende kantorencomplex. De rest van de buitenruimte is in eigendom van het achterliggende kantorencomplex.

(…)”

3 Het geschil in conventie

3.1.

Inter Building vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om:

1. Moervast alsmede haar rechtsopvolgers in hoedanigheid van toekomstig eigenaren

van de [straat2] 20 en/of [straat2] 30 en/of [straat2] 40 te Rotterdam te

verbieden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 200.000 (zegge:

twee honderd duizend euro) per overtreding, wijzigingen aan te brengen in de

achtergevel/pui van de [straat2] 20 en/of [straat2] 30 en/of [straat2] 40 te

Rotterdam, zulks in de ruimste zin des woords, waaronder het al dan niet

gedeeltelijk slopen, verwijderen en/of vervangen van de bestaande achtergevel/pui

zoals die ten tijde van het uitbrengen van deze dagvaarding thans, blijkens de als

Productie 8 overgelegde en aan dit vonnis gehechte foto’s, aanwezig is;

2. Moervast, alsmede haar rechtsopvolgers in hoedanigheid van toekomstig eigenaren

van de [straat2] 20 en/of [straat2] 30 en/of Houttaan 40 te Rotterdam te

verbieden, op straffe van een dwangsom van EUR 20,000 (zegge: twintig duizend

euro) per overtreding, de stadstuin direct grenzend aan de achtergevel van de

[straat2] 20 en/of [straat2] 30 en/of [straat2] 40 te Rotterdam te betreden, daarin

wijzigingen aan te brengen en/of zaken te plaatsen;

3. Moervast, alsmede haar rechtsopvolgers in hoedanigheid van toekomstig eigenaren

van de [straat2] 20 en/of [straat2] 30 en/of [straat2] 40 te Rotterdam te gebieden

aan haar rechtsopvolgers in hoedanigheid van kopers van de [straat2] 20 en/of

[straat2] 30 en/of [straat2] 40 te Rotterdam, de onderhavige uitspraak in kort geding binnen 48 uur bij deurwaardersexploot ter kennis te brengen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 10.000 voor iedere dag dat Gedaagden daarmee in gebreken blijven;

Alles met veroordeling van gedaagde in de kosten van dit kort geding.

3.2.

Inter Building heeft handelen in strijd met een kwalitatieve verplichting aan haar vorderingen ten grondslag gelegd. Zij stelt hiertoe als volgt:

De percelen [straat2] 20 / 30 /40 zijn tot 2000 eigendom geweest van Inter Building.

Inter Building heeft de percelen in 2000 verkocht aan [verkoper] onder de voorwaarde dat zij de strook grond tussen haar panden en ‘[appartement]’ (dit betreft in elk geval perceel [perceel]) kon betrekken bij de stadstuin gelegen op haar percelen aan de Westerstraat. Zij is hiertoe met [verkoper] de vestiging van een kwalitatieve verplichting overeengekomen (zie 2.5). Die verplichting is afdwingbaar. Rechtsopvolgers van [verkoper] zijn aan de kwalitatieve verplichting gebonden, zodat ook Moervast zich aan de verplichting moet houden. Moervast en eventuele kopers mogen de stadstuin niet betreden en Moervast mag kopers van de appartementen op de begane grond niet aanmoedigen gebruik te maken van de stadstuin. Wanneer zij de plannen voor het plaatsen van puien met openslaande deuren doorzet, doet zij dit wel.

3.3.

Moervast betwist dat sprake is van een kwalitatieve verplichting. Zij voert hiertoe

– kort gezegd – aan als volgt:

De kwalitatieve verplichting zoals opgenomen in de akte van levering van 5 oktober 2000 is geen kwalitatieve verplichting als bedoeld in artikel 6:252 lid 1 BW. Er is niet separaat bedongen dat rechtsopvolgers van [verkoper] zijn gebonden aan het overeengekomen recht. De verplichting ten aanzien van de tuin gold daarom uitsluitend tussen de partijen bij de akte van levering; [verkoper] en Inter Building. Er is geen sprake van een exclusief recht voor Inter Building.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

Moervast vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

Inter Building te verbieden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 200.000,- per overtreding gebruik te maken van of zich toegang te verschaffen tot, zulks in de ruimste zin des woords, de percelen kadastraal bekend Gemeente Rotterdam, sectie AG, nummer [perceel], [perceel] en 1977.

4.2.

Moervast heeft een beroep op een eigendomsrecht aan haar vordering ten grondslag gelegd. Zij stelt hiertoe als volgt:

Moervast is eigenaar van perceel [perceel], derhalve de strook grond van 2 meter breed gemeten vanaf de gevel van het pand aan de [straat2] 20/30/40. Zij wenst ongestoord gebruik te kunnen maken van haar eigendom en wil haar kopers daar ook ongestoord gebruik van kunnen laten maken. Moervast heeft belang bij een voorlopige voorziening, nu zij op korte termijn de lofts dient (op) te leveren (naar de voorzieningenrechter begrijpt: te gaan realiseren). Moervast heeft verweer gevoerd ten aanzien van de spoedeisendheid van de vordering, maar heeft dat verweer ter zitting ingetrokken.

4.3.

Inter Building heeft de vordering betwist.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

in conventie

5.1.

Een vordering tot nakoming is in kort geding, waar slechts het treffen van een voorziening respectievelijk ordemaatregel aan de orde is, alleen toewijsbaar indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter, later oordelend, tot het oordeel zal komen dat de vordering tot nakoming dient te worden toegewezen.

5.2.

De kernvraag is of aannemelijk is dat de bepaling zoals geciteerd onder 2.5 (hierna: de bepaling) een kwalitatieve verplichting is als bedoeld in artikel 6:252 BW en die zodanig verband houdt met het onroerend (register)goed dat zij na de overdracht van het goed aan Moervast niet teniet is gegaan en afdwingbaar is gebleven.

5.3.

Bij een overeenkomst kan worden bedongen dat de verplichting van een der partijen om iets te dulden of niet te doen ten aanzien van een haar toebehorend registergoed, zal overgaan op degenen die het goed onder bijzondere titel zullen verkrijgen.

Artikel 6:252 BW bepaalt – kort gezegd, voor zover hier van belang – dat hiervoor is vereist dat a) het moet gaan om een verplichting ten aanzien van een aan de schuldenaar toebehorend registergoed, b) dat moet zijn bedongen dat derden aan de verplichting gebonden zullen zijn, waarbij werking tegen derden-verkrijgers eerst aan het beding toekomt nadat de overeenkomst in een notariële akte is neergelegd en

c) de verplichting moet als inhoud hebben een dulden of een niet doen. Na de inschrijving in de openbare registers van de overeenkomst tussen partijen, opgemaakt in een notariële akte, is de verplichting verbonden aan de kwaliteit van de rechthebbende. Draagt de rechthebbende zijn goed over, dan komt de verplichting te rusten op de nieuwe rechthebbende.

5.4.

Uitgaande van het wettelijk toetsingskader acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat hier sprake is van een kwalitatieve verplichting die derdenwerking heeft.

5.5.

Voor de uitleg van de bepaling dient te worden beoordeeld welke partijbedoeling kan worden afgeleid uit de bewoordingen van de bepaling, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte.

Uit de bepaling, zoals deze is opgenomen in de overeenkomst en in de notariële akte, is af te leiden dat [verkoper] en Inter Building destijds een verplichting zijn overeengekomen die rustte op het onroerend (register)goed, namelijk op de percelen die ten tijde van het sluiten van de overeenkomst onderdeel uitmaakten van de stadstuin van Inter Building.

Dat hierbij een verbintenis werd beoogd die zodanig verband zou houden met het onroerend goed, dat zij niet teniet zou gaan bij overdracht van het goed aan een derde, blijkt naar voorlopig oordeel uit de bewoordingen van de bepaling. De omschrijving ‘kwalitatieve verplichting’ staat letterlijk in de bepaling vermeld. Er is aansluiting gezocht bij de terminologie van artikel 6:252 BW door de verplichting te omschrijven als ‘koper zal dulden dat’. Voorts is verwezen naar artikel 6:252 BW dat ziet op de kwalitatieve verplichting met derdenwerking.

Uit de letterlijke tekst van de bepaling in samenhang met de verwijzing naar artikel 6:252 BW, kan derhalve geen andere uitleg van de bepaling worden afgeleid, dan dat door Inter Building een kwalitatieve verplichting, mét derdenwerking, is bedongen. Wanneer

uitsluitend sprake zou zijn geweest van een partijafspraak, zou het niet nodig zijn geweest die afspraak in een akte op te nemen en hiernaar, en naar artikel 6:252 BW, te verwijzen in de daaropvolgende notariële akten.

De in de leveringsakte opgenomen bepaling behelst een verplichting tot het dulden van een recht tot het doortrekken en handhaven van de tuin tot het appartementengebouw aan [straat2] 20/30/40. Uit de bepaling volgt onmiskenbaar dat de verplichting betrekking had op het handhaven van de stadstuin door Inter Building, ongeacht de exacte perceelgrenzen (‘tot het op het verkochte te stichten appartementengebouw’). Daarin ligt besloten dat Inter Building de enige gebruiker zou blijven van de tuin: de tuin was tot het moment van verkoop aan [verkoper] van Inter Building, zou dat na de verkoop blijven en zou lopen tot aan het appartementengebouw, met andere woorden begrensd worden door het appartementsgebouw. Ook ligt daarin besloten dat geen ander dan Inter Building in de tuin wijzigingen zou mogen aanbrengen of zaken zou mogen plaatsen. Dat het woord exclusief niet in de bepaling is opgenomen maakt dit naar voorlopig oordeel niet anders.

Het verweer dat geen derdenwerking is bedongen slaagt niet. De kern van het vereiste dat derdenwerking moet zijn bedongen is dat het beoogde effect voor derden duidelijk kenbaar moet zijn. Zoals hiervoor is overwogen moet worden aangenomen dat de beoogde derdenwerking uit de bewoordingen van de bepalingen is af te leiden. Dat de rechtsopvolgers van [verkoper] de bepaling ook hebben opgevat als kwalitatieve verplichting met derdenwerking, blijkt uit de omstandigheid dat de bepaling in alle opvolgende notariële akten terugkomt en de situatie meer dan 10 jaar op deze wijze door alle betrokken rechthebbenden zo is begrepen en is gehandhaafd. Dat voor Moervast niet direct duidelijk was wat de consequenties van de kwalitieve verplichting voor haar zouden kunnen zijn, doet aan het vorenstaande niet af.

In de tekst van de bepaling zijn geen aanknopingspunten te vinden voor de door Moervast gegeven uitleg van de bepaling, inhoudende dat uitsluitend het gezamenlijk gebruik van de stadstuin, danwel het zekerstellen van de toegang tot de (op dat moment nog aan te leggen) parkeergarage bedoeld werd. Dat zich op de begane grond van [appartement] drie deuren bevinden die toegang geven tot de stadstuin kan allerlei redenen hebben, zodat het bestaan van de deuren geen recht impliceert waarop Moervast zich thans kan beroepen.

Dat Moervast niet inziet wat er onwenselijk zou zijn aan het gezamenlijk gebruik van de tuin is niet relevant, nu dit niets verandert aan het bestaan van de verplichting. Ook de stelling van Moervast dat uitsluitend sprake was van een partijafspraak kan haar niet baten, nu het zoals hiervoor al overwogen in dat geval niet nodig was geweest die afspraak in een akte op te nemen en hiernaar te verwijzen in de daaropvolgende notariële akten.

5.6.

Op grond van het voorgaande acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat de bodemrechter in een eventuele bodemprocedure zal oordelen dat sprake is van een kwalitatieve verplichting verbonden aan het onroerend goed waarop de stadstuin ligt.

Dit betekent dat ook jegens Moervast deze verplichting afdwingbaar is en de vorderingen jegens Moervast toewijsbaar zijn als hierna vermeld, met inachtneming van het volgende.

5.7.

Zoals hiervoor is overwogen moet er vanuit worden gegaan dat Inter Building de enige rechthebbende is ter zake het gebruik van de stadstuin. Elk gebruik van de stadstuin door een ander dan Inter Building is derhalve ongeoorloofd.

In deze situatie is aannemelijk dat ook het aanzetten tot het gebruik van de tuin door een ander dan Inter Building door de rechter in een eventuele bodemprocedure onrechtmatig zou worden geacht. Van dergelijk ‘aanzetten tot’ zou sprake zijn wanneer Moervast de gevel zou wijzigen zoals door haar beoogd. Op grond hiervan zal ook het jegens Moervast gevorderde verbod tot het wijzigen van de gevel worden toegewezen.

5.8.

Voor zover Moervast in dit kader heeft betoogd dat de VVE van [appartement] (hierna de VVE) reeds toestemming zou hebben gegeven voor wijziging van de gevel, doet dit aan het voorgaande niet af. Vaststaat dat de VVE niet expliciet en schriftelijk toestemming heeft verleend, en dat die toestemming ook niet expliciet is gevraagd. Voorts staat vast dat de VVE over de door Moervast beoogde wijziging van de gevel slechts op drie manieren is geïnformeerd, tweemaal middels een powerpoint-presentatie en eenmaal met een als bijlage bij een presentatie overhandigd boekje waarin één zin aan de achtergevel respectievelijk schuifpui is gewijd. In deze situatie is, gelet ook op het uitgebreide verweer van Inter Building en het vaststaande feit dat Inter Building lid is van de VVE, onvoldoende gesteld of gebleken dat aannemelijk is dat de VVE, ondanks de gevestigde kwalitatieve verplichting, tóch alsnog zal instemmen met een wijziging van de gevel zoals door Moervast is beoogd. Dat de VVE vanaf het begin enthousiast is geweest over het plan op de begane grond appartementen te vestigen, impliceert dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet.

5.9.

Ten aanzien van alle vorderingen geldt dat Inter Building niet uitsluitend de veroordeling van Moervast heeft gevorderd, maar ook veroordeling van haar rechtsopvolgers.
De rechtsopvolgers van Moervast ter zake de appartementen op de begane grond zijn echter geen partij in dit geding, zodat een dergelijke veroordeling in strijd zou zijn met de basisbeginselen van ons recht, waaronder de beginselen van hoor- en wederhoor.

Dit neemt niet weg dat voornoemde kwalitatieve verplichting ook afdwingbaar is jegens de rechtsopvolgers van Moervast ter zake de percelen waarop de kwalitatieve verplichting ziet, zodat Moervast zal worden veroordeeld tot het informeren van haar rechtsopvolgers op de wijze als in het dictum is bepaald.

5.10.

De gevorderde dwangsommen zullen worden toegewezen tot een maximum van
€ 500.000,00, voor alle eventueel te verbeuren dwangsommen gezamenlijk.

in reconventie

5.11.

De beoordeling in conventie leidt ertoe dat de vordering in reconventie moet worden afgewezen.

in conventie en in reconventie

5.12.

Moervast zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Inter Building worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Inter Building worden begroot op:

- dagvaarding € 77,52

- griffierecht € 608,00

- salaris advocaat € 1224,00

Totaal € 1.909,52.

Vanwege de samenhang van de vorderingen in conventie en in reconventie is het salaris voor de reconventie gehalveerd.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter,

in conventie

6.1.

verbiedt Moervast wijzigingen aan te brengen in de achtergevel/pui van de [straat2] 20 en/of [straat2] 30 en/of [straat2] 40 te Rotterdam, zulks in de ruimste zin des woords, waaronder het al dan niet gedeeltelijk slopen, verwijderen en/of vervangen van de bestaande achtergevel/pui zoals die ten tijde van het uitbrengen van deze dagvaarding thans, blijkens de als Productie 8 overgelegde en aan dit vonnis gehechte foto’s, aanwezig is, op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 200.000 (zegge: twee honderd duizend euro) per overtreding,

6.2.

verbiedt Moervast de stadstuin direct grenzend aan de achtergevel van de

[straat2] 20 en/of [straat2] 30 en/of [straat2] 40 te Rotterdam te betreden, daarin

wijzigingen aan te brengen en/of zaken te plaatsen, op straffe van een dwangsom van EUR 20,000 (zegge: twintig duizend euro) per overtreding,

6.3.

gebiedt Moervast aan de kopers van de [straat2] 20 en/of

[straat2] 30 en/of [straat2] 40 te Rotterdam, de onderhavige uitspraak in kort geding binnen 48 uur bij deurwaardersexploot ter kennis te brengen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 10.000 voor iedere dag dat Moervast daarmee in gebreke blijft;

6.4.

bepaalt dat uitsluitend dwangsommen kunnen worden verbeurd tot een maximum van € 500.000,00, voor alle eventueel te verbeuren dwangsommen gezamenlijk;

in reconventie

6.5.

wijst de vordering af;

in conventie en in reconventie

6.6.

veroordeelt Moervast in de kosten van dit geding, tot op heden aan de zijde van Inter Building begroot op € 1.909,52;

6.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2014.

1634/2009