Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:1081

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-02-2014
Datum publicatie
18-02-2014
Zaaknummer
KTN-2481732_14022014
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervaltermijn bij de invordering van de afrekening van servicekosten. Artikelen 7:260 BW en 51 Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WR 2014/124

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 2481732 CV EXPL 13-53225

uitspraak: 14 februari 2014 (bij vervroeging)

vonnis van de kantonrechter, zittinghoudende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiseres],

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats],

eiseres,

gemachtigde: Flanderijn en Van Eck gerechtsdeurwaarders te Rotterdam,

tegen

[gedaagde].

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

gemachtigde: mr. A. Rhijnsburger, advocaat te Rotterdam

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

- het exploot van dagvaarding van 24 oktober 2013 met producties;

- de conclusie van antwoord met producties;

- het tussenvonnis van 5 december 2013 waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- de ten behoeve van de comparitie van partijen door eiseres ingezonden brief tevens houdende akte vermeerdering van eis.

1.2.

De comparitie van partijen werd gehouden op 5 februari 2014 in aanwezigheid van de gemachtigde van eiseres en gedaagde, bijgestaan door de gemachtigde. De griffier heeft aantekening gehouden van het ter zitting verhandelde.

1.3.

De uitspraak van het vonnis is door de kantonrechter bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties staat tussen partijen - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende vast:

2.1.

Gedaagde huurt van eiseres de woonruimte aan de [adres].

2.2.

Op de datum van dagvaarden was tot en met oktober 2013 gerekend sprake van een betalingsachterstand van € 2.875,29. De achterstand bestaat uit huur en de afrekeningen van servicekosten voor de jaren 2010 en 2012.

2.3.

Op verzoek van gedaagde heeft de Huurcommissie in een op 8 augustus 2013 gegeven en op 26 september 2013 verzonden uitspraak, de servicekosten voor het jaar 2011 vastgesteld op € 833,80. Dit bedrag is aan gedaagde berekend, maar onbetaald gelaten.

2.4.

Op 4 februari 2014 heeft gedaagde een bedrag van € 2.000,-- in mindering op de vordering betaald.

3 De stellingen van partijen

3.1.

Eiseres vordert van gedaagde, na wijziging van eis, nog betaling van € 2.935,33 berekend tot en met februari 2014. Naast de gevorderde hoofdsom worden buitengerechtelijke en proceskosten gevorderd, alsmede wettelijke rente. Het gevorderde ziet nog vrijwel uitsluitend op de niet betaalde servicekosten over de jaren 2010, 2011 en 2012. Door gedaagde is nimmer bezwaar gemaakt tegen de servicekosten 2010. De servicekosten 2011 zijn in overeenstemming met de uitspraak van de Huurcommissie in rekening gebracht. Tegen de servicekosten 2012 is door gedaagde geen bezwaar gemaakt.

3.2.

Gedaagde heeft erkend dat hij de huurpenningen niet steeds tijdig heeft voldaan. Hij heeft in 2011 bezwaar gemaakt bij eiseres tegen de voor 2010 berekende servicekosten. Eiseres heeft dit bezwaar weliswaar afgewezen, maar op grond van artikel 7:260 lid 2 BW had eiseres zich tot de Huurcommissie moeten wenden. Onder verwijzing naar artikel 51 Uitvoeringswet Huurprijzen Woonruimte (UHW) kan het bedrag thans niet meer worden ingevorderd.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Partijen hebben zich neergelegd bij de uitspraak van de Huurcommissie gedaan op 8 augustus 2013, zodat vast staat dat het betreffende bedrag ter zake van de servicekosten 2011 van € 833,80 verschuldigd is. Dit bedrag wordt toegewezen nu vaststaat dat het niet werd voldaan.

4.2.

Tegen de afrekening servicekosten van 2012 is door gedaagde geen bezwaar gemaakt en tegen deze afrekening is ook geen verweer gevoerd. Het bedrag van € 766,24 is dan ook toewijsbaar, nu gedaagde erkent dit bedrag niet te hebben voldaan.

4.3.

Voor de afrekening 2010 geldt het volgende.

Gedaagde heeft tegen deze afrekening bezwaar gemaakt bij eiseres. Het bezwaar is afgewezen. Niet is gesteld of gebleken dat gedaagde zich vervolgens heeft gewend tot de Huurcommissie. Ook eiseres heeft zich niet tot de Huurcommissie gewend zodat over deze afrekening geen uitspraak is gedaan.

Artikel 7:260 BW bepaalt dat huurder of verhuurder uitspraak van de Huurcommissie kunnen vragen wanneer geen overeenstemming kan worden bereikt over de afrekening van servicekosten. Het verzoek kan worden gedaan tot uiterlijk 24 maanden na het verstrijken van de in artikel 7:259 lid 2 BW genoemde termijn. Nu het gaat om de afrekening voor het kalenderjaar 2010 eindigt deze termijn op 1 juli 2011. De termijn van 24 maanden, als bedoeld in artikel 7:260 BW, is daarmee geëindigd op 1 juli 2013 zonder dat een uitspraak is gedaan door de Huurcommissie.

Artikel 51 UHW bepaalt dat na het verstrijken van deze termijn, op 1 juli 2013, in elke ingestelde rechtsvordering ter zake van de servicekosten een uitspraak van de Huurcommissie, dan wel van de kantonrechter moet worden overgelegd.

Aan deze eis kan niet meer worden voldaan nu de termijn is verstreken en dat betekent dat de afrekening van de servicekosten 2010 niet meer kan worden ingevorderd.

De bepaling is op 1 augustus 1994 ingevoerd bij wet van 16 juni 1994, (Stb 1994, 459) om de afrekening servicekosten aan een termijn te binden. Tot de invoering van deze wet bestond er geen termijn zodat huurders en verhuurders gedurende een vrijwel onbeperkte periode in onzekerheid konden verkeren over de afrekening van de servicekosten. Door de bepaling is in feite een vervaltermijn ingevoerd voor het instellen van vorderingen tot betaling door de huurder, dan wel terugbetaling door de verhuurder. De termijn voor het instellen van de vordering voor 2010 is op 1 juli 2013 vervallen en het gevorderde bedrag van € 1.374,71 is niet meer toewijsbaar. De vordering van € 52,61, die ziet op de servicekostenafrekening van 2009 moet hetzelfde lot delen, nu niet is gesteld of gebleken dat voor deze afrekening een uitspraak van de Huurcommissie of kantonrechter aanwezig is en de termijn voor het vragen van een uitspraak aan de Huurcommissie is verstreken.

4.4.

Het voorgaande betekent dat in hoofdsom nog een bedrag van € 2.935,33 minus een bedrag van € 1.427,32 = € 1.508,01 kan worden toegewezen. Daarbij is van belang dat eiseres tijdens de comparitie van partijen heeft verklaard dat het bedrag van € 2.000,-- dat op 4 februari 2014 werd betaald in mindering strekt op de gevorderde hoofdsom.

4.5.

De vordering ziet voor een belangrijk deel op een hoofdsom die voor 1 juli 2012 opeisbaar is geworden, zodat gedaagde voor 1 juli 2012 in verzuim was. Voor de buitengerechtelijke kosten geldt daarom dat het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten toepassing mist.

Door gedaagde is geen verweer gevoerd tegen de buitengerechtelijke kosten, zodat deze worden toegewezen, zij het dat de toewijzing beperkt blijft tot een bedrag van € 363,-- inclusief BTW, dat, gelet op de hoogte van het bedrag dat kan worden toegewezen, redelijk is. Het op 4 februari 2014 betaalde bedrag van € 2.000,-- wordt wel in aanmerking genomen bij de bepaling van de buitengerechtelijke kosten, nu dit bedrag eerst na dagvaarding werd voldaan.

4.6.

De wettelijke rente wordt gevorderd vanaf de dag van dagvaarden en wordt vanaf die dag toegewezen omdat de hoofdsom in elk geval op dat moment opeisbaar was.

4.7.

Gedaagde wordt belast met de kosten van het geding, nu hij voor het grootste deel in het ongelijk wordt gesteld. Ook daarbij wordt in aanmerking genomen dat het bedrag van € 2.000,-- eerst na dagvaarden werd voldaan.

5 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen de som van € 1.871,01 te verhogen met de wettelijke rente over € 3.508,01 vanaf 24 oktober 2013 tot 4 februari 2014 en over een bedrag van € 1.508,01 vanaf 5 februari 2014 tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt gedaagde tot betaling van de kosten van het geding welke kosten tot op dit moment worden vastgesteld op € 448,-- voor het griffierecht, op € 96,76 voor de kosten van dagvaarden en op € 300,-- voor het salaris van de gemachtigde van eiseres;

wijst af het meer of anders gevorderde en verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. L.J. van Die en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

446