Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:10795

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-12-2014
Datum publicatie
02-02-2015
Zaaknummer
465594 / HA RK 14-1021
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek toegewezen. De feitelijke gang van zaken ter zitting rechtvaardigt de geuite vrees voor vooringenomenheid, nu de opmerking ‘ik had gehoopt dat u dit verzoek zou doen’, lijkt te impliceren dat de rechter reeds een oordeel had gevormd omtrent het ter zitting gedane mondelinge verzoek tot ondertoezichtstelling. Dat de rechter haar oordeel daadwerkelijk reeds had gevormd – zonder het standpunt hierover van verzoekster te kennen – wordt bevestigd door de schriftelijke reactie van de rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2015/72

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer: 465594

rekestnummer: HA RK 14-1021

Beslissing van 29 december 2014

op het verzoek van

[naam verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

advocaat mr. R.F. Nelisse,

strekkende tot wraking van:

mr. H. Lokven-van der Meer, rechter in de rechtbank Rotterdam, afdeling privaatrecht, team familie (hierna: de rechter).

1 Het procesverloop en de processtukken

Op de zitting van 9 december 2014 met gesloten deuren is door de rechter behandeld de tussen verzoekster en [naam vader] aanhangige civielrechtelijke procedure welke zaak als kenmerk heeft C/10/395019/ F2 RK 12-163 en betrekking heeft op het minderjarige kind van partijen: [naam minderjarig kind], geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats].

Bij gelegenheid van die behandeling heeft de raadsman van verzoekster wraking van de rechter verzocht.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- het proces-verbaal van de hiervoor bedoelde zitting;

- de schriftelijke toelichting op het wrakingsverzoek;

- het procesdossier.

Verzoekster alsmede de rechter, E.M. van Dijk namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en raadsvrouw mr. M. Huisman namens de heer [naam vader] zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 15 december 2014.

Naar aanleiding van de reactie van de rechter van 15 december 2014 heeft de raadsman van verzoekster op 16 december 2014 een nieuw wrakingsverzoek ingediend.

De rechter heeft bij e-mail van 16 december 2014 gereageerd op het verzoek tot wraking c.q. het tweede nieuwe wrakingsverzoek.

Ter zitting van 11 december 2014, waar het wrakingsverzoek met gesloten deuren is behandeld, zijn verschenen verzoekster en haar raadsman. De raadsman heeft ter zitting het standpunt van verzoekster nader toegelicht.

2 Het verzoek en het verweer daartegen

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoekster het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

De rechter heeft op de zitting van 9 december 2014 het beginsel van hoor en wederhoor geschonden. De rechter heeft op de zitting naar aanleiding van het mondelinge verzoek om een ondertoezichtstelling namens de Raad gezegd: ‘Ik had gehoopt dat u dit verzoek zou doen.’ In de reactie van de rechter van 15 december 2014 stelt de rechter verder: ’Nu er sprake was van een minderjarige die ernstig bedreigd wordt in haar belangen en haar gezondheid door het feit dat ze klem zit tussen beide ouders is een ondertoezichtstelling de aangewezen maatregel.’ Naast het feit dat de rechter hier het vermoeden van letterlijke bevooroordeeldheid bevestigt, schendt zij met dit eindoordeel het beginsel van hoor en wederhoor. Immers zonder dat zijdens verzoekster ook maar met één woord is gereageerd op het rauwelijkse mondelinge verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling, heeft de rechter reeds een eindoordeel gegeven hetgeen wordt bevestigd door haar reactie van 15 december 2014.

Voorts is aangevoerd dat de rechter de gang van zaken en de woorden van verzoekster op de zitting van 9 december 2014 heeft gedenatureerd.

Ook is naar voren gebracht dat de rechter het belang van het kind ten onrechte heeft laten prevaleren boven het belang van verzoekster bij een eerlijk proces. De rechter heeft zich niet lijdelijk gedragen en reeds aan het begin van de zitting aangestuurd op een mondeling verzoek tot ondertoezichtstelling.

Alle gronden zijn zowel afzonderlijk als in hun samenhang feiten en/of omstandigheden waardoor de rechterlijke partijdigheid schade zou kunnen lijden, op grond waarvan verzoekster de rechter wraakt.

2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter bestrijdt de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking kan opleveren. Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

Reactie van 15 december 2014:

In de loop van de zitting werd steeds duidelijker dat het slecht gaat met de

minderjarige en dat er zo spoedig mogelijk hulp geboden moest worden. Ook de vertegenwoordiger van de Raad vond de situatie waarin de minderjarige zich bevond zorgelijk en vroeg de rechtbank een ondertoezichtstelling uit te spreken, zonder nader onderzoek te gelasten.

De opmerking dat de rechter had gehoopt dat dit verzoek gedaan zou worden, had betrekking op de procedurele gang van zaken en de op 12 december 2013 opgelegde dwangsom, voor iedere keer wanneer moeder niet aan een omgang tussen vader en dochter mee zou werken, welke maatregel in deze situatie contraproductief was. Nu er sprake is van een minderjarige die ernstig bedreigd wordt in haar belangen en haar gezondheid door het feit dat ze klem zit tussen beide ouders is een ondertoezichtstelling de aangewezen maatregel.

Het verzoek van de Raad is mede ingegeven door het eerder opgestelde raadsrapport en het verhandelde ter zitting. Nadat eerst de vader en vervolgens de moeder - verzoekster - de gelegenheid werd gegeven zich over het verzoek van de Raad uit te laten, vroeg de raadsman van moeder schorsing om over dit verzoek met moeder te overleggen, welk overleg geleid heeft tot wraking, op grond van het vermoeden dat de rechtbank bevooroordeeld zou zijn. Wanneer hiermee wordt bedoeld dat de rechter de belangen van de minderjarige boven de belangen van de ouders stelt is dit juist. Als kinderrechter dient de rechter de belangen van het kind voorop te stellen.

Reactie van 16 december 2014:

Naar aanleiding van het verzoek van de Raad om zonder aanvullend onderzoek, een ondertoezichtstelling uit te spreken, heeft de rechter beide partijen in de gelegenheid gesteld hierop hun zienswijze aan de rechtbank kenbaar te maken. Niet eerder tijdens de behandeling is gesproken over een ondertoezichtstelling. De kinderrechter kan hangende een onderzoek de minderjarige onder toezicht stellen indien dit dringend en onverwijld noodzakelijk is (art. 1:255 BW). Een dergelijke maatregel kan zelfs ambtshalve plaats vinden. In dit geval kwam het verzoek van de Raad. Het eindoordeel van de rechter stond niet vast alvorens partijen hierover te horen.

Ter zitting is hoor en wederhoor toegepast, door partijen in de gelegenheid te stellen zich over het verzoek van de Raad uit te laten en op verzoek de behandeling te schorsen om de raadsman in de gelegenheid te stellen met verzoekster te overleggen.

Het betrof een voortzetting van de zaak op verzoek van de man. Uit de voorliggende

tussenbeschikkingen, het rapport van de Raad en het verslag van het Rotterdams omgangshuis blijkt dat door deskundige hulpverleners is vastgesteld dat hier sprake is van een kind dat klem en verloren is geraakt in de strijd tussen de ouders. Hierover heeft de rechter haar zorgen uitgesproken en beide ouders aangesproken op hun verantwoordelijkheid.

Het betreft hier een procedure waarin het belang van het kind en het recht op omgang centraal staan. Wanneer het niet duidelijk is of de met gezag belaste ouder meewerkt aan een omgangsregeling tussen het kind en de andere ouder is het de taak van de rechter om te bevorderen dat een omgangsregeling tot stand komt (HR, NJ 2014,91).

Door het belang van het kind centraal te stellen, wordt voldaan aan art. 1:377a BW, art. 8 EVRM en art. 9 lid 3 van het IVRK. Rekening houden met het belang van het kind kan niet leiden tot het schenden van het recht van de ouders op een eerlijke procesgang.

Genoemde feiten en omstandigheden, zowel afzonderlijk als in hun samenhang, kunnen niet leiden tot het oordeel dat er sprake is van vooringenomenheid.

3 De beoordeling

3.1

De wrakingskamer stelt voorop dat met toestemming van de raadsman zowel het eerste als het tweede wrakingsverzoek tegelijk en gevoegd ter zitting zijn behandeld. De wrakingskamer zal om proceseconomische redenen voornoemde verzoeken als één verzoek beschouwen en behandelen.

3.2

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert, althans dat door verzoekster geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.

3.3

Aan de door verzoekster aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter - subjectief - vooringenomen of niet-onpartijdig was. Verzoekster heeft dat ook niet gesteld en bij het onderzoek ter terechtzitting is geen houvast voor zodanig oordeel gevonden.

3.4

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoekster geuite vrees dat de rechter jegens haar een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoekster van belang, maar is deze niet doorslaggevend.

3.5

De feitelijke gang van zaken ter zitting van 9 december 2014 zoals die uit de stukken en de gegeven toelichtingen naar voren komt, rechtvaardigt de geuite vrees voor vooringenomenheid, nu de opmerking ‘ik had gehoopt dat u dit verzoek zou doen’, lijkt te impliceren dat de rechter reeds een oordeel had gevormd omtrent het ter zitting gedane mondelinge verzoek tot ondertoezichtstelling.

Dat de rechter haar oordeel daadwerkelijk reeds had gevormd – zonder het standpunt hierover van verzoekster te kennen – wordt bevestigd door de schriftelijke reactie van de rechter van 15 december 2014, aangezien de rechter hierin ronduit stelt dat er sprake was van een minderjarige die ernstig bedreigd wordt in haar belangen en haar gezondheid door het feit dat ze klem zit tussen beide ouders en dat een ondertoezichtstelling in die situatie de aangewezen maatregel is.

3.6

De tweede reactie van de rechter van 16 december 2014 lijkt ervan uit te gaan dat in dit geval ook een ambtshalve ondertoezichtstelling, zonder ouders te horen, aan de orde zou kunnen zijn. De aan de wrakingskamer bekende gegevens geven geen aanleiding om aan te nemen dat in deze zaak een voorlopige ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 1:255 BW aan de orde was. Gelet hierop kan de tweede reactie van de rechter niet tot een ander oordeel leiden, omdat deze niettemin lijkt uit te gaan van het wettelijk kader van een voorlopige ondertoezichtstelling.

3.7

Het verzoek is mitsdien gegrond. Het verzoek zal worden toegewezen.

4 De beslissing

wijst toe het verzoek tot wraking van mr. H. Lokven-van der Meer.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.J.P. van Essen, voorzitter, mr. A. Eerdhuijzen en mr. P.C. Santema, rechters. Bij afwezigheid van de voorzitter is deze beslissing door mr. A. Eerdhuijzen uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 december 2014 in tegenwoordigheid van mr. N. Jallal, griffier en door hen ondertekend.

Verzonden op:

aan:

-

-

-

-