Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:10701

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-12-2014
Datum publicatie
14-01-2015
Zaaknummer
2540919
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Steens Consultants BV/ Stone Business Associates BV (2540919)

Arbeidszaak. Geen schending van relatie- en geheimhoudingsbeding. Conservatoir bewijsbeslag ten onrechte gelegd door de oude werkgever. In reconventie veroordeling van de oude werkgever om op grond van art. 1019g Rv schadevergoeding te betalen wegens ten onrechte gelegd bewijsbeslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0043
AR 2015/73
Onder redactie van Tina van der Linden-Smith, met medewerking van <br/>Kea de Raaij annotatie in UDH:IR/12217
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 2540919 \ CV EXPL 13-57072

2540919 \ CV EXPL 13-570725 november 2013uitspraak: 19 december 2014

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Steens Consultants B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. H. Eijer te Zoetermeer,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Stone Business Associates B.V.,

gevestigd te Capelle aan den IJssel en

2. [gedaagde 2],

wonende te Rotterdam en

3. [gedaagde 3],

wonende te Rotterdam en

4. [gedaagde 4],

wonende te Den Haag,

gedaagden in conventie,

eiseres/eisers in reconventie,

gemachtigde: mrs. M. Koster en A.D. Bitterlich te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid met ‘Steens’, ‘Stone’, ‘[gedaagde 2]’, ‘[gedaagde 3]’ en ‘[gedaagde 4]’ en Stone c.s. gezamenlijk met ‘Stone c.s’ (in enkelvoud).

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen.

  • -

    het exploot van dagvaarding van 5 november 2013, met producties;

  • -

    de op 14 november 2013 ter griffie ontvangen akte wijziging/vermeerdering van eis;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties, genomen ter rolle van 29 januari 2014;

  • -

    de conclusie van repliek in conventie met aanpassing van eis, tevens conclusie van antwoord in reconventie, met producties, genomen ter rolle van 26 maart 2014;

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie met vermeerdering van eis in reconventie, tevens conclusie van repliek in reconventie, met producties, genomen ter rolle van 18 juni 2014;

  • -

    de akte van Steens op de rolzitting van 18 juni 2014;

  • -

    de antwoordakte overleggen producties, tevens conclusie van dupliek in reconventie, genomen ter rolle van 16 juli 2014;

  • -

    de antwoordakte van Stone c.s., ook genomen op de rolzitting van 14 juli 2014.

1.3.

De uitspraak van het vonnis is in eerste instantie door de kantonrechter bepaald op
12 september 2014 en na aanhouding vervolgens bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen het volgende vast.

2.1.

Steens Consultants is een onderneming die freelance finance professionals aan opdrachtgevers verbindt.

2.2.

[gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] zijn alle drie bij Steens in dienst geweest. De arbeidsovereenkomst is in alle drie de gevallen door opzegging van de werknemer geëindigd.

[gedaagde 2] is in de periode van 2 januari 2006 tot en met 31 oktober 2011 bij Steens in dienst geweest als field manager.

[gedaagde 3] heeft in de periode van 7 november 2008 tot en met 30 september 2011 de functie van business development manager bij Steens vervuld.

[gedaagde 4] heeft van 23 april 2007 tot 31 augustus 2011 bij Steens gewerkt als recruiter.

2.3.

In de tussen Steens en [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] afgesloten arbeidsovereenkomsten was een non-concurrentiebeding opgenomen. Voor [gedaagde 3] en [gedaagde 4] gold dat concurrentiebeding gedurende 12 maanden na beëindiging van de arbeidsovereenkomst met Steens en voor [gedaagde 2] golden de beperkingen van het non-concurrentiebeding gedurende een periode van 6 maanden na beëindiging van de arbeidsovereenkomst met Steens.

2.4.

In de met Steens en [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] gesloten arbeidsovereenkomsten was tevens het volgende geheimhoudingsbeding opgenomen:

Indien en voor zover medewerker in het kader van zijn functie kennis krijgt van vertrouwelijke gegevens betreffende de onderneming van Steens & Partners Consultants of met deze gelieerde vennootschappen of van personen, rechtspersonen, ondernemingen en/of instellingen ten behoeve van wie Steens & Partners Consultants of een met deze gelieerde vennootschap diensten verleent of werkzaamheden verricht, is medewerker verplicht, zowel tijdens als na beëindiging van de arbeidsovereenkomst, geheimhouding omtrent al deze gegevens te bewaren.

Medewerker is eveneens verplicht tot geheimhouding van alle gegevens c.q. informatie waarvan hij redelijkerwijs kan vermoeden dat de kennisneming daarvan door derden de belangen en/of bedrijfsvoering van Steens & Partners Consultants of met deze gelieerde vennootschappen of van personen, rechtspersonen, ondernemingen en/of instellingen ten behoeve van wie Steens & Partners Consultants of een met deze gelieerde vennootschap diensten verleent of werkzaamheden verricht, zou kunnen schaden.

Bedrijfseigendommen, alsmede alle correspondentie, aantekeningen, polissen, financiële gegevens, tabellen etc., betrekking hebbende op bedrijfsaangelegenheden van werkgever of met deze gelieerde vennootschappen of van personen, rechtspersonen, ondernemingen en/of instellingen met welke medewerker in de uitoefening van haar functie bij werkgever in aanraking is gekomen, zullen bij het einde van de arbeidsovereenkomst, maar ook bij non-actiefstelling, onverwijld zonder dat verder verzoek daartoe noodzakelijk is, door medewerker aan werkgever worden overhandigd. Deze bescheiden mogen door medewerker niet zonder voorafgaande toestemming in particulier bezit worden afgenomen en/of gehouden en mogen – behoudens toestemming – evenmin aan derden ter inzage worden gegeven.

2.5.

De aanvankelijke naam van Stone was “Steven Parc Financiële Specialisten B.V.” en later “Steven Parc Interim Management B.V.” In januari 2013 heeft Steven Parc Beheer B.V. alle aandelen in Steven Parc Interim Management B.V. overgedragen aan Matchcom B.V. en daarbij is de naam van de vennootschap gewijzigd in “Stone Business Associates B.V. In juni 2013 is Stone vertrokken uit het bedrijfspand van de Steven Parc groep en heeft zij zich gevestoigd op het haar huidige adres in Capelle aan den IJssel.


Stone is een interimmanagementbureau dat zich (onder meer) richt op de markten Legal, HR, Procurement, ICT en Supply Chain en sinds 1 oktober 2012 ook op de interim markt voor finance professionals.

2.6.

[gedaagde 3] is op 1 oktober 2011 in dienst getreden bij Stone, [gedaagde 2] op 1 november 2011 en [gedaagde 4] op 17 juni 2013.

2.7.

Bij beschikking van 29 augustus 2013 met rekestnummer KG RK 13-1653 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag Steens, op grond van haar verzoek om op grond van artikel 1019c jo. 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bewijsbeslag te leggen onder Stone c.s., verlof verleent tot het leggen van conservatoir bewijsbeslag op bescheiden, zoals klantenbestanden, kandidatenlijsten met adresgegevens, modelovereenkomsten, businessplannen, algemene voorwaarden en (e-mail)correspondentie, die kunnen dienen tot bewijs van de door Steens in het kader van voornoemde procedure gestelde inbreuken, tekortkomingen en onrechtmatige handelingen van Stone c.s., en die zich bevinden in de bedrijfsgebouwen van Stone aan de Rivium 2e straat 22 te (2909 LG) Capelle aan den IJssel of de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Carerix B.V., (hierna: “Carerix”) gevestigd te (2629 HD) Delft aan de Rotterdamseweg 183C, of in de woningen van [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4], althans in elke andere Stone c.s. ter beschikking staande bijgebouwen en voertuigen en/of digitale opslagruimten in eigendom van of gebruikt door Stone c.s..

Carerix voert een onderneming die zich bezig houdt met het ontwerpen en onderhouden van een softwareprogramma dat specifiek voor de detacheringsbranche is ontwikkeld en waarin kandidaten kunnen worden ingevoerd met enige daarbij behorende, voor de detacheringsbranche van belang zijnde gegevens. Zowel Steens alsook Stone maken gebruik van het softwareprogramma van Carerix.

2.8.

Roessen & Roessen Opslag B.V., gevestigd aan de Berkelse Poort 9 te (2651 JX) Berkel en Rodenrijs (nader te noemen: Roessen & Roessen) is bij de hiervoor onder 2.8. genoemde beschikking als gerechtelijk bewaarder benoemd.

2.9.

Steens heeft gebruik gemaakt van het hiervoor onder 2.8. genoemde verlof door conservatoir bewijsbeslag te laten leggen.

2.10.

Steens heeft medio 2013 Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V. (hierna; “Hoffmann”) opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de vermeende schending van het geheimhoudingsbeding door [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4]. Hoffmann heeft op 1 augustus 2013 rapport uitgebracht. In dat rapport wordt het volgende geconcludeerd:

“Op basis van de aangetroffen vermeldingen van in het verleden aangesloten USB-media en het ontbreken van verwijzingen naar bestanden op deze media kan niet worden vastgesteld of er vertrouwelijke bedrijfsinformatie is gekopieerd door één van de ex-medewerkers van Steens en Partners. Aanvullend onderzoek op onder andere het volledige werkstation en mogelijk beschikbare netwerkdata kunnen mogelijk meer inzicht geven in de computer-activiteiten van de betreffende ex-medewerkers.

3 De vordering in conventie

3.1.

Steens heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

  1. te verklaren voor recht dat Stone, [gedaagde 2], [gedaagde 3] en/of [gedaagde 4] ieder afzonderlijk of gezamenlijk zijn tekort gekomen in de nakoming van hun verplichtingen uit het contractueel overeengekomen geheimhoudingsbeding en/of jegens Steens onrechtmatig hebben gehandeld;

  2. te verklaren voor recht dat Stone, [gedaagde 2], [gedaagde 3] en/of [gedaagde 4] ieder afzonderlijk en/of gezamenlijk jegens Steens schadeplichtig zijn voor alle schade die Steens heeft geleden als gevolg van de tekortkoming/onrechtmatige daad als bedoeld onder a., waarbij de schade dient te worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet;

  3. Stone, [gedaagde 2], [gedaagde 3] en/of [gedaagde 4] te gebieden om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis alle (kopieën van) bedrijfseigendommen van Steens, die zij in hun bezit hebben, aan Steens te retourneren door deze aan Steens te overhandigen, zonder deze te kopiëren of te verveelvoudigen en hen te gebieden om te gehengen en gedogen dat Steens of een door Steens benoemde ter zake deskundige onafhankelijke derde op kosten van Stone c.s. controleert of hieraan is voldaan, door deze deskundige toegang te verstrekken tot alle gebouwen, lokalen en gegevensdragers van Stone c.s. waar deze gegevens zouden kunnen zijn opgeslagen;

  4. Stone, [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4], ieder afzonderlijk te veroordelen tot een dwangsom van € 50.000,- per dag voor iedere dag dat zij niet binnen zeven dagen na betekening van het vonnis op eerste sommatie van Steens aan het in het vonnis bepaalde voldoen;

  5. Stone, [gedaagde 2], [gedaagde 3] en/of [gedaagde 4] te veroordelen tot afdracht van de door hen gezamenlijk en/of ieder afzonderlijk genoten winst die een gevolg is van een onrechtmatige daad, bestaande uit (onder meer) de inbreuk op het databankenrecht van Steens en/of een inbreuk op de auteursrechten van Steens en/of overtreding van het overeengekomen geheimhoudingsbeding en/of de onrechtmatige daad en dienaangaande rekening en verantwoording af te leggen en subsidiair tot betaling van een op grond van artikel 5b lid 2 van de databankenwet vast te stellen forfaitair bedrag aan schadevergoeding;

  6. Stone, [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hoofdelijk, zo de een betaalt de ander is gekweten, te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder in de kosten van de gelegde beslagen;

  7. Stone te veroordelen om met onmiddellijke ingang na betekening van het vonnis ieder gebruik van de handelsnaam Stone Business Associates B.V., of in ieder geval het kenmerkende bestanddeel ‘Stone’, en iedere andere handelsnaam die identiek is aan of slechts in geringe mate afwijkt van de handelsnaam van Steens, te staken en gestaakt te houden;

  8. Stone te veroordelen tot betaling aan Steens van een dwangsom van € 1.000,- per dag, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere overtreding van het onder g. verzochte bevel, of, naar keuze van Steens, van € 1.000,- voor iedere dag of deel daarvan dat Stone met geheel of gedeeltelijke nakoming van het bevel in gebreke blijft;

  9. Stone te gebieden dat door haar wordt gehengd en gedoogd dat er op haar kosten door een door Steens of door de kantonrechter benoemde onafhankelijke deskundige een vergelijking wordt gemaakt tussen de bij Carerix aanwezige databestanden van Stone en de bij Carerix aanwezige databestanden van Steens, waarbij de onafhankelijke deskundige een overzicht maakt van de treffers, zijnde in beide bestanden voorkomende kandidaten en dat het Stone, [gedaagde 2], [gedaagde 3], en [gedaagde 4] hoofdelijk wordt verboden gedurende een periode van vier jaren, dan wel gedurende een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen periode, kandidaten op deze lijst van treffers te benaderen en/of direct of indirect te bemiddelen of zakelijke contacten met hen te onderhouden in het kader van de werkzaamheden van Stone en dat Stone wordt veroordeeld om aan al de treffers een brief te schrijven met de navolgende tekst, zonder toevoegingen of weglatingen, zulks met verzending van afschriften aan de advocaat van Steens:

Geachte…,

Bij vonnis van … (datum invullen) van de Rechtbank Rotterdam is het ons verboden om met u zakelijke contacten te onderhouden, u te bemiddelen of voor het verrichten van werkzaamheden u met derden in contact te brengen, omdat uw gegevens door ons op onrechtmatige wijze zijn verkregen. Dit verbod geldt voor een periode van vier jaar na … (datum vonnis invullen).

Hoogachtend,

Stone Business Associates B.V.

Stone, [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hoofdelijk, zo de een betaalt de ander is gekweten, op grond van het bepaalde in artikel 1019h Rv te veroordelen tot betaling van de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten, die Steens gemaakt heeft ter verkrijging van haar recht en zoals gespecificeerd in productie 23, te vermeerderen met de sinds 1 oktober 2013 in redelijkheid gemaakte kosten, subsidiair met een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;

subsidiair:

voor zover het door Steens aangedragen bewijs als onvoldoende wordt gekwalificeerd voor de vaststelling van de tekortkoming en/of onrechtmatige daad van Stone, [gedaagde 2], [gedaagde 3] en/of [gedaagde 4], vordert Steens dat Roessen & Roessen in haar hoedanigheid van gerechtelijke bewaarder zal worden gelast inzage te verstrekken van de in opdracht van Steens in beslag genomen bescheiden, zo nodig met benoeming van een deskundige om de door Steens gevorderde bescheiden te selecteren, althans dat Stone, [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] zullen gehengen en gedogen dat Roessen & Roessen deze afschriften zal verstrekken, dit alles op zodanige wijze dat Steens voldoende in de gelegenheid wordt gesteld om al dan niet door een benoemde deskundige, vast te (laten) stellen dat de door Stone, [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] in hun bedrijfsvoering/werkzaamheden gebruikte databestanden en/of modellen die Steens in haar bedrijfsvoering gebruikt niet anders dan door overtreding van het geheimhoudingsbeding of door een onrechtmatige daad zijn verkregen en/of dat Steens in de gelegenheid wordt gesteld om aan de hand van de gekregen gegevens te voldoen aan de aan haar verstrekte bewijsopdracht, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- per dag, dan wel een door de kantonrechter te bepalen dwangsom per dag, voor het geval dat Stone, [gedaagde 2], [gedaagde 3] en/of [gedaagde 4] niet binnen zeven dagen na betekening van het vonnis aan het hierin gestelde voldoen.

Bij haar akte wijziging/vermeerdering van eis, genomen op de eerstdienende dag, heeft Steens haar vordering in die zin vermeerderd dat zij een bedrag van € 9.187,84 aan kosten van gelegde beslagen vordert.

Bij haar conclusie van repliek in conventie met aanpassing van eis, tevens conclusie van antwoord in reconventie, heeft Steens hetgeen in het petitum onder i. genoemd is, in die zin gewijzigd dat thans gevorderd wordt:

i. Stone c.s. te gebieden dat door hen wordt gehengd en gedoogd dat een door Steens of door een door de kantonrechter benoemde onafhankelijke deskundige op kosten van Steens middels inzage of afschrift controleert of de kandidaten en (gedateerde) gegevens die zijn opgenomen in de als productie 24 en 26 genoemde bestanden ook opgenomen zijn in de in beslag genomen bescheiden, op welke datum deze bestanden of een deel daarvan is ingevoerd in Carerix en dat de onafhankelijke deskundige een overzicht maakt van de treffers, zijnde in beide bestanden voorkomende kandidaten en dat het Stone, [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hoofdelijk wordt verboden gedurende een periode van vier jaar, dan wel gedurende een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen periode, kandidaten op deze lijst van treffers te benaderen en/of direct of indirect te bemiddelen of zakelijke contacten met hen te onderhouden in het kader van de werkzaamheden van Stone, met veroordeling van Stone om aan al deze treffers een brief te schrijven met de tekst zoals verder opgenomen onder i. van het in de dagvaarding opgenomen petitum.

Bij de akte genomen op de rolzitting van 18 juni 2014 heeft Steens te kennen gegeven dat zij haar vordering wenst te verduidelijken door te benadrukken dat waar in de inleidende dagvaarding wordt gesproken over kandidaten, hiermee eveneens worden bedoeld opdrachtgevers, opgenomen in het softwareprogramma van Carerix”.

3.2.

Aan haar (gewijzigde) vordering legt Steens – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag.

3.2.1.

Om proceseconomische redenen is het wenselijk dat zowel de jegens [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] ingestelde vorderingen, als de jegens Stone ingestelde vorderingen door de kantonrechter behandeld en beslist worden.

3.2.2.

Steens heeft een databestand met bij haar aangemelde finance professionals en opdrachtgevers opgebouwd (nader te noemen: het databestand). Het databestand dient aangemerkt te worden als een databestand in de zin van de databankenwet. Artikel 2 van de databankenwet bepaalt dat de producent van een databestand het uitsluitend recht heeft om toestemming te verlenen voor het opvragen of hergebruiken van het geheel of een in kwantitatief of kwalitatief opzicht substantieel deel van de inhoud van de databestand. Daarnaast is het databestand op grond van artikel 10 lid 3 van de auteurswet als zelfstandig werk beschermd door de auteurswet. Op grond van artikel 13/13a van de auteurswet is het niet toegestaan dit werk zonder toestemming van, in casu, Steens te vermenigvuldigen.

3.2.3.

Medio 2013 ontving Steens van bij haar ingeschreven finance professionals signalen dat zij ongevraagd waren ingeschreven in het kandidatenbestand van Stone en actief door Stone waren benaderd. Door middel van ‘een truc’, te weten het via de website van Stone namens finance professionals aanvragen van een nieuwe wachtwoord, is Steens toen van enkele tientallen finance professionals uit haar databestand nagegaan of zij tevens in het bestand van Stone voorkwamen en of zij benaderd waren door Stone. Dit bleek het geval te zijn. Vervolgens heeft Hoffmann geconstateerd dat er in de periode dat [gedaagde 2] werkzaam was voor Steens verschillende USB-media op het computersysteem waarmee [gedaagde 2] zijn werkzaamheden verrichtte aangesloten zijn geweest, waarvan er drie, waaronder een harde schijf, aan het gebruikersaccount van [gedaagde 2] gerelateerd kunnen worden. Dit terwijl er geen noodzaak was om USB-media of een harde schijf aan te sluiten op het systeem van Steens en om bestanden te kopiëren. Bovendien is gebleken dat [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4], terwijl dit in het kader van de normale bedrijfsvoering niet nodig was, bedrijfsinformatie naar hun privé-e-mailadressen verzonden hebben. Ten slotte heeft Steens ontdekt dat [gedaagde 2] bedrijfsinformatie van Steens naar het privé-e-mailadres van [gedaagde 3] verzonden heeft en dat [gedaagde 3] deze bestanden zonder toestemming van Steens opgeslagen heeft op de Blackberry die Steens aan hem ter beschikking had gesteld en die hij, in strijd met het geheimhoudingsbeding, na beëindiging van zijn dienstverband met Steens gehouden heeft.

3.2.4.

Uit het hiervoor onder 3.2.3. genoemde volgt volgens Steens dat [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] zonder toestemming en zonder rechtvaardigingsgrond bedrijfsinformatie van Steens gekopieerd, meegenomen of onder zich gehouden hebben en ter beschikking gesteld hebben aan Stone. Dit verklaart ook hoe het kan dat Stone binnen drie maanden over een databestand met 2.000 professionals beschikte, terwijl Steens er – met omvangrijke reclameacties – ongeveer 69 per maand werft. Met hun voornoemde handelen hebben [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] het geheimhoudingsbeding overtreden, zich schuldig gemaakt aan een strafbaar feit en onrechtmatig, in strijd met goed werknemerschap, in strijd met artikel 2 databankenwet en in strijd met artikel 10 lid 3 jo. 13/13a van de auteurswet gehandeld.

3.2.5.

Stone heeft misbruik gemaakt van de wanprestatie van [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4], hetgeen een onrechtmatige daad van Stone jegens Steens oplevert. Stone had zich moeten realiseren dat de door [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] in de bedrijfsvoering van Stone gebruikte databestanden onrechtmatig waren verkregen. Door de professionals die opgenomen zijn in voornoemde databestanden te benaderen, heeft Stone bewust gebruik gemaakt van de gegevens uit die databestanden. Aangezien Steens hierdoor in een ongunstigere concurrentiepositie dan Stone is geraakt, maakt Stone zich daarmee tevens schuldig aan oneerlijke concurrentie jegens Steens. Daarbij is van belang dat een medewerker van Carerix verklaard heeft dat Stone in een korte tijd honderden kandidaten in Carerix ingevoerd heeft, dat Stone CV’s in verschillende opmaken ingevoerd heeft en dat sprake is van grote overeenkomsten tussen de door Stone in Carerix ingevoerde ingescande CV’s en de ingescande CV’s die Steens in Carerix heeft ingevoerd. Steens heeft er belang bij dat de oneerlijke concurrentie door Stone wordt gestaakt en gedurende een periode van vier jaar gestaakt wordt gehouden.

3.2.6.

Gelet op het voorgaande is Stone c.s. gehouden de schade die Steens als gevolg van het onrechtmatige handelen van Stone c.s. lijdt te vergoeden. Bovendien is Stone c.s. op grond van artikel 5d van de databankenwet gehouden de dientengevolge behaalde winst aan Steens af te dragen en hier rekening en verantwoording aan Steens over af te leggen.

3.2.7.

Stone handelt in strijd met artikel 5 Handelsnaamwet (Hnw) en ook de websites van Steens en Stone en de door Steens en Stone gehanteerde voorwaarden komen in grote mate overeen.

3.2.8.

Door de handelswijze van Stone c.s. was Steens genoodzaakt kosten te maken voor het leggen van conservatoir beslag en gerechtelijke bewaring. Deze kosten komen dan ook voor rekening van Stone c.s..

3.2.9.

Op grond van het in artikel 1019h bepaalde is Stone c.s. hoofdelijk aansprakelijk voor de daadwerkelijk door Steens gemaakte kosten ter verkrijging van haar recht.

3.2.10

De subsidiaire vordering wordt gevorderd voor het geval de door Steens aangedragen bewijzen onvoldoende worden geacht en Steens een bewijsopdracht voor deze stellingen krijgt.

3.3.

De overige stellingen van Steens worden – voor zover van belang – in de beoordeling besproken.

4 Het verweer in conventie

4.1.

Stone c.s. concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Steens en voert daartoe – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende aan.

4.1.1.

Het is in belang van partijen dat de tussen partijen gerezen geschillen worden beslist door één rechter.

4.1.2.

De informatie, die Steens door middel van een ‘truc’ boven water heeft gehaald, is onrechtmatig verkregen.

4.1.3.

Betwist wordt dat [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] bedrijfsinformatie van Steens meegenomen hebben en hebben gebruikt ten behoeve van de bedrijfsvoering van Stone. Allereerst staan de namen en e-mailadressen van de finance professionals die verklaard hebben dat Stone hen benaderd heeft, zonder dat zij zich bij Stone aangemeld hadden, op LinkedIn. Ten tweede heeft Hoffmann geconcludeerd dat niet vastgesteld kan worden dat [gedaagde 2], [gedaagde 3] of [gedaagde 4] bedrijfsinformatie gekopieerd hebben. Ten derde blijkt nergens uit dat [gedaagde 3] en [gedaagde 4] bestanden naar hun privé-e-mailadres verzonden hebben. Dit geldt ook voor een aantal door Steens overgelegde e-mails van [gedaagde 2]. Voor zover dit wel blijkt, heeft [gedaagde 2] de bestanden, die voor een deel dateren van meer dan jaar vóór zijn uitdiensttreding bij Steens, doorgestuurd naar zijn privé-e-mailadres, omdat hij – met medeweten en toestemming van Steens – thuis wilde werken in de doorgestuurde documenten, maar buiten kantoor niet kon inloggen op het netwerk van Steens en zijn zakelijke e-mailaccount slechts kon inzien. Ten slotte is het verklaarbaar waarom Stone binnen korte tijd over een groot kandidatenbestand beschikt en beschikt Stone c.s. over een verklaring van Carerix dat geen van haar medewerkers vertrouwelijke informatie aan derden verschaft heeft. Subsidiair wordt betwist dat Steens als gevolg van de door haar gestelde handelwijze van Stone c.s. schade geleden heeft. Daarbij komt dat op basis van hetzelfde feitencomplex geen schadevergoeding én winstafdracht gevorderd kan worden en artikel 6:104 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geen recht op winstafdracht geeft.

4.1.4.

De vorderingen onder c. en met name onder i. en de subsidiaire vordering van Steens zijn dusdanig algemeen geformuleerd en onvoldoende bepaald dat toewijzing van deze vorderingen zou leiden tot een fishing expedition. Bovendien heeft Steens geen rechtmatig belang bij inzage en/of afschrift als bedoeld in artikel 843a Rv. Het onder c. gevorderde valt niet onder de werking van 843a Rv en gaat, nu Steens niet bewezen heeft dat [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] bedrijfseigendommen hebben meegenomen, te ver. Ook wijst Stone c.s. er op dat de beslagen ook privégegevens getroffen hebben, waaronder medische en financiële gegevens van Stone c.s. en elektronische dossiers van de echtgenote van [gedaagde 2], mw. mr. G.A.H. Wiekamp van WP Advocaten. Subsidiair doet Stone c.s. een beroep op artikel 843a lid 4 Rv. In het bestand van Stone bij Carerix zijn persoonsgegevens opgenomen als bedoeld in de Wet Bescherming Persoonsgegevens. Op grond van die wet is het niet zonder meer toegestaan derden inzage in gegevens te geven. Dit betekent dat de hiervoor bedoelde personen daarmee in dienen te stemmen en dit is feitelijk ondoenlijk.

4.1.5.

Met de vordering om Stone c.s. gedurende vier jaar te verbieden zakelijk contact te onderhouden met finance professionals die zowel in het bestand van Steens bij Carerix als dat van Stone bij Carerix voorkomen, vordert Steens feitelijk een verlenging of vernieuwing van de relatiebedingen. Artikel 843a Rv mag hier niet voor misbruikt worden. Een veroordeling van Stone tot het verzenden van een brief met de in het petitum onder i. genoemde inhoud zou Stone en haar bedrijfsvoering op buitenproportionele en onnodige wijze blootstellen aan negatieve publiciteit. Bovendien is een termijn van vier jaar buitensporig lang.

4.1.6.

Er is niet voldaan aan de vereisten van artikel 5 Hnw. Verder wordt betwist dat de door Steens en Stone gehanteerde voorwaarden en de website van Steens en Stone in hoge mate overeenstemmen.

4.1.7.

De modelovereenkomsten, businessplannen, voorwaarden, klantenbestanden en kandidatenlijsten van Steens zijn niet aan te merken aan een creatieve prestatie, zodat niet aan de vereisten van artikel 1 Auteurswet is voldaan. Subsidiair wordt betwist dat Steens de auteur van voornoemde stukken is. Nu de inspanningen van Steens om een kandidatenbestand/klantenbestand aan te leggen nooit gericht zijn geweest op het produceren van een databestand in de zin van de Databankenwet, voornoemde bestanden een nevenproduct zijn van de primaire activiteiten van Steens en Steens niet bereid is om (onderdelen van) het bestand te verkopen, is evenmin voldaan aan de vereisten van artikel 1 van de Databankenwet.

4.1.8.

De gevorderde dwangsommen dienen te worden gematigd en gemaximeerd tot een door de kantonrechter te bepalen bedrag.

4.1.9.

Steens vordert onder f. en j. dezelfde kostenveroordeling. Subsidiair voert Stone c.s. aan dat geen sprake is van redelijke en evenredige kosten als bedoeld in artikel 1019h Rv en dat sprake is van een ‘gemengde zaak’, zodat Steens inzichtelijk dient te maken welk deel van de kosten verband houdt met de door haar gestelde intellectuele eigendomsrechten. Daar komt bij dat nergens uit blijkt dat de gevorderde advocaat- en proceskosten daadwerkelijk betaald zijn.

4.2.

De overige stellingen van Stone c.s. worden – voor zover van belang – in de beoordeling besproken.

5 De vordering in reconventie

5.1.

Stone c.s. heeft in reconventie gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te verklaren voor recht dat het conservatoir bewijsbeslag ex artikel 1019 Rv e.v. jo. 843a Rv dat Steens gelegd heeft onder Stone c.s. en Carerix een onterechte maatregel betreft als bedoeld in artikel 1019g Rv en te bepalen dat het conservatoir bewijsbeslag onder Stone c.s. en Carerix met ingang van de datum van het vonnis wordt opgeheven;

  2. te verklaren voor recht dat Steens schadeplichtig is voor alle schade (los van de door Stone c.s. gemaakte proceskosten) die Stone c.s. heeft geleden als gevolg van de onterechte maatregel zoals beschreven onder a., welke schade bestaat uit:

a. de kosten voor het repareren van (het slot van) de voordeur van de woning van [gedaagde 4] ad € 300,- exclusief BTW;

b. de loonkosten van Stone ad € 5.969,-;

Steens op grond van artikel 1019h Rv te veroordelen in de door Stone c.s. gemaakte redelijke en evenredige proceskosten voor zover verband houdend met de handhaving van de door Steens beweerde intellectuele eigendomsrechten en te bepalen dat Steens deze proceskosten dient te voldoen aan Stone c.s. binnen zeven dagen na het wijzen van het vonnis onder bepaling dat, indien de proceskosten niet binnen genoemde termijn zijn betaald, hierover vanaf de achtste dag wettelijke rente verschuldigd is;

Steens op grond van artikel 237 Rv te veroordelen in de overige door Stone c.s. in het kader van de onderhavige procedure gemaakte proceskosten en te bepalen dat Steens deze proceskosten dient te voldoen aan Stone c.s. binnen 7 dagen na het wijzen van het vonnis onder bepaling dat, indien de proceskosten niet binnen genoemde termijn zijn betaald, hierover vanaf de achtste dag wettelijke rente verschuldigd is;

Stone c.s., bij toewijzing van een of meer of een gedeelte van de vorderingen van Steens, toe te staan hetgeen zij te vorderen (mochten) heeft van Steens te verrekenen met hetgeen zij Steens schuldig zou zijn;

voor zover (een deel van de) vorderingen van Steens worden toegewezen, de vordering van Steens om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren af te wijzen, althans zolang Steens niet vooraf zekerheid heeft gesteld.

Bij hun conclusie van dupliek in conventie met vermeerdering van eis in reconventie tevens conclusie van repliek in reconventie, heeft Stone c.s. haar vordering in die zin vermeerderd dat thans onder c. wordt gevorderd een bedrag van € 10.134,38 exclusief BTW aan tot en met 16 juni 2014 gemaakte proceskosten, vermeerderd met een bedrag van € 5.000,- exclusief BTW ter zake de begrote kosten voor latere proceshandelingen.

5.2.

Ter onderbouwing van de vorderingen voert Stone c.s. naast de onder 4 genoemde stellingen – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende aan.

5.2.1.

Steens heeft ter verkrijging van verlof voor het leggen van conservatoir bewijsbeslag onder Stone c.s. bewust een verkeerde voorstelling van zaken gegeven. Daarnaast heeft Steens door inbreuk te maken op de persoonlijke levenssfeer van [gedaagde 2], [gedaagde 3], [gedaagde 4], hun echtgenotes en kinderen, op buitenproportionele wijze gebruik gemaakt van het aan haar verleende verlof. Het onder Stone c.s. en Carerix gelegde beslag is een onterechte maatregel als bedoeld in artikel 1019g Rv en is derhalve onrechtmatig. De schade die Stone c.s. als gevolg van de beslaglegging heeft geleden, dient Steens dan ook te vergoeden.

5.2.2.

Het onderhavige geschil ziet voor een vierde deel op de handhaving van de door Steens gestelde intellectuele eigendommen. Stone c.s. maakt dus voor een vierde deel aanspraak op vergoeding van hun volledige advocaatkosten en overige kosten. Hiervoor is alle aanleiding, nu Steens bewust de confrontatie heeft gezocht en Stone c.s. rauwelijks gedagvaard heeft. De kosten die Stone c.s. heeft gemaakt zijn redelijk en evenredig, nu Stone c.s. geconfronteerd is met het conservatoir bewijsbeslag en vervolgens is gedagvaard en voor het voeren van hun verweer genoodzaakt is/was om alle stellingen van Steens en de door Steens bijgevoegde producties zorgvuldig te (laten) beoordelen.

5.3.

De overige stellingen van Stone c.s. worden – voor zover van belang – in de beoordeling besproken.

6 Het verweer in reconventie

6.1.

Steens concludeert tot afwijzing van de vordering in reconventie, met een voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaarde hoofdelijke veroordeling van Stone c.s. in de kosten van de procedure en voert daar naast haar onder 3 genoemde stellingen – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende voor aan.

6.1.1.

Steens had een rechtmatig belang bij het leggen van conservatoir beslag. Indien zij niet tot het gelegde beslag overgegaan was, had Stone c.s. de bewijzen gedurende de procedure kunnen verwijderen of ergens anders kunnen opslaan.

6.1.2.

Betwist wordt dat Stone c.s. als gevolg van het onder hen gelegde conservatoir bewijsbeslag schade heeft geleden. De door Stone c.s. genoemde werknemers hadden hun werkzaamheden gewoon kunnen continueren. Subsidiair wordt de hoogte van de gevorderde loonkosten betwist. Immers, indien Stone de daarvoor benodigde hardware had gehuurd, had er op 9, 10, 11 en 14 oktober 2013 doorgewerkt kunnen worden. Ook wordt betwist dat de door Stone c.s. gestelde kosten daadwerkelijk betaald zijn.

6.1.3.

Betwist wordt dat het totale door Stone c.s. gevoerde verweer voor een vierde deel betrekking heeft op het door Steens gestelde intellectuele eigendom. Subsidiair stelt Steens dat niet meer toegewezen kan worden dan een bedrag van € 3.320,- exclusief BTW, nu Stone c.s. niet aannemelijk heeft gemaakt dat het verweer is gevoerd door een ter zake gespecialiseerd advocaat, zodat geen sprake is van evenredige gerechtskosten, althans
€ 8.000,- omdat de conclusies van re- en dupliek nauwelijks toegespitst waren op het door Steens gestelde intellectuele eigendom. Daar komt bij dat afwijking van de gebruikelijke proceskostenveroordeling niet nodig is c.q. de onderhavige zaak geen afwijking van de gebruikelijke proceskostenveroordeling rechtvaardigt. Het ter zake latere proceshandelingen gevorderde bedrag van € 5.000,- is evenmin redelijk en evenredig.

6.2.

De overige stellingen van Steens worden – voor zover van belang – in de beoordeling besproken.

7 De beoordeling van de vordering

In conventie

7.1.

Nu een van de vorderingen van Steens een vordering als bedoeld in artikel 93 onder c Rv betreft en de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet, is de bevoegdheid van de kantonrechter om kennis te nemen van alle vorderingen gegeven. De kantonrechter zal, mede gezien het bepaalde in artikel 94 lid 2 Rv, dan ook op alle vorderingen beslissen.

7.2.

In haar akte van 18 juni 2014 heeft Steens gesteld haar vordering in die zin te willen verduidelijken dat zij met het in de dagvaarding en onder i. van het petitum genoemde begrip ‘kandidaten’ ook ‘opdrachtgevers’ bedoelt. Mede in aanmerking genomen de stelling van Steens dat de aanleiding voor het nemen van voornoemde akte was, dat het haar duidelijk was geworden dat [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] ook bestanden van Steens met NAW-gegevens van contactpersonen van opdrachtgevers meegenomen hadden, is de kantonrechter van oordeel dat de hiervoor genoemde ‘verduidelijking van het begrip kandidaten’ als een eiswijziging dient te worden aangemerkt. (Ook) uit laatstgenoemde stelling van Steens blijkt immers dat Steens er voorafgaand aan de akte van 17 juni 2014 nog van uitging dat onder het begrip ‘kandidaten’ alleen ‘finance professionals’ moesten worden verstaan, zodat uitbreiding van het begrip ‘kandidaten’ met ‘opdrachtgevers’ betekent dat de grondslag van de vordering en een deel van het petitum wijzigt.


Bij haar antwoordakte van 16 juli 2014 heeft Stone c.s. bezwaar tegen de eiswijziging gemaakt. Het volgende wordt hieromtrent overwogen.

Op grond van het in artikel 130 lid 1 Rv bepaalde geldt als uitgangspunt dat de eisende partij bevoegd is de eis en de gronden daarvan te wijzigen, zolang er nog geen eindvonnis gewezen is, tenzij sprake is van strijd met de goede procesorde. Naar het oordeel van de kantonrechter is dit laatste het geval. Steens heeft haar stelling dat [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] ook bestanden met gegevens van opdrachtgevers meegenomen hebben pas naar voren gebracht toen Stone c.s. de conclusie van dupliek in conventie met vermeerdering van eis in reconventie tevens conclusie van repliek in reconventie genomen had. Het had op de weg van Steens gelegen om deze verduidelijking bij repliek te stellen en nader te concretiseren, zodat Stone c.s. daarop bij dupliek in conventie naar behoren had kunnen reageren en het partijdebat daarover afgerond kon worden. Weliswaar is Stone c.s. in de gelegenheid gesteld op voornoemde akte van Steens te reageren, maar nu Steens nagelaten had voornoemde stelling in haar akte van 18 juni 2014 te concretiseren, heeft Stone c.s. hier niet adequaat op kunnen reageren. Dit betekent dat nog een nieuwe schriftelijke ronde van conclusiewisselingen ingelast zou moeten worden. In aanmerking genomen het feit dat, op het moment dat Steens de akte van 18 juni 2014 nam, de zaak in conventie tot en met conclusie van dupliek uitgeconcludeerd was en al bijna 8 maanden liep, is de kantonrechter van oordeel dat de zaak onnodig zou worden vertraagd, indien het partijen toegestaan zou worden de hiervoor bedoelde conclusies te nemen. Om die reden acht de kantonrechter de eiswijziging van Steens in strijd met de eisen van een goede procesorde. Die eiswijziging zal dan ook buiten beschouwing worden gelaten.

7.3.

In het petitum onder g. heeft Steens – kort gezegd – gevorderd dat Stone het gebruik van de handelsnaam Stone Business Associates B.V. of in ieder geval het bestanddeel ‘Stone’ staakt en gestaakt zal houden. Aan deze vordering heeft Steens ten grondslag gelegd dat Stone in strijd met artikel 5 Hnw handelt. Het volgende wordt overwogen.

Artikel 6 lid 1 Hnw luidt: “Indien een handelsnaam wordt gevoerd in strijd met deze wet, kan ieder belanghebbende, onverminderd zijn vordering krachtens titel 3 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, zich bij verzoekschrift tot de kantonrechter wenden met het verzoek, degene die de verboden handelsnaam voert, te veroordelen, daarin zodanige door de rechter te bepalen wijziging aan te brengen, dat de gestelde onrechtmatigheid wordt opgeheven.

Dit betekent dat Steens voor dit deel van de vordering een verzoekschrift had moeten indienen. Nu zij voornoemd verzoek bij dagvaarding ‘gevorderd’ heeft, kan zij ten aanzien van het in het petitum onder g. en h. gevorderde niet ontvangen worden.

7.4.

Steens heeft aan haar vorderingen jegens [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] ten grondslag gelegd dat zij het geheimhoudingsbeding hebben overtreden door bedrijfsinformatie van Steens zonder haar toestemming mee te nemen, deze bedrijfsinformatie en andere bedrijfseigendommen na beëindiging van hun dienstverband behouden te hebben en de voornoemde bedrijfsinformatie aan Stone ter beschikking te stellen. Aan haar vorderingen jegens Stone heeft Steens ten grondslag gelegd dat Stone onrechtmatig jegens Steens gehandeld heeft door misbruik te maken van de hiervoor bedoelde toerekenbare tekortkoming(en) van [gedaagde 2], [gedaagde 3] en/of [gedaagde 4], door voornoemde bedrijfsinformatie van Steens aan te wenden voor haar eigen bedrijfsvoering, waarmee Stone zich jegens Steens tevens schuldig heeft gemaakt aan oneerlijke concurrentie. Het volgende wordt hieromtrent overwogen.

7.4.1.

Ter onderbouwing van haar stelling dat [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] het geheimhoudingsbeding overtreden hebben, heeft Steens het rapport van Hoffmann in het geding gebracht. Blijkens dit rapport heeft Hoffmann op verzoek van Steens digitaal onderzoek verricht op gegevens die betrekking hebben op [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4], met als doel vast te stellen of genoemde werknemers vertrouwelijke bedrijfsinformatie gekopieerd/geëxfiltreerd hebben. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat, in de periode dat [gedaagde 2] werkzaam voor Steens was, vijf USB-media op het computersysteem waarmee [gedaagde 2] zijn werkzaamheden verrichtte aangesloten zijn geweest, waarvan er drie gerelateerd kunnen worden aan het gebruikersaccount van [gedaagde 2]. Uit bijlage 1 bij het rapport van Hoffmann blijkt dat de drie aan [gedaagde 2] te relateren USB-media, te weten twee USB-sticks en een Blackberry, aangesloten zijn geweest op 11, 13 en 17 oktober 2011. Verder volgt uit het rapport dat Hoffmann, op grond van het feit dat er geen snelkoppelingen in de gebruikersprofielen van [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] aangetroffen zijn die verwijzen naar bestanden die zijn opgeslagen op de eerder genoemde vijf USB-media, geconcludeerd heeft dat niet kan worden vastgesteld of [gedaagde 2], [gedaagde 3] en/of [gedaagde 4] bedrijfsinformatie gekopieerd hebben. Mede gelet op het feit dat Stone c.s. betwist heeft dat [gedaagde 2] externe gegevensdragers aan het systeem gekoppeld heeft om daar bedrijfsinformatie van Steens mee te kopiëren, brengt dit met zich dat op grond van het rapport van Hoffmaan niet geoordeeld kan worden dat [gedaagde 2] bedrijfsinformatie van Steens weggenomen heeft en zijn geheimhoudingsbeding daarmee geschonden heeft. Weliswaar blijkt uit het voorgaande dat er drie aan [gedaagde 2] te relateren USB-media op zijn computersysteem aangesloten zijn geweest, maar zonder nadere toelichting van Steens, die echter ontbreekt, kan dit enkele feit niet afdoen aan voornoemd oordeel. Zulks temeer niet nu [gedaagde 2] onweersproken heeft gesteld dat hij de gewoonte had om zijn Blackberry aan te sluiten op de computer om op die wijze de batterij van de mobiele telefoon op te laden. Aangezien het onderzoek van Hoffmann ten aanzien van [gedaagde 3] en [gedaagde 4] tot geen resultaat geleid heeft, kan uit het rapport niet worden afgeleid dat deze gedaagden hun geheimhoudingsbeding in de hiervoor onder 7.4. genoemde zin overtreden hebben. Bovendien is van belang dat Steens er kennelijk van heeft afgezien om het door Hoffmann bedoelde aanvullend onderzoek in te (laten) stellen.

7.4.2.

Verder heeft Steens een beroep gedaan op de als productie 7 bij dagvaarding en als producties 26a tot en met 26i en 29 bij conclusie van repliek in conventie met aanpassing van eis, tevens conclusie van antwoord in reconventie overgelegde e-mails. Hoewel Steens stelt dat hieruit blijkt dat [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] databestanden van Steens van hun computers bij Steens naar hun privé-e-mailadressen verzonden hebben, bestaan deze producties alleen uit e-mails van [gedaagde 2] aan zijn privé-e-mailadres. Bovendien zijn die e-mails verstuurd ruim voordat [gedaagde 2] uiteindelijk zijn arbeidsovereenkomst met Steens heeft beëindigd. Bij gebreke van een nadere toelichting van Steens op dit punt kan op basis van deze e-mails dan ook niet worden geconcludeerd dat [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hun geheimhoudingsbeding overtreden hebben. Stone c.s. heeft aangevoerd dat [gedaagde 2] de hiervoor bedoelde e-mails met bijlagen naar zijn privé-e-mailadres verzonden heeft, omdat hij, zoals Steens ook van hem verwachtte en dus met toestemming van Steens, buiten kantooruren thuis wilde werken aan zijn ‘administratie’ en het destijds niet mogelijk was om buiten kantoor in te loggen op het netwerk van Steens om in de bij Steens opgeslagen documenten te werken. De op @steensconsultants.nl eindigende e-mailadressen konden thuis alleen ingezien worden en ook uit Carerix konden geen gegevens gedownload worden. Ook andere werknemers van Steens stuurden om die reden bestanden naar hun privé-e-mailadres. Dit was bekend bij Steens en zij heeft hier nimmer bezwaar tegen gemaakt. Ten slotte kan Stone c.s. van elke afzonderlijke e-mail aangeven waarom [gedaagde 2] dat bericht naar zijn privé-e-mailadres gezonden heeft, aldus Stone c.s.. In reactie daarop heeft Steens gesteld dat haar medewerkers beschikten over een op @steens.nl eindigend e-mailadres, dat benaderbaar was vanuit Carerix en een op @steensconsultants.nl eindigend e-mailadres, dat via Outlook ingezien kon worden.

Nu Steens niet betwist heeft dat het gebruikelijk was dat [gedaagde 2] buiten kantooruren thuis werkte en dat zij dit ook van hem verwachtte en bevestigd heeft dat medewerkers van Steens de op @steensconsultants.nl eindigde e-mails buiten kantoor alleen konden inzien, hetgeen betekent dat, zoals Stone c.s. heeft aangevoerd, er niet in de als bijlagen bij de e-mails gevoegde bestanden gewerkt kon worden, is de kantonrechter van oordeel dat Steens voornoemd verweer van Stone c.s. onvoldoende weersproken heeft. Weliswaar brengt het voorgaande met zich dat [gedaagde 2] bedrijfsinformatie van Steens in zijn bezit heeft gehad, maar gelet op het feit dat – zoals Stone c.s. onvoldoende weersproken heeft gesteld – Steens hier (stilzwijgende) toestemming voor gegeven heeft door te verlangen van werknemers dat zij thuis werkten, terwijl zij wist of behoorde te weten dat het niet mogelijk was om op het netwerk van Steens opgeslagen documenten buiten kantoor te raadplegen en te bewerken c.q. dat de op @steensconsultants.nl eindigende e-mails buiten kantoor slechts konden worden ingezien, kan hier niet uit geconcludeerd worden dat [gedaagde 2] zijn geheimhoudingsbeding overtreden heeft door bedrijfsinformatie zonder toestemming van Steens in zijn bezit te nemen. Dat [gedaagde 2] de hiervoor bedoelde e-mails na verzending naar zijn privé-e-mailadres verwijderd heeft, maakt voornoemd oordeel niet anders. Aannemelijk is dat [gedaagde 2] dat gedaan heeft om te voorkomen dat zijn mailbox snel vol zou raken.

Steens heeft nog gesteld dat het niet uitgesloten is dat (onder meer) [gedaagde 2] nog over voornoemde bedrijfsinformatie van Steens beschikt. Nu Stone c.s. dit heeft betwist en Steens vervolgens nagelaten heeft deze stelling nader te onderbouwen, wordt deze ook stelling als onvoldoende onderbouwd gepasseerd. Derhalve kan evenmin worden geoordeeld dat [gedaagde 2] zijn geheimhoudingsbeding overtreden heeft door bedrijfsinformatie van Steens na beëindiging van zijn dienstverband te hebben behouden.

7.4.3.

Voorts heeft Steens de e-mail van [gedaagde 2] aan [gedaagde 3] d.d. 29 april 2010 overgelegd (productie 8 bij dagvaarding). Nu niet uit deze productie blijkt dat [gedaagde 2] bijlagen naar [gedaagde 3] verzonden heeft - het lijkt er eerder op dat de directeur van Steens, de heer Misset, bestanden doorstuurt naar de advocaat mr. H. Eijer - kan ook grond van deze e-mail niet geoordeeld worden dat [gedaagde 2] en/of [gedaagde 3] hun geheimhoudingsbeding geschonden hebben door bedrijfsinformatie van Steens weg te nemen. Steens heeft nog gesteld dat [gedaagde 3] de door Steens ter beschikking gestelde Blackberry na het einde van zijn dienstverband gehouden heeft, hetgeen volgens haar tevens een schending van het geheimhoudingsbeding oplevert. In reactie daarop heeft Stone c.s. aangevoerd dat [gedaagde 3] de Blackberry op verzoek van Steens geretourneerd en dat R. Zoontje, een medewerker van Steens, de Blackberry inclusief telefoonnummer overgenomen heeft. Gelet op deze gemotiveerde betwisting had het op de weg van Steens gelegen haar stelling nader te onderbouwen. Nu zij dit nagelaten heeft, wordt haar stelling als onvoldoende gesteld gepasseerd.

7.4.4.

Ten aanzien van [gedaagde 4] heeft Steens nog gesteld dat uit de e-mail van [gedaagde 4] aan zijn privé-e-mailadres d.d. 10 september 2010 met de bijlage ‘gemeentekandidaten1.xls’ (productie 24 bij conclusie van repliek in conventie met aanpassing van eis, tevens conclusie van antwoord in reconventie) in samenhang bezien met de als productie 25 bij conclusie van repliek in conventie met aanpassing van eis, tevens conclusie van antwoord in reconventie overgelegde lijst, volgt dat [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hun geheimhoudingsbeding geschonden hebben. Nu ook voor deze productie geldt dat uit niets blijkt dat [gedaagde 4] bijlagen naar zichzelf gestuurd heeft - het lijkt er eerder op dat de directeur van Steens, de heer Misset, het bestand ‘gemeentekandidaten1.xls’ naar de advocaat mr. H. Eijer stuurt - kan ook uit dit stuk niet geconcludeerd worden dat [gedaagde 4], [gedaagde 2] en/of [gedaagde 3] hun geheimhoudingsbeding geschonden hebben.

Ten overvloede wordt overwogen dat al zou blijken dat [gedaagde 4] voornoemd bestand naar zijn privé-e-mailadres gezonden heeft en al zou blijken dat de in productie 25 genoemde personen in dat bestand voorkomen, er gelet op het feit dat van de 55 in het bestand ‘gemeentekandidaten1.xls’ voorkomende, bij Steens ingeschreven finance professionals, maar 38 ook bij Stone ingeschreven staan, niet geoordeeld kan worden dat de gegevens van deze finance professionals afkomstig zijn uit hiervoor genoemde bestand. Het ligt immers niet voor de hand dat een onderneming die beschikt over, zoals Steens stelt, gevoelige bedrijfsinformatie van de concurrent, slechts een deel daarvan in haar eigen databestand overneemt en gesteld noch gebleken is waarom de 17 finance professionals die niet in het bestand van Stone aangetroffen zijn, niet geschikt waren om in de databestand van Stone opgenomen te worden. Daar komt bij dat de gegevens van 35 van de 38 finance professionals via LinkedIn beschikbaar waren en dat het niet ondenkbaar is dat Stone de gegevens via die weg bemachtigd heeft. Weliswaar waren de gegevens van 3 van de 38 finance professionals niet via internet te raadplegen, maar nu niet uitgesloten kan worden dat dit relatief kleine aantal professionals zelf contact met Stone opgenomen heeft, kan dit niet tot het oordeel leiden dat hun gegevens afkomstig zijn uit voornoemd bestand en dus ook niet dat [gedaagde 4] het bestand aan Stone ter beschikking heeft gesteld. De niet onderbouwde aanname van Steens dat de hiervoor genoemde 3 finance professionals ‘oud-kandidaten’ zijn, die niet beschikbaar zijn voor de interimmarkt, maakt dit oordeel niet anders.

Nu de door middel van ‘de truc’ verkregen informatie (zie productie 25 bij dagvaarding), mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet als bewijs kan dienen voor de hiervoor onder 7.4. genoemde stelling van Steens, kan het verweer van Stone c.s. dat deze informatie onrechtmatig verkregen is verder onbesproken blijven.

7.4.5.

Nu hetgeen Steens overigens ter onderbouwing van haar hiervoor onder 7.4. genoemde stellingen heeft aangevoerd, te weten de als producties 5 en 16 bij dagvaarding overgelegd e-mails, de stelling dat het databestand van Stone binnen enkele maanden uit 2.000 professionals bestond en de stelling dat een medewerker van Carerix het hiervoor onder 3.2.5. genoemde verklaard heeft, hoogstens tot het oordeel kan leiden dat Stone over bedrijfsinformatie van Steens beschikt, maar niet dat [gedaagde 2], [gedaagde 3] en/of [gedaagde 4] hun geheimhoudingsbeding op de hiervoor onder 7.4. genoemde wijze geschonden hebben en dus ook niet dat Stone – zoals Steens aan haar vordering jegens Stone ten grondslag heeft gelegd – onrechtmatig jegens Steens gehandeld heeft door misbruik te maken van de toerekenbare tekortkoming van [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] in de nakoming van hun verplichtingen en door zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan oneerlijke concurrentie, kunnen voornoemde stellingen verder onbesproken blijven.

7.5.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Steens haar hiervoor onder 7.4. genoemde stellingen onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd heeft. Aan bewijslevering komt de kantonrechter dan ook niet toe. Derhalve worden de (primaire) vorderingen van Steens afgewezen.

7.6.

Subsidiair, uitsluitend en alleen voor het geval haar bewijs opgedragen wordt, heeft Steens blijkens het gestelde in randnummer 34 van de dagvaarding gevorderd dat Roessen & Roessen Opslag B.V. in haar hoedanigheid van gerechtelijk bewaarder zal worden gelast inzage te verstrekken van de in opdracht van Steens in beslag genomen bescheiden.

Nu de voorwaarde waaronder de subsidiaire vordering is ingesteld niet in vervulling gaat, omdat er gezien hetgeen hiervoor is overwogen en beslist geen aanleiding bestaat om Steens tot bewijslevering toe te laten, behoeft de subsidiaire vordering geen verdere beoordeling.

7.7.

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt Steens veroordeeld in de kosten van de procedure, die zullen worden berekend aan de hand van het liquidatietarief. Daargelaten dat Stone c.s. strikt genomen alleen in reconventie gevorderd heeft Steens ter zake het deel van de zaak dat betrekking heeft op het door Steens gestelde intellectuele eigendom, op grond van artikel 1019h Rv te veroordelen in de werkelijk door Stone c.s. gemaakte proceskosten, wordt daarbij het volgende overwogen. Hoewel dit op hun weg gelegen had en zij hier in hun conclusie van antwoord tevens eis in reconventie en conclusie van dupliek in conventie met vermeerdering van eis in reconventie tevens conclusie van repliek in reconventie toe in de gelegenheid was, heeft Stone c.s. nagelaten een gespecificeerde opgave te doen van de door haar gemaakte proceskosten die uitsluitend zien op het deel van de vordering van Steens dat betrekking heeft op handhaving van haar intellectuele eigendomsrechten. De stelling van Stone c.s. dat het geschil voor een vierde deel ziet op het door Steens gestelde intellectuele eigendom en het overleggen van de – op de totale zaak betrekking hebbende – gespecificeerde declaraties en een kostenbegroting van de advocaat van Stone c.s. voor de rest van de procedure, kan niet als zodanig worden aangemerkt. De op artikel 1019h Rv gegronde vordering dient dan ook reeds om die reden te worden afgewezen.

Gelet op de complexiteit van de zaak zal € 1.000,- x 2 ½ punten worden toegekend. Inzake de gevorderde rente over de proceskosten zal worden beslist zoals hierna vermeld.

In reconventie

7.8.

Tussen partijen is in geschil of het door Steens, op grond van artikel 1019c jo. 843a Rv, gelegde conservatoir bewijsbeslag ten onrechte gelegd is. Het volgende wordt hieromtrent overwogen.

Op grond van vaste jurisprudentie handelt degene die conservatoir beslag legt op eigen risico en dient hij, bijzondere omstandigheden daargelaten, de door het beslag geleden schade te vergoeden indien het achteraf ten onrechte blijkt te zijn gelegd. De vraag of het beslag ten onrechte is gelegd, dient in zijn algemeenheid te worden beoordeeld naar het moment waarop in rechte op de vordering wordt beslist. Derhalve is niet van doorslaggevend belang of de beslaglegger er bij het leggen van het beslag goede gronden voor had. Indien vast komt te staan dat ten onrechte beslag gelegd is, is de beslaglegger uit onrechtmatige daad aansprakelijk jegens degene op wiens eigendomsrecht het beslag inbreuk heeft gemaakt. Naar het oordeel van de kantonrechter geldt het voorgaande ook ten aanzien van conservatoir beslag tot bescherming van bewijs als bedoeld in artikel 1019c lid 1 Rv. Voor de regels omtrent het conservatoir bewijsbeslag is immers aansluiting gezocht bij de wetsartikelen ter zake het conservatoir beslag.

Het bewijsbeslag is in het leven geroepen om de rechthebbende te voorzien van materiaal om zijn vordering ter zake een op zijn intellectueel eigendom gemaakte inbreuk te onderbouwen. Nu Steens onvoldoende gesteld heeft om ter zake de door haar gestelde inbreukvorderingen tot bewijslevering toe te worden gelaten en de vorderingen op die grond afgewezen zijn, is de grondslag aan het gelegde bewijsbeslag komen te ontvallen.
Steens heeft het conservatoir bewijsbeslag dan ook ten onrechte gelegd en daarmee onrechtmatig gehandeld, waardoor zij op grond van artikel 1019g Rv gehouden is de daardoor toegebrachte schade te vergoeden. Dit betekent dat de onder a. gevorderde verklaring voor recht en de vordering tot opheffing van het bewijsbeslag zal worden toegewezen.

7.9.

Gelet op het voorgaande is Steens op grond van artikel 1019g Rv gehouden de schade te vergoeden, die Stone c.s. als gevolg van het ten onrechte gelegde bewijsbeslag geleden heeft.

7.9.1.

Stone c.s. heeft gesteld dat deze schade in de eerste plaats bestaat uit de kosten voor het repareren van (het slot van) de voordeur van de woning van [gedaagde 4] ad € 300,- exclusief BTW. Steens heeft betwist dat de voordeur van [gedaagde 4] gerepareerd is. Gelet op het verweer van Steens had het op de weg van Stone c.s. gelegen feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit blijkt dat Stone c.s. c.q. [gedaagde 4] de door haar gestelde schade daadwerkelijk geleden heeft. Nu dit niet kan volgen uit de – als reactie op voornoemd verweer – door Stone c.s. in het geding gebrachte offerte Van MSHW Support B.V., dient de stelling als onvoldoende onderbouwd te worden gepasseerd. Het had op de weg van Stone c.q. [gedaagde 4] gelegen om stukken in het geding te brengen waaruit afgeleid kan worden dat het bedrag van € 300,- daadwerkelijk door [gedaagde 4] c.q. Stone is betaald.

7.9.2.

Verder heeft Stone c.s. gesteld dat de schade bestaat uit de loonkosten van [gedaagde 2], [gedaagde 3], [gedaagde 4] en Edwin Ibrisimovic, een andere werknemer van Stone, over de dagen dat voornoemde personen vanwege het gelegde bewijsbeslag niet hebben kunnen werken. Steens heeft voornoemde stelling betwist. Het volgende wordt hieromtrent overwogen.

Ter onderbouwing van haar verweer heeft Steens in de eerste plaats aangevoerd dat uit een bericht van Stone op Facebook d.d. 14 oktober 2013 blijkt dat er die dag gewerkt is. In reactie daarop heeft Stone c.s. gesteld dat het plaatsen van het Facebookbericht een vrijwel geautomatiseerde handeling is, die niet door voornoemde werknemers, maar door de back-office van Stone wordt verricht. Gelet daarop was het aan Steens om feiten en omstandigheden aan te voeren die haar verweer kunnen dragen. Nu zij dit nagelaten heeft, wordt het verweer als onvoldoende onderbouwd verworpen. Verder heeft Steens aangevoerd dat Stone ook hardware had kunnen huren, waarmee voornoemde werknemers hadden kunnen inloggen op Carerix en hun werkzaamheden voort hadden kunnen zetten. De kantonrechter vat dit verweer op als een beroep op artikel 6:101 BW. Op grond van dit artikel is de benadeelde, in casu Stone c.s., binnen redelijke grenzen gehouden tot het nemen van maatregelen ter voorkoming of beperking van de schade. Mede in overweging genomen het feit dat Steens Stone in de positie heeft gebracht dat voornoemde werknemers een aantal dagen geen gebruik hebben kunnen maken van hun computers, is de kantonrechter van oordeel dat het Stone c.s. in redelijkheid niet tegengeworpen kan worden dat zij nagelaten heeft ter vervanging van in beslag genomen computers hardware te huren om zodoende de thans door Steens te vergoeden schade te beperken. Voornoemd verweer kan dan ook niet slagen. Verder heeft Steens de hoogte van de lonen van voornoemde werknemers van Stone bij gebrek aan wetenschap betwist. Nu Stone c.s. in reactie daarop salarisspecificaties in het geding heeft gebracht en Steens haar verweer vervolgens niet nader onderbouwd heeft, wordt het als onvoldoende onderbouwd verworpen. Ten slotte heeft Steens aangevoerd dat niet in te zien valt waarom voornoemde werknemers niet via de iPad en mobiele telefoon door hebben kunnen werken. Nu nergens uit blijkt waarom Stone c.s. hun werkzaamheden niet op een andere manier heeft kunnen verrichten, Stone c.s. enkel heeft gesteld dat voornoemde werknemers volledig in beslag waren genomen door het gelegde beslag, is de kantonrechter van oordeel dat dit verweer slaagt.

Mede gelet op het feit dat wel aannemelijk wordt geacht dat het gelegde beslag voor een deel in negatieve zin van invloed is geweest op de arbeidsproductiviteit van voornoemde werknemers en het feit dat niet door Steens is betwist dat voornoemde werknemers op de door hen gestelde dagen geen beschikking hadden over hun computers, brengt dit met zich dat de dientengevolge geleden schade door Stone c.s. ex aequo et bono geschat wordt op 50% van het gevorderde bedrag, te weten - afgerond - € 3.000,-.

7.10.

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij wordt Steens veroordeeld in de kosten van het geding in reconventie, die zullen worden berekend aan de hand van het liquidatietarief. Daarbij wordt het volgende overwogen. Hoewel dit op hun weg gelegen had en zij hier in hun conclusie van antwoord tevens eis in reconventie en conclusie van dupliek in conventie met vermeerdering van eis in reconventie tevens conclusie van repliek in reconventie toe in de gelegenheid was, heeft Stone c.s. nagelaten een gespecificeerde opgave te doen van de door haar gemaakte proceskosten die uitsluitend zien op het deel van de vordering van Steens dat betrekking heeft op handhaving van haar intellectuele eigendomsrechten. De stelling van Stone c.s. dat het geschil voor een vierde deel ziet op het door Steens gestelde intellectuele eigendom en het overleggen van de – op de totale zaak betrekking hebbende – gespecificeerde declaraties en een kostenbegroting van de advocaat van Stone c.s. voor de rest van de procedure, kan niet als zodanig worden aangemerkt. De op artikel 1019h Rv gegronde vordering dient dan ook reeds om die reden te worden afgewezen.

Rekening houdend met de in conventie toegewezen proceskostenveroordeling en ook rekening houdend met het feit dat de vorderingen in conventie en reconventie nauw met elkaar samenhangen, zal de kantonrechter in reconventie de hierna te noemen proceskostenveroordeling toekennen in reconventie. Inzake de gevorderde rente over de proceskosten zal worden beslist zoals hierna vermeld.

8 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

verklaart Steens ten aanzien van het in het petitum onder g. en h. gevorderde niet-ontvankelijk;

wijst de overige vorderingen af;

Fout! De documentvariabele ontbreekt.Fout! De documentvariabele ontbreekt.Fout! De documentvariabele ontbreekt.veroordeelt Steens in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Stone c.s. vastgesteld op € 2.500,- aan salaris voor de gemachtigde, vermeerderd de wettelijke rente over dit bedrag vanaf veertien dagen na uitspraak van het vonnis;

in reconventie:

verklaart voor recht dat het door Steens ten laste van Stone c.s. op grond van het gegeven beslagverlof d.d. 29 augustus 2013 gelegde conservatoir bewijsbeslag ten onrechte gelegd is, als bedoeld in artikel 1019g Rv;

heft op het door Steens ten laste van Stone c.s. op grond van het gegeven beslagverlof

d.d. 29 augustus 2013 gelegde conservatoir bewijsbeslag,

veroordeelt Steens om aan Stone c.s. op grond van artikel 1019g Rv te betalen ten titel van schadevergoeding een bedrag van € 3.000,-;

Fout! De documentvariabele ontbreekt.Fout! De documentvariabele ontbreekt.Fout! De documentvariabele ontbreekt.veroordeelt Steens in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Stone c.s. vastgesteld op € 1.000,- aan salaris voor de gemachtigde, vermeerderd de wettelijke rente over dit bedrag vanaf veertien dagen na uitspraak van het vonnis;

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

874/710