Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:10681

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
12-01-2015
Zaaknummer
C/10/438379 / HA ZA 13-1190
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg van de term “vrij op naam” in een overeenkomst tussen een projectontwikkelaar en een gemeente. Haviltex-criterium.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/106
RCR 2015/35

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/438379 / HA ZA 13-1190

Vonnis van 3 december 2014 (bij vervroeging)

in de zaak van

1. de vennootschap onder firma

BOSKALIS/RIJNLAND V.O.F.,

gevestigd te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BOSKALIS B.V., VOORHEEN GENAAMD BOSKALIS OOSTERWIJ,

gevestigd te Rotterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GROND-EN ZAND EXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ RIJNLAND B.V,

gevestigd te Gouda,

eiseressen,

advocaat mr. H.D.L.M. Schruer,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ROTTERDAM,

zetelend te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. G. 't Hart.

Partijen zullen hierna BKR en de gemeente genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord met producties;
- de tussenvonnissen van deze rechtbank van 5 februari 2014 en 26 maart 2014 waarbij een comparitie is gelast;
- het proces-verbaal van comparitie van 3 november 2014, met de bij die gelegenheid in het geding gebrachte akte zijdens BKR met producties en de bij het proces-verbaal gevoegde brief zijdens BKR houdende opmerkingen over dit proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In 1994 is een bestuurlijk convenant tussen overheden, waaronder de Provincie Zuid-Holland en de gemeente gesloten teneinde VINEX-woningbouw te realiseren op de locatie Nesselande te Rotterdam. Uitgangspunt van het convenant is, dat de uitbreiding van de Zevenhuizerplas en de inrichting van het aangrenzende landelijk gebied zou worden gefinancierd uit "commerciële zandwinning", waarbij zand werd gewonnen uit de Zevenhuizerplas.

BKR was reeds eigenaar van een substantieel deel van de gronden waarbinnen de recreatieplas en de woningbouwlocatie beoogd werden te worden ontwikkeld en BKR beschikte bovendien over de voor de werkzaamheden (zandwinning en inrichting) noodzakelijke technische expertise en ervaring.

2.2.

Op 17 februari 1999 is tussen de gemeente Rotterdam en BKR na een langdurig onderhandelingstraject een overeenkomst (hierna: de overeenkomst) tot stand gekomen, waarbij:
a. BKR haar grondpositie in het plangebied verkocht aan de gemeente
b. BKR zich jegens de gemeente verplichtte tot uitvoering van inrichtingswerken met een waarde - ten tijde van het aangaan van de overeenkomst - van NLG 26,5 miljoen vrij op naam (= afgerond circa 12 miljoen euro) en hiertegenover aan BKR civielrechtelijke toestemming is verleend om in het gebied van de recreatieplas circa 12,5 miljoen kubieke meter zand uit de Zevenhuizerplas te winnen met inachtneming van de op dat moment nog door de Provincie Zuid-Holland te verlenen ontgrondingenvergunning;
c. door de gemeente aan BKR een (aanvullende) opdracht is gegeven tot de aanleg van een aantal werken in het gebied Nesselande voor een bedrag van NLG 25 miljoen exclusief BTW.

Artikel 16 van de overeenkomst luidt:

"Boskalis/Rijnland voert ter voldoening aan haar inrichtingsverplichting ingevolge de ontgrondingenvergunning het als bijlage C aan deze overeenkomst gehechte inrichtingsplan uit. De Gemeente wenst de aanleg van een aantal werken van grond-, weg- en waterbouw in het plangebied in aanvulling op het inrichtingsplan. De Gemeente draagt met inachtneming van haar publiekrechtelijke bevoegdheden en verplichtingen de uitvoering van deze werken op aan Boskalis/Rijnland tot een waarde van totaal NLG 25 miljoen (exclusief BTW; prijspeil 1-1-1999, CBS prijsindexcijfèr voor de wegenbouw). Partijen stellen voorzover de waarde van de ingevolge de hiervoor genoemde inrichtingsverplichting uit te voeren werkzaamheden op NLG 26,5 miljoen vrij op naam en inclusief 7,5% toegerekende algemene kosten (prijspeil 1-1-1999, CBS prijsindexcijfer voor de wegenbouw)".

2.3.

Aan (artikel 16 van) de overeenkomst zijn een aantal concept versies vooraf gegaan, te weten:
- een concept van 21 oktober 1998, inhoudende:
"De kosten voor de uitvoering van het inrichtingsplan bedragen voor Boskalis/Rijnland NLG 26,5 mio (excl. BTW en prijspeil d.d. 1 juli 1998, - index BDB -). Indien de wensen van de gemeente in het kader van haar goedkeuring als bedoeld in onderdeel 8 van deze afspraken, naar het stellige oordeel van Boskalis/Rijnland meebrengen dat het bedrag van NLG 26,5 mio wordt overschreden, draagt de gemeente op verzoek van Boskalis/Rijnland zorg voor de uitvoering van het inrichtingsplan. Boskalis/Rijnland betaalt de gemeente daarvoor alsdan een vergoeding van NLG 26,5 mio. (excl. BTW, prijspeil 1 juli 1998, index BDB). De fasering van de uitvoering van het inrichtingsplan door Boskalis/Rijnland dan wel de betaling van de hierboven genoemde vergoeding zal in nader overleg, op basis van een door Boskalis/Rijnland op te stellen werkplan voor de zandwinning, worden vastgesteld."

Voorts wordt onder (het laatste) artikel 15 nog een opmerking gemaakt over de BTW: "Nader te regelen:

o Bankgarantie

o BTW"

  • -

    een concept voor een bespreking op 6 november 1998, "5e Concept [concept]" , inhoudende:
    "In het kader van de werkzaamheden die door Boskalis/Rijnland zullen worden uitgevoerd ten behoeve van het inrichtingsplan ontstaat er een vooraftrek van omzetbelasting op de geïnvesteerde kosten. In het kader van de daarop volgende overdracht van het werk om niet aan de gemeente Rotterdam dienen er met de belastingdienst of het Ministerie van Financiën afspraken gemaakt te worden over de correctie op de eventueel genoten vooraftrek. Genoemde afspraken zullen door de gemeente Rotterdam worden geïnitieerd. Beide partijen verplichten zich eventuele nadelige effecten van deze afspraken tot een minimum te beperken.”

  • -

    een concept van 24 november 1998, inhoudende:
    "…De kosten voor de uitvoering van het inrichtingsplan bedragen voor Boskalis/Rijnland NLG 26,5 mio (excl. BTW, incl. 7,5% AK, prijspeil dd 1 juli 1998, conform de index BDB). Indien de Gemeente in het kader van haar goedkeuring aanvullende voorwaarden stelt aan het inrichtingsplan die naar het stellige oordeel van Boskalis/Rijnland meebrengen dat het bedrag van NLG 26,5 mio (excl. BTW, incl. 7,5%

AK, prijspeil d.d. 1 juli 1998 conform de index BDB), draagt de gemeente zorg voor de uitvoering van het inrichtingsplan. Boskalis/Rijnland betaalt de gemeente daarvoor alsdan een vergoeding van NLG 26,5 mio. (excl. BTW, incl 7,5% AK, prijspeil 1 juli 1998 conform de index BDB).

"…De fasering van de uitvoering van het inrichtingsplan door Boskalis/Rijnland dan wel de betaling van de hierboven genoemde vergoeding stellen partijen in nader overleg vast, op basis van een door Boskalis/Rijnland op te stellen werkplan voor de zandwinning" .

Met betrekking tot de omzetbelasting behelst dit concept de volgende passage:

"…De Gemeente initieert overleg met de belastingdienst of het Ministerie van Financiën over de correctie op eventueel genoten vooraftrek omzetbelasting op geïnvesteerde kosten in het kader van de werkzaamheden die Boskalis/Rijnland uitvoert ten behoeve van het inrichtingsplan. Beide partijen verlenen voorzover mogelijk hun medewerking aan een voor partijen zo gunstig mogelijke fiscale oplossing."

- een concept van 26 november 1998, inhoudende:

"…Boskalis/Rijnland voert ter voldoening van haar inrichtingsverplichting ingevolge de ontgrondingenvergunning het als bijlage C aan deze overeenkomst gehechte inrichtingsplan uit."

- een concept van 29 november 1998, inhoudende:

"Boskalis/Rijnland voert ter voldoening van haar inrichtingsverplichting ingevolge de ontgrondingenvergunning het als bijlage C aan deze overeenkomst gehechte inrichtingsplan uit. De Gemeente wenst de aanleg van een aantal werken van grond, weg- en waterbouw in het plangebied Nesselande in aanvulling op het inrichtingsplan. De Gemeente draagt met inachtneming van haar publiekrechtelijke bevoegdheden en verplichtingen de uitvoering van deze werken op aan Boskalis/Rijnland tot een waarde van totaal NLG 20 miljoen. Partijen stellen voorzover in dit verband noodzakelijk de waarde van de ingevolge het inrichtingsplan uit te voeren werkzaamheden op NLG 26,5 miljoen."

  • -

    een concept van 14 december 1998, inhoudende:
    "…De Gemeente draagt met inachtneming van haar Publiekrechtelijke bevoegdheden en verplichtingen de uitvoering van deze werken op aan Boskalis/Rijnland tot een waarde van totaal NLG 25 miljoen (exclusief BTW). Partijen stellen voorzover in dit verband noodzakelijk de waarde van de ingevolge de hiervoor genoemde inrichtingsverplichting uit te voeren werkzaamheden op NLG 26,5 miljoen vrij op naam".

  • -

    een concept van 18 december 1998, inhoudende:

"… Boskalis/Rijnland voert ter voldoening van haar inrichtingsverplichting ingevolge de ontgrondingenvergunning het als bijlage C aan deze overeenkomst gehechte inrichtingsplan uit. De Gemeente wenst de aanleg van een aantal werken op grond-, weg- en waterbouw in het plangebied Nesselande in aanvulling op het inrichtingsplan. De Gemeente draagt met inachtneming van haar Publiekrechtelijke bevoegdheden en verplichtingen de uitvoering van deze werken op aan Boskalis/Rijnland tot een waarde van totaal NLG 25 miljoen (exclusief BTW). Partijen stellen voorzover in dit verband noodzakelijk de waarde van de ingevolge de hiervoor genoemde inrichtingsverplichting uit te voeren werkzaamheden op NLG 26,5 miljoen vrij op naam".

- een volgende concept (zonder datum) met begeleidende brief d.d. 13 januari 1999, inhoudende:

"… Boskalis/Rijnland voert ter voldoening van haar inrichtingsverplichting ingevolge de ontgrondingenvergunning het als bijlage C aan deze overeenkomst gehechte inrichtingsplan uit. De Gemeente wenst de aanleg van een aantal werken op grond-, weg- en waterbouw in het plangebied Nesselande in aanvulling op het inrichtingsplan. De Gemeente draagt met inachtneming van haar publiekrechtelijke bevoegdheden en

verplichtingen de uitvoering van deze werken op aan Boskalis/Rijnland tot een waarde van totaal NLG 25 miljoen (exclusief BTW, prijspeil 1-1-1999, CBS prijsindexcijfèr voor de wegenbouw). Partijen stellen voorzover in dit verband noodzakelijk de waarde van de ingevolge de hiervoor genoemde inrichtingsverplichting uit te voeren werkzaamheden op NLG 26,5 miljoen vrij op naam (prijspeil 1-1-1999, CBS prijsindexcijfer voor de wegenbouw)".

Aan dit concept is gehecht een bijlage D waarin in de derde alinea wordt verwezen naar twee grafieken, de grafieken A en B. De bedoelde grafieken A en B hebben betrekking op grondprijzen in relatie met de 'bouwclaim' waarover bijlage D handelt, en waarover in artikel 9 van de onderhavige concept Overeenkomst wordt gesproken. Aan de onderzijde van de bedoelde grafieken A en B staat geschreven: "Vrij Op Naam prijs (incl. BTW)".
Dit is de enige uitleg die in de overeenkomst aan het begrip "vrij op naam" wordt gegeven.

Vervolgens worden op 8 en 9 februari 1999 concepten van de overeenkomst uitgewisseld die op dit punt ongewijzigd zijn waarbij alleen de woorden "voorzover in dit verband noodzakelijk" in artikel 16 nog zijn verwijderd. In de versie van 8 februari 1999 wordt toegevoegd: "26,5 miljoen vrij op naam en inclusief 7,5% toegerekende algemene kosten" en in de versie van 9 februari 1998 wordt het woord "voorzover" toegevoegd ("Partijen stellen voorzover de waarde van de ..."). Dit concept is op 17 februari 1998 door partijen ongewijzigd getekend.

2.4.

De fiscale gevolgen van de overeenkomst waren bij de totstandkoming van de overeenkomst nog onduidelijk, blijkens een:

- memo OBR d.d. 9 oktober 1998;

- advies KPMG [KPMG] d.d. 22 oktober 1998;

- faxbericht KPMG [KPMG] d.d. 10 december 1998.

2.5.

Direct na ondertekening van de overeenkomst is discussie ontstaan over de vraag of bedrag ad NLG 26,5 miljoen vrij op naam als inclusief of exclusief BTW moet worden aangemerkt.

2.6.

Op 12 april 2000 is BKR begonnen met het winnen van zand in de uitbreiding van de Zevenhuizerplas. Medio 2002 begon BKR met het inrichten van een gedeelte van de oevers van de inmiddels uitgebreide Zevenhuizerplas. Hiertoe is in 2002 door BKR een (deel)bestek opgesteld ter waarde van € 2.019.321,-. Hierover is met de gemeente op 15 juni 2002 overeenstemming bereikt. Op dat moment was tussen partijen reeds verschil van mening ontstaan over de interpretatie van het gestelde in artikel 16 van de Overeenkomst (inclusief / exclusief BTW?). Bij het opmaken van de financiële vastlegging op 15 juni 2002 (mede in verband met het indexeren naar 1 januari 1999) is de BTW buiten beschouwing gelaten (productie A2 bij akte).

Voor het aansluitende gedeelte van de oevers langs de noordzijde van de uitgebreide Zevenhuizerplas is in 2003 door BKR een soortgelijk (deel)bestek opgesteld ter waarde van € 2.582.129,50. Hierover is met de gemeente op 15 maart 2004 overeenstemming bereikt. De financiële vastlegging voor deze werkzaamheden werd op 15 maart 2004 opgesteld, ook in dit document is de BTW buiten beschouwing gelaten. In verband met de financiële vastlegging van 15 maart 2004 werd opnieuw de discussie gevoerd met betrekking tot het geschil over de BTW (inclusief of exclusief).
De uitvoering van inrichtingswerken heeft zich in de vorm van opeenvolgende deelbestekken voortgezet tot medio 2010. In totaal werd voor een bedrag van
€ 13.124.011,04 aan werk uitgevoerd. Geïndexeerd naar de peildatum 1 januari 1999 bedraagt de waarde van het uitgevoerde inrichtingswerk € 10.973.471,47. Deze berekening is door BKR bij de brief aan de gemeente van 18 september 2011 bevestigd en door de gemeente aanvaard bij brief van 7 november 2011.

2.7.

Op 9 december 2005 zijn de gemeente en BKR overeengekomen dat hetgeen uiteindelijk zal blijken in het kader van de inrichtingsverplichting teveel door BKR te zijn gepresteerd, door partijen zal worden aangemerkt als opgedragen meerwerk en volgens de voor meerwerk geldende normen alsnog door de gemeente aan BKR zal worden vergoed.

2.8.

Bij brief van 21 februari 2012 laat de gemeente aan BKR weten dat een factuur van BKR uit 2008 met betrekking tot werkzaamheden in de Zevenhuizerplas, door een administratief verzuim onbetaald is gebleven. Bij brief van 23 mei 2012 verklaart BKR akkoord te gaan met het voorstel van Rotterdam om het betreffende factuurbedrag

(€ 74.923,52) bij het totaal van uitgevoerd inrichtingswerk te voegen.
Het totaal aan uitgevoerd inrichtingswerk, geïndexeerd per peildatum 1 januari 1999 komt uit op € 11.048.394,98, exclusief BTW.

3
3. Het geschil

3.1.

BKR vordert bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
I. de gemeente te veroordelen om aan BKR te voldoen een bedrag ad € 1.658.602,25, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, berekend vanaf 1 januari 2012 althans de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
II. de gemeente te veroordelen tot betaling aan BKR van de buitengerechtelijke kosten ad
€ 6.775,-.
III. met veroordeling van de gemeente in de kosten van het geding, het salaris van de advocaat daaronder begrepen.

3.2.

BKR stelt zich op het standpunt dat uit het verloop van de wijzigingen in de concepten blijkt dat partijen tot het laatste toe tekstuele wijzigingen hebben aangebracht met grote zorgvuldigheid ook naar de details, dat de insteek van BKR was het project voor BKR economisch haalbaar te maken en dat de op verzoek van BKR opgenomen aanduiding "vrij op naam" na rijp beraad in de tekst terecht is gekomen en in de visie van BKR betekende dat alle kosten inclusief de eventueel verschuldigde BTW in dit bedrag begrepen waren.

BKR beroept zich ter ondersteuning van haar standpunt op bijlage D van de overeenkomst, welke bijlage op zijn beurt weer deel uitmaakt van artikel 9 van de Overeenkomst inzake Nesselande, waarin als uitleg van de term “vrij op naam” is opgenomen dat dit “inclusief BTW” is. Nu artikel 16 eveneens deel uitmaakt van dezelfde Overeenkomst inzake Nesselande, gaat BKR ervan uit dat de van de Gemeente afkomstig verklaring van het begrip "vrij op naam" tevens van toepassing is op de tekst van artikel 16 van de Overeenkomst, waar hetzelfde begrip "vrij op naam" wordt gebruikt.

3.3.

BKR berekent haar vordering terzake te veel uitgevoerd inrichtingswerk als volgt.
De waarde van het inrichtingswerk bedroeg op 18 september 2011, teruggerekend naar de peildatum van 1 januari 1999 (ad € 10.973.471,47, vermeerderd met de onbetaald gebleven factuur uit 2008 van € 74.923,52 is: ) € 11.048.394,99.

Krachtens artikel 16 van de overeenkomst was BKR verplicht inrichtingswerken uit te voeren ter waarde van (NLG 26.5 miljoen =) € 12.025.175,- minus 17% BTW =

€ 10.234.191,49. Aldus bedraagt de waarde van het teveel uitgevoerde inrichtingswerk per peildatum 1 januari 1999 € 814.203,50.

Geïndexeerd per datum 1 januari 2012 bedraagt dit € 1.244.042,80.

Conform de voor meerwerk geldende normen dient dit bedrag te worden verhoogd met 12% (4% voor Winst en Risico en 8% uitvoeringskosten; 6% voor algemene kosten waren al in rekening gebracht) ad € 149.285,14, zijnde totaal: € 1.393.327,94, vermeerderd met 19% BTW ad € 264,732,30 is - aldus BKR - totaal € 1.658.602,25, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW), berekend vanaf 1 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

3.4.

De gemeente heeft de vordering van BKR gemotiveerd betwist.

3.5.

Op de stellingen van partijen zal - voorzover relevant - in het navolgende nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Kern van het geschil is de uitleg van de door partijen op 17 februari 1999 ondertekende overeenkomst, waarbij het de vraag is of het bedrag genoemd voor de waarde van de ingevolge de op BKR rustende inrichtingsverplichting ad "NLG 26,5 miljoen vrij op naam", genoemd in artikel 16 van deze Overeenkomst, moet worden aangemerkt als inclusief of exclusief BTW. Wordt -gelijk BKR voorstaat- uitgegaan van een bedrag inclusief BTW, dan heeft BKR op de gemeente een vordering terzake van meerwerk.

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat bij de uitleg van een overeenkomst naast de taalkundige betekenis van belang is welke zin partijen onder de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de betreffende bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle concrete omstandigheden van het geval van betekenis, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. De taalkundige betekenis van de bewoordingen is in het bijzonder van belang indien het gaat om een zuiver commerciële transactie tussen twee gelijkwaardige professionele partijen die bij het aangaan van de overeenkomst zijn bijgestaan door deskundige juristen. De redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen partijen beheersen, brengen mee dat zij hun gedrag mede moeten laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij.

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat BKR en de gemeente bij een overeenkomst als de onderhavige als gelijkwaardige contractanten zijn aan te merken: professionele partijen die zich tijdens de onderhandelingen ieder hebben laten bijstaan door juridische adviseurs.
De rechtbank stelt vervolgens vast dat de taalkundige betekenis van het begrip “vrij op naam” in deze zaak niet eenduidig is. Waar aan deze term bij kopers van onroerend goed doorgaans de (voor kopers) geruststellende betekenis toekomt dat alle kosten (met name de overdrachtsbelasting) voor rekening van verkoper zijn, zou hieraan volgens BKR in deze zaak voor de gemeente als ‘verkrijgende’ partij, juist een minder gunstige betekenis toekomen, namelijk een recht op inrichtingswerken ter waarde van NLG 26.5 miljoen minus 17% BTW, in plaats van NLG 26,5 miljoen.
BKR verwijst voor een duidelijke uitleg in dit verband vergeefs naar de in bijlage D opgenomen grafieken, nu de term “vrij op naam” daar wel op verkoop van onroerend goed betrekking heeft en in de voor kopers gebruikelijke - gunstige - betekenis wordt gehanteerd.

4.4.

Tussen partijen staat vast dat de waarde van de door BKR uit te voeren inrichtingswerken door BKR op basis van een raming van haar kosten, indertijd is vastgesteld op het bedrag van NLG 26.5 miljoen, exclusief BTW. Tevens staat vast dat tijdens de langdurige onderhandelingen tussen partijen dit bedrag niet is gewijzigd.
Uit de stukken kan voorts worden afgeleid dat voor beide partijen bij het sluiten van de overeenkomst nog onzeker was of over de waarde van de door BKR voor de gemeente uit te voeren inrichtingswerken BTW en/of overdrachtsbelasting zou worden geheven.
BKR stelt dat dit risico voor haar reden was om de in het concept van 24 november 1998 nog gehanteerde waarde “exclusief BTW” in het concept van 14 december 1998 te wijzigen in “vrij op naam”.

Dat BKR belang had bij de door haar beoogde uitleg is buiten kijf, onder die omstandigheid had het op haar weg gelegen haar bedoeling (inclusief BTW, in plaats van exclusief BTW) duidelijk te verwoorden. Nu zij dit niet deed en koos voor een (in deze casus) onduidelijke term, dient die onduidelijkheid in beginsel in haar nadeel te worden uitgelegd, tenzij komt vast te staan dat de gemeente met de door BKR voorgestane uitleg heeft ingestemd.

BKR stelt overigens niet dat zich in dit geval daadwerkelijk een BTW risico heeft gemanifesteerd.

Het standpunt van BKR impliceert dan ook dat de gemeente er mee zou hebben ingestemd dat BKR op basis van deze wijziging, ongeacht of zich een belastingrisico zou manifesteren, 17,5% minder inrichtingswerkzaamheden behoefde uit te voeren.

4.5.

Dat de gemeente met een dergelijk verstrekkende wijziging zou hebben ingestemd vergt naar het oordeel van de rechtbank – mede gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de gemeente – een nadere toelichting over de gang van zaken bij en in dit stadium van de onderhandelingen tussen de gemeente en BKR daarover, die er niet is.
Met name ontbreken concrete feiten en omstandigheden op grond waarvan BKR in redelijkheid op (de instemming van de gemeente met) deze uitleg van de term “vrij op naam” mocht vertrouwen.
Dit klemt temeer daar de discussie over de uitleg van deze overeenkomst kennelijk vrijwel direct na het sluiten daarvan is ontstaan.

BKR volstaat met het overleggen van een verklaring van haar indertijd bij de onderhandelingen betrokken directeur H. Dukker die niet veel meer omvat dan dat BKR de door haar thans voorgestane uitleg indertijd bij de onderhandelingen beoogde om haar business case alsnog sluitend te maken en dat de gemeente “daarvan” op de hoogte zijnde met de wijziging heeft ingestemd. Ook in deze verklaring ontbreken concrete feiten en omstandigheden, bijvoorbeeld door wie, wanneer, waar, waarom en waarover is gesproken.
De enkele omstandigheid dat de gemeente heeft ingestemd met de door BKR voorgestelde term “vrij op naam” in plaats van “exclusief BTW” brengt naar het oordeel van de rechtbank niet, althans niet automatisch, mee dat de gemeente de door BKR beoogde betekenis daarvan heeft begrepen of in redelijkheid heeft moeten begrijpen. BKR merkt in dit verband (akte ter comparitie onder 3.2.) dat het woord ”exclusief” opzettelijk is weggestreept en vervangen door “vrij op naam”, dat in de visie van de gemeente nog beter was dan “exclusief”. BKR geeft hiermee zelf aan dat de gemeente aan de term “vrij op naam” een voor haar – de gemeente – gunstige betekenis kon toekennen, namelijk dat het in de overeenkomst opgenomen bedrag van de waarde van de inrichtingsverplichting ad NLG 26,5 miljoen, niet alleen exclusief BTW was maar ook exclusief eventuele overdrachtsbelasting.

Nu BKR haar stelling niet nader heeft toegelicht, zal de rechtbank hieraan en aan het bewijsaanbod van BKR, voorzover hierop betrekking hebbend, als te vaag en algemeen geformuleerd voorbijgaan.

4.6.

Het voorgaande impliceert dat niet is komen vast te staan dat het in artikel 16 van de door partijen op 17 februari 1999 ondertekende overeenkomst vermelde bedrag voor de waarde van de ingevolge de op BKR rustende inrichtingsverplichting ad "NLG 26,5 miljoen vrij op naam", moet worden aangemerkt als inclusief BTW. Tussen partijen staat vast dat in dat geval BKR geen vordering op de Gemeente heeft terzake van meerwerk.
Dit brengt mee dat de vordering van BKR dient te worden afgewezen

4.7.

BKR zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de gemeente begroot op:
- griffierecht € 3.715,-
- salaris advocaat € 6.422,- (2.0 punten x tarief € 3.211,-)
totaal € 10.137,-
De gevorderde vergoeding van nakosten zal worden toegewezen als na te melden.

5 De beslissing

De rechtbank

-
wijst de vordering af;

- veroordeelt BKR in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 10.137,-;

- bepaalt met betrekking tot de proceskosten dat BKR deze dient te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis en veroordeelt BKR, voor het geval voldoening van die kosten binnen die termijn niet plaatsvindt, tot betaling van de wettelijke rente over die kosten te rekenen vanaf het verstrijken van voornoemde termijn voor voldoening;

- veroordeelt BKR in de na dit vonnis ontstane kosten (de nakosten) begroot op € 131,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder voorwaarde dat BKR niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak.

- bepaalt met betrekking tot de nakosten, behoudens voor wat betreft de eventuele verhoging van € 68,- ingeval van betekening, dat BKR deze dient te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis en veroordeelt BKR, voor het geval voldoening van die nakosten binnen die termijn niet plaatsvindt, tot betaling van de wettelijke rente over die nakosten te rekenen vanaf het verstrijken van voornoemde termijn voor voldoening;

- verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. Russell-van der Hoeven en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2014.
39