Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:10671

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
07-01-2015
Zaaknummer
C/10/444017 / HA ZA 14-151
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeraar weigert uitkering in verband met vermeende brandstichting. Brandstichting blijkt volgens verzekeraar uit het feit dat andere brandoorzaken (waaronder zelfontbranding) zijn uitgesloten en uit het feit dat de eigenaar kort voor het uitbreken van de brand in het pand is geweest en daarover wisselende en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd en bovendien in financiële moeilijkheden verkeerde. Rechtbank oordeelt dat brandstichting niet voldoende aannemelijk is gemaakt en draagt verzekeraar op bewijs te leveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2015, afl. 2, p. 114
S&S 2015/108

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/444017 / HA ZA 14-151

Vonnis van 24 december 2014

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GRAFISTANS B.V.,

gevestigd te Eemnes,

2. [eiser2],

wonende te Eemnes,

3. [eiseres3],

wonende te Eemnes,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. E.J. Eijsberg,

tegen

de naamloze vennootschap

UNIVÉ RIVIERENLAND BRANDVERZEKERAAR N.V.,

gevestigd te Sliedrecht,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. M.F.H.M. van Haastert.

Partijen zullen hierna Grafistans c.s. en Univé genoemd worden. Eisers zullen afzonderlijk worden aangeduid als Grafistans, [eiser2] en [eiseres3].

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 4 juni 2014 en de daarin genoemde processtukken,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 22 september 2014,

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie,

  • -

    de brief van mr. Van Haastert van 10 september 2014, met productie 6 en 7,

  • -

    de brief van mr. Backx van 15 september 2014, met productie 23 en 24,

  • -

    de brief van mr. Eijsberg van 17 september 2014, met productie 25,

  • -

    de brief van mr. Eijsberg van 17 september 2014,

  • -

    de brief van mr. Haastert van 19 september 2014.

  • -

    de brief van mr. Eijsberg van 23 september, met productie 25,

  • -

    de brief van mr. Van Haastert van 20 oktober 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser2] en [eiseres3] zijn vennoten in de maatschap H&M en eigenaar van een bedrijfspand aan de [adres]. De bovenverdieping van het pand wordt verhuurd en op de begane grond is het bedrijf Grafistans gevestigd.

2.2.

Grafistans is een bedrijf dat stans- en drukwerk uitvoert. Enig aandeelhouder van het bedrijf is [eiser2] die ook als enige in het bedrijf werkzaam is. Het druk- en stanswerk wordt uitgevoerd op oude Heidelberger drukpersen uit de jaren zestig.

2.3.

Op vrijdag 28 juni 2013 heeft [eiser2] in het pand gewerkt. Uit de inbraakalarminstallatie blijkt dat hij het alarm om 7:37 heeft uitgeschakeld en 15:28 weer heeft ingeschakeld. Die dag is het alarm ook om 19:47 ingeschakeld en om 19:49 uitgeschakeld en vervolgens opnieuw om 19:56 ingeschakeld en 19:58 uitgeschakeld.

2.4.

Om 20:24 die dag kwam bij de alarmcentrale een melding van binnen van het alarm van het pand aan de [adres]. De alarmcentrale heeft hierop [eiser2] gebeld. In het pand bleek een brand te zijn uitgebroken onder een werkbank in het achterste gedeelte van de werkplaats van Grafistans. De brand veroorzaakte een kleine hoeveelheid vlammen maar een grote hoeveelheid rook.

2.5.

Ten tijde van de brand was Grafistans bij Univé verzekerd ter zake inventaris, voorraad en bedrijfsschade. De maatschap H&M was ten tijde van de brand eveneens bij Univé verzekerd ter zake de opstal en bedrijfsschade. Op beide verzekeringsovereenkomsten is het algemeen reglement ALG-5 van toepassing. In artikel 16.1 van dit reglement is bepaald dat van dekking is uitgesloten schade, kosten of rechten op uitkering veroorzaakt door opzettelijk en wederrechtelijk handelen door de verzekeringnemer, verzekerde of een tot uitkering gerechtigde.

2.6.

Na de brand heeft Univé onderzoek laten verrichten door Gorissen & Van der Zande Schadeonderzoek B.V. (hierna: Gorissen) die tot de conclusie kwamen dat de brand met een grote mate van waarschijnlijkheid is ontstaan doordat er door [eiser2] open vuur is bijgebracht.

2.7.

Grafistans c.s. hebben onderzoek laten verrichten door Effectis die in hun rapport concluderen dat de oorzaak van de brand niet kan worden vastgesteld en dat er geen aanwijzingen zijn die duiden op het al dan niet opzettelijk bijbrengen van vuur.

2.8.

Op 26 september 2013 deelde Univé bij brief aan Grafistans c.s. mede dat zij de schade niet zou vergoeden omdat uit onderzoek was gebleken dat [eiser2] de brand had gesticht. Om die reden werden ook alle polissen van Grafistans c.s. binnen de Univé-groep geroyeerd en werden de persoons- en bedrijfsgegevens in diverse in- en externe registers opgenomen.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Grafistans c.s. vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

‘I gedaagde te gebieden de verwerkingen van de personalia/gegevens van de heer [eiser2], Grafistans en de Maatschap in het Centraal Informatiesysteem van in Nederland werkzame verzekeringsmaatschappijen en in eventuele andere systemen en/of registers waarin zij staan vermeld te (doen laten) verwijderen binnen twee werkdagen na het wijzen van vonnis, met veroordeling van gedaagde tot betaling van een dwangsom groot € 1.500, althans tot betaling van een door uw rechtbank in goede justitie vast te stellen dwangsom, voor iedere dag of per gedeelte daarvan dat gedaagde dit gebod niet nakomt;

II voor recht te verklaren dat gedaagde gehouden is de schade ten gevolge van de brand op 28 juni 2013 onder de Polissen te vergoeden aan Eisers vermeerderd met de wettelijke rente en kosten;

III gedaagde te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan Grafistans B.V., eiseres sub 1, de schade groot € 17.409 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2013, althans vanaf 26 september 2013, althans vanaf de dag van dagvaarden, althans vanaf een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen dag, tot aan de dag van algehele voldoening;

IV gedaagde te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de Maatschap H&M (eisers sub 2 en sub 3), de schade groot € 25.822 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2013, althans vanaf 26 september 2013, althans vanaf de dag van dagvaarden, althans vanaf een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen dag, tot aan de dag van algehele voldoening;

V gedaagde te veroordelen aan eisers tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de buitengerechtelijke kosten op basis van twee punten van het liquidatietarief volgens het Rapport Voorwerk II groot € 1.158, althans een door u in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente;

VI gedaagde te veroordelen aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de buitengerechtelijke kosten voor de werkzaamheden van Efectis thans groot € 1.945 (excl. BTW), althans een door u in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 september (de uiterste betaaldatum), althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;

V gedaagde te veroordelen in de kosten van deze procedure; en

VI gedaagde te veroordelen in de nakosten van dit geding, voor wat betreft het salaris van de advocaat (het nasalaris) forfaitair berekend op € 131 zonder betekening en vermeerderd met € 68 in het geval van betekening.’

3.2.

Univé voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering met veroordeling van Grafstans c.s. in de proceskosten en de nakosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

Univé vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Grafistans c.s. te veroordelen tot betaling aan Univé van een bedrag van € 16.725,03, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 26 oktober 2013, subsidiair vanaf 30 april 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede Grafistans c.s. te veroordelen in kosten van de procedure, te vermeerderen met de zogenaamde nakosten van € 131 - of - ingeval van betekening van het vonnis - € 199, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van het door deze Rechtbank te wijzen vonnis, en - voor het geval betaling binnen deze termijn achterwege blijft - te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten, te rekenen vanaf 14 dagen na de datum van het door uw Rechtbank te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

3.5.

Grafistans c.s. voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vordering in reconventie met veroordeling van Univé in de kosten van deze procedure.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.

Grafistans c.s. vorderen in deze procedure vergoeding van de schade ontstaan als gevolg van de op 28 juni 2013 in het pand aan de [adres] uitgebroken brand. Zij gronden deze vordering op nakoming van de door Grafistans en de maatschap H&M bij Univé afgesloten brandverzekeringen.

4.2.

Univé stelt dat zij niet tot uitkering van de schade is gehouden omdat [eiser2] negatief betrokken is geweest bij de brand. Volgens Univé heeft [eiser2] de brand aangestoken. Op grond van artikel 16.1 van het algemeen reglement ALG-5 dat op beide verzekeringspolissen van toepassing is, is dekking van de schade in dat geval uitgesloten.

4.3.

Dat [eiser2] de brand heeft aangestoken volgt volgens Univé uit het feit dat (i) andere brandoorzaken, waaronder zelfontbranding, zijn uitgesloten, (ii) [eiser2] korte tijd voor het uitbreken van de brand in het pand is geweest en daarover wisselende en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd en (iii) [eiser2] in financiële moeilijkheden verkeerde en derhalve een motief voor brandstichting had.

(i) alternatieve oorzaken uitgesloten

4.4.

Univé heeft de deskundige Gorissen gevraagd onderzoek naar de brand te verrichten. Gorissen heeft in zijn rapport vastgesteld dat geen sprake is geweest van een elektrotechnische oorzaak, dat geen vuurgevaarlijke werkzaamheden zijn verricht en dat [eiser2] niet rookt zodat de brand ook niet door rookwaren kan zijn veroorzaakt. Verder zijn er geen sporen van braak of forcering in het pand waargenomen zodat volgens Gorissen ook uitgesloten is dat een derde zich toegang tot het pand heeft verschaft en de brand heeft aangestoken.

Wel was het volgens Univé denkbaar dat één of meer van de door [eiser2] bij zijn druk- en/of stanswerkzaamheden gebruikte oliën of vetten tot zelfontbranding heeft geleid. Om te onderzoeken of de in de drukkerij aanwezige stoffen gevoelig zijn voor zelfontbranding heeft Gorissen na de brand in samenspraak met [eiser2] een inventarisatie gemaakt van de oliën en vetten die [eiser2] de laatste vier tot zes weken voor de brand heeft gebruikt. Uit onderzoek is gebleken dat geen van deze oliën en vetten gevoelig is voor zelfopwarming. Ook het middel anti-sicca waarvan de dekundige van Grafistans c.s. aanvankelijk stelde dat dit de brand veroorzaakt zou kunnen hebben, is nader onderzocht en ook daarvan is vastgesteld dat het geen neiging tot zelfontbranding vertoont en derhalve geen oorzaak van de brand kan zijn. Gelet op de genoemde omstandigheden is zelfontbranding als mogelijke oorzaak uitgesloten. Bovendien zou zelfontbranding hebben geleid tot rook en brandlucht die zowel [eiser2] als [persoon1] zouden hebben moeten opmerken toen zij ’s avonds korte tijd in het pand waren.

Aangezien alle overige denkbare oorzaken van de brand zijn uitgesloten, moet volgens Univé worden geconcludeerd dat sprake is geweest van brandstichting door [eiser2].

4.5.

Grafistans c.s. hebben de stelling van Univé gemotiveerd betwist. Volgens Grafistans c.s. is de brand hoogstwaarschijnlijk door zelfontbranding ontstaan. De Heidelberger drukpersen lekken olie (hetgeen normaal is) die door [eiser2] op gezette tijden wordt opgeveegd met doeken die hij in een onder de werkbank gelegen afvalbak werpt. Vermoedelijk is de brandoorzaak gelegen in zelfontbranding van olie in de in afvalbak gedeponeerde doeken. In ieder geval is er geen enkele aanwijzing of bewijs voor brandstichting gevonden. Het ontbreken van een technische oorzaak is onvoldoende om aan te nemen dat sprake moet zijn geweest van brandstichting. Bovendien is het volgens Grafistans c.s. geenszins uitgesloten dat de brand door zelfontbranding is veroorzaakt. Ten eerste kan een combinatie van verschillende chemicaliën op de poetsdoeken die in de afvalbak zijn gegooid een chemische reactie hebben veroorzaakt met zelfontbranding als gevolg (ook indien die chemicaliën afzonderlijk geen neiging tot zelfontbranding vertonen). Daarnaast is relevant dat [eiser2] op 28 juni met rode drukinkt heeft gewerkt die wel gevoelig is voor zelfontbranding. Dit blijkt uit een als productie overgelegde opdrachtbon. Deze inkt is niet door Gorissen onderzocht hoewel [eiser2] heeft verklaard hem hierover wel te hebben geïnformeerd.

(ii) aanwezigheid [eiser2] kort voor de brand

4.6.

Vast staat dat [eiser2] op 28 juni 2013 tot 15:28 in het pand werkzaam is geweest waarna hij het inbraakalarm heeft ingeschakeld en is vertrokken. Diezelfde dag is [eiser2] opnieuw zeer korte tijd in het pand geweest. Om 20:24 is de alarminstallatie afgegaan.

Volgens Univé heeft [eiser2] tijdens het korte bezoek ’s avonds de brand gesticht. De brand is circa een half uur erna uitgebroken en [eiser2] was de laatste persoon die in het pand was voordat de brand uitbrak. [eiser2] heeft bovendien wisselende verklaringen afgelegd over de reden van zijn kortdurende terugkeer naar het pand die avond. Op 1 juli 2013 verklaarde hij daarover dat hij was teruggekeerd om e-mailberichten te bekijken. Nadat hij werd geconfronteerd met het feit dat de desktop-computer om 15:30 is uitgeschakeld en die dag niet meer is opgestart, verklaarde [eiser2] dat hij de e-mails mogelijk op zijn ipad had gelezen en later verklaarde hij dat hij de ipad met iemand had geruild omdat hij hem niet meer gebruikte waardoor onderzoek naar de ipad onmogelijk was. Weer later verklaarde [eiser2] dat hij waarschijnlijk niet binnen was geweest om zijn e-mails te lezen maar om zien of er nog faxberichten of post was binnengekomen. Gelet op het kortdurende bezoek niet lang voor het uitbreken van de brand en de wisselende verklaringen hierover moet worden geconcludeerd dat [eiser2] de brand tijdens dat korte bezoek heeft aangestoken.

4.7.

Grafistans c.s. hebben deze conclusie gemotiveerd weersproken. Volgen hen was niet [eiser2] maar [persoon1] als laatste in het pand. [persoon1] is bevriend met [eiser2] en stalt al jarenlang dagelijks zijn fiets in het pand. Voor wat betreft de wisselende verklaringen stellen Grafistans c.s. dat [eiser2] zich in de gesprekken met Gorissen wellicht niet duidelijk of zorgvuldig heeft uitgedrukt maar dat hij kort na de brand nog erg van slag was en zich niet realiseerde dat hij van brandstichting werd verdacht.

(iii) motief [eiser2]

4.8.

Tot slot heeft Univé aangevoerd dat [eiser2] een motief voor de brandstichting had omdat het bedrijf Grafistans verlies leed en er sprake was van een afnemende omzet. [eiser2] besteedde steeds minder werk uit en verrichtte meer werk zelf. Dit beeld sluit aan bij een teruglopende omzet in de stans- en drukbranche in zijn geheel.

4.9.

Volgens Grafistans c.s. was van financiële nood geen sprake. [eiser2] en zijn partner [eiseres3] bevonden zich ten tijde van de brand in een financieel gezonde situatie. [eiseres3] had een vaste baan en de bovenverdieping van het pand werd al een ruim aantal jaren verhuurd. Bovendien was de hypothecaire lening voor het pand voor een belangrijk deel afgelost en waren [eiser2] en [eiseres3] eigenaren van een stuk grond dat kort voor de brand een (financieel profijtelijke) bouwbestemming had gekregen. Indien [eiser2] om financiële redenen brand had willen stichten, lag het bovendien volstrekt niet voor de hand dat op deze manier te doen nu de brand nauwelijks vlammen en vrijwel alleen rook en roetschade heeft veroorzaakt. Ten slotte past het gedrag van [eiser2] na de brand ook niet bij het gedrag van een brandstichter. [eiser2] heeft er na de brand alles aan gedaan de bedrijfsactiviteiten weer zo snel mogelijk te kunnen voortzetten en heeft, ook nadat Univé had aangekondigd dat zij de brandschade niet zou vergoeden, op eigen kosten door een schoonmaakbedrijf het bedrijfspand laten schoonmaken, de machines en overige inventaris laten reconditioneren, nieuwe goederen aangeschaft en de huurders schadeloos gesteld.

- Beoordeling

4.10.

De rechtbank oordeelt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de als gevolg van de brand geleden schade in beginsel onder de dekking van de brandverzekeringen van Grafistans en de maatschap valt. Ook de omvang van de door Grafistans c.s. geleden schade is niet in geschil. De schade van Grafistans is vastgesteld op een totaalbedrag van € 17.409 en de schade van de maatschap op in totaal € 25.822. Univé stelt echter dat zij niet tot vergoeding van deze schade is gehouden nu de brand door [eiser2] is gesticht. Aangezien dit een bevrijdend verweer is, rust de stelplicht en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, bewijslast van die stelling op Univé.

4.11.

Univé onderbouwt haar stelling onder meer met de redenering dat wel sprake moet zijn van brandstichting omdat uit onderzoek van de deskundige Gorissen blijkt dat een technische oorzaak ontbreekt. Die a contrario redenering acht de rechtbank onvoldoende om brandstichting aan te nemen. Het ontbreken van een aanwijsbare technische oorzaak rechtvaardigt niet automatisch de conclusie dat de brand is aangestoken. Behalve dat een technische oorzaak ontbreekt, is er ook geen directe aanwijzing dat de brand opzettelijk is aangestoken. In bepaalde gevallen kan de oorzaak van een brand eenvoudigweg niet worden achterhaald. Bovendien hebben Grafistans c.s. gemotiveerd betwist dat een technische oorzaak is uitgesloten en hebben zij aangevoerd dat de brand kan zijn veroorzaakt door een combinatie van chemicaliën in de afvalbak onder de werkbank dan wel door zelfontbranding van een door [eiser2] gebruikt product. Daarbij hebben zij aangevoerd dat [eiser2] de dag van de brand met rode drukinkt heeft gewerkt die tot zelftonbranding kan leiden. Ter onderbouwing hebben Grafistans c.s. een opdrachtbon van een klant (Vegrin De Meer) overgelegd waarop is vermeld “sets genummerd rood” en “28-6 Vrijdag morgen vroeg retour aan ons”. Univé betwist weliswaar dat [eiser2] die dag met drukinkt heeft gewerkt en dat die inkt tot zelfontbranding kan leiden maar daarmee is zelfontbranding als oorzaak nog niet uitgesloten.

Ook op andere punten bestaat nog onvoldoende duidelijkheid om te kunnen concluderen dat sprake is geweest van brandstichting. Zo is onduidelijk hoe lang bij zelfontbranding het broeiproces gemiddeld genomen duurt alvorens rookvorming ontstaat die het brandalarm kan doen afgaan. Ook is onduidelijk hoe lang het in geval van brandstichting in de voorliggende omstandigheden duurt alvorens voldoende rookvorming ontstaat om het brandalarm te doen afgaan. Dit is relevant in verband met het tussen partijen vaststaande feit dat [persoon1] ’s avonds kort voor het uitbreken van de brand in het pand is geweest om zijn fiets te halen.

4.12.

Het feit dat [eiser2] na beëindiging van zijn werkzaamheden om 15:30 ’s avonds naar het pand is teruggekeerd en hierover wisselende verklaringen heeft afgelegd, roept weliswaar vragen op maar volstaat bij gebrek aan meer duidelijkheid over de brandoorzaak ook niet om aan te nemen dat [eiser2] in die periode de brand moet hebben gesticht. Dat neemt overigens niet weg dat de wisselende verklaringen van [eiser2] in een ander daglicht kunnen komen te staan indien aannemelijker wordt dat de brand niet door een technische oorzaak maar door brandstichting is ontstaan.

Dat [eiser2] als laatste in het pand was voordat de brand uitbrak is onjuist. Grafistans c.s. hebben aan de hand van de verklaring van [persoon1] en de uitdraai van de tachograaf aangetoond dat [persoon1] korte tijd na [eiser2] in het pand was om zijn fiets op te halen.

Van een duidelijk motief voor brandstichting is evenmin gebleken. Grafistans c.s. heeft gemotiveerd betwist dat [eiser2] ten tijde van de brand in financiële moeilijkheden verkeerde.

Het feit dat Effectis als deskundige van Grafistans c.s. de tekst van haar conclusie in het rapport heeft genuanceerd ten opzichte van de tekst in haar conceptrapport/ werkdocument (waarin zelfontbranding waarschijnlijker werd geacht dan brandstichting) rechtvaardigt evenmin de conclusie dat brandstichting daarmee aannemelijker is. In de definitieve versie van het rapport wordt immers nog altijd geconcludeerd dat de oorzaak van de brand niet kan worden vastgesteld maar dat er geen aanwijzingen die op brandstichting duiden.

4.13.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank vooralsnog niet voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van brandstichting en dat [eiser2] daaraan schuldig is. Het bewijs van negatieve betrokkenheid van [eiser2] is derhalve niet geleverd, ook niet voorshands. Wel heeft Univé voldoende gesteld om tot bewijslevering te worden toegelaten.

Univé zal worden opgedragen te bewijzen dat [eiser2] zich schuldig heeft gemaakt aan brandstichting. Indien Univé in het bewijs slaagt, is de vordering in conventie niet toewijsbaar. In dat geval staat ook vast dat [eiser2] onrechtmatig jegens Univé heeft gehandeld en derhalve aansprakelijk is voor de hierdoor door Univé geleden schade. Indien Univé niet slaagt in het bewijs, is zij gehouden de schade aan Grafistans c.s. te vergoeden en de registraties ongedaan te maken. De vordering in reconventie is in dat geval niet toewijsbaar.

4.14.

De zaak zal naar de rol worden verwezen om Univé in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de wijze waarop zij het bewijs wenst te leveren. Indien zij daartoe (mede) een (nader) deskundigenrapport wenst, komt het de rechtbank geraden voor dat een onderzoek door een onafhankelijke deskundige wordt gelast. In dat geval zullen partijen zich beiden kunnen uitlaten over de persoon van de deskundige en de aan de deskundige voor te leggen vragen. Indien Univé op deze wijze bewijs wenst te leveren zal zij in haar akte direct voorstellen op dat punt kunnen doen waarna Grafistans c.s. daarop bij antwoordakte kunnen reageren. Het verdient de voorkeur dat partijen op dit punt tevoren overleggen zodat zij met een gezamenlijk voorstel kunnen komen.

4.15.

In afwachting van het resultaat van de bewijsvoering zal de rechtbank iedere verdere beslissing in conventie en reconventie aanhouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

draagt Univé op te bewijzen dat [eiser2] op 28 juni 2013 brand heeft gesticht in het pand aan de [adres],

5.2.

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 21 januari 2015 voor een akte aan de zijde van (eerst) Univé teneinde zich uit te laten als onder 4.14 hiervoor vermeld,

5.3.

houdt alle overige beslissingen aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. T. Boesman en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2014.

2309/1729