Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:10604

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
06-01-2015
Zaaknummer
C-10-456363 - HA ZA 14-806
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering. Beroep op mediationclausule afgewezen. Een mediationclausule, zoals weergegeven in dit artikel, kan niet gelijk worden gesteld met een arbitraal beding of een beding het geschil voor te leggen aan een bindend adviseur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RBP 2015/26
NTHR 2015, afl. 2, p. 96
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie

zaaknummer / rolnummer: C/10/456363 / HA ZA 14-806

Vonnis in incident van 3 december 2014

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats], gemeente Goeree-Overflakkee,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. T. Abbo,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats], gemeente Goeree-Overflakkee,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. J.F.J. van den Hoek.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 17 juli 2014, met producties;

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid tevens conclusie van

antwoord in de hoofdzaak van 8 oktober 2014;

- de incidentele conclusie van antwoord van 22 oktober 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 Het geschil in het incident

2.1.

[gedaagde] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Hij voert hiertoe aan dat partijen in het tussen hen gesloten convenant zijn overeengekomen dat zij zich tot De Scheidingsplanner (of een scheidingsbemiddelaar) zullen wenden in het geval zij niet in onderling overleg tot een regeling kunnen komen bij een verschil van mening omtrent de interpretatie van het convenant.

2.2.

[eiser] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling in het incident

3.1.

De incidentele conclusie is tijdig en voor alle weren genomen. [gedaagde] is daarom ontvankelijk in het incident.

3.2.

[gedaagde] beroept zich op artikel 10 van het tussen partijen gesloten echtscheidingsconvenant.

3.3.

In artikel 10 van deze overeenkomst staat, voor zover van belang, vermeld:

“Artikel 10 Geschillen

10.1

In geval partijen in de toekomst van mening verschillen omtrent de interpretatie van dit convenant zullen zij trachten door middel van onderling overleg tot een regeling te komen.

10.2

In het geval zij hier niet in slagen zullen zij zich wenden tot De Scheidingsplanner of een scheidingsbemiddelaar, met het verzoek hen te begeleiden bij het zoeken naar een oplossing voor de gerezen geschilpunten.

10.3

Pas indien en nadat deze bemiddeling niet tot het gewenste resultaat zal hebben geleid zullen partijen zich elk tot een eigen advocaat wenden, die dan het geschilpunt eventueel aan de rechter kan voorleggen.”

(…)

3.4.

Uit artikel 10 van het echtscheidingsconvenant kan worden afgeleid dat partijen allereerst zullen trachten in onderling overleg tot een regeling te komen. Indien dit niet mocht slagen, zullen zij zich wenden tot een derde, De Scheidingsplanner of een scheidingsbemiddelaar, die hen zal begeleiden bij het zoeken van een oplossing. Deze derde dient te worden aangemerkt als een mediator.

3.5.

Een mediationclausule, zoals weergegeven in dit artikel, kan niet gelijk worden gesteld worden met een arbitraal beding of een beding waarin partijen zijn overeengekomen om een tussen hen gerezen geschil voor te leggen aan een bindend adviseur. Arbitrage en bindend advies hebben een wettelijke grondslag waarbij een door partijen aangewezen derde beslist op een geschil dat partijen verdeeld houdt, in plaats van de burgerlijke rechter. Dat is niet het geval bij mediation. Het staat partijen vrij om in het kader van contractsvrijheid een dergelijk mediationbeding in de overeenkomst op te nemen. Partijen zijn dan in beginsel gehouden om hun geschil voor te leggen aan een mediator. In het geval deze weg niet wordt bewandeld, leidt dit niet tot onbevoegdheid van de burgerlijke rechter om kennis te nemen van het geschil. Mediation gaat namelijk uit van de bereid- en vrijwilligheid van beide partijen. Het (komen te) ontbreken van die bereidheid c.q. instemming rechtvaardigt gewoonlijk, dat van mediation wordt afgezien of dat een reeds aangevangen mediation wordt beëindigd. In de onderhavige zaak komt naar voren dat [eiser] om haar moverende redenen heeft afgezien van mediation.

3.6.

Gelet op het voorgaande is van onbevoegdheid van de rechtbank geen sprake. De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen.

3.7.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

4 De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1.

wijst het gevorderde af,

4.2.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het incident, aan de zijde van

[eiser] tot op heden begroot op € 452,00,

in de hoofdzaak

4.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 17 december 2014 voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een comparitie.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2014.

2130/1980