Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:10603

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
24-12-2014
Zaaknummer
10/996579-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art. 10:1 Algemene Douanewet. De verdachte heeft € 55.000,- aan contant geld ingevoerd in Nederland en hiervan opzettelijk geen tijdige aangifte gedaan. De verdachte wilde zo belastingheffing over het bedrag voorkomen. Hij had het papiergeld verdeeld over meerdere enveloppen en deze enveloppen in zijn cameratas, zijn handbagage en zijn jas verstopt. Toen hij werd gecontroleerd door de douane, heeft hij - in strijd met de waarheid - verklaard dat hij een bedrag van € 5.000,- bij zich had. Tijdens de daarop volgende diepgaande controle kwamen er steeds meer enveloppen tevoorschijn en bleek het om een veelvoud van dat bedrag te gaan. De verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 dagen. Omdat hij het geldbedrag op legale wijze heeft verkregen en een flinke hoofdstraf wordt opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat verbeurdverklaring van het geldbedrag van € 55.000,- als bijkomende straf niet passend is. De rechtbank gelast de teruggave aan de verdachte van dat bedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-0107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/996579-14

Datum uitspraak: 16 december 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te[geboorteplaats] op[geboortedatum],

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

raadsvrouw [raadsvrouw], advocaat te [plaats].

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 16 december 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie [officier van justitie] heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het primair ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 dagen met aftrek van voorarrest;

- verbeurdverklaring van het onder de verdachte inbeslaggenomen geldbedrag van € 55.000,-.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij hiervan wordt vrijgesproken. Nu de officier van justitie dit heeft gevorderd en het eveneens is bepleit door de raadsvrouw, behoeft dit oordeel geen nadere motivering.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 28 oktober 2014 te Rotterdam, als degene die uit hoofde van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten verplicht is tot het doen van aangifte van bedragen groter dan 10.000 euro, opzettelijk deze aangifte niet heeft gedaan, immers heeft verdachte toen en daar, terwijl hij/zij die Gemeenschap binnenkwam geen (tijdige) aangifte gedaan van liquide middelen ten bedrage van 10.000 euro of meer die hij vervoerde, te weten in totaal een contant geldbedrag van 55.000 euro.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

NADERE BEWIJSOVERWEGING

De raadsvrouw heeft vrijspraak van het subsidiair ten laste gelegde bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte geen opzet heeft gehad op het niet (tijdig) doen van aangifte van het invoeren in de Gemeenschap van het geldbedrag van € 55.000,-, omdat hij niet wist dat daartoe een wettelijke verplichting bestond.

De rechtbank overweegt het volgende.

Het tegendeel blijkt uit de eigen verklaringen van de verdachte. De verdachte heeft tijdens zijn verhoor door opsporingsambtenaren van de FIOD immers bekend dat hij het geldbedrag van € 55.000,- nooit heeft willen aangeven bij de douane en dat hij het verstopt had in zijn bagage om het vanuit Turkije Nederland binnen te smokkelen. Het geld was bestemd voor zijn woning in Italië en door het vervoeren van contant geld wilde de verdachte Italiaanse belastingheffing ontduiken.

Uit deze verklaring blijkt dan ook dat de verdachte wel degelijk op de hoogte was van het feit dat hij aangifte bij de douane diende te doen van de invoer van het geldbedrag in Nederland. Hij had zelfs op voorhand erover nagedacht hoe de “pakkans” bij de douane verminderd zou worden, want hij heeft aan de bank in Turkije gevraagd of hij het geldbedrag in briefjes van € 500,- kon krijgen, omdat hij dan minder briefjes zou hebben, wat gemakkelijker was om in zijn bagage te verstoppen, zo heeft de verdachte verklaard.

Gezien het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte willens en wetens, en derhalve opzettelijk, geen aangifte van het geldbedrag van € 55.000,- heeft gedaan, om zo te voorkomen dat hij belasting zou moeten betalen over dat bedrag. Dat verdachte uiteindelijk wel aangifte heeft gedaan bij de Douane doet daar niet aan af nu hij hiertoe eerst is overgegaan nadat hij was betrapt door de douane. Het verweer wordt verworpen.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

als degene, die uit hoofde van artikel 3 van verordening (EG) nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten (verordening) verplicht is tot het doen van aangifte, deze aangifte opzettelijk niet doen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft € 55.000,- aan contant geld ingevoerd in Nederland en hiervan opzettelijk geen tijdige aangifte gedaan. De verdachte wilde zo belastingheffing over het bedrag voorkomen. Hij had het papiergeld verdeeld over meerdere enveloppen en deze enveloppen in zijn cameratas, zijn handbagage en zijn jas verstopt. Toen hij werd gecontroleerd door de douane, heeft hij - in strijd met de waarheid - verklaard dat hij een bedrag van € 5.000,- bij zich had. Tijdens de daarop volgende diepgaande controle kwamen er steeds meer enveloppen tevoorschijn en bleek het om een veelvoud van dat bedrag te gaan.

Door zo te handelen heeft de verdachte niet voldaan aan zijn aangifteplicht en zowel de controle door de douaneautoriteiten van de invoer van liquide middelen als de belasting geprobeerd te ontduiken.

De rechtbank is van oordeel dat op dit feit niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 17 november 2014 niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

De officier van justitie heeft gevorderd het in beslag genomen geldbedrag van € 55.000,- verbeurd te verklaren.

Het in beslag genomen geldbedrag is in beginsel vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het bewezen verklaarde feit met betrekking tot dit geldbedrag is begaan.

Echter, op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat dit geldbedrag toebehoort aan de verdachte en dat hij dit geld op een legale wijze heeft verkregen. Om die reden en omdat aan de verdachte een flinke hoofdstraf wordt opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat verbeurdverklaring van het geldbedrag van € 55.000,- als bijkomende straf niet passend is.

De verdachte zou in dat geval te zwaar worden bestraft voor het bewezen verklaarde feit.

Ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag van € 55.000,- zal daarom een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op artikel 10:1 van de Algemene Douanewet.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) dagen;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;



beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- gelast de teruggave aan verdachte van een bedrag van € 55.000,-.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. F.W. van Lottum, voorzitter,

en mrs. I.K. Rapmund en C.M.A.T. van der Geest, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K. Aagaard, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 december 2014.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I bij vonnis van 16 december 2014:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij

op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 28 oktober 2014

(telkens) te Rotterdam en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of (een) (andere) rechtsperso(o)n(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) van (een) voorwerp(en),

te weten (totaal) (in elk geval) (een) (deel van het) bedrag van 55.000 euro en/of een ander (geld)bedrag,

in elk geval van één of meer geldbedrag(en), althans voorwerp(en), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld dan wel heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die geldbedrag(en), althans dat/die

voorwerp(en) is/zijn en/of dat/die geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad en/of dit/deze geldbedrag(en), althans dat/die voorwerp(en), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet

en/of van dat/die geldbedrag(en), althans dat/die voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs

gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk afkomstig was/waren uit enig(e) misdrijf/misdrijven;

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht


Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij

op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 28 oktober 2014

(telkens) te Rotterdam en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of (een) (andere) rechtsperso(o)n(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

als degene die uit hoofde van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten verplicht is tot het doen van aangifte van bedragen groter dan 10.000 euro, opzettelijk deze aangifte niet, onvolledig of onjuist heeft/hebben gedaan, immers heeft /hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen en daar, terwijl hij/zij die Gemeenschap binnenkwam(en) of verliet(en), geen (tijdige) aangifte gedaan van liquide middelen ten bedrage van 10.000 euro of meer die hij/zij vervoerde(n), te weten (in totaal circa) (een) contant(e) geldbedrag(en) van 55.000 euro.

art. 10:1 lid 5 jo art 3:2 Algemene Douanewet art 10:1 lid 5 Algemene douanewet