Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:10594

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-12-2014
Datum publicatie
24-12-2014
Zaaknummer
C/10/421651 / HA ZA 13-361
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg vaststellingsovereenkomst; beroepsfout advocaat: geen causaal verband tussen gestelde fout en gestelde schade; mogelijk dekking van een rechtsbijstandsverzekering is niet op één lijn te stellen met gefinancierde rechtsbijstand. Zorgplicht advocaat strekt niet zo ver dat hij van te voren moet informeren of zijn cliënt mogelijk is verzekerd voor de kosten van rechtsbijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/421651 / HA ZA 13-361

Vonnis van 17 december 2014

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. A. van Staden ten Brink,

tegen

1 [gedaagde1],

wonende te [woonplaats], Australië,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. P.J. Soede,

2. de naamloze vennootschap

[gedaagde2],

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

advocaat mr. P.J. de Jong Schouwenburg,

3. [gedaagde3],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

advocaat mr. P.J. de Jong Schouwenburg.

Partijen zullen hierna [eiseres], [gedaagde1], [gedaagde2] en [gedaagde3] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 23 oktober 2013, alsmede de daaraan ten grondslag liggende stukken,

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie, met producties,

  • -

    de akte overlegging producties van [eiseres],

  • -

    productie 48 van [eiseres],

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 26 maart 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover hier van belang - het volgende vast:

2.1.

[eiseres] was gehuwd met de heer [betrokkene1] (hierna: [betrokkene1]) (beiden in tweede echt). [betrokkene1] was eerder gehuwd met mevrouw [betrokkene2]. Uit dit huwelijk is [gedaagde1] geboren. [betrokkene1] is op 30 mei 2003 overleden.

2.2.

[betrokkene1] heeft bij testament over zijn nalatenschap beschikt. Hij heeft [eiseres] tot zijn enig erfgenaam benoemd onder toekenning van een aantal legaten aan [gedaagde1]. [betrokkene1] heeft aan [gedaagde1] onder meer gelegateerd de vordering die [betrokkene1] had op de [stichting] (hierna: de Stichting) ter zake van de verkoop, koop en levering van de aandelen in [B.V.] (hierna: [B.V.]) en [B.V.2] (hierna: [B.V.2]).

2.3.

[betrokkene1] was bij leven bestuurder van [B.V.] en [B.V.2]. Na zijn overlijden heeft de Stichting, destijds enig aandeelhouder van [B.V.] en [B.V.2], aanvankelijk geen gebruik gemaakt van de bevoegdheid om een bestuurder bij [B.V.] en [B.V.2] te benoemen.

2.4.

[eiseres] en [gedaagde1] hebben na het overlijden van [betrokkene1] overleg gevoerd over de afwikkeling van de nalatenschap van [betrokkene1]. [eiseres] werd daarbij bijgestaan door [gedaagde3]. [gedaagde1] werd bij gestaan door de advocaten mr. D.G.M. van den Hoogen en mr. T.C. van Wagensveld. Op 26 januari 2006 is tussen [eiseres] en [gedaagde1] een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. Deze overeenkomst (hierna: de vaststellingsovereenkomst) luidt voor zover hier van belang:

“(…)

DE ONDERGETEKENDEN:

1. Mevrouw [eiseres], verder te noemen “mevrouw [betrokkene1]-[eiseres]” (…) handelend namens zichzelf en in haar hoedanigheid van bestuurder van de stichting [stichting];

En

2. Mevrouw [gedaagde2], verder te noemen “mevrouw [betrokkene1]” (…).

IN AANMERKING NEMENDE:

(…)

d. De heer H.N. [betrokkene1] heeft bij testament van 29 december 1999 beschikt over zijn nalatenschap (…). In artikel 4 van dit testament heeft hij mevrouw [betrokkene1]-[eiseres] benoemd tot zijn enige erfgenaam onder gelijktijdige toekenning in artikel 3 van een drietal legaten aan mevrouw [betrokkene1].

e. Bij aanvullend testament van 24 september 2002 (…) heeft de heer H.N. [betrokkene1] aan mevrouw [betrokkene1] een vordering zijnerzijds op de [stichting] gelegateerd.

f. Ter beëindiging van de geschilpunten over het afwikkelen van de nalatenschap van de heer H.N. [betrokkene1], het uitkeren van de legaten door mevrouw [betrokkene1]-[eiseres] aan mevrouw [betrokkene1] en het beëindigen van de financiële verstrengeling hebben partijen op donderdag 26 januari 2006 overleg gevoerd en overeenstemming bereikt.

Mevrouw [betrokkene1] is hierbij bijgestaan door mevrouw mr. D.G.M. van den Hoogen en de heer mr. T. Van Wagensveld, terwijl mevrouw [betrokkene1]-[eiseres] door de heer [gedaagde3] is bijgestaan.

(…)

VERKLAREN TE ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT:

(…)

3. Het aan mevrouw [betrokkene1] toegekende legaat betreffende de optierechten op de aandelen van [B.V.2] en [B.V.]

3.1

De levering van de aandelen en het afstorten van de pensioen- en stamrechtverplichtingen

3.1.1

De vordering van de heer H.N. [betrokkene1] op de [stichting] ter zake van de verkoop, koop en levering van de aandelen in [B.V.2] en in [B.V.] wordt toegedeeld aan mevrouw [betrokkene1] onder de verplichting van de vennootschappen om de koopsom die nodig is om aan mevrouw [betrokkene1]-[eiseres] het op grond van de pensioenbrieven toegekende recht op levenslang nabestaandenpensioen en de uitkering op grond van de stamrechtovereenkomst onder te brengen bij één of meerdere Nederlandse verzekeringsmaatschappijen.

3.1.2

De afkoopsom die noodzakelijk is om het bij pensioenbrief aan mevrouw [betrokkene1]-[eiseres] toegezegde bedrag aan nabestaandenpensioen af te kunnen storten bij een door haar nader aan te wijzen levensverzekeringmaatschappij dient te worden berekend. Partijen gaan hierbij uit van de uitgangspunten zoals deze zijn gehanteerd in de (…) berekening van 15 juni 2005 van heer [betrokkene3]. Als aanvulling geldt hierbij dat de afkoopsom berekend wordt die noodzakelijk is om vanaf 1 maart 2006 aan de pensioenverplichting te voldoen, gelet op de pensioenuitkeringen die sinds juli 2005 ten laste van de vennootschappen aan mevrouw [betrokkene1]-[eiseres] zijn of worden voldaan.

3.1.3

Vanaf 1 maart 2006 zullen de vennootschappen niet langer zijn gehouden tot het uitkeren van het pensioen- en stamrechtuitkeringen, indien en voor zover tot effectuering van het bepaalde in artikel 3.1 wordt overgegaan.

Indien en voor zover zou komen vast te staan dat de besloten vennootschappen gezamenlijk over onvoldoende eigen vermogen beschikken om tot het afstorten van de benodigde koopsom over te gaan zullen partijen nader overleg voeren over het bereiken van een oplossing, waarbij de pensioen- en stamrechtverplichtingen niet in gevaar kunnen worden gebracht door dividend, wanbeleid of excessieve kosten.

3.1.4

Partijen geven hierbij opdracht aan een door mevrouw [betrokkene1] nader te noemen notaris om per 3 april 2006 een notariële akte te verlijden waarbij de aandelen in de besloten vennootschapen [B.V.2] en [B.V.] worden geleverd aan mevrouw [betrokkene1] wanneer de hieronder bedoelde afkoopsom is gestort op de derdenrekening van de notaris.

Ter zake van het afstorten van de afkoopsom van het nabestaandenpensioen en de stamrechtverplichting van de vennootschappen komen partijen overeen dat mevrouw [betrokkene1]-[eiseres] onherroepelijk opdracht geeft aan mevrouw [betrokkene1] om instructies te geven aan [betrokkene4] welke aandelen te gelde gemaakt dienen te worden om tot het afkopen van voornoemde verplichtingen over te kunnen gaan.

(…)

10 Slotbepaling

(…)

10.4

Partijen verbinden zich deze overeenkomst noch geheel, noch gedeeltelijk te zullen (laten) ontbinden op grond van enigerlei tekortkoming in de nakoming daarvan. Nakoming zal steeds gevorderd kunnen worden, al dan niet met schadevergoeding.

(…)”.

2.5.

De in de vaststellingovereenkomst genoemde berekening van [betrokkene3] van Pensioenadviesbureau[B.V.3] luidt voor zover hier van belang:

“(…)

Onderstaand tref je de berekeningen aan conform de benaderde marktwaarde methode. De ene conform jouw faxen en de andere inclusief leeftijdsterugstelling en kostenopslagen (…).

Dan heb ik ook de tarieven opgevraagd bij een professionele verzekeringsmaatschappij. In dit geval Zwitserleven (…). De conclusies zijn als volgt:

Levenslange uitkering van € 11.917,--

Conform opgave fax € 202.706,--

Waarde in het economisch verkeer € 232.671,--

Tarieven Zwitserleven € 250.831,-- (rekenrente 3,65%)

Tijdelijke uitkering van € 19.792,-- tot uiterlijk 65 jaar

Conform opgave fax € 195.302,--

Waarde in het economisch verkeer € 208.275,--

Tarieven Zwitserleven € 216.104,-- (rekenrente 3,45%)

(…) Definitieve cijfers kunnen eerst vlak voor eventuele storting opgevraagd worden (…)”.

2.6.

Op 27 november 2006 heeft [eiseres], als bestuurder van de Stichting, de heer [bestuurder] als (enig) bestuurder van [B.V.] en [B.V.2] benoemd.

2.7.

Namens [B.V.] en [B.V.2] zijn in december 2006 met betrekking tot de afkoop van pensioenverplichtingen bedragen van € 500.920,00 respectievelijk

€ 232.000,00 overgemaakt naar de derdenrekening van de notaris ten overstaan van wie de aandelen in [B.V.] en [B.V.2] aan [gedaagde1] zouden worden geleverd.

2.8.

Een brief van mr. Van Wagensveld aan [gedaagde3] d.d. 4 april 2007 luidt voor zover hier van belang:

“(…)

Naar aanleiding van onze telefonische bespreking van 2 april 2007, bericht ik u dat cliënt ([gedaagde1]; opm. rb.) akkoord kan gaan met de aangepaste berekeningen van het af te storten bedrag aan pensioen, stamrecht en het aan de vennootschapen terug te betalen bedrag.

De opstelling wordt dan als volgt:

Op de rekening van mr. Ritsma is door de vennootschap gestort € 732.920,-

Af: te storten pensioen € 400.390,-

Af: te storten bedrag aan stamrecht € 227.374,-

Af: depot i.v.m. de discussie over indexatie € 62.690,-

Resteert terug te betalen aan de vennootschappen € 42.466,-

(…)

Af te storten pensioen

Zoals besproken is uitgegaan van het door [betrokkene3] berekende bedrag per 1 maart 2006, hetgeen overeenkomt met de vaststellingsovereenkomst (…)”.

2.9.

Bij notariële akte d.d. 20 april 2007 zijn de aandelen in [B.V.2] en [B.V.] geleverd aan [gedaagde1]. De onder 2.1 genoemde mevrouw [betrokkene2] is vervolgens benoemd tot bestuurder van [B.V.2] en [B.V.]. De sub 2.7 genoemde bedragen zijn door de notaris doorbetaald.

2.10.

Tussen [eiseres] enerzijds en [B.V.] en [B.V.2] anderzijds is een civiele procedure aanhangig geweest bij de rechtbank Midden-Nederland (voorheen rechtbank Utrecht) (zaak/rolnummer: 235450 / HA ZA 07-1561). In die procedure, ingeleid bij dagvaarding d.d. 8 augustus 2007, vorderde [eiseres] in conventie onder meer - kort gezegd - een verklaring voor recht dat [B.V.] en [B.V.2] als gevolg van de vaststellingsovereenkomst van 26 januari 2006 een bedrag van € 463.080,00, waaronder het in depot gestorte bedrag van € 62.690,00 aan indexering, aan haar verschuldigd zijn en betaling van het in depot gestorte bedrag, vermeerderd met schadevergoeding wegens het niet vrijelijk kunnen beschikken over dat bedrag.

[B.V.] en [B.V.2] hebben in die procedure het standpunt ingenomen dat [eiseres] jegens hen in het geheel geen aanspraak op nabestaandenpensioen heeft. Zij hebben daarom in reconventie terugbetaling gevorderd van hetgeen zij uit dien hoofde aan [eiseres] hebben betaald. Bij eindvonnis d.d. 4 februari 2009 heeft de rechtbank zowel de vorderingen in conventie als de in reconventie gevorderde terugbetaling van nabestaandenpensioen afgewezen.

2.11.

[B.V.] en [B.V.2] hebben hoger beroep ingesteld tegen het onder 2.10 genoemde vonnis. Het gerechtshof Amsterdam heeft in zijn tussenarrest d.d. 16 maart 2010 - kort gezegd - geoordeeld dat [B.V.] en [B.V.2] niet op grond van de vaststellingsovereenkomst (zie 2.3) waren gehouden tot betaling van de afkoopsom. Bij eindarrest d.d. 13 november 2012 heeft het hof - kort gezegd - geoordeeld dat [eiseres] aan [B.V.2] een bedrag van € 89.557,58 dient terug te betalen en aan [B.V.] een bedrag van € 510.767,00.

2.12.

Vervolgens heeft [eiseres] cassatie ingesteld tegen genoemde beslissingen van het gerechtshof Amsterdam. Bij arrest d.d. 14 maart 2014 heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof Amsterdam d.d. 13 november 2012 vernietigd, voor zover [eiseres] daarin is veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 510.767,00 (met rente) aan [B.V.] en heeft zij het geding naar het gerechtshof Den Haag verwezen ter verdere behandeling en beslissing.

2.13.

[eiseres] heeft met verlof van de voorzieningenrechter in februari 2012 ten laste van [gedaagde1] conservatoir beslag doen leggen op de aandelen van [gedaagde1] in [B.V.] en [B.V.2].

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. a) voor recht te verklaren dat [gedaagde1] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst van 26 januari 2006,

althans,

voor recht te verklaren dat [gedaagde1] dient in te staan voor de verplichtingen van [B.V.] en [B.V.2] ingevolge de vaststellingsovereenkomst van 26 januari 2006,

b) voor recht te verklaren dat [gedaagde3] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn zorgplicht jegens [eiseres] en dat [gedaagde2] voor deze tekortkoming van [gedaagde3] in de periode tot 1 juli 2012 hoofdelijk aansprakelijk is,

c) [gedaagde1], [gedaagde3] en [gedaagde2] hoofdelijk, des de een betalend de ander is bevrijd, te veroordelen tot betaling van een bedrag ad € 795.046,83, te vermeerderen met de rente vanaf datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening,

althans,

[gedaagde1], [gedaagde3] en [gedaagde2] hoofdelijk, des de een betalend de ander is bevrijd, te veroordelen aan [eiseres] te voldoen al hetgeen [eiseres] uit hoofde van het arrest van 13 november 2012 aan [B.V.] en [B.V.2] moet betalen,

d) [gedaagde1], [gedaagde3] en [gedaagde2] hoofdelijk, des de een betalend de ander is bevrijd, te veroordelen tot betaling van door [eiseres] te lijden aanvullende schade ten gevolge van de executiemaatregelen van [B.V.] en [B.V.2] jegens [eiseres], welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet,

e) [gedaagde3] en [gedaagde2] hoofdelijk, des de een betalend de ander is bevrijd, te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van € 183.135,59, te vermeerderen met de rente vanaf datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening,

f) [gedaagde1], [gedaagde3] en [gedaagde2] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.

[gedaagde1] concludeert tot afwijzing van het gevorderde met veroordeling van [eiseres], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.

3.3.

[gedaagde3] en [gedaagde2] concluderen eveneens tot afwijzing van het gevorderde met veroordeling van [eiseres], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

[gedaagde1] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de door [eiseres] ten laste van [gedaagde1] gelegde conservatoire beslagen op te heffen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

3.6.

[eiseres] concludeert tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [gedaagde1], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

[gedaagde1]

4.1.

Ten aanzien van de vorderingen voor zover gericht tegen [gedaagde1] overweegt de rechtbank als volgt.

4.2.

Tussen partijen is in geschil of [gedaagde1] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst. [eiseres] stelt dat [gedaagde1] in de vaststellingsovereenkomst heeft toegezegd dat [B.V.] en [B.V.2] de afkoopsom aan [eiseres] zouden betalen. [gedaagde1] diende er daarom voor in te staan dat zij [B.V.] en [B.V.2] ook daadwerkelijk zou binden. [eiseres] stelt dat [gedaagde1] daarnaast heeft toegezegd dat de afkoopsom zou worden berekend op basis van de uitgangspunten van [betrokkene3] (zie 2.5). In de procedure tegen [eiseres] hebben [B.V.] en [B.V.2] de betaalde afkoopsom in reconventie teruggevorderd, omdat zij menen dat de feitelijke pensioenaanspraken van [eiseres] lager waren dan de grondslag waar [betrokkene3] van uit was gegaan. Doordat die vordering tot terugbetaling is toegewezen (bij arrest van het hof d.d. 13 november 2012), is [gedaagde1] tekort geschoten in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst, aldus [eiseres]. [eiseres] stelt dat deze tekortkoming aan [gedaagde1] kan worden toegerekend, omdat [gedaagde1] enig aandeelhouder van [B.V.] en [B.V.2] is en zij daarmee de zeggenschap binnen die vennootschappen heeft.

4.3.

[gedaagde1] beroept zich op verjaring van de (vermeende) vorderingen van [eiseres] op haar. Zij stelt daarnaast dat [eiseres] niet heeft voldaan aan de klachtplicht van artikel 6:89 BW. Voorts betwist zij dat zij tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst. [gedaagde1] voert - kort gezegd - aan dat partijen in de vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen dat de verplichtingen van [B.V.] en [B.V.2] uit hoofde van de pensioenovereenkomsten en de stamrechtovereenkomst voorafgaande aan de levering van de aandelen aan [gedaagde1] zouden worden voldaan door middel van een afkoopsom. Partijen hebben niet afgesproken en ook niet de bedoeling gehad dat [eiseres] meer zou ontvangen dan waarop zij op grond van de pensioenbrieven en de stamrechtovereenkomst recht zou hebben.

Voor zover mocht blijken dat op [B.V.] en [B.V.2], althans [gedaagde1], een verplichting zou rusten tot uitkering van nabestaandenpensioen en/of een stamrechtverplichting naast en/of boven hetgeen waartoe bovengenoemde vennootschappen op grond van de pensioenbrieven en andere overeenkomsten gehouden zijn, beroept [gedaagde1] zich op dwaling.

4.4.

In het hierna volgende gaat de rechtbank er veronderstellenderwijs vanuit dat, anders dan [gedaagde1] stelt, de vorderingen van [eiseres] op [gedaagde1] niet verjaard zijn en de klachtplicht ex artikel 6:89 BW door [eiseres] niet geschonden is.

4.5.

Om vast te kunnen stellen of sprake is van een tekortkoming aan de zijde van [gedaagde1] zoals [eiseres] stelt (zie 4.2), komt het aan op datgene wat partijen hebben afgesproken met betrekking tot het aan [eiseres] toekomende recht op nabestaandenpensioen en stamrecht. Daartoe dient de vaststellingsovereenkomst te worden uitgelegd. Die uitleg kan niet alleen worden gegeven op grond van een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen ervan, maar daarbij komt het ook aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen en aan de bepalingen van dat geschrift mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Gelet op het feit dat het hier een vaststellingsovereenkomst betreft, die strekt ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil, en het feit dat partijen bij het opstellen van de overeenkomst beide professionele juridische bijstand hebben gehad, komt aan de bewoordingen van de overeenkomst wel groot gewicht toe.

4.6.

Artikel 3.1.1 van de vaststellingsovereenkomst bepaalt dat de vordering ter zake van de aandelen in [B.V.2] en [B.V.] aan [gedaagde1] wordt toegedeeld “onder de verplichting van de vennootschappen om de koopsom (te betalen?, rb.) die nodig is om aan mevrouw [betrokkene1]-[eiseres] het (het aan mevrouw [betrokkene1]-[eiseres]?, rb.) op grond van de pensioenbrieven toegekende recht op levenslang nabestaandenpensioen en de uitkering op grond van de stamrechtovereenkomst onder te brengen bij één of meerdere Nederlandse verzekeringsmaatschappijen”. In artikel 3.1.2 is voorts bepaald dat de afkoopsom die noodzakelijk is om het bij pensioenbrief aan [eiseres] toegezegde bedrag aan nabestaandenpensioen af te kunnen storten dient te worden berekend en dat partijen hierbij uitgaan van de uitgangspunten zoals deze zijn gehanteerd in de in de vaststellingsovereenkomst genoemde berekening van 15 juni 2005 van de heer [betrokkene3] (zie 2.5).

4.7.

In de vaststellingsovereenkomst wordt dus melding gemaakt van “het op grond van de pensioenbrieven toegekende recht op levenslang nabestaandenpensioen en de uitkering op grond van de stamrechtovereenkomst”. Uit de tekst van de overeenkomst blijkt niet dat [gedaagde1] heeft gegarandeerd dat [B.V.] en [B.V.2] een bepaalde, concrete afkoopsom ten gunste van [eiseres] zouden betalen ter voldoening van deze vennootschappen aan hun verplichtingen uit hoofde van de in de vaststellingsovereenkomst bedoelde pensioenovereenkomsten en stamrechtovereenkomst. In de vaststellingsovereenkomst is immers geen concreet bedrag genoemd dat de vennootschappen aan nabestaandenpensioen en stamrecht aan [eiseres] zouden moeten betalen. In artikel 3.1.2 is alleen bepaald aan de hand van welke uitgangspunten de afkoopsom ter zake van nabestaandenpensioen (nog) “dient te worden berekend”.

4.8.

Vast staat voorts dat [gedaagde1] ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst [B.V.] en [B.V.2] niet (direct of indirect) rechtsgeldig kon vertegenwoordigen. Zij kon dus bij de vaststellingsovereenkomst geen in rechte afdwingbare verplichtingen namens [B.V.] en [B.V.2] aangaan en zij kon deze vennootschappen niet rechtstreeks binden aan (bijvoorbeeld) de berekening van [betrokkene3]. [eiseres] was daarvan op de hoogte. Het was ook zo dat [eiseres] zelf - en dus niet [gedaagde1] - bestuurder van de Stichting was.

4.9.

De vraag is dan of een redelijke uitleg van de artikelen 3.1.1 en 3.1.2 van de vaststellingsovereenkomst meebrengt dat [gedaagde1] met de vaststellingsovereenkomst een persoonlijke toezegging heeft gedaan die verder strekte dan hetgeen [B.V.] en [B.V.2] op grond van de pensioenovereenkomsten en de stamrechtovereenkomst aan [eiseres] verschuldigd zouden zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. Dit volgt niet uit de bewoordingen van de betreffende bepalingen en [eiseres] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat zij heeft mogen begrijpen dat [gedaagde1] persoonlijk zou instaan voor de voldoening van het verschil tussen enerzijds de afkoopsom die [B.V.] en [B.V.2] op grond van de pensioenbrieven en de stamrechtovereenkomst aan [eiseres] verschuldigd zouden zijn (de omvang van die verplichtingen is onderwerp van geschil in de procedure(s) tussen [eiseres] enerzijds en [B.V.] en [B.V.2] anderzijds) en anderzijds de afkoopsom berekend conform de uitgangspunten van [betrokkene3] zoals genoemd in de vaststellingsovereenkomst.

Naar het oordeel van de rechtbank brengt een redelijke uitleg van de overeenkomst, anders dan [eiseres] stelt, niet met zich dat, ter beëindiging van de onzekerheid over de grondslag voor de berekening van de afkoopsom, de te betalen afkoopsom niet hoger of niet lager zou zijn dan uit de berekening van [betrokkene3] zou volgen. Naar [gedaagde1] terecht stelt, zou, in het geval de afkoopsom aan de hand van de berekening van [betrokkene3] hoger zou zijn dan de vennootschappen op grond van de pensioenovereenkomsten/stamrechtovereenkomst aan [eiseres] verschuldigd zouden zijn, sprake kunnen zijn van een schenking van [gedaagde1] aan [eiseres]. De rechtbank ziet in het door [eiseres] gestelde onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat dat de bedoeling van partijen was, althans dat [eiseres] daar van uit mocht gaan.

Daar komt bij dat [eiseres] zelf kennelijk ook niet van de berekening van [betrokkene3] als bedoeld onder 2.5 is uitgegaan. In de procedure tegen de vennootschappen heeft zij zich immers op het standpunt gesteld dat de berekening van [betrokkene3] niet deugde, omdat hij was uitgegaan van te beperkte gegevens en heeft zij - zoals zij zelf aangeeft - gepoogd om de grondslag voor de afkoop alsnog te laten indexeren.

In dat licht acht de rechtbank ook niet doorslaggevend dat mr. Van Wagensveld namens [gedaagde1] in april 2007 (zie 2.8) heeft laten weten dat [gedaagde1] kon instemmen met de door mr. Van Wagensveld genoemde bedragen (wat er zij van de vraag of en in hoeverre dat los van genoemde indexering voor [eiseres] het geval was).

4.10.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde1] (toerekenbaar) tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst. Dat betekent dat de vorderingen voor zover gericht tegen [gedaagde1] (zie 3.1 onder a), c), d) en f)) reeds om die reden, onafhankelijk van de uitkomst van de procedure tussen [eiseres] enerzijds en [B.V.] en [B.V.2] anderzijds, dienen te worden afgewezen. De vraag of de klachtplicht is geschonden en of de vorderingen zijn verjaard, behoeven derhalve geen bespreking meer. Ook aan het beroep van [gedaagde1] op dwaling ten aanzien van de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst komt de rechtbank niet toe.

[gedaagde3] en [gedaagde2]

4.11.

Ten aanzien van de vorderingen voor zover gericht tegen [gedaagde3] overweegt de rechtbank als volgt.

4.12.

De rechtsverhouding tussen een advocaat en zijn opdrachtgever (cliënt) is gebaseerd op een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 e.v. BW. Die rechtsverhouding wordt verder beheerst door de Advocatenwet en de gedragsregels voor advocaten. Op de advocaat die een opdracht aanneemt, rust een inspanningsverplichting: hij moet de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen en daarbij de zorgvuldigheid betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht ten opzichte van degene wiens belangen hij behartigt. Er kan pas worden gesproken van een toerekenbare tekortkoming indien een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in de gegeven omstandigheden anders zou hebben gehandeld.

4.13.

[eiseres] stelt - en [gedaagde3] en [gedaagde2] betwisten - dat [gedaagde3] haar had moeten waarschuwen voor het risico dat ontstond doordat de partijen die de afkoopsom dienden te voldoen ([B.V.] en [B.V.2]) geen partij waren bij de vaststellingsovereenkomst. [gedaagde3] had haar moeten adviseren om een bestuurder van [B.V.] en [B.V.2] te benoemen. Door dat niet te doen is [gedaagde3] niet als redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat opgetreden en is hij toerekenbaar tekort geschoten jegens [eiseres].

4.14.

De vraag of dit verwijt van [eiseres] aan [gedaagde3] als beroepsfout in de onder 4.12 bedoelde zin kan worden aangemerkt, kan in het midden blijven. Gesteld noch gebleken is immers dat, indien [gedaagde3] voor de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst - kort gezegd - voor rechtsgeldige vertegenwoordiging van [B.V.] en [B.V.2] had laten zorgen, de uitkomst van de procedures tegen deze vennootschappen anders was geweest. Zoals reeds overwogen is in de vaststellingsovereenkomst geen concrete afkoopsom genoemd. [eiseres] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat [B.V.] en [B.V.2], indien zij rechtsgeldig bij de vaststellingsovereenkomst waren vertegenwoordigd, bereid zouden zijn geweest meer te betalen dan waartoe zij op grond van de pensioenovereenkomsten en de stamrechtovereenkomst gehouden waren. Aldus ontbreekt het causaal verband tussen de door [eiseres] gestelde beroepsfout en de door haar gestelde schade. Deze vordering tot vergoeding van schade is reeds om die reden niet toewijsbaar.

4.15.

[eiseres] stelt voorts dat [gedaagde3] als redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat bij aanvang van het geding tegen [B.V.] en [B.V.2] had moeten informeren of [eiseres] in aanmerking zou komen voor een toevoeging dan wel aanspraak kon maken op dekking onder een rechtsbijstandsverzekering. Hij heeft dit pas in 2012 gedaan, zodat de rechtsbijstandsverzekeraar van [eiseres] zich met succes op verjaring van het recht op rechtsbijstandsdekking kon beroepen.

4.16.

[gedaagde3] heeft niet betwist dat hij bij aanvang van het geding tegen [B.V.] en [B.V.2] niet heeft geïnformeerd of [eiseres] verzekerd was voor de kosten van rechtsbijstand. Naar het oordeel van de rechtbank is die omstandigheid echter niet aan te merken als een beroepsfout in de onder 4.12 bedoelde zin. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad brengt de rechtsverhouding tussen de advocaat en cliënt inderdaad mee dat de advocaat verplicht is met de cliënt te overleggen of er aanleiding is om te trachten een toevoeging te verkrijgen, tenzij de advocaat goede gronden heeft om aan te nemen dat de cliënt niet voor kosteloze rechtsbijstand in aanmerking komt. Deze regel is vastgelegd in de voor advocaten geldende gedragsregels (gedragsregel 24 onder 1). Naar het oordeel van de rechtbank is mogelijke dekking van een rechtsbijstandverzekering echter niet op één lijn te stellen met gefinancierde rechtsbijstand en strekt de zorgplicht van een advocaat niet zo ver, dat hij van te voren moet informeren of zijn cliënt mogelijk is verzekerd voor de kosten van rechtsbijstand. Het had op de weg van [eiseres] zelf gelegen [gedaagde3] op de hoogte te stellen van het feit dat zij een rechtsbijstandsverzekering had. Niet gesteld of gebleken is dat zij dat heeft gedaan. [gedaagde3] had bovendien, gelet op de vermogenspositie van [eiseres], niet hoeven vermoeden dat [eiseres] in aanmerking zou komen voor gefinancierde rechtsbijstand. Dat zij daar wel voor in aanmerking kwam is overigens door haar ook niet gesteld.

4.17.

Het voorgaande in aanmerking genomen dienen de vorderingen voor zover gericht tegen [gedaagde3] en [gedaagde2] (zie 3.1 onder b, c, d en f) te worden afgewezen. Derhalve is er geen grond voor restitutie van de door [eiseres] betaalde declaraties voor de door [gedaagde3] uitgevoerde werkzaamheden (zie 3.1 onder e). Deze vordering ligt daarom ook voor afwijzing gereed.

4.18.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [gedaagde1] worden begroot op:

- griffierecht € 1.474,00

- salaris advocaat € 5.160,00 (2,0 punten × tarief € 2.580,00)

Totaal € 6.634,00.

De kosten aan de zijde van [gedaagde3] en [gedaagde2] worden begroot op:

- griffierecht € 3.715,00

- salaris advocaat € 5.160,00 (2,0 punten × tarief € 2.580,00)

Totaal € 8.875,00.

in reconventie

4.19.

[gedaagde1] vordert in reconventie opheffing van de door [eiseres] gelegde conservatoire beslagen op de aandelen van [gedaagde1] in [B.V.] en [B.V.2]. Zoals reeds overwogen in conventie worden de vorderingen van [eiseres] afgewezen. Op grond van artikel 704 lid 2 Rv vervallen de gelegde beslagen hierdoor van rechtswege, zodra dit vonnis in kracht van gewijsde gaat.

Op grond van het bepaalde in artikel 705 lid 2 Rv kan een beslag worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door [eiseres] ingeroepen recht is gebleken. Nu de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen, is dat naar het oordeel van de rechtbank het geval. [eiseres] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel leiden. De vordering tot opheffing van genoemde beslagen zal derhalve worden toegewezen.

4.20.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, die gelet op de verwevenheid met de conventie zullen worden beperkt tot de helft van het gebruikelijke tarief. Nu de vordering in reconventie een vordering van onbepaalde waarde betreft, zal de rechtbank voor wat betreft het salaris advocaat uitgaan van het tarief dat geldt voor dergelijke zaken. De kosten aan de zijde van [gedaagde1] worden begroot op:

salaris advocaat € 452,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 452,00)

Totaal € 452,00.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie:

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot op heden begroot op € 6.634,00 aan de zijde van [gedaagde1] en op € 8.875,00 aan de zijde van [gedaagde3] en [gedaagde2],

5.3.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie:

5.4.

heft op de door [eiseres] ten laste van [gedaagde1] gelegde conservatoire beslagen op de aandelen van [gedaagde1] in [B.V.] en [B.V.2],

5.5.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot op heden begroot op € 452,00 aan de zijde van [gedaagde1],

5.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.A. Baggerman en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2014.1

1 2083/2537