Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:10578

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
29-12-2014
Zaaknummer
ROT 14/1476 en ROT 14/1478
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking, terugvordering en boeteoplegging door Uwv. Cautie. Overgangsrecht Wet aanscherping. Opzet. Afstemming boetes. Hoewel eisers ter zitting is voorgehouden dat zij tijdens de hoorzitting in bezwaar wel hebben geklaagd over de omstandigheid dat hen aan het eind van het gesprek van 12 september 2013 voor het eerst een cautie is gegeven, hebben zij ter zitting en ook anderszins niet gesteld dat zij ook in beroep in die bezwaargrond persisteren. Eisers hebben in beroep evenmin aangevoerd dat zij hun verklaringen onder druk hebben afgelegd. Zij hebben slechts gesteld dat zij tevoren niet op de mogelijke consequenties zijn gewezen indien zij belastende verklaringen zouden afleggen. De rechtbank kan en zal in het midden laten of het betoog van eisers dat zij niet op de mogelijke consequenties zijn gewezen onder toepassing van artikel 8:69 lid 2 Awb zou moeten worden opgevat als een beroepsgrond die ertoe strekt dat ten onrechte geen cautie is verleend, waardoor de afgelegde verklaringen deels niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt voor de boeteoplegging. Nadat de rechtbank aan eisers ter zitting overeenkomstig artikel 8:28a Awb een cautie had gegeven heeft eiser namelijk, nadat hem was voorgehouden dat eisers volgens het verslag van de hoorzitting hebben bevestigd dat hen over het werken geen “dingen in de mond zijn gelegd”, onder meer verklaard dat eisers tijdens de controles in eerlijkheid alles hebben gezegd tegen de controleurs, of woorden van die strekking. Gelet hierop acht de rechtbank de gehele eerdere verklaringen van eisers, die daarmee ter zitting na het geven van een cautie zijn bevestigd, toelaatbaar voor het bewijs voor de boeteoplegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank [plaats]

Team Bestuursrecht 3

zaaknummers: ROT 14/1476 en ROT 14/1478

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 december 2014 in de zaken tussen

1. [Naam eiser], te [plaats], eiser,

2. [Naam eiseres], te [plaats], eiseres,

tezamen eisers,

gemachtigde: mr. H.W. Verberkmoes,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: D. Meijers.

Procesverloop

ROT 14/1478

Bij besluit van 13 januari 2014 (besluit 1) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de besluiten van 30 oktober 2013, strekkende tot herziening (lees: intrekking) van de werkloosheidsuitkering van eiseres met ingang van 30 juli 2012, tot terugvordering van ten onrechte aan haar verstrekte uitkering over de periode van 30 juli 2012 tot en met 28 april 2013 tot een bedrag van € 11.388,56 (bruto) en tot oplegging van een bestuurlijke boete ter hoogte van het terug te vorderen bedrag, ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen besluit 1 beroep ingesteld.

ROT 14/1476

Bij besluit van 13 januari 2014 (besluit 2) heeft verweerder – onder meer – de bezwaren van eiser tegen de besluiten van 29 oktober 2013, strekkende tot herziening (lees: intrekking) van de werkloosheidsuitkering van eiser met ingang van 1 april 2013, tot terugvordering van ten onrechte aan hem verstrekte uitkering over de periode van 1 april 2013 tot en met 1 september 2013 tot een bedrag van € 7.727,50 (bruto) en tot oplegging van een bestuurlijke boete ter hoogte van het terug te vorderen bedrag, ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen besluit 2 beroep ingesteld.

In beide zaken

Beide zaken zijn gevoegd behandeld op de zitting van 14 oktober 2014. Eisers zijn verschenen met hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Eiser ontving met ingang van 1 oktober 2009 een werkloosheidsuitkering. Bij besluit van 24 augustus 2010 is eiseres met ingang van 27 april 2010 in aanmerking gebracht voor een nieuwe werkloosheidsuitkering, naast een reeds eerder toegekende werkloosheidsuitkering. Daarbij is eiseres meegedeeld dat als er niets in haar situatie verandert, zij deze uitkering ontvangt tot en met 26 maart 2013.

1.2.

Eisers hebben op 7 november 2011 een vennootschap onder firma [Naam] opgericht. Deze vennootschap heeft vanaf februari 2012 tot 25 juli 2012 het gelijknamige [Naam] (het eetcafé) aan de [adres], te [plaats] gedreven. Eisers hadden van verweerder toestemming gekregen om met behoud van hun uitkeringen te starten als zelfstandige. De zogeheten startersperiode liep van 30 januari 2012 tot 29 juli 2012. Vanaf 25 juli 2012 staat het eetcafé geregistreerd als eenmanszaak op naam van eiser.

1.3.

Verweerder heeft na ommekomst van de startersperiode de werkloosheidsuitkering van eiser beëindigd omdat eiser had aangegeven door te zullen gaan als zelfstandige in het eetcafé. De uitkering van eiseres is na de startersperiode niet beëindigd. Verweerder heeft nadien een korting van 25% voor de duur van vier maanden op haar uitkering toegepast wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten vanaf juli 2012.

1.4.

Met ingang van 1 april 2013 staat het eetcafé geregistreerd als eenmanszaak op naam van eiseres. Verweerder heeft vervolgens op aanvraag van eiser diens werkloosheidsuitkering met ingang van 1 april 2013 voortgezet, omdat eiser zou zijn gestopt met zijn werk als zelfstandige en hij nog geen ander werk had gevonden. Bij besluit van 1 mei 2013 heeft verweerder eiseres bevestigd dat haar werkloosheidsuitkering met ingang van 25 april 2013 eindigt.

1.5.

Na interne meldingen dat werd vermoed dat eiseres feitelijk was blijven werken in het eetcafé en na kennisneming van internetsites, waaronder www.eetcafedesteek.nl, is een onderzoek gestart naar eiseres. Nadien is ook eiser in het onderzoek betrokken via een afzonderlijke rapportage. Op 18 maart 2013 om 13:40 uur en op 9 april 2013 om 12:40 zijn waarnemingen gedaan rond het eetcafé. Op eerstgenoemde tijdstip is een vrouw achter de bar van het eetcafé gezien en stond de auto, die op naam van eiser staat, in het parkeervak voor de locatie. Op het tweede tijdstip stond dezelfde auto geparkeerd in een parkeervak voor het eetcafé en is achter het raam van het eetcafé een kaart gezien waarop eisers staan genoemd als vergunninghouders. Op 5 juli 2013 heeft een werkplekcontrole in het eetcafé plaatsgehad door een inspecteur van verweerder. Eisers waren toen beiden aan het werk in het eetcafé. Aan de inspecteur heeft eiser het volgende schriftelijk verklaard:

“Zolang ik geen werk [heb], help ik mijn vrouw en sta ik in de keuken. Dit doe ik vanaf maart 2013 vrijwillig. Eerst stond de zaak op mijn naam en vervolgens is de zaak op mijn vrouw haar naam gezet. Wij kunnen namelijk nog niet v/d opbrengsten uit de zaak leven. We zijn ook vanaf februari 2012 begonnen met z’n tweeën. Mijn vrouw werkte vanaf die tijd altijd in de bediening.”

Bij die gelegenheid heeft eiseres eveneens schriftelijk verklaard:

“Samen met mijn echtgenoot run ik de zaak van[af] februari 2012. Per 01 april 2013 staat de zaak op mijn naam, zodat hij in de keuken kan staan en omdat wij het financieel nog niet kunnen behappen. Hij blijft echter solliciteren. Hij staat vanaf 16:00 tot circa 21:00 – 21:30 in de keuken. Hij ruimt dan ook op en maakt dan ook schoon.”

Eiser en eiseres hebben hun verklaringen ondertekend en zij hebben ieder op het formulier aangeven dat zij zeven dagen per week werken. Eiser heeft daarbij aangegeven dat hij twee tot drie uur per dag werkt (van 17:00 uur tot 20:00 uur).

1.6.

Op 2 september 2013 om 16:20 uur heeft een inspecteur van verweerder een bezoek gebracht aan het eetcafé. Nadat hij zich had gelegitimeerd heeft hij kort met eisers gesproken. Beiden verklaarden dat zij zeven dagen per week samen in de zaak aan het werk zijn. De inspecteur heeft toen met eisers afgesproken dat hij hen zou uitnodigen voor een gesprek op het UWV-kantoor. Vervolgens is de werkloosheidsuitkering van eiser, bij besluit van 26 september 2013, per 2 september geschorst in afwachting van nadere besluitvorming.

1.7.

Op 12 september 2013 heeft eiser tijdens een verhoor aan een inspecteur van verweerder verklaard dat hij vanaf 1 februari 2012 veertig uur per week werkzaam is in het eetcafé. Eiser heeft daarbij aangegeven dat hij de werkzaamheden die hij per 1 april 2013 verricht ziet als hulp of vrijwilligerswerk, omdat zij niet rond kunnen komen van de inkomsten van het eetcafé. Eiseres heeft tijdens een verhoor diezelfde dag onder meer verklaard dat zij vanaf 1 februari 2012 tot heden zeven dagen per week gemiddeld vanaf 14:00 uur tot ongeveer 01:00 uur ’s-nachts werkzaam is in het eetcafé. Zij doet het bargedeelte en eiser de keuken. Eisers hebben deze verklaringen ondertekend.

2. Verweerder heeft vervolgens besloten tot intrekking van de uitkeringen van eisers, tot terugvordering en tot boeteoplegging.

3. Eisers betogen in beroep dat geen sprake is van inlichtingenverzuim, zodat de terugvordering en boeteoplegging geen stand kunnen houden. Gelet hierop houdt de rechtbank het er voor dat eisers opkomen tegen de handhaving van de primaire besluiten tot intrekking, terugvordering en boeteoplegging. Ter zitting hebben eisers verklaard dat hun tijdens de hoorzitting in bezwaar aangevoerde grond dat hen ten onrechte geen cautie is gegeven voorafgaande aan de verklaringen aan de inspecteurs zo moet worden begrepen dat zij ten onrechte niet voorafgaande aan de verhoren zijn gewezen op de mogelijke consequenties die verbonden zouden kunnen worden aan hun verklaringen.

4. De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen het rechtmatigheidsonderzoek en het boeteonderzoek, ook al hebben die – veelal – tegelijkertijd plaats. In het kader van het rechtmatigheidsonderzoek zijn eisers gelet op artikel 25 van de WW gehouden om verweerder van alle informatie te voorzien en kunnen zij zich niet beroepen op een zwijgrecht. Bij de boeteoplegging komt hen wel een zwijgrecht toe, want artikel 5:10a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet gelet op de rechtspraak met betrekking tot artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) aldus worden begrepen dat het daarin neergelegde zwijgrecht niet alleen betrekking heeft op waarom-vragen maar ook op wat-vragen. Indien de betrokkene niet kan uitsluiten dat zijn verklaringen tijdens het verhoor zullen worden gebruikt als bewijs voor de boeteoplegging, dient hij in dat kader op zijn zwijgrecht te worden gewezen. Indien een belastende verklaring wordt afgelegd zonder dat voorafgaand daaraan de cautie is verstrekt of indien een zodanige druk is uitgeoefend dat die verklaring niet in vrijheid is afgelegd, dient bewijsmateriaal dat niet los van de wil van betrokkene is verkregen te worden uitgesloten van het bewijs voor de boeteoplegging. Indien voorafgaand aan een nader verhoor alsnog een cautie wordt gegeven en opnieuw een belastende verklaring wordt afgelegd, kan die wel bijdragen aan het bewijs voor het opleggen van een boete. Voorts kunnen fysieke waarnemingen op grond van een (nadien of voordien) ingesteld onderzoek worden gebruik voor het bewijs, omdat dit wilsonafhankelijk bewijs betreft. Met betrekking tot het voorgaande wijst de rechtbank op vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (bijvoorbeeld CRvB 21 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY3772; CRvB 20 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2999 en CRvB 1 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2607).

5. Hieruit volgt dat de verklaringen die eisers hebben afgelegd op 5 juli, 2 september en 12 september 2013 kunnen worden gebruikt voor het treffen van niet op bestraffing gerichte maatregelen, zoals intrekking en terugvordering van ten onrechte toegekende uitkering. Eisers konden ten tijde van deze verklaringen, voor zover afgelegd voordat zij op hun zwijgrecht waren gewezen, niet uitsluiten dat die zouden worden gebruikt voor boeteoplegging, zodat hen met het oog daarop een zwijgrecht toekwam als bedoeld in artikel 5:10a van de Awb. Gelet op de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is het de bestuursrechter echter niet toegestaan om ambtshalve te beoordelen of de cautieplicht is nageleefd, omdat dit niet een kwestie van openbare orde is waaraan de bestuursrechter ambtshalve dient te toetsen (CRvB 18 maart 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO6428 en CRvB 15 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8654).

6. Hoewel eisers ter zitting is voorgehouden dat zij tijdens de hoorzitting in bezwaar wel hebben geklaagd over de omstandigheid dat hen aan het eind van het gesprek van 12 september 2013 voor het eerst een cautie is gegeven, hebben zij ter zitting en ook anderszins niet gesteld dat zij ook in beroep in die bezwaargrond persisteren. Eisers hebben in beroep evenmin aangevoerd dat zij hun verklaringen onder druk hebben afgelegd. Zij hebben slechts gesteld dat zij tevoren niet op de mogelijke consequenties zijn gewezen indien zij belastende verklaringen zouden afleggen. De rechtbank kan en zal in het midden laten of het betoog van eisers dat zij niet op de mogelijke consequenties zijn gewezen onder toepassing van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb zou moeten worden opgevat als een beroepsgrond die ertoe strekt dat ten onrechte geen cautie is verleend, waardoor de afgelegde verklaringen deels niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt voor de boeteoplegging. Nadat de rechtbank aan eisers ter zitting overeenkomstig artikel 8:28a van de Awb een cautie had gegeven heeft eiser namelijk, nadat hem was voorgehouden dat eisers volgens het verslag van de hoorzitting hebben bevestigd dat hen over het werken geen “dingen in de mond zijn gelegd”, onder meer verklaard dat eisers tijdens de controles in eerlijkheid alles hebben gezegd tegen de controleurs, of woorden van die strekking. Gelet hierop acht de rechtbank de gehele eerdere verklaringen van eisers, die daarmee ter zitting na het geven van een cautie zijn bevestigd, toelaatbaar voor het bewijs voor de boeteoplegging (vgl. EHRM 1 juni 2010, nr. 22978/05 (Gäfgen tegen Duitsland) en HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5528).

7. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de feiten en omstandigheden die zijn genoemd onder rechtsoverwegingen 1.5., 1.6. en 1.7. dat eisers aansluitend aan de startersperiode fulltime zijn doorgegaan met de werkzaamheden in het eetcafé. Zij hebben daarmee hun hoedanigheid van werknemers (tijdelijk) verloren. De door eisers in bezwaar aangevoerde omstandigheid dat zij onvoldoende inkomsten genereerden met het eetcafé doet daar niet aan af. De in beroep gestelde omstandigheid dat eisers zich beschikbaar zouden hebben gehouden voor arbeid en dat zij hebben gesolliciteerd doet hier evenmin aan af, nog daargelaten dat eiseres juist aansluitend aan de startersperiode niet haar sollicitatieplicht is nagekomen, blijkens de aan eiseres opgelegde maatregel. Dit geldt evenzeer voor de omstandigheid dat eiser zijn werkzaamheden in het eetcafé niet als werk beschouwde, omdat hij geen loon ontving. Toen eiser vanaf 1 april 2013 opnieuw een werkloosheidsuitkering aanvroeg kon weliswaar de eerdere hoedanigheid van werknemer herleven, maar uit de onder rechtsoverwegingen 1.5., 1.6. en 1.7. genoemde feiten en omstandigheden volgt dat eiser de werkzaamheden in het eetcafé toen feitelijk heeft voortgezet. Dit betekent dat de werkloosheidsuitkeringen die eisers (op enig moment) na afloop van de startersperiode hebben ontvangen ten onrechte zijn verstrekt.

8. Eiseres heeft van de voortzetting van haar werkzaamheden in het eetcafé op en na 30 juli 2012 geen melding gedaan aan verweerder, terwijl eiser de voortzetting van zijn werkzaamheden aldaar op en na 1 april 2013 niet aan verweerder heeft gemeld. Eisers hebben immers pas verklaringen afgelegd tijdens een werkplekcontrole op 5 juli 2013 en nadien. Van het verzuim deze werkzaamheden als zelfstandige te melden valt eisers objectief een verwijt te maken. Zij wisten althans behoorden immers te weten dat zij die werkzaamheden hadden moeten opgeven. Het betoog van eisers dat zij geen gevangene zijn van verweerder en kunnen gaan en staan waar zij willen, kan niet slagen. Eisers mogen immers gaan en staan waar zij willen, zij dienen echter wel in het kader van de uitkeringsrelatie die zij met verweerder zijn aangegaan werkzaamheden op te geven. Verweerder was dan ook gehouden om tot intrekking van de werkloosheidsuitkeringen over te gaan per 30 juli 2012 respectievelijk 1 april 2013. Voorts was verweerder gehouden om de uitkering die ten gevolge van die intrekkingsbesluiten ten onrechte is uitgekeerd van hen terug te vorderen. Gesteld noch gebleken is dat verweerder onjuiste bedragen heeft teruggevorderd. Uit hetgeen is aangevoerd volgt niet dat dringende redenen zich verzetten tegen intrekking en terugvordering. Het beroep tegen de besluiten 1 en 2 voor zover die zien op de intrekking en terugvordering is daarom ongegrond.

9. Van het niet nakomen van de in artikel 25 van de WW neergelegde inlichtingenverplichting valt eisers ook subjectief een verwijt te maken. Juist gelet op de toestemming om een periode als ondernemer te starten had hen duidelijk moeten zijn dat zij na afloop moesten kiezen tussen het voortzetten van die werkzaamheden zonder uitkering of het met behoud van uitkering staken van die werkzaamheden. Eisers hebben echter hun werkzaamheden voortgezet, waarbij zij aansluitend op elkaar gedurende een periode uitkering hebben ontvangen zonder ter zake van die perioden melding te maken van de werkzaamheden. Ook de overschrijving van de zaak op naam van de vennootschap onder firma eerst naar eiser als eenmanszaak en vervolgens naar eiseres als eenmanszaak duidt – nu een afdoende verklaring daarvoor ontbreekt – op pogingen om te verhullen dat de werkzaamheden door hen beiden zijn voortgezet na de startersperiode. Dringende redenen waarom van boeteoplegging zou moeten worden afgezien acht de rechtbank niet aanwezig.

Verweerder was daarom gehouden eisers elk een bestuurlijke boete op te leggen.

10. Niettemin kunnen de besluiten 1 en 2 ter zake van de boeteoplegging geen stand houden, zodat het beroep in zoverre gegrond is. De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

10.1.

Op 1 januari 2013 is de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Wet aanscherping) in werking getreden. Artikel 27a, eerste lid, van de WW bepaalt voor zover hier van belang dat de bestuurlijke boete wegens het niet (behoorlijk) naleven van artikel 25 van de WW ten hoogste gelijk is aan het benadelingsbedrag. Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten wordt de bestuurlijke boete – voor zover hier van belang – vastgesteld op de hoogte van het benadelingsbedrag. Bij verminderde verwijtbaarheid wordt de bestuurlijke boete verlaagd. Artikel 27a, eerste lid, van de WW bepaalde tot 1 januari 2013 onder meer dat de bestuurlijke boete wegens het niet (behoorlijk) naleven van artikel 25 van de WW ten hoogste € 2.269,- bedraagt. Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, zoals dit luidde tot januari 2013, wordt de bestuurlijke boete (in beginsel) vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag. Op grond van het tweede lid (zowel oude als nieuwe tekst) wordt de bestuurlijke boete naar boven afgerond op een veelvoud van € 10,-.

10.2.

Verweerder heeft eisers beboet naar het recht zoals dat geldt met ingang van 1 januari 2013. Voor wat betreft de boeteoplegging geldt dat ten aanzien van eiseres een splitsing moet worden gemaakt tussen de periode voor en na 1 januari 2013, omdat het door verweerder toegepaste overgangsrecht – artikel XXV, tweede lid, van de Wet aanscherping – in strijd komt met een ieder verbindende verdragsbepalingen en derhalve buiten toepassing moet worden gelaten. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep op 24 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3754). Voorts kan in dit verband onder meer worden gewezen op een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 december 2005 (ECLI:NL:CRVB:2005:AU7664). Uitgaande van de bij de stukken gevoegde berekening van het benadelingsbedrag is aan eiseres tot 1 januari 2013 bruto € 7.392,16 ten onrechte uitgekeerd. Bij deze berekening is de rechtbank uitgegaan van een evenredige toerekening van de bedragen over de periode van 31 december 2012 tot en met 6 januari 2013, die vijf potentiële werkdagen bevat, en is het vakantiegeld uitgesplitst door 8% aan het totaal toe te voegen. Over 2013 is ten onrechte bruto € 3.996,40 (het resterende deel van de vordering) ten onrechte uitgekeerd. Hieruit volgt dat de bestuurlijke boete die eiseres ten hoogste kan worden opgelegd € 739,22 plus € 3.996,40 bedraagt. Na toepassing van de afrondingsregel gaat het dan om een bestuurlijke boete van ten hoogste € 4.740,-. Ten aanzien van eiser doet zich deze overgangsrechtelijke kwestie niet voor nu het benadelingsbedrag in zijn geval volledig ziet op een periode in 2013. Voor hem geldt derhalve dat het boetebedrag maximaal € 7.727,50 bedraagt.

10.3.

In navolging van de door de Centrale Raad van Beroep op 24 november 2014 gewezen uitspraak (ECLI:NL:CRVB:2014:3754) is de rechtbank van oordeel dat de Wet aanscherping niet voorziet in een volledig gefixeerde boete, zodat de beoordeling van de boetehoogte dient plaats te vinden op basis van artikel 5:46, tweede lid, van de Awb. In navolging van deze uitspraak is de rechtbank voorts van oordeel dat het in de rede ligt om alleen ten aanzien van overtreders, aan wie vanaf 1 januari 2013 opzettelijk handelen of opzettelijk nalaten in strijd met de inlichtingenverplichting kan worden verweten, 100% van het benadelingsbedrag in artikel 2 van Boetebesluit socialezekerheidswetten als uitgangspunt te nemen bij de afstemming op het aspect van de verwijtbaarheid. Alleen indien opzet kan worden aangetoond is er sprake van een zo zware verwijtbaarheid, dat deze in het kader van de evenredigheidstoets het opleggen van het maximumbedrag in beginsel zou kunnen rechtvaardigen. Is er geen sprake van opzet maar wel van grove schuld bij overtreders, dan is de verwijtbaarheid minder groot en is 75% van dat bedrag een passend uitgangspunt. Is er geen sprake van opzet en ook niet van grove schuld, dan is 50% van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt bij de afstemming op het aspect verwijtbaarheid van overtreders. Bij de afstemming op het aspect van verwijtbaarheid zal verder moeten worden bezien of, en zo ja, op grond van een van de criteria genoemd in artikel 2a van het Boetebesluit socialezekerheidswetten of om een andere reden sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Dan is de mate van verwijtbaarheid beperkt en 25% van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt bij de afstemming op het aspect verwijtbaarheid. Voor wat betreft de periode vóór 1 januari 2013 doet zich de noodzaak van een verdergaande evenredigheidstoetsing zich minder gelden, gelet op de beperkte boetehoogte die toen gold, en kan bij niet verminderde verwijtbaarheid in beginsel worden uitgegaan van een bestuurlijke boete van 10%, dit met inachtneming van het wettelijke maximum van € 2.269,- dat destijds gold. Indien na toepassing van de toepasselijke percentages een boetebedrag resteert dat gelet op de omstandigheden van het geval niet evenredig uitpakt, dan kan verdere neerwaartse afstemming plaatshebben (vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:685).

10.4.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op hetgeen onder rechtsoverweging 9. is overwogen niet anders kan worden geoordeeld dan dat eisers de inlichtingenplicht opzettelijk niet zijn nagekomen. Daaruit volgt dat in beginsel de hiervoor berekende maximale boetes van € 4.740,- en € 7.727,50 aan respectievelijk eiseres en eiser kunnen worden opgelegd. De rechtbank acht deze boetebedragen gelet op de omstandigheden waarin eisers verkeren niet evenredig. Eisers hebben onweersproken gesteld dat zij niet rond konden komen van de inkomsten van het eetcafé na afloop van de startersperiode. Voorts hebben zij ter zitting onweersproken gesteld dat hun huidige inkomen ligt onder het minimumloon. Voor deze stellingen kan bevestiging worden gevonden in de rapportage van “Lift Off” van 15 maart 2013, dat zij financieel net het hoofd boven water kunnen houden en dat zij weinig “lucht” hebben. Deze financiële omstandigheden geven reden tot neerwaartse afstemming van de boete. Daar komt voor eiser bij dat het benadelingsbedrag onnodig is opgelopen doordat verweerder, nadat op 5 juli 2013 tijdens het werkplekonderzoek belastende verklaringen door eisers waren afgelegd, tot 2 september 2013 heeft gewacht met het stopzetten van eisers uitkering. De rechtbank verwijst in dit verband naar de overweging van verweerder in het primaire besluit tot boeteoplegging aan eiser en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 maart 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5743). De rechtbank neemt ten slotte in aanmerking dat eisers weliswaar ieder afzonderlijk worden beboet, maar dat beide boetes drukken op het gezamenlijke inkomen uit het eetcafé. De rechtbank acht alles overziend een bestuurlijke boete voor ieder van eisers van € 3.000,- passend en geboden. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door de besluiten van 29 en 30 oktober 2013 te herroepen voor zover die betrekking hebben op de boetehoogte en zelf de boetes vast te stellen op ieder € 3.000,-.

11. Omdat de rechtbank de beroepen ter zake van de boetehoogte gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op, voor beide zaken in totaal, € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en wegingsfactor 1 vanwege normale zwaarte en samenhang van de zaken).

Beslissing

De rechtbank:

ROT 14/1478

  • -

    verklaart het beroep gegrond voor wat betreft de boete;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit 1 voor wat betreft de boetehoogte;

  • -

    herroept het primaire besluit van 30 oktober 2013 voor wat betreft de boetehoogte, stelt de hoogte van de boete vast op € 3.000,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit 1 voor zover dat is vernietigd;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiseres te vergoeden;

ROT 14/1476

  • -

    verklaart het beroep gegrond voor wat betreft de boete;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit 2 voor wat betreft de boetehoogte;

  • -

    herroept het primaire besluit van 29 oktober 2013 voor wat betreft de boetehoogte, stelt de hoogte van de boete vast op € 3.000,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit 2 voor zover dat is vernietigd;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiser te vergoeden;

In beide zaken

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, voorzitter, en mr. R.J.A.M. Cooijmans en

mr. L.H. Waller, leden, in aanwezigheid van mr. dr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 december 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.