Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:10418

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-12-2014
Datum publicatie
19-12-2014
Zaaknummer
10/962034-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft zes verdachten veroordeeld vanwege hun betrokkenheid bij hennepteelt.

De zwaarste straf is opgelegd aan een verdachte die als medepleger betrokken was bij een hennepkwekerij met ruim 500 planten, terwijl hij ook bijna 5,5 kg henneptoppen in zijn bezit had. Ook had hij een handgranaat, munitie en een boksbeugel voorhanden. Aan hem is een gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk opgelegd.

Aan een verdachte die als medeplichtige betrokken was bij een hennepkwekerij is de lichtste straf opgelegd. Zij kreeg een werkstraf van 80 uur en een gevangenisstraf van 1 maand voorwaardelijk.

De aan de andere 4 verdachten opgelegde straffen zijn combinaties van gevangenisstraffen en werkstraffen.

Alle verdachten zijn vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/962034-12 [Promis]

Datum uitspraak: 19 december 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1984,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres en woonplaats],

raadsman mr. B. van Nimwegen, advocaat te Utrecht.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 17, 18, 20 en 21 november 2014 en 19 december 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officieren van justitie mr. J.J. Beliën en mr. A. van Dooren (verder: de officier van justitie) hebben gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met

aftrek van voorarrest alsmede een voorwaardelijke geldboete van € 10.000,00 met een

proeftijd van 2 jaar;

- niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] in hun vorderingen.

DE VERDEDIGING

De raadsman heeft – naast de hierna te noemen verweren – primair algehele vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. De benadeelde partijen zouden niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen.

DE ONTVANKELIJKHEID VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

Met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde heeft de raadsman (kort samengevat) primair betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. De verdachte zou slechts drie hennepplanten hebben gehad (één buitenplant en twee reeds geplukte planten) en de aangetroffen hennep zou van deze planten afkomstig zijn. Volgens een uitspraak van de Hoge Raad (HR 26 juni 2012; ECLI:NL:HR: 2012:BW9183) zou dit ingevolge de (destijds geldende) Aanwijzing Opiumwet (thans Stcrt. 2012, 26938) niet tot vervolging van de verdachte hebben mogen leiden, aldus de raadsman.

De rechtbank stelt voorop dat de Hoge Raad in het hiervoor genoemde arrest, evenals in een eerder arrest van 26 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BO4015) heeft overwogen dat de Aanwijzing Opiumwet aldus dient te worden uitgelegd dat – behoudens door het openbaar ministerie te stellen en aannemelijk te maken bijzondere omstandigheden en mits tijdig afstand is gedaan van het in beslag genomen plantenmateriaal – met een politiesepot wordt afgedaan de teelt van niet meer dan vijf hennepplanten, ongeacht de hoeveelheid of het gewicht van de met die teelt verkregen of te verkrijgen opbrengst van voor consumptie geschikte hennep of hennepproducten.

Nu uit het zaaksdossier E13 niet blijkt dat de verdachte afstand heeft gedaan van de onder hem aangetroffen en in beslag genomen (en beweerdelijk van drie planten afkomstige) hennep, is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Het onder 2 (zaaksdossier E10) tenlastegelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich – samengevat – op het volgende standpunt gesteld. Sprake is geweest van een samenwerkingsverband. Onder de dekmantel van de growshop van de verdachte [medeverdachte 1] hebben de verdachten in onderling wisselende samenstellingen samengewerkt bij het telen van hennep. De officier van justitie heeft in dit verband gewezen op de uitspraak van de Hoge Raad van 2 februari 2010, ECLI:HR:2010:BK5193, inhoudende onder meer dat, om een persoon als deelnemer aan een organisatie in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht te kunnen aanmerken, niet vereist is dat vast komt te staan dat die persoon moet hebben samengewerkt, althans bekend moet zijn geweest, met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is geweest. Hoewel niet alle verdachten in een uitgesproken rol in beeld komen, zijn alle verdachten wel meermalen in verbinding te brengen met hennepkwekerijen. [medeverdachte 1] heeft daarbij een centrale/faciliterende – geen leidende – rol gehad. De typerende – niet de enige vaste – werkwijze heeft er uit bestaan dat met valse of vervalste identiteitsbewijzen locaties werden gehuurd. In het bijzonder de verdachte [medeverdachte 2], destijds partner van verdachte [medeverdachte 1], heeft documenten misbruikt voor dat doel. De verdachten [verdachte] en [medeverdachte 3] hebben bijdragen geleverd aan verschillende hennepkwekerijen. De rol van [verdachte] is in het algemeen die van opbouwer geweest. Via voornoemde verdachten zijn ook de verdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] in beeld gekomen. Beiden zijn betrokken geweest bij meerdere hennepkwekerijen. Voorts was sprake van typisch crimineel gedrag dat wijst op de samenwerking, zoals door de verdachten gevoerde telefoongesprekken met verhullend taalgebruik en het aantreffen van een jammer bij [verdachte] en wapens bij [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4].

Beoordelingskader

De rechtbank stelt voorop dat voor het antwoord op de vraag of gesproken kan worden van een criminele organisatie, sprake moet zijn van: (i) een organisatie, (ii) die het oogmerk heeft op criminele delicten, alsmede van (iii) deelneming door de verdachte aan die organisatie. Naar bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij de beantwoording van de vraag of sprake is van (i) een organisatie beoordeeld te worden of er een samenwerkingsverband is met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Direct contact met de medeverdachte(n) is niet vereist, maar afwezigheid daarvan levert naar het oordeel van de rechtbank geen positieve indicatie op voor het bestaan van een samenwerkingsverband. Steeds zal sprake moeten zijn typerende samenwerkingsgedragingen.

Onderzocht moet worden of daar in het onderhavige geval sprake van is geweest.

Samenwerkingsverband

Het dossier E10, dat ziet op de vermeende criminele organisatie, is met name opgebouwd uit een beschrijving van verschillende locaties waar hennepkwekerijen en/of hennep zijn aangetroffen. Op een deel van deze locaties is backwards (achteruit) gerechercheerd. Bij de beoordeling is de rechtbank nagegaan of de verdachte en diens medeverdachten bij de verschillende ontmantelde henneplocaties c.q. bij de aangetroffen hoeveelheden hennep – in onderlinge samenhang bezien – strafrechtelijke betrokkenheid van afdoende gewicht kan worden toegedicht. Wat betreft de rol van de verdachte [verdachte] geldt dat de rechtbank onder feit 1 zijn betrokkenheid bij de hennepkwekerijen Beneden-Leeuwen en Imkersdreef in de vorm van medeplegen bewezen zal verklaren waarbij verdachten uit het Ditto-onderzoek als medeplegers zijn aangemerkt ([medeverdachte 3], respectievelijk [medeverdachte 5]). Ten aanzien van andere kwekerijen is hetzij onvoldoende gebleken dat de verdachte [verdachte] daarbij betrokken is geweest, dan wel is niet gebleken dat hij met andere verdachten uit het dossier Ditto tezamen in beeld is gekomen. Voorts is in de verblijfplaats van verdachte onder meer een hoeveelheid hennep aangetroffen. Ook daarbij is niet gebleken van de betrokkenheid van anderen.

Uit het voorgaande volgt de conclusie dat de verdachte zich weliswaar als medepleger heeft beziggehouden met de teelt van hennep, maar bij gebreke van typerende samenwerkingsgedragingen kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen dat de verdachte met een of meer van diens medeverdachten een criminele organisatie heeft gevormd.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage II vermelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 06 september 2012

tot en met 02 oktober 2012, te Beneden-Leeuwen en/of Apeldoorn, in elk geval in

Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of

meer ander(en), althans alleen, in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf,

- ( E03: ZD Beneden-Leeuwen) in de periode van 19 september 2012

tot en met 24 september 2012, althans op of omstreeks 24 september 2012

opzettelijk een aantal van ongeveer 1159 hennepplant(en), althans een

hoeveelheid van meer dan 30 gram, zijnde hennep (telkens) een middel vermeld

op de bij de Opiumwet behorende lijst II, heeft verkocht en/of afgeleverd

en/of verstrekt en/of vervoerd en/of geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of

verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, en/of

- ( E11: ZD Imkersdreef) in de periode van 06 september 2012 tot en met 02

oktober 2012, althans op of omstreeks 02 oktober 2012, opzettelijk een aantal

van ongeveer 105 hennepplant(en), althans een hoeveelheid van meer dan 30

gram, zijnde hennep, (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst II, heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of

vervoerd en/of geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval

opzettelijk aanwezig heeft gehad

terwijl dit (telkens) (E03: ZD Beneden-Leeuwen) betrekking had op een of meer grote hoeveelhe(i)d(en) hennep;

3.

Zaaksdossier E13

hij op of omstreeks 02 oktober 2012 te Apeldoorn, althans (elders) in

Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 90,3 gram, in elk geval een

hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld

in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het

vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

Zaaksdossier E13

hij op of omstreeks 02 oktober 2012 te Apeldoorn, althans (elders) in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een

radiozendapparaat, te weten: een GSM- en/of UMTS- ’5 band mobiele

telefoonjammer’, zijnde een apparaat, bedoeld om het mobiele telefoonverkeer

in GSM- en/of UMTS- en/of SRD- en/of GPS- en/of DECT- en/of

WLAN-frequentiebanden in de directe omgeving van het apparaat geheel onmogelijk

te maken door het uitzenden van een (breedbandig) stoorsignaal, heeft/hebben

aanwezig heeft/hebben gehad, terwijl aan hem, verdachte, als houder van dat

radiozendapparaat, voor het gebruik hiervan op grond van hoofdstuk 3 van de

Telecommunicatiewet, geen vergunning voor het gebruik van frequentieruimte is

verleend.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

Feit 1 (zaaksdossier E03 en zaaksdossier E11)

De rechtbank is van oordeel dat bij de onder 1 bewezen verklaarde feiten sprake is van handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Daarvoor acht de rechtbank het volgende van belang.

ZD-03 (Beneden-Leeuwen):

Blijkens het proces-verbaal van binnentreden van 1 oktober 2012, met bijlage (pagina’s 0024 tot en met 0026 van zaaksdossier E03) bevond de hennepkwekerij zich in een tweetal, in een leegstaande bedrijfshal gelegen, afzonderlijk afgesloten ruimtes van ongeveer 10 bij 6 meter. De capaciteit van de kwekerij was zeer groot (1159 planten). De kwekerij was voorzien van een groot aantal armaturen, assimilatielampen en transformatoren alsmede van schakelborden, tijdschakelaars, ventilatoren en dergelijke. Er is derhalve een behoorlijke investering gedaan om deze kwekerij op te zetten. Het teeltproces geschiedde onder gecontroleerde condities en met behulp van technische middelen. Er was dus sprake van een grote, professioneel opgezette kwekerij.

ZD-11 (Imkersdreef):

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 2 oktober 2012, met bijlage

(pagina’s 0046 tot en met 0051 van zaaksdossier E11) werd in deze woning een

hennepkwekerij aangetroffen. De capaciteit van deze kwekerij was niet gering (105

planten).

De hennepkwekerij was voorts voorzien van onder andere een groot aantal

armaturen en assimilatielampen, tijdschakelaars, transformatoren en ventilatoren. Er is

derhalve een behoorlijke investering gedaan om deze kwekerij op te zetten. Het teeltproces

geschiedde onder gecontroleerde condities en met behulp van technische middelen. Ook hier

was derhalve naar het oordeel van de rechtbank sprake van een professioneel opgezette

kwekerij.

II. Feit 3 (zaaksdossier E13)

In vervolg op het hiervoor genoemde ontvankelijkheidsverweer heeft de raadsman (kort samengevat) subsidiair vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging bepleit. Het bestanddeel opzet zou niet bewezen kunnen worden met name omdat de verdachte heeft verklaard dat de meeste spullen in de woning van een medeverdachte waren.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de eigenaar was van de aangetroffen hennepplant (netto 26 gram hennep) en de hennep in het Tupperware-bakje (29,2 gram) en dat hij gedurende ongeveer zes maanden (van april tot en met 2 oktober 2012) in de betreffende woning heeft gewoond. De rechtbank stelt vast dat bovengenoemde hoeveelheden tezamen reeds de voor vervolging vereiste 30 gram te boven gaan.

De verdachte heeft ontkend eigenaar te zijn van de overige hoeveelheden hennep en heeft eveneens ontkend dat hij wist dat de overige hoeveelheden hennep in de woning aanwezig waren. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte wisselend heeft verklaard over de door de politie in de woning aangetroffen en in beslag genomen voorwerpen. Bij de politie heeft verdachte verklaard (dossierpagina E13-0034) dat de meeste spullen die in de woning zijn aangetroffen, eigendom van [medeverdachte 1] zijn. Nadien heeft de verdachte dit bestreden in een door hemzelf opgestelde brief (dossierpagina’s E13-0017 t/m E13-0021), waarin hij uitdrukkelijk stelt ‘En niet dat ik heb gezegd dat de meeste spullen van [medeverdachte 1] waren zoals in het dossier staat beschreven’. In diezelfde brief schrijft hij: ‘In eerste instantie heb ik gezegd dat … de wiet die daar lag van mij was. De wiet dat jullie daar aangetroffen hebben is afkomstig van drie plaatsen die ik buiten heb gekweekt’.

Ter terechtzitting heeft de verdachte (op vragen van zijn raadsman) wederom verklaard dat de meeste spullen in de woning van [medeverdachte 1] waren.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank de (mondelinge) verklaringen van de verdachte op dit punt ongeloofwaardig en onbetrouwbaar.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken noch is anderszins aannemelijk geworden dat een of meer andere personen in de woning hebben gewoond/verbleven. Op grond van het vorenstaande kan het niet anders en acht de rechtbank het aannemelijk dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de overige aangetroffen hoeveelheden hennep. Of die hoeveelheden al dan niet zijn eigendom waren, is voor een bewezenverklaring van dit feit niet relevant.

III. Feit 4 (zaaksdossier E13)

De raadsman heeft (kort samengevat) vrijspraak bepleit omdat het bestanddeel opzet niet bewezen zou kunnen worden nu de verdachte heeft gezwegen maar wel heeft verklaard dat de meeste in de woning aangetroffen en in beslag genomen spullen eigendom van een medeverdachte waren.

Zoals hiervoor onder II reeds overwogen acht de rechtbank de verklaringen van de verdachte op dit punt ongeloofwaardig en onbetrouwbaar.

Uit het strafdossier (dossierpagina E10-024) blijkt dat de verdachte in januari 2012 is aangehouden in verband met de aanwezigheid van een jammer in een auto. De verdachte wist derhalve dat een dergelijk apparaat verboden was. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken noch anderszins aannemelijk is geworden dat een of meer andere personen in de woning hebben gewoond/verbleven. Voorts is van belang dat de jammer in de woning onder een tafel in de woonkamer is aangetroffen. Naar het oordeel van de rechtbank kan het derhalve niet anders dan dat de verdachte moet hebben geweten van de aanwezigheid van die jammer in de woning.

De rechtbank verwerpt de onder II en III vermelde verweren.

IV. Bij dit vonnis is als bijlage II een overzicht gevoegd van de bewijsmiddelen inhoudende de redengevende feiten en omstandigheden die tot het bewijs hebben bijgedragen. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1. MEDEPLEGEN VAN: IN DE UITOEFENING VAN EEN BEROEP OF BEDRIJF OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 3, ONDER B, VAN DE OPIUMWET, GEGEVEN VERBOD, TERWIJL HET FEIT BETREKKING HEEFT OP EEN GROTE HOEVEELHEID VAN HET MIDDEL;

en

MEDEPLEGEN VAN: IN DE UITOEFENING VAN EEN BEROEP OF BEDRIJF OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 3, ONDER B, VAN DE OPIUMWET, GEGEVEN VERBOD;

3. OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 3, ONDER C, VAN DE OPIUMWET, GEGEVEN VERBOD;

4. OVERTREDING VAN EEN VOORSCHRIFT GESTELD BIJ ARTIKEL 10.9 VAN DE TELECOMMUNICATIEWET, OPZETTELIJK BEGAAN.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan het opzetten, inrichten en exploiteren van twee hennepkwekerijen in een bedrijfshal en in een woning en het vervolgens aldaar telen van 1159 respectievelijk 105 hennepplanten. Daarnaast heeft de verdachte 90 gram hennep in zijn woning aanwezig gehad.

De hennepteelt is onaanvaardbaar en moet vanwege het belang van de volksgezondheid, om sociale en economische redenen en ter bestrijding van de bijkomende criminaliteit worden bestreden.

Hennepteelt levert een softdrug op die bij langdurig gebruik kan leiden tot schade voor de gezondheid.

De hennepteelt is echter niet alleen uit het oogpunt van de volksgezondheid maatschappelijk onaanvaardbaar maar ook omdat met de handel in hennep buiten de reguliere en legale economie om grote winsten worden gemaakt. Inmiddels moet het telen van softdrugs namelijk allang niet meer worden gezien als een relatief onschuldige bezigheid die plaatsvindt uit idealisme. De handel in softdrugs is al sinds lange tijd grotendeels in handen van criminelen/criminele organisaties omdat er veel geld mee te verdienen is. Het gevolg is dat er allerlei andere vormen van criminaliteit door worden veroorzaakt en mee samenhangen.

Daar komt bij dat de hennepteelt in woningen overlast, verloedering en (brand)gevaarlijke situaties in die woningen en daarmee in woonwijken veroorzaakt.

De verdachte heeft zich hieraan niets gelegen laten liggen. Hij heeft zich slechts laten leiden door de vooruitzichten van financieel gewin.

Dit alles maakt dat dergelijke feiten consequent moeten worden bestreden en aangepakt en dat daartegen streng moet worden opgetreden.

Tevens heeft de verdachte zonder vergunning een zogenoemde mobiele telefoonjammer voor handen gehad. Met een dergelijk apparaat kan de mobiele communicatie tussen onder meer opsporingsdiensten worden verstoord. Dit is uiterst onwenselijk en kan leiden tot bijzonder gevaarlijke en levensbedreigende situaties. Derhalve moet dit apparaat uit het maatschappelijk verkeer worden gehouden en verwijderd. Het feit dat de verdachte een dergelijk apparaat voorhanden heeft gehad in combinatie met zijn betrokkenheid bij de hennepteelt geeft ernstig te denken.

Wat de persoon van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden betreft, heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 18 september 2014 en hetgeen ter terechtzitting daaromtrent is gebleken. Uit voornoemd uittreksel blijkt dat de verdachte eerder door de strafrechter is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet. Dit heeft de verdachte niet op andere gedachten gebracht noch hem ervan weerhouden om wederom dergelijk feiten te plegen. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

Bij de strafoplegging gaat de rechtbank uit van de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht ten aanzien van Opiumwetdelicten.

Alles overziend en afwegend is de rechtbank van oordeel van oordeel dat het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar in combinatie met de maximale werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, passend en geboden is.

Het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf is bedoeld om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom strafbare feiten te plegen. Daarnaast acht de rechtbank het opleggen van een proeftijd van drie jaar geïndiceerd omdat zij er niet van overtuigd is dat de verdachte geheel is doordrongen van het strafwaardige van zijn handelen.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

Met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen heeft de officier van justitie een lijst overgelegd en het navolgende gevorderd:

- onttrekking aan het verkeer van de onder 21 tot en met 28 genoemde voorwerpen;

- teruggave aan de verdachte van het onder 11 genoemde voorwerp.

Voornoemde lijst is als bijlage III aan dit vonnis gehecht.

De raadsman heeft zich niet uitgelaten over de in beslag genomen voorwerpen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat hetgeen de officier van justitie heeft gevorderd voldoet aan de daaraan door de wet gestelde eisen en zij zal dan ook hetgeen gevorderd is integraal toewijzen.

VORDERINGEN BENADEELDE PARTIJEN

Als benadeelde partijen hebben zich in het geding gevoegd:

- [benadeelde partij 1]: zij vordert € 22.081,76 aan materiële schadevergoeding ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit;

- [benadeelde partij 2]: hij vordert € 13.410,09 aan materiële schadevergoeding ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit.

De benadeelde partijen zullen in de vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de verdachte zal worden vrijgesproken voor het onder 2 ten laste gelegde feit.

De vorderingen kunnen slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, zullen zij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ten verwere tegen de vorderingen gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36b, 36c, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, artikel 10.9 van de Telecommunicatiewet en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 (honderdzeven) dagen;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 60 (zestig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 3 (drie) jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde: de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- verklaart onttrokken aan het verkeer de voorwerpen genoemd onder 21 tot en

met 28 van bijlage III;

- gelast de teruggave aan verdachte van het voorwerp genoemd onder 11 van bijlage III;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1], [adres BP 1], niet-ontvankelijk in de vordering; bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in de kosten door de verdachte ten verwere tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2], [adres BP 2]

niet-ontvankelijk in de vordering; bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in de kosten door de verdachte ten verwere tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.A.F.M. Wouters, voorzitter,

mr. K. Helmich en mr. G.M. Munnichs, rechters,

in tegenwoordigheid van A. Gaal, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 december 2014.

Bijlage I bij vonnis d.d. 19 december 2014 van: [verdachte]

TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING:

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 06 september 2012

tot en met 02 oktober 2012, te Beneden Leeuwen en/of Apeldoorn, in elk geval in

Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of

meer ander(en), althans alleen, in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf,

- ( E03: ZD Beneden Leeuwen) in de periode van 19 september 2012

tot en met 24 september 2012, althans op of omstreeks 24 september 2012

opzettelijk een aantal van ongeveer 1159 hennepplant(en), althans een

hoeveelheid van meer dan 30 gram, zijnde hennep (telkens) een middel vermeld

op de bij de Opiumwet behorende lijst II, heeft verkocht en/of afgeleverd

en/of verstrekt en/of vervoerd en/of geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of

verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, en/of

- ( E11: ZD Imkersdreef) in de periode van 06 september 2012 tot en met 02

oktober 2012, althans op of omstreeks 02 oktober 2012, opzettelijk een aantal

van ongeveer 105 hennepplant(en), althans een hoeveelheid van meer dan 30

gram, zijnde hennep, (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst II, heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of

vervoerd en/of geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval

opzettelijk aanwezig heeft gehad

terwijl dit (telkens) betrekking had op een of meer grote hoeveelhe(i)d(en)

hennep;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

2.

Zaaksdossier E10

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 08 augustus 2009

tot en met 2 oktober 2012, te Eerbeek en/of Apeldoorn en/of Deventer en/of ’s

Hertogenbosch en/of Vaassen en/of Heerenveen en/of Delft en/of Wateringen

en/of Den Haag en/of Leiden, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een

organisatie, bestaande uit (onder meer) hem zelf, verdachte, en/of [medeverdachte 4]

en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een

of meer andere perso(o)n(en), en welke organisatie tot oogmerk had het plegen

van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf

telen/bereiden/bewerken/verwerken/verkopen/afleveren/verstrekken/vervoeren

van hennep, zijnde een middel van lijst II behorende bij de Opiumwet,

terwijl dit betrekking had op een of meer grote hoeveelhe(i)d(en) hennep

en/of

- diefstal van elektriciteit als bedoeld in artikel 310/311 wetboek van

strafrecht en/of

- valsheid in geschriften als bedoeld in artikel 225 wetboek van strafrecht

en/of 231 wetboek van strafrecht;

artikel 140 Wetboek van Strafrecht

artikel 11a Opiumwet

art 140 lid 1 wetboek van strafrecht

3.

Zaaksdossier E13

hij op of omstreeks 02 oktober 2012 te Apeldoorn, althans (elders) in

Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 90,3 gram, in elk geval een

hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld

in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het

vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

4.

Zaaksdossier E13

hij op of omstreeks 02 oktober 2012 te Apeldoorn, althans (elders) in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een

radiozendapparaat, te weten: een GSM- en/of UMTS- ’5 band mobiele

telefoonjammer’, zijnde een apparaat, bedoeld om het mobiele telefoonverkeer

in GSM- en/of UMTS- en/of SRD- en/of GPS- en/of DECT- en/of

WLANfrequentiebanden in de directe omgeving van het apparaat geheel onmogelijk

te maken door het uitzenden van een (breedbandig) stoorsignaal heeft/hebben

aanwezig heeft/hebben gehad, terwijl aan hem, verdachte, als houder van dat

radiozendapparaat, voor het gebruik hiervan op grond van hoofdstuk 3 van de

Telecommunicatiewet, geen vergunning voor het gebruik van frequentieruimte is

verleend.

(Artikel 10 Telecommunicatiewet jo. artikel I Wet op de Economische delicten)

art 13 lid 1 Wet wapens en munitie