Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:10364

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-12-2014
Datum publicatie
19-12-2014
Zaaknummer
ROT 14/3597
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking, terugvordering en boeteoplegging door het college van burgemeester en wethouders van bijstand verstrekkende gemeente wegens het niet opgeven van drie bankrekeningen. Objectief inlichtingenverzuim beide echtelieden. Dat eiser naar hij stelt eerst vanaf het beslag op de hoogte raakte van deze rekeningen doet hier niet aan af, omdat het hier gaat om bijstand die aan eisers gezamenlijk is toegekend. Intrekking was tot 1 juli 2013 een bevoegdheid en nadien een plicht. Voor beide perioden kan het intrekkingsbesluit stand houden. Functiescheiding is formeel gezien niet nageleefd, maar de boetezaak is feitelijk niet voorbereid door de medewerker die het besluit heeft genomen. Toepassing artikel 6:22 Awb. Verweerder is blijkbaar van oordeel dat indien ten gevolge van inlichtingenverzuim ten onrechte of teveel gezinsbijstand is verstrekt beide echtgenoten een bestuurlijke boete krijgen opgelegd, ongeacht aan wie een subjectief verwijt kan worden gemaakt. Verweerder miskent hiermee dat de oplegging van een bestuurlijke boete een bestraffende sanctie behelst en dat eisers in dit verband niet alleen objectief bezien van het niet nakomen van artikel 17 lid 1 WWB een verwijt moet kunnen worden gemaakt, maar dat hen ook ieder een subjectief verwijt – in de zin van artikel 5:41 van de Awb – moet kunnen worden gemaakt. Het bestreden besluit kan voor zover het ziet op de boete voorts geen stand houden wegens strijd met de wet, omdat verweerder een hogere boete heeft opgelegd dan het maximumboetebedrag waarin artikel 18a lid 1 WWB voorziet, te weten het benadelingsbedrag, dat in dit geval € 5.298,61 bedraagt. Dat artikel 2 lid 2 Boetebesluit socialezekerheidswetten voorziet in een afronding naar boven op een veelvoud van € 10 kan daar niet aan afdoen. Aangezien aangenomen moet worden dat eiser pas op de hoogte kwam van het bestaan van de drie bankrekeningen van eiseres die niet zijn opgegeven bij de aanvraag om bijstand kan hem slechts een bestuurlijke boete worden opgelegd over de periode vanaf 6 juni 2013. Omdat op die dag beslag werd gelegd en toen mogelijk wel een recht op bijstand zou hebben kunnen ontstaan, kan er vanaf die dag geen goede relatie worden gelegd met een benadelingsbedrag. Onder die omstandigheden acht de rechtbank de minimale boete van € 150,- passend en geboden ten aanzien van eiser. De omstandigheden van eisers geven de rechtbank aanleiding het aan eiseres op te leggen boetebedrag vast te stellen op € 1.500. De rechtbank bepaalt dat het totale bedrag aan boetes dat eisers tezamen aan verweerder zullen moeten voldoen niet meer bedraagt dan het hoogste boetebedrag, te weten € 1.500. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat dit boetebedrag is gerelateerd aan verstrekte gezinsbijstand, zodat het niet in de rede ligt om de afzonderlijke boetebedragen bij elkaar op te tellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2015/212

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 14/3597

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 december 2014 in de zaak tussen

1. [Naam eiser], eiser,

2. [Naam eiseres], eiseres,

tezamen eisers, beiden te Barendrecht,

gemachtigde: mr. H.M. Hueting,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barenrecht, verweerder,

gemachtigde: J.W. Wieringa.

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen de besluiten van 15 november 2013, 22 november 2013 en 12 december 2013, strekkende tot intrekking van de aan hen verleende bijstand met ingang van 19 februari 2013, tot terugvordering van € 5.298,61 (netto) aan bijstand die in de periode van 19 februari 2013 tot en met 31 augustus 2013 ten onrechte is verstrekt en tot oplegging van een bestuurlijke boete van € 5.300,-, ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2014. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers hebben op 15 maart 2013 een aanvraag uit hoofde van de Wet werk en bijstand (WWB) om bijstand naar de norm voor een echtpaar ingediend vanwege het op 20 januari 2013 aan eiser gegeven ontslag op staande voet. Bij hun aanvraag hebben zij afschriften overgelegd van een gezamenlijke bankrekening met het rekeningnummer [rekeningnummer], een gezamenlijke spaarrekening met rekeningnummer [rekeningnummer] en een spaarrekening op naam van eiseres met rekeningnummer [rekeningnummer]. Met ingang van 19 februari 2013 is hen bijstand in de vorm van een geldlening verstrekt naar de norm voor een echtpaar in afwachting van de uitkomst van de ontslagprocedure van eiser. Via belastingsignalen is verweerder gebleken dat eiseres nog een aantal andere bank- of spaarrekeningen op haar naam had staan, namelijk [rekeningnummer], [rekeningnummer] en [rekeningnummer]. Bij besluit van 30 oktober 2013 heeft verweerder de bijstandsuitkering opgeschort vanaf 1 september 2013 en eisers verzocht alsnog alle afschriften met ingang van 1 januari 2013 voor 6 november 2013 over te leggen van de laatstgenoemde drie rekeningen. Eiser heeft vervolgens aangegeven dat eisers vanaf 1 september 2013 geen gebruik meer wensen te maken van een bijstandsuitkering en dat eiser vanaf die datum werk heeft gevonden als oproepkracht bij een taxibedrijf. Op 11 september 2013 schrijft eiser aan verweerder dat hij niets afwist van de bankrekeningen van eiseres. Voorts legt hij enkele afschriften over van de bankrekening met nummer [rekeningnummer], dat geen positief saldo heeft.

2. Verweerder heeft vervolgens de bijstand met terugwerkende kracht ingetrokken omdat het recht op bijstand wegens het niet nakomen van de in artikel 17, eerste lid, van de WWB neergelegde inlichtingenplicht niet kan worden vastgesteld, de ten gevolge hiervan ten onrechte verstrekte bijstand van eisers teruggevorderd en eisers gezamenlijk een bestuurlijk boete opgelegd ter hoogte van de netto terugvordering, waarbij verweerder het bedrag naar boven heeft afgerond op een veelvoud van € 10,-. In bezwaar hebben eisers er op gewezen dat conservatoir derdenbeslag (het beslag) is gelegd op de bankrekeningen van eiseres met de rekeningnummers [rekeningnummer] en [rekeningnummer]. In dit verband hebben zij een klaagschrift overgelegd van 3 juli 2013 gericht op opheffing van het beslag. Uit het klaagschrift blijkt dat op vordering van de officier van justitie door de rechter-commissaris van de rechtbank Rotterdam op 6 juni 2013 machtiging tot het beslag is verleend vanwege een verdenking van eiser van een strafbaar feit. Het beklag van eiseres is op 18 december 2013 door de enkelvoudige raadkamer van de rechtbank Rotterdam ongegrond verklaard, omdat eiseres in gemeenschap van goederen is gehuwd met eiser en het strafrechtelijk onderzoek naar oplichting en beleggingsfraude door eiser nog in volle gang is. De commissie voor de bezwaarschriften van de gemeente Barendrecht heeft verweerder geadviseerd de bezwaren tegen de intrekking en terugvordering ongegrond te verklaren, maar het bezwaar tegen de boeteoplegging gegrond te verklaren en heeft verweerder in dat verband geadviseerd nader te onderzoeken of sprake is van een verminderd verwijt vanwege onvoorziene en ongewenste omstandigheden waarin eisers verkeerden. Verweerder heeft vervolgens alle bezwaren ongegrond verklaard, omdat volgens hem geen sprake is van verminderde verwijtbaarheid.

3. Eisers voeren tevergeefs aan dat het intrekkingsbesluit ondeugdelijk is gemotiveerd omdat eiser zelf had aangegeven geen uitkering te willen ontvangen. Uit de stukken komt naar voren dat eiser (op enig moment) verweerder op de hoogte heeft gesteld van zijn dienstverband per 1 september 2013 en geen gebruik van de bijstandsuitkering meer wenste te maken. Het intrekkingsbesluit van 15 november 2013 ziet echter op intrekking van de bijstand met ingang van 19 februari 2013, omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld vanwege het niet overleggen van alle rekeningafschriften van de bankrekeningen van eiseres met de nummers [rekeningnummer], [rekeningnummer] en [rekeningnummer]. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het overleggen van de gevraagde rekeningafschriften relevant is voor het kunnen vaststellen van het recht op bijstand. Eisers hebben verzuimd deze rekeningen te vermelden bij hun aanvraag en hebben ook nadien onvoldoende inzicht gegeven in deze rekeningen. Van het inlichtingenverzuim kan eisers objectief een verwijt worden gemaakt. Dat eiser naar hij stelt eerst vanaf het beslag op de hoogte raakte van deze rekeningen doet hier niet aan af, omdat het hier gaat om bijstand die aan eisers gezamenlijk is toegekend. Dat op enig moment beslag is gelegd op die rekeningen doet niet af aan de inlichtingenplicht. Gelet op het niet naleven van de inlichtingenplicht heeft verweerder de bijstand kunnen intrekken over de gehele periode.

4. De rechtbank voegt hier het volgende aan toe. Voor wat betreft de toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB moet een splitsing worden gemaakt in de periode voor en vanaf 1 juli 2013. Tot 1 juli 2013 bestond een discretionaire bevoegdheid tot intrekking en vanaf die datum een verplichting, dit laatste behoudens dringende redenen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder over de periode tot 1 juli 2013 in redelijkheid gebruikt kunnen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking en was hij daartoe vanaf 1 juli 2013 verplicht nu van dringende redenen om daarvan af te zien niet is gebleken.

5. Eisers voeren tevergeefs aan dat een grondslag voor terugvordering op grond van artikel 58, tweede lid, van de WWB ontbreekt, omdat de bijstand is verstrekt in de vorm van een geldlening. Uit artikel 58, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB volgt weliswaar dat indien de aan de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen deze kan worden teruggevorderd, maar dit laat onverlet dat wanneer bijstand in de vorm van een geldlening achteraf gezien ten onrechte is verstrekt of wanneer ten gevolge van inlichtingenverzuim het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, de bijstand kan worden ingetrokken en dat op grond van dit intrekkingsbesluit de bijstand kan worden teruggevorderd op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB (vgl. CRvB 20 augustus 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE7242 en CRvB 22 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2146). Het besluit van 22 november 2013, zoals dat bij het bestreden besluit in stand is gelaten is gebaseerd op artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, terwijl een besluit als bedoeld in artikel 54, derde lid, van de WWB daaraan ten grondslag ligt. Net als voor de intrekking geldt voor de terugvordering dat verweerder geen onderscheid heeft gemaakt en heeft hoeven maken tussen de periode voor en vanaf de beslaglegging. Gelet op het inlichtingenverzuim kan verweerder het recht op bijstand immers niet vaststellen, terwijl de terugvordering gebaseerd is op de intrekking.

6.1.

Eisers hebben ter zitting betoogd dat de boeteoplegging geen stand kan houden, omdat verweerder geen functiescheiding heeft toegepast in die zin dat de ambtenaar die het onderzoek heeft verricht ook het primaire boetebesluit in mandaat heeft genomen en dat een dergelijke handelwijze indruist tegen artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

6.2.

De rechtbank stelt ter zake van deze beroepsgrond voorop dat artikel 6, eerste lid, van het EVRM ziet op de toegang tot een onafhankelijke rechter en op een eerlijk proces. Aan die eisen wordt voldaan, zodat eisers met betrekking tot de door hen bedoelde functiescheiding met betrekking tot de bestuurlijke besluitvorming die daar aan vooraf gaat niet met succes een beroep op dit artikellid kunnen doen, terwijl de door hen opgeworpen kwestie evenmin raakt aan het tweede of derde lid van artikel 6 van het EVRM. De rechtbank echter vast dat de door eisers beschreven handelwijze wel in strijd is met artikel 10:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) nu in deze zaak artikel 5:53 van de Awb van toepassing is. De rechtbank stelt vast dat niet een afzonderlijk boeterapport is opgemaakt en verstrekt aan eisers, doch dat is volstaan met een schriftelijke kennisgeving van het voornemen tot boeteoplegging van 15 november 2013. Deze kennisgeving moet daarom worden gelijkgesteld met een boeterapport (zie CRvB 19 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3806). Zowel de kennisgeving als het besluit tot boeteoplegging zijn ondertekend door J.W. Wieringa, juridisch medewerkster van de Afdeling Publiekzaken. Gelet hierop heeft verweerder artikel 10:3, vierde lid, van de Awb geschonden.

6.3.

De rechtbank ziet echter aanleiding om dit verzuim te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat aannemelijk is dat eisers door dit verzuim niet zijn benadeeld. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat in de bewuste kennisgeving als contactpersoon is vermeld D. de Rooij, klantmanager inkomen van de Afdeling Publiekzaken en dat laatstgenoemde op 22 november 2013 een rapportage heeft opgesteld die uiteindelijk tot de boeteoplegging heeft geleid. Omdat die rapportage is opgesteld door een andere medewerker van verweerder dan de medewerker die de rapportage heeft getoetst en het besluit tot boeteoplegging in mandaat heeft genomen, is de rechtbank van oordeel dat de boetezaak feitelijk niet is voorbereid door de medewerker die het besluit heeft genomen.

7. De rechtbank stelt vast dat verweerder blijkbaar van oordeel is dat indien ten gevolge van inlichtingenverzuim ten onrechte of teveel gezinsbijstand is verstrekt beide echtgenoten een bestuurlijke boete krijgen opgelegd, ongeacht aan wie een subjectief verwijt kan worden gemaakt. Verweerder miskent hiermee dat de oplegging van een bestuurlijke boete een bestraffende sanctie behelst en dat eisers in dit verband niet alleen objectief bezien van het niet nakomen van artikel 17, eerste lid, van de WWB een verwijt moet kunnen worden gemaakt, maar dat hen ook ieder een subjectief verwijt – in de zin van artikel 5:41 van de Awb – moet kunnen worden gemaakt (CRvB 11 maart 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH7780 en CRvB 27 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM5914).

Het bestreden besluit kan voor zover het ziet op de boete voorts geen stand houden wegens strijd met de wet, omdat verweerder een hogere boete heeft opgelegd dan het maximumboetebedrag waarin artikel 18a, eerste lid, van de WWB voorziet, te weten het benadelingsbedrag, dat in dit geval € 5.298,61 bedraagt. Dat artikel 2, tweede lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten voorziet in een afronding naar boven op een veelvoud van € 10,- kan daar niet aan afdoen. Deze afrondingsregel heeft uitsluitend een grondslag in een wet in formele zin voor zover deze afrondingsregel niet leidt tot een overschrijding van het benadelingsbedrag. Het beroep is daarom gegrond voor zover het de boeteoplegging betreft.

8. De rechtbank zal hierna bezien op welke wijze zij toepassing kan geven aan artikel 8:72a van de Awb.

8.1.

Eiser heeft al voorafgaand aan de besluitvorming aangegeven dat hij niet op de hoogte was van de drie bankrekeningen van eiseres die niet zijn opgegeven bij de aanvraag om bijstand. Hij zou daar pas van op de hoogte zijn geraakt toen beslag werd gelegd op twee van die rekeningen. Verweerder heeft dit niet weerlegd, doch slechts overwogen dat dit niet van belang is, omdat sprake is van gezinsbijstand. Gelet hetgeen hiervoor is overwogen houdt de rechtbank het ervoor dat eiser pas vanaf 6 juni 2013 een subjectief verwijt kan worden gemaakt ter zake van de voortdurende overtreding om alle bankrekeningen waarover eisers konden beschikken op te geven. Eiseres kan al bij de aanvraag een subjectief verwijt gemaakt worden. Zij had kunnen en moeten weten dat zij de bankrekeningen en de saldi daarop had moeten opgeven aan verweerder. Gelet hierop was verweerder bevoegd om tot boeteoplegging aan eisers over te gaan, zij het dat eiser gedurende een kortere periode dan eiseres een subjectief verwijt kan worden gemaakt.

8.2.

In navolging van de door de Centrale Raad van Beroep op 24 november 2014 gewezen uitspraak (ECLI:NL:CRVB:2014:3754) is de rechtbank van oordeel dat de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Wet aanscherping) niet voorziet in een volledig gefixeerde boete, zodat de beoordeling van de boetehoogte moet plaatsvinden op basis van artikel 5:46, tweede lid, van de Awb. In navolging van deze uitspraak is de rechtbank voorts van oordeel dat het in de rede ligt om alleen ten aanzien van overtreders, aan wie vanaf 1 januari 2013 opzettelijk handelen of opzettelijk nalaten in strijd met de inlichtingenverplichting kan worden verweten, 100% van het benadelingsbedrag in artikel 2 van Boetebesluit socialezekerheidswetten als uitgangspunt te nemen bij de afstemming op het aspect van de verwijtbaarheid. Alleen indien opzet kan worden aangetoond is er sprake van een zo zware verwijtbaarheid, dat deze in het kader van de evenredigheidstoets het opleggen van het maximumbedrag in beginsel zou kunnen rechtvaardigen. Is er geen sprake van opzet maar wel van grove schuld bij overtreders, dan is de verwijtbaarheid minder groot en is 75% van dat bedrag een passend uitgangspunt. Is er geen sprake van opzet en ook niet van grove schuld, dan is 50% van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt bij de afstemming op het aspect verwijtbaarheid van overtreders. Bij de afstemming op het aspect van verwijtbaarheid zal verder moeten worden bezien of, en zo ja, op grond van een van de criteria genoemd in artikel 2a van het Boetebesluit socialezekerheidswetten of om een andere reden sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Dan is de mate van verwijtbaarheid beperkt en 25% van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt bij de afstemming op het aspect verwijtbaarheid. Bij toepassing van percentages van minder dan 100% zal toepassing gegeven kunnen worden aan de afrondingsregel van artikel 2, tweede lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten.

8.3.

Eisers hebben in bezwaar aangevoerd dat de zij verkeerden in onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren en die hen weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan de inlichtingenverplichting te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat hen niet volledig valt toe te rekenen dat de inlichtingen niet tijdig of volledig zijn verstrekt. Eisers hebben in dit verband aangevoerd dat eiser werd verdacht van een strafbaar feit, dat hij een suïcidepoging heeft gedaan, dat hij op staande voet is ontslagen, dat ook eiseres op 1 augustus 2013 haar baan is kwijtgeraakt, dat in juni 2013 beslag is gelegd op de twee bankrekeningen waarop saldo stond en dat er financiële problemen ontstonden (voorafgaand aan de bijstand). Met uitzondering van de gestelde suïcidepoging en de financiële omstandigheden hebben eisers hun stellingen met bewijstukken onderbouwd. Voorts staat vast dat eisers vanaf de beslaglegging niet langer konden beschikken over de eerder verzwegen rekeningen. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat deze omstandigheden geen dringende reden opleveren om geheel van boetoplegging te af te zien.

8.4.

Aangezien aangenomen moet worden dat eiser pas op de hoogte kwam van het bestaan van de drie bankrekeningen van eiseres die niet zijn opgegeven bij de aanvraag om bijstand kan hem slechts een bestuurlijke boete worden opgelegd over de periode vanaf 6 juni 2013. Omdat op die dag beslag werd gelegd en toen mogelijk wel een recht op bijstand zou hebben kunnen ontstaan, kan er vanaf die dag geen goede relatie worden gelegd met een benadelingsbedrag (vgl. HR 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1962). Onder die omstandigheden acht de rechtbank de minimale boete van € 150,- passend en geboden ten aanzien van eiser.

8.5.

Met betrekking tot eiseres kan de boete wel worden gerelateerd aan de periode tot beslaglegging, omdat uit productie 2 van de door verweerder overlegde stukken naar voren komt dat het saldo van de rekeningen waarover zij blijkbaar ten tijde van de aanvraag kon beschikken de grens van het vrij te laten vermogen overschreed. Het benadelingsbedrag van € 5.298,61 (netto) ziet op bijstand die in de periode van 19 februari 2013 tot en met 31 augustus 2013 aan eisers is verstrekt. Indien dit bedrag evenredig wordt toegerekend aan de dagen binnen de periode van 19 februari 2015 tot en met 5 juni 2013 (107 dagen), gaat het om een benadelingsbedrag van € 2.922,43. Naar het oordeel van de rechtbank is dit benadelingsbedrag ontstaan door grove schuld van eiseres. Zij was bekend met de waarde van haar tegoeden op de bankrekeningen en wist of had moeten beseffen dat die tegoeden relevant waren met het oog op het kunnen vaststellen van het recht op bijstand. De door eisers geschetste omstandigheden maken niet dat eiseres een verminderd verwijt treft van het inlichtingenverzuim over de thans nog relevante periode. Gelet op het bij grove schuld van toepassing zijnde percentage van 75% zal dan na toepassing van de afrondingsregel van artikel 2, tweede lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten het boetebedrag in beginsel moeten worden vastgesteld op € 2.200,-. De omstandigheden van eisers geven de rechtbank aanleiding het aan eiseres op te leggen boetebedrag verder te matigen tot

€ 1.500,-. Voor verdergaande matiging ziet de rechtbank geen aanleiding. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de wetgever met de Wet aanscherping uitdrukkelijk heeft beoogd dat de oplegging van een bestuurlijke boete afschrikkende werking heeft.

8.6.

De rechtbank zal bepalen dat het totale bedrag aan boetes dat eisers tezamen aan verweerder zullen moeten voldoen niet meer bedraagt dan het hoogste boetebedrag, te weten € 1.500,-. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat dit boetebedrag is gerelateerd aan verstrekte gezinsbijstand, zodat het niet in de rede ligt om de afzonderlijke boetebedragen bij elkaar op te tellen.

9. De rechtbank zal gelet op het voorgaande het besluit van 12 december 2013 herroepen voor zover ziet op de boeteoplegging, de bestuurlijke boete die eiser dient te voldoen vaststellen op € 150,- en de bestuurlijke boete die eiseres zal moeten voldoen vaststellen op € 1.500,-, met dien verstande dat sprake is van kwijting over en weer zodra het hoogste boetebedrag is voldaan en bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het te vernietigen deel van het bestreden besluit.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hun betaalde griffierecht vergoedt.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond voor zover het ziet op boeteoplegging;

  • -

    vernietigt in zoverre het bestreden besluit;

  • -

    herroept in zoverre het besluit van 12 december 2013;

  • -

    bepaalt de bestuurlijke boete die eiser dient te voldoen op € 150,-;

  • -

    bepaalt de bestuurlijke boete die eiseres dient te voldoen op € 1.500,-;

  • -

    bepaalt dat sprake is van kwijting over en weer zodra door eisers het hoogste boetebedrag is voldaan;

  • -

    bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van het te vernietigen deel van het bestreden besluit;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eisers het betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 974,-, te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, voorzitter, en mr. A. Hello en mr. D. Haan, leden, in aanwezigheid van mr. dr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.