Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:10361

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-12-2014
Datum publicatie
19-12-2014
Zaaknummer
ROT 14/4114
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Boeteoplegging door het college van burgemeester en wethouders van bijstand verstrekkende gemeente wegens niet melden werkzaamheden. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser het verwijt worden gemaakt dat hij opzettelijk heeft nagelaten verweerder op de hoogte te stellen van zijn werkaanvaarding met ingang van 5 augustus 2013. Hieruit volgt dat eiser in beginsel een bestuurlijke boete kan worden opgelegd ter hoogte van 100% van het benadelingsbedrag, zoals verweerder heeft gedaan. De rechtbank is verder van oordeel dat het benadelingsbedrag van € 657,06 niet zodanig hoog is dat ook zonder bijkomende omstandigheden aangenomen zou moeten worden dat een boeteoplegging ter hoogte van dit bedrag, als zodanig niet evenredig is. Verder heeft eiser nagelaten om in bezwaar of beroep inzicht te geven in zijn financiële situatie, terwijl dit wel van belang is voor een geslaagd beroep op verminderde draagkracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 14/4114

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 december 2014 in de zaak tussen

[Naam], te [plaats], eiser,

gemachtigde: mr. F. Uzumcu,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlaardingen, verweerder,

gemachtigde: S.J. de Wit.

Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 24 januari 2014, strekkende tot de oplegging van een bestuurlijke boete van € 657,06 wegens overtreding van artikel 17, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2014. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens verweerder is verschenen N. Fels.

Overwegingen

1.1.

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Op grond van het met de invoering van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Wet aanscherping) sinds 1 januari 2013 geldende artikel 18a, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB. De bestuurlijke boete is niet lager dan de boete die op grond van het derde lid zou worden opgelegd indien er geen sprake was van een benadelingsbedrag. Op grond van het tweede lid wordt in dit artikel onder benadelingsbedrag verstaan het bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Op grond van het zevende lid kan het college: (a) de bestuurlijke boete verlagen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid; (b) afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Op grond van het negende lid worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.

1.2.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten – voor zover hier van belang – wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op de hoogte van het benadelingsbedrag, met dien verstande dat zij op ten minste € 150,- wordt vastgesteld. Bij verminderde verwijtbaarheid wordt de bestuurlijke boete verlaagd. Op grond van het tweede lid wordt de bestuurlijke boete naar boven afgerond op een veelvoud van € 10,-.

2. De rechtbank ontleent in het bijzonder het volgende aan het gespreksverslag van 6 augustus 2013 en het beëindigingsrapport van 18 september 2013. Eiser ontving een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande. In verband met de door verweerder opgelegde verplichting tot het volgen van scholing heeft op 5 augustus 2013 een gesprek plaatsgevonden tussen eiser en een bijstandsconsulent. Tijdens dit gesprek kwam naar voren dat eiser zich per 1 september 2013 had aangemeld voor twee opleidingen, maar niets meer had vernomen. Eiser is toen verteld dat hij zelf actie diende te ondernemen richting de scholen en zelf studiefinanciering diende aan te vragen. Eiser heeft tijdens dit gesprek voorts aangegeven dat hij liever ging werken, vanwege hoge schulden, en dat hij die woensdag een sollicitatiegesprek had bij Biosgroep over parttime taxiwerkzaamheden. Op die dag is hem een mutatieformulier cliëntgegevens uitgereikt en is hem gezegd dat hij de stukken voor 8 augustus 2013 diende over te leggen. Op 14 augustus 2013 heeft betrokkene desgevraagd telefonisch meegedeeld dat hij vanaf 1 september 2013 parttime aan de slag kon gaan voor schoolvervoer en dat hij daarover nog twijfelde, omdat hij vanaf die datum geen recht zou hebben op aanvullende bijstand. Omdat het voor verweerder onduidelijk was of eiser inderdaad studiefinanciering ging ontvangen en hij niet reageerde op een e-mailbericht van de bijstandsconsulent van 3 september 2013, is Suwinet geraadpleegd. Daaruit kwam naar voren dat eiser vanaf 1 september 2013 recht heeft op studiefinanciering en dat hij vanaf 5 augustus 2013 een dienstverband bij [naam schoonmaakbedrijf] heeft voor 40 uren per week. Verweerder heeft vervolgens de bijstandsuitkering ingetrokken met ingang van 5 augustus 2013 en de bijstand die over de periode 5 augustus 2013 tot en met 31 augustus 2013 ten onrechte is uitgekeerd teruggevorderd. Eiser heeft daarin berust. Verweerder heeft voorts besloten eiser een bestuurlijke boete op te leggen ter hoogte van het benadelingsbedrag wegens het niet melden van zijn dienstverband per 5 augustus 2013.

3. Eiser betoogt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat zijn gemachtigde niet is uitgenodigd voor een hoorzitting in bezwaar waardoor de hoorzitting zonder de gemachtigde heeft plaatsgevonden. De rechtbank stelt vast dat op 20 mei 2014 een hoorzitting heeft plaatsgehad waarbij eiser aanwezig was en het woord heeft gevoerd. Voorts is eisers gemachtigde in beroep alsnog in de gelegenheid gesteld namens eiser het woord te voeren, zodat de rechtbank het aannemelijk acht dat eiser niet door deze gang van zaken is benadeeld, zodat het niet uitnodigen van de gemachtigde met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kan worden gepasseerd.

4.1.

Eiser betoogt verder dat verweerder niet bevoegd was hem een bestuurlijke boete op te leggen. In dit verband stelt eiser dat hij verweerder op 7 augustus 2013 schriftelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij vanaf 5 augustus 2013 werkzaam was bij [naam schoonmaakbedrijf] en dat hij een afschrift van de arbeidsovereenkomst heeft ingebracht. Indien wel sprake is van een overtreding dient volgens eiser te worden volstaan met een waarschuwing bij een eerste overtreding.

4.2.

De rechtbank stelt met verweerder vast dat eiser tijdens het gesprek op 5 augustus 2013 heeft nagelaten te vermelden dat hij mogelijk diezelfde dag nog aan de slag kon gaan bij [naam schoonmaakbedrijf]. Dit lag te meer in de rede, nu tijdens dat gesprek niet uitsluitend is gesproken over scholing, maar ook over de wens van eiser om aan het werk te gaan, in welk verband ook is gesproken over een sollicitatiegesprek dat plaats zou vinden bij een andere werkgever. Daar komt bij dat eiser tijdens een telefoongesprek met zijn bijstandsconsulent op 14 augustus 2013 niets heeft gezegd over zijn werkaanvaarding. Dat eiser, zoals hij stelt, het mutatieformulier op 7 augustus 2013 aan verweerder heeft gezonden acht de rechtbank niet aannemelijk. Verweerder heeft ontkend (een afschrift van) het mutatieformulier en de arbeidsovereenkomst eerder te hebben ontvangen dan bij afgifte daarvan door eiser aan de balie in december 2013. Het op 18 april 2014 door eiser verzonden e-mailbericht aan zijn gemachtigde, waarin een e-mailbericht van 7 augustus 2013 aan zijn bijstandsconsulent is gevoegd, maakt niet aannemelijk dat hij wel de werkaanvaarding per 5 augustus 2013 heeft doorgegeven. Of dat bericht een bijlage met stukken bevatte, en zo ja, welke stukken, wordt daaruit niet duidelijk. Eiser heeft bovendien tijdens de hoorzitting in bezwaar verklaard dat hij, anders dan in het verzoek om een voorlopige voorziening was aangegeven, met die mail zijn bijstandsconsulent niet heeft ingelicht over de ondertekening van een arbeidscontract, omdat het daaraan voorafgaande gesprek alleen zou zijn gegaan over het volgen van een studie.

4.3.

Uit het voorgaande volgt dat eiser verweerder niet op de hoogte heeft gesteld van zijn werkaanvaarding met ingang van 5 augustus 2013, hetgeen een overtreding van artikel 17, eerste lid, van de WWB oplevert. De rechtbank is verder van oordeel dat eiser van het niet nakomen van artikel 17, eerste lid, van de WWB niet alleen objectief, maar ook subjectief – in de zin van artikel 5:41 van de Awb – een verwijt valt maken. Eiser had kunnen en moeten weten dat het ging om relevante informatie met betrekking tot het recht op bijstand. De stelling van eisers gemachtigde ter zitting dat geen sprake is van inlichtingenverzuim omdat verweerder toegang heeft tot Suwinet kan in dit verband niet slagen, omdat controlemogelijkheden van verweerder niet afdoen aan de wettelijke inlichtingenplicht van eiser. Omdat sprake is van benadeling en de rechtbank van dringende redenen niet is gebleken was verweerder gehouden om eiser een bestuurlijke boete op te leggen. Dat geen sprake is van recidive doet daar niet aan af. Recidive vormt gelet op artikel 18a van de WWB namelijk een grond voor verhoging van de boete, terwijl niet is voorzien in de bevoegdheid om van boeteoplegging af te zien bij een eerste overtreding.

5.1.

In navolging van de door de Centrale Raad van Beroep op 24 november 2014 gewezen uitspraak (ECLI:NL:CRVB:2014:3754) is de rechtbank van oordeel dat de Wet aanscherping niet voorziet in een volledig gefixeerde boete, zodat de beoordeling van de boetehoogte dient plaats te vinden op basis van artikel 5:46, tweede lid, van de Awb. In navolging van deze uitspraak is de rechtbank voorts van oordeel dat het in de rede ligt om alleen ten aanzien van overtreders, aan wie vanaf 1 januari 2013 opzettelijk handelen of opzettelijk nalaten in strijd met de inlichtingenverplichting kan worden verweten, 100% van het benadelingsbedrag in artikel 2 van Boetebesluit socialezekerheidswetten als uitgangspunt te nemen bij de afstemming op het aspect van de verwijtbaarheid. Alleen indien opzet kan worden aangetoond is er sprake van een zo zware verwijtbaarheid, dat deze in het kader van de evenredigheidstoets het opleggen van het maximumbedrag in beginsel zou kunnen rechtvaardigen. Is er geen sprake van opzet maar wel van grove schuld bij overtreders, dan is de verwijtbaarheid minder groot en is 75% van dat bedrag een passend uitgangspunt. Is er geen sprake van opzet en ook niet van grove schuld, dan is 50% van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt bij de afstemming op het aspect verwijtbaarheid van overtreders. Bij de afstemming op het aspect van verwijtbaarheid zal verder moeten worden bezien of, en zo ja, op grond van een van de criteria genoemd in artikel 2a van het Boetebesluit socialezekerheidswetten of om een andere reden sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Dan is de mate van verwijtbaarheid beperkt en 25% van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt bij de afstemming op het aspect verwijtbaarheid.

5.2.

Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser het verwijt worden gemaakt dat hij opzettelijk heeft nagelaten verweerder op de hoogte te stellen van zijn werkaanvaarding met ingang van 5 augustus 2013. De onder 4.2 vastgestelde feiten en omstandigheden laten geen andere conclusie toe dan dat eiser tijdens een gesprek met een medewerker van verweerder op 5 augustus 2013 bewust heeft gezwegen over zijn werkaanvaarding diezelfde dag en dat hij op 14 augustus 2013 in strijd met de waarheid heeft verklaard door uitsluitend te speculeren over mogelijke werkzaamheden vanaf 1 september 2013. Hieruit volgt dat eiser in beginsel een bestuurlijke boete kan worden opgelegd ter hoogte van 100% van het benadelingsbedrag, zoals verweerder heeft gedaan. De rechtbank is verder van oordeel dat het benadelingsbedrag van € 657,06 niet zodanig hoog is dat ook zonder bijkomende omstandigheden aangenomen zou moeten worden dat een boeteoplegging ter hoogte van dit bedrag, als zodanig niet evenredig is. Verder heeft eiser nagelaten om in bezwaar of beroep inzicht te geven in zijn financiële situatie, terwijl dit wel van belang is voor een geslaagd beroep op verminderde draagkracht (vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:685).

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.H. de Wildt, voorzitter, en mr. A. Hello en mr. D. Haan, leden, in aanwezigheid van mr. dr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.