Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:10349

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
18-02-2015
Zaaknummer
ROT 14-8108
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Intrekking vuurwerkverkoopvergunning op grond van de Wet Bibob alsmede op grond van de APV Rotterdam 2012. Verweerder heeft in afwijking van het advies van Bureau Bobib besloten. Het bestreden besluit is onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Verweerder had nader onderzoek moeten doen. Belangen van vergunninghouder wegen zwaarder dan de belangen waarvoor verweerder opkomt. Het bestreden besluit wordt geschorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 14/8108

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 december 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] h.o.d.n. [naam 2], te Barendrecht, verzoeker,

gemachtigde: mr. I.P. Sigmond,

en

de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. drs. R.W. Veldhuis.

Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bij besluit van 7 maart 2014 aan verzoeker verleende vuurwerkverkoopvergunning voor de locatie [straat] te Rotterdam ingetrokken.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2014. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verzoeker exploiteert onder meer de onderneming Elo vuurwerk in de vorm van een eenmanszaak sinds 1 januari 1990. Op 3 januari 2014 heeft verzoeker een (nieuwe) aanvraag ingediend voor een vuurwerkverkoopvergunning voor de locatie/verkooppunt aan de [straat], te Rotterdam. Bij besluit van 7 maart 2014 heeft verweerder aan verzoeker een vuurwerkverkoopvergunning (met daaraan verbonden voorwaarden) verleend voor de duur van vijf jaar. Daarbij heeft verweerder opgemerkt dat hij op grond van de Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen op grond van het Openbaar Bestuur (Wet Bibob) een onderzoek instelt. Bij brief van 19 mei 2014 heeft verweerder aan verzoeker bevestigd dat hij het Bureau Bibob verzocht heeft om advies uit te brengen in verband met de verleende vergunning. Op 31 juli 2014 heeft het Bureau Bibob advies uitgebracht en daarin geconcludeerd dat er een mindere mate van gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Wet Bibob) en dat geen gevaar is gebleken dat de vergunning mede zal worden gebruikt om uit strafbare feiten verkregen of te verkrijgen voordelen te benutten (artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet Bibob). Bij brief van 24 september 2014 heeft verweerder verzoeker in kennis gesteld van zijn voornemen om de op 7 maart 2014 afgegeven vuurwerkverkoopvergunning in te trekken op grond van de Wet Bibob en op grond van artikel 2.72, derde lid, aanhef en onder c, van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 (APV Rotterdam 2012). Bij brief van 15 oktober 2014 heeft verzoeker tegen dit voornemen schriftelijke zienswijzen ingediend. Bij brief van 31 oktober 2014 heeft het Bureau Bibob zijn advies op een aantal punten gecorrigeerd.

2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de geconstateerde feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat een ernstig gevaar bestaat als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet Bibob en dat hij zich hierdoor genoodzaakt ziet om gebruik te maken van zijn bevoegdheid ex artikel 7, eerste lid, van de Wet Bibob.

Ten aanzien van de meldingen en aangiften van bedreigend en intimiderend gedrag heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het voldoende aannemelijk is dat er in de periode van 4 mei 2009 tot en met 7 september 2013 strafbare feiten zijn gepleegd. Er is, aldus verweerder, sprake van meerdere aangiftes en mutaties gedaan door ambtenaren van verschillende overheidsdiensten waarin concrete bedreigingen en intimidaties naar voren zijn gekomen. Er is sprake is van een ernstig vermoeden dat verzoeker met deze strafbare feiten in relatie staat. In de aangiften wordt verzoeker telkens in verband gebracht met deze strafbare feiten. Er is te zeer sprake van een patroon. Het gaat om ernstige strafbare feiten waardoor medewerkers/ambtenaren van de gemeente Rotterdam en van de DCMR in het algemeen zeer worden belemmerd in de uitvoering van hun werkzaamheden. Verzoeker begeeft zich op een dusdanige wijze in de privésfeer van deze medewerkers en hun familieleden/huisgenoten, dat zij niet ongestoord hun werk kunnen doen. Verzoeker tast opzettelijk en op ernstige wijze de rechtsorde aan. Gelet op het patroon, acht verweerder het gevaar dat verzoeker in de toekomst wederom bedreigende en/of intimiderende gedragingen ten aanzien van overheidsdienaren pleegt, groot.

Voorts heeft verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de genoemde bedreigende en intimiderende feiten en omstandigheden eveneens aanleiding geven om verzoeker in enig opzicht van slecht levensgedrag als bedoeld in artikel 2:72, derde lid, aanhef en onder c, van APV Rotterdam 2012 te achten.

3. Verzoeker stelt - kort samengevat - dat hij al 18 jaar vuurwerk verkoopt en dat hij al 7 jaar normconform gedrag vertoont en dat niet gezegd kan worden dat hij de vergunning gaat gebruiken om strafbare feiten te plegen. Verweerder heeft niet weerlegd dat de conclusie van Bureau Bibob dat er sprake is van een mindere mate van gevaar, niet kan worden gevolgd. Voorts volhardt verweerder in zijn standpunt ten aanzien van de aannemelijkheid van de gestelde mutaties. Een nadere motivering heeft verweerder niet gegeven.

4. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

5.1

Op grond van artikel 2:72, eerste lid, van de APV Rotterdam 2012, is het verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van de burgemeester.

Op grond van artikel 2:72, derde lid, aanhef en onder c, van de APV Rotterdam 2012 kan de burgemeester, onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8, de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken, tijdelijk opschorten of wijzigen, indien de exploitant of de beheerder in enig opzicht van slecht

levensgedrag is.

5.2

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob kunnen bestuursorganen, voor zover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen.

Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet Bibob wordt, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

Op grond van artikel 3, derde lid, van de Wet Bibob wordt, voor zover het ernstig gevaar betreft als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

Op grond van artikel 3, vierde lid, van de Wet Bibob staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of

c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat of heeft gestaan.

Op grond van artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob, vindt de weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, slechts plaats indien deze evenredig is met:

a. de mate van het gevaar en

b. voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet Bibob kan een gemeentelijke vergunning, die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, door het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.

6. Het Bureau Bibob verricht onderzoek naar politiële/justitiële en overige relevante gegevens en verbindt aan zijn bevindingen een standpunt over de mate van gevaar dat de gevraagde vergunning zal worden gebruikt ten behoeve van criminele activiteiten. Daarbij gaat het om een redelijkerwijs vast te stellen vermoeden van betrokkenheid bij strafbare feiten waarbij een dergelijk gebruik mag worden verondersteld; de analyse is er niet op gericht de schuld van de betrokkene aan een strafbaar feit vast te stellen. Het bestuursorgaan vormt vervolgens een eigen inhoudelijk oordeel of sprake is van ernstig gevaar, waarbij de bevindingen en het standpunt van het Bureau Bibob ondersteunend zijn. De rechter toetst of het oordeel van het bestuursorgaan, mede in relatie tot de bevindingen en het standpunt van het Bureau Bibob, over de mate waarin gevaar bestaat van misbruik van de gevraagde vergunning, innerlijk consistent is en overtuigend is onderbouwd. De uiteindelijke belangenafweging door het bestuursorgaan bij de vraag of de vastgestelde mate van gevaar in het concrete geval, gelet op de betrokken belangen, evenredig is met een weigering van de gevraagde vergunning, wordt door de rechter terughoudend getoetst.

7. Uit het onderzoek van Bureau Bibob zijn feiten en omstandigheden naar voren gekomen die er erop wijzen dat verzoeker in strijd heeft gehandeld met aan vuurwerk gerelateerde wetgeving. Verzoeker staat in relatie tot de strafbare feiten, omdat (sprake is van een ernstig vermoeden dat) hij deze strafbare feiten zelf heeft gepleegd (artikel 3, vierde lid, onder deel a, van de Wet Bibob). Het gaat daarbij om vier veroordelingen voor in totaal zes strafbare feiten gepleegd in de periode van 1995 tot 2006. Daarnaast is er een aanwijzing voor in totaal één concreet, individueel (vermoedelijk) gepleegd strafbaar feit, gepleegd op 28 december 2001. Gelet op de genoemde pleegdata en periode is er sprake van herhaaldelijk gepleegde strafbare feiten. In het advies van Bureau Bibob wordt ten aanzien van de strafbare feiten in het kader van de vuurwerkwetgeving, gelet op de omstandigheid dat de laatstgenoemde pleegdatum van zeven en een halfjaar geleden dateert, geconcludeerd dat er een mindere mate van gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.

Daarnaast is uit het onderzoek van Bureau Bibob gebleken van feiten en omstandigheden die redelijkerwijs doen vermoeden dat verzoeker in relatie staat tot bedreigende intimiderende strafbare feiten. Het betreft een elftal meldingen en aangiften van bedreigend en intimiderend gedrag dat verzoeker heeft vertoond ten aanzien van overheidsdienaren in de periode van 4 mei 2009 tot en met 7 september 2013. Ten aanzien van deze feiten wordt in het advies gesteld dat de uitlatingen van verzoeker en de gedragingen onvoldoende worden ondersteund door overige aanwijzingen en is het onaannemelijk dat er sprake is van een (vermoeden van een) strafbaar feit. Derhalve laat het Bureau Bibob deze feiten buiten beschouwing.

8.1

Ter zitting is gebleken dat verweerder zowel de strafbare feiten ten aanzien van aan vuurwerk gerelateerde wetgeving als de bedreigingen en intimideringen aan de intrekking op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet Bibob ten grondslag heeft gelegd.

8.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de in de periode van 1995 tot 2006 gepleegde strafbare feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat een ernstig gevaar bestaat als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet Bibob is. Verweerder heeft evenwel op niet overtuigende wijze gemotiveerd waarom dit feitencomplex, in afwijking van het advies van Bureau Bibob, de kwalificatie ‘ernstig gevaar’ als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob rechtvaardigt.

8.3

Verweerder stelt zich, eveneens in afwijking van het advies van Bureau Bibob, op het standpunt dat het ten aanzien van de meldingen en aangiften van bedreigend en intimiderend gedrag aannemelijk is dat er sprake is van strafbare feiten. Verweerder baseert zich daarbij, zo begrijpt de voorzieningenrechter, op de aangiftes die zijn gedaan door ambtenaren van verschillende overheidsdiensten. Het is aan verweerder om op basis van het advies van het Bureau Bibob een eigen oordeel te geven of sprake is van ‘ernstig gevaar’. De voorzieningenrechter kan verweerder volgen in zijn standpunt dat het ontoelaatbaar is dat ambtenaren worden belemmerd bij de uitvoering van hun werkzaamheden, maar de voorzieningenrechter is niet gebleken dat verweerder in aanvulling op het onderzoek van Bureau Bibob onderzoek heeft gedaan naar deze gedragingen van verzoeker om tot de conclusie te komen dat er sprake is van strafbare feiten. Bureau Bibob heeft immers gesteld dat deze gedragingen onvoldoende worden ondersteund door overige aanwijzingen en dat het onaannemelijk dat er sprake is van een (vermoeden van een) strafbaar feit. Het had op de weg van verweerder gelegen om nader onderzoek te doen en te motiveren dat er ook daadwerkelijk aanwijzingen waren voor (vermoedens) van strafbare feiten. De verwijzing naar de enkele omstandigheid dat er aangiftes zijn gedaan en die voldoende worden ondersteund door diverse mutaties acht de voorzieningenrechter vooralsnog onvoldoende. Voor zover verweerder zich daarbij (mede) heeft gebaseerd, zoals ter zitting is gesteld, op informatie van de betreffende ambtenaren, blijkt hiervan niet uit het bestreden besluit dan wel uit andere stukken in het dossier. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder dan ook onvoldoende gemotiveerd dat er sprake is van strafbare feiten en daarmee eveneens onvoldoende gemotiveerd dat er ‘ernstig gevaar’ bestaat dat verzoeker de aan hem verleende vergunning zal gebruiken voor het plegen van strafbare feiten.

9.1.

Verweerder heeft voorts aan de intrekking van de vuurwerkverkoopvergunning ten grondslag gelegd dat verzoeker in enig opzicht van slecht levensgedrag is als bedoeld in artikel 2:72, derde lid, van de APV Rotterdam 2013.

Verweerder baseert zich daarbij uitsluitend op de in de periode van 4 mei 2009 tot en met 7 september 2013 gedane meldingen en aangiften van bedreigend en intimiderend gedrag.

9.2

Volgens de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld de uitspraken van 22 mei 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA0629) en van 10 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:185), zijn geen beperkingen gesteld aan de feiten of omstandigheden, die bij de beoordeling van het levensgedrag mogen worden betrokken. Een strafrechtelijke veroordeling is daarbij niet vereist. In een bestuursrechtelijke procedure gelden voorts geen strafrechtelijke bewijsregels.

9.3

Zoals hiervoor in rechtsoverweging 8.3 is overwogen acht de voorzieningenrechter onvoldoende onderbouwd dat de genoemde meldingen en aangiften van bedreigend en intimiderend gedrag van verzoeker aanleiding geven voor (vermoedens) van strafbare feiten. Deze feiten en omstandigheden kunnen dan ook, zonder nadere motivering en onderzoek, evenmin ten grondslag worden gelegd aan de conclusie dat verzoeker in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

Op grond van het voorgaande oordeelt de voorzieningenrechter dat verweerder vooralsnog onvoldoende heeft onderbouwd dat verzoeker in enig opzicht van slecht levensgedrag is, althans in die zin dat dit de intrekking van de verleende vergunning kan rechtvaardigen.

10. Uit het vorenstaande volgt dat het afwijken van het advies van het Bureau BiBob zonder nader onderzoek en zonder deugdelijke motivering strijd oplevert met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Het is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet uitgesloten dat verweerder deze gebreken in de beslissing op bezwaar kan herstellen. De voorzieningenrechter acht evenwel de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening zwaarder dan de belangen van verweerder die hiertegen pleiten. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verzoeker al gedurende 17 jaren achtereen vuurwerk verkoopt vanuit het pand [straat] A te Rotterdam en dat hij daarvoor steeds de benodigde vergunningen heeft gekregen. Verder heeft de vergunning betrekking op de verkoop van vuurwerk gedurende slechts drie dagen per jaar. De voorzieningenrechter ziet in het voorgaande aanleiding om het verzoek toe te wijzen en het besluit tot intrekking van de op 7 maart 2014 verleende vuurwerkverkoopvergunning voor de locatie [straat] te Rotterdam te schorsen tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

11. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

12. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,-- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487,-- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, in die zin dat het besluit van 10 november 2014 wordt geschorst tot zes weken na de door verweerder nog te nemen beslissing op bezwaar;

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker het betaalde griffierecht van € 165,-- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 974,--, te betalen aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.Th.A.M. Schouw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.