Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:10263

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-12-2014
Datum publicatie
22-12-2014
Zaaknummer
ROT 14/8416
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vovo hangende bezwaar tegen ASP. Volgens de voorzieningenrechter is de brief van de minister van 10 oktober 2014 over het aanhouden van ASP zaken onduidelijk ten aanzien van lopende gevallen. Wel is de verwachting dat bij het nemen van de Bob de situatie rond ASP's zal zijn veranderd door een uitspraak van de Afdeling die kritische vragen heeft gesteld. Het is onzeker of het besluit in bezwaar in stand zal blijven. De voorzieningenrechter komt toe aan een belangenafweging en acht het ongemak van verzoeker en het gestelde risico om zijn baan te verliezen onvoldoende zwaarwegend tegenover het belang van de verkeersveiligheid. Verzoek wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 14/8416

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 december 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde: mr. M.G.J. Plat,

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder,

gemachtigde: I.S.B. Metaal.

Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoekers rijbewijs ongeldig verklaard en verzoeker een alcoholslotprogramma (ASP) opgelegd.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Verder heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd het bestreden besluit te schorsen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2014. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat van de Regiopolitie Haaglanden een schriftelijke mededeling is ontvangen, inhoudende dat bij verzoeker een ademalcoholgehalte is geconstateerd van 685 µg/l. Op grond van deze mededeling vermoedt verweerder dat verzoeker niet langer voldoet aan de wettelijke geschiktheidseisen die worden gesteld aan houders van een rijbewijs. Op grond van de artikelen 131 en 132b, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 17 van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 heeft verweerder een alcoholslotprogramma opgelegd en het rijbewijs ongeldig verklaard.

3. Verzoeker stelt dat hij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening omdat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn (bij)baan als matroos en vreest voor het behoud van zijn baan en de daaraan verbonden opleiding als zijn rijbewijs ongeldig blijft. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter voldoende spoedeisend belang aanwezig om een inhoudelijk oordeel te geven over de gevraagde voorziening.

4. Verzoeker stelt dat de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen gelet op de vragen die door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) zijn gesteld aan de Minister van Infrastructuur en Milieu (de Minister) over het opleggen van het ASP en gelet op de brief van de Minister aan de Tweede Kamer van 10 oktober 2014 (kenmerk IENM/BSK-2014/225408).

5. In voornoemde brief schrijft de Minister onder meer het volgende.

“De bovengenoemde signalen van de Raad van State waren voor het CBR, de

uitvoerende organisatie die de asp’s oplegt, aanleiding om voorlopig geen onomkeerbare stappen te nemen. In afwachting van een besluit van de Raad van State heeft het CBR besloten zaken die in aanmerking komen voor oplegging van het asp als bestuurlijke maatregel voorlopig aan te houden op basis van juridisch advies. In geval het CBR had besloten door te gaan met het opleggen van het asp zouden mogelijk wel onomkeerbare stappen worden gezet, namelijk onterechte opleggingen. Uiteraard gaan de huidige asp-zaken die reeds in uitvoering en rechtens onaantastbaar zijn door.”

6. De voorzieningenrechter acht de betekenis van voornoemde brief ten aanzien van lopende gevallen zoals die van verzoeker onduidelijk. Verzoeker, die geen auto heeft, heeft alleen de kosten voor de oplegging van het ASP voldaan. Er is dus (nog) geen alcoholslot ingebouwd. Verweerder stelt dat in zaken waarin reeds is besloten tot oplegging van een ASP en tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, zoals bij verzoeker, dit besluit niet wordt geschorst. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt dit niet eenduidig uit de brief van de Minister. Deze is voor verschillende uitleg vatbaar, zoals ook uit inmiddels verschenen jurisprudentie blijkt. Dit betekent echter ook dat de door verzoeker gewenste schorsing van het bestreden besluit evenmin steun vindt in de brief van 10 oktober 2014.

7. Op het moment dat verweerder de beslissing op bezwaar wil nemen, zal de situatie rond de oplegging van een ASP waarschijnlijk zijn veranderd, door de binnenkort te verwachten uitspraak van de Afdeling in de zaak waarin deze over het ASP zeer kritische vragen heeft gesteld (of door nieuwe inzichten van verweerder zelf). Dit is weliswaar onzeker, maar verweerder spreekt deze verwachting zelf uit in het verweerschrift.

8. Uit het voorgaande volgt dat het onzeker is of het bestreden besluit in bezwaar in stand zal blijven. Daarom komt de voorzieningenrechter toe aan een belangenafweging.

8.1.

Verzoeker heeft gesteld dat zijn belang is gelegen in het behoud van zijn baan in het kader van zijn opleiding. Verzoeker is werkzaam als matroos en om in het buitenland en in Rotterdam van en naar boord te komen, wordt gebruik gemaakt van een huurauto. Meestal is verzoeker dan met collega’s, maar niet altijd. Daarbij geldt voor het aan boord gaan in[plaats] dat verzoeker, omdat hij als enige van de collega's in [plaats] woont, degene is die de huurauto haalt en brengt. Verzoeker heeft verder ter zitting aangegeven dat het allemaal erg lastig wordt als zijn rijbewijs ongeldig blijft en dat hij het risico ziet dat zijn werkgever moeilijk zal gaan doen. Verzoeker is bang dat hij zijn baan zal verliezen.

8.2.

Verweerder heeft daar tegenover het belang van de verkeersveiligheid gesteld. Bij verzoeker, een beginnend bestuurder, is een ademalcoholgehalte geconstateerd van 685 µg/l terwijl hij aan het verkeer deelnam, wat door verzoeker niet is betwist. Dit duidt op een grote alcoholconsumptie voordat verzoeker aan het verkeer ging deelnemen.

8.3.

De voorzieningenrechter stelt voor de afweging van deze belangen voorop dat het gaat om een tijdelijke, niet langdurige, situatie waarvoor de voorziening is gevraagd, in afwachting van een beslissing op bezwaar. Verweerder heeft aangegeven nog te wachten met het nemen van een beslissing op bezwaar totdat de Afdeling uitspraak zal hebben gedaan, eventueel tot na de wettelijke beslistermijn, maar dat indien verzoeker eerder een beslissing op bezwaar wenst, deze zo spoedig mogelijk zal worden genomen.

De voorzieningenrechter kan niet vaststellen hoe groot het risico is dat verzoeker daadwerkelijk zijn baan zal verliezen indien zijn rijbewijs (tijdelijk) ongeldig blijft. Hierbij kan worden opgemerkt dat niet is gebleken dat verzoeker krachtens de arbeidsovereenkomst dient te beschikken over een geldig rijbewijs. Slechts blijkt (uit de overgelegde arbeidsvoorwaarden) dat voor de aflossingen gebruik wordt gemaakt van een huurauto en dat per bemanning onderling contact wordt opgenomen over wie elkaar ophalen, en waar. Denkbaar is verder dat het met enige aanpassing en overleg toch mogelijk is voor verzoeker om van en naar boord te gaan, zonder dat zijn rijbewijs daarvoor benodigd is. Het ongemak dat verzoeker daarbij ondervindt, is terug te voeren op zijn eigen handelen.

Er is geen sprake van dat verzoeker nu direct aan het ASP moet beginnen en daarvoor kosten moet gaan maken. Dit kan hij ook later nog opstarten.

8.4.

In deze omstandigheden acht de voorzieningenrechter het ongemak en het gestelde risico voor verzoeker onvoldoende zwaarwegend tegenover het belang van de verkeersveiligheid.

9. Het verzoek wordt dus afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A.M. Cooijmans, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.