Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:10177

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
16-12-2014
Zaaknummer
C/10/436538 / HA ZA 13-1102
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Beroepsfout van belastingadviseur en tekortkoming door zijn kantoor. Het gaat erom dat de klant zich in een juridisch getinte kwestie heeft gewend tot een adviseur, aan wiens geschiktheid en deskundigheid hij niet hoefde te twijfelen, en dat deze adviseur zonder voorbehoud op dit punt is gaan optreden op een gebied buiten zijn primaire deskundigheid. Het risico dat daarbij fouten worden gemaakt kan niet op de klant worden afgewenteld met het argument dat juridisch advies nu eenmaal niet tot de expertise van de belastingadviseur behoort.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2015, afl. 2, p. 100
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/436538 / HA ZA 13-1102

Vonnis van 10 december 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser]

gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. L. Vrakking,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DELOITTE BELASTINGADVISEURS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DELOITTE ACCOUNTANTS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

3. [gedaagde],

wonende te [woonplaats], gemeente Eijsden-Margraten,

gedaagden,

advocaat mr. R.A.D. Blaauw.

Eiseres zal hierna [eiser] en gedaagden zullen gezamenlijk Deloitte c.s. worden genoemd. De twee eerste gedaagden worden als Deloitte Belastingadviseurs respectievelijk Deloitte Accountants dan wel tezamen als Deloitte aangeduid, de derde gedaagde als [gedaagde].

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 12 maart 2014,

  • -

    de door [eiser] ten behoeve van de comparitie toegezonden nadere producties 15 tot en met 18,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 16 juni 2014 en de daaraan gehechte aantekeningen ten behoeve van de comparitie van de raadslieden van beide zijden.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] houdt zich onder meer bezig met de productie van meubelen vanuit haar bedrijfspand te Renkum. Dit pand is in eigendom van [eiser] Beheer B.V. (hierna: Beheer), die tot aan 2001 alle aandelen hield in [eiser].

2.2.

In 2001 heeft Beheer de aandelen in [eiser] overgedragen aan [betrokkene1](hierna: [betrokkene1]), een vennootschap van en bestuurd door de heer [bestuurder1].

2.3.

Nadat eerder in 2006 overeenstemming was bereikt over een huurverhoging, heeft Beheer in 2008 nogmaals op verhoging aangedrongen. Toen overleg daarover strandde, heeft Beheer bij brief van 14 juli 2008 de huurovereenkomst met [eiser] opgezegd.

2.4.

Sinds 2001 is Deloitte de vaste accountant en adviseur van [betrokkene1] en haar dochtervennootschappen. In dat verband verleende Deloitte administratieve, fiscale en juridische diensten. Aanspreekpunt van [eiser] bij Deloitte was de heer[betrokkene2]. Wanneer een door [eiser] aan hem voorgelegde kwestie daartoe aanleiding gaf, schakelde [betrokkene2] een collega in, ongeacht of deze bij Deloitte Accountants of (bijvoorbeeld) Deloitte Belastingadviseurs werkte.

2.5.

[gedaagde] is van 1 april 2008 tot en met 1 augustus 2010 als fiscalist werkzaam geweest bij Deloitte Belastingadviseurs.

2.6.

Op 24 juli 2008 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [betrokkene2] en [bestuurder1], waarbij op enig moment ook [gedaagde] is uitgenodigd door [betrokkene2]. Onderwerp van de bespreking waren de opzegging van de huurovereenkomst, de door Beheer verlangde huurverhoging waarmee [eiser] niet wilde instemmen en de mogelijkheid dat [bestuurder1] via [betrokkene1] het gehuurde pand zou kopen van Beheer.

2.7.

Ook op 24 juli 2008 heeft [gedaagde] aan Beheer - in overleg met [bestuurder1] - een brief gezonden waarin hij aangeeft dat het huurcontract eind 2008 afliep, dat [bestuurder1] de korte duur van het aangeboden nieuwe huurcontract te onzeker vond, en dat hij daarom voorstelde om het onroerend goed te kopen voor € 1,33 miljoen of anders een huurovereenkomst wenste voor de duur van twee jaar met daarin een koopoptie.

2.8.

Tijdens een bespreking op 12 augustus 2008 tussen [bestuurder1] en Beheer werd geen overeenstemming over een koopprijs bereikt, maar wel over een verlenging van de huurovereenkomst voor drie jaar. Bij brief van 14 augustus 2008 heeft [gedaagde] namens [bestuurder1] als bestuurder van [betrokkene1] bevestigd dat de huurprijs in het eerste jaar werd verhoogd met € 10.000 en dat deze voor 2010 en 2011 jaarlijks zou worden geïndexeerd.

2.9.

In 2010 heeft [betrokkene1] de aandelen in [eiser] verkocht aan een nieuwe eigenaar, [betrokkene3] (hierna: [betrokkene3]). In 2011 heeft Beheer bij [betrokkene3] tevergeefs aangedrongen op huurverhoging en vervolgens de huurovereenkomst opgezegd. In een procedure voor de kantonrechter in Wageningen is met succes betoogd dat de opzegging niet rechtsgeldig was, omdat op grond van artikel 2 van de huurovereenkomst alleen de huurder en niet de verhuurder de huur kan opzeggen.

2.10.

De huurovereenkomst tussen [eiser] en Beheer bepaalt in artikel 2:

“1. Deze overeenkomst is aangegaan voor de tijd van vijf jaren, ingaande 1 januari 2002 en derhalve eindigende 31 december 2006.

2. Indien de overeenkomst per 31 december 2006 niet vanwege huurder wordt beëindigd, waarvan tenminste zes maanden tevoren per aangetekende brief mededeling moet worden gedaan aan verhuurder, zal de huurovereenkomst telkens stilzwijgend voor een periode van twee jaar worden verlengd, tenzij huurder uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de betreffende tweejaarlijkse periode de huurovereenkomst bij aangetekende brief aan verhuurder heeft opgezegd.

3. Op de ingevolge artikel 2 lid 2 verlengde huurovereenkomst zijn de bepalingen van de overeenkomst wederom van toepassing.”

2.11.

Bij brief van 7 juni 2012 is Deloitte c.s. aansprakelijk gesteld voor de schade die [eiser] lijdt als gevolg van de - in de visie van [eiser] - tekortkoming van Deloitte c.q. de door [gedaagde] gemaakte beroepsfout. Bij die brief is namens [eiser] ook de overeenkomst van opdracht met Deloitte ontbonden en de betaalde vergoeding teruggevorderd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat en na vermindering van eis ter comparitie - dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Deloitte Belastingadviseurs, Deloitte Accountants en [gedaagde] hoofdelijk veroordeelt om:

1. binnen twee dagen na betekening van het vonnis aan [eiser] te betalen € 65.780,71, vermeerderd met de BTW en de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf de in productie 13 aangehaalde data van ontstaan van iedere huurtermijn, althans vanaf 7 juni 2012, althans vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

2) jaarlijks, zolang de huurovereenkomst van 2013 voortduurt, bij vooruitbetaling uiterlijk op 1 juni van het voorafgaande kalenderjaar, te betalen aan [eiser] € 10.655,33 of een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met BTW, welk bedrag jaarlijks gecorrigeerd zal worden voor de indexatie van de huurprijs conform de huurovereenkomst;

althans, voor zover de Rechtbank de vorderingen onder 1 en 2 niet of niet geheel toewijst:

3) te verklaren voor recht dat Deloitte en [gedaagde] gehouden zijn tot vergoeding van alle ontstane en toekomstige schade van [eiser], nader op te maken bij staat, die direct of indirect gevolg is van de fout van [gedaagde];

en in ieder geval:

4) Deloitte Belastingadviseurs en Deloitte Accountants te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het vonnis aan [eiser] terug te betalen € 4.182,85, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW vanaf 7 juni 2012 althans vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

5) Deloitte en [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, met bepaling dat, indien niet binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis aan voormelde proceskostenveroordeling voldaan is, daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn.

3.2.

Deloitte c.s. voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] met veroordeling van [eiser], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van de proceskosten, onder bepaling dat indien deze niet binnen zeven dagen na vonnisdatum zijn voldaan, hierover vanaf de achtste dag wettelijke rente is verschuldigd tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede tot betaling van de nakosten groot € 131 dan wel, indien betekening van het vonnis plaatsvindt, € 199.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] vordert vergoeding van schade primair op de grond dat [gedaagde] een beroepsfout heeft gemaakt bij het uitvoeren van de door [eiser] aan Deloitte Accountants dan wel Deloitte Belastingadviseurs verstrekte opdracht. Zij stelt daartoe het volgende.

De opdracht strekte tot het adviseren en bemiddelen inzake de beëindiging van de huur. Door na te laten de huurovereenkomst in te zien en door niet op te merken dat deze slechts door [eiser] als huurder kon worden opgezegd, heeft [gedaagde] een beroepsfout gemaakt. Dit levert ook een toerekenbare tekortkoming van Deloitte als contractuele wederpartij van [eiser] op. Subsidiair heeft [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld door aan de uitvoering van de opdracht niet de nodige zorg te besteden en niet te handelen zoals van een bekwaam en redelijk handelend belastingadviseur mag worden verwacht. Nu [gedaagde] een ondergeschikte van Deloitte was ten tijde van zijn fout, is Deloitte met hem hoofdelijk aansprakelijk, aldus [eiser].

Had [gedaagde] gedaan wat van hem mocht worden verwacht, dan zou [eiser] niet onverplicht hebben ingestemd met huurverhoging, en had de oude huurprijs nog gegolden, aldus [eiser]. Van deze schade vordert [eiser] vergoeding.

Ook vordert [eiser] terugbetaling van het door haar in deze kwestie aan Deloitte betaalde honorarium, op de grond dat zij de overeenkomst heeft ontbonden wegens de toerekenbare tekortkoming van Deloitte.

4.2.

Deloitte c.s. betwist niet dat tussen haar en [eiser] een overeenkomst van opdracht bestond, maar bestrijdt de gestelde strekking daarvan. De vraag van [bestuurder1] zag niet in algemene zin op de opzegging van de huurovereenkomst. Aan Deloitte werd als vaststaand feit medegedeeld dat de huurovereenkomst afliep. [bestuurder1] wilde voorkomen dat zijn onderneming uit het pand zou moeten en wilde (via [betrokkene1]) het pand kopen. Hij heeft aan Deloitte (in de persoon van [gedaagde]) de opdracht gegeven om per brief een bod te doen op het pand, en tijdens de bespreking op 24 juli 2008 is de inhoud van de brief uitvoerig besproken. Later is nog gevraagd om aan de verhuurder schriftelijk te bevestigen dat alsnog met huurverhoging werd ingestemd. Er bestond geen verplichting om nader onderzoek te doen naar de opzegging van de huurovereenkomst.

Van wanprestatie of onrechtmatig handelen is dus geen sprake geweest, aldus Deloitte c.s.

Deloitte c.s. betwist de gestelde schade en het causaal verband tussen (een deel van) de schade en de verweten gedraging.

Zij doet verder een beroep op eigen schuld van [eiser] en op de aansprakelijkheid beperkende clausule in de algemene voorwaarden van Deloitte Accountants.

Deloitte c.s. voert geen verweer tegen de hoofdelijkheid en geeft aan dat Deloitte Accountants en Deloitte Belastingadviseurs instaan voor het handelen van [gedaagde] en een eventuele veroordeling in onderling overleg zullen afwikkelen.

4.3.

De rechtbank zal, nu Deloitte c.s. geen punt maakt van de hoofdelijkheid en Deloitte instaat voor het handelen van [gedaagde], in zoverre bij de beoordeling geen onderscheid maken tussen (de aansprakelijkheid van) de verschillende gedaagden.

De aan Deloitte c.s. verweten fouten

4.4.

Beoordeeld moet worden of Deloitte jegens [eiser] toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van de aan haar verleende opdracht, en of [gedaagde] een beroepsfout heeft gemaakt, zoals [eiser] stelt maar Deloitte c.s. betwist.

Voornaamste geschilpunt is wat de inhoud en strekking was van de opdracht van [eiser] aan Deloitte. [eiser] stelt dat [bestuurder1] zich tot Deloitte c.s. heeft gewend voor advies en bemiddeling naar aanleiding van de opzegging van de huur. Deloitte c.s. betwist dat [eiser] haar met een algemene hulpvraag heeft benaderd en betoogt dat [eiser] concreet verzocht om een aanbod tot het kopen van het bedrijfspand aan Beheer over te brengen, en daarbij als tweede optie om een nieuwe huurovereenkomst met een koopoptie te vragen.

4.5.

[bestuurder1] heeft in het voorlopig getuigenverhoor dat over deze kwestie voor de rechtbank Roermond is gehouden (onder meer) verklaard :

“Ik zat in zak en as en wist niet wat ik met mijn bedrijf en 30 werknemers moest. Ik heb toen contact opgenomen met mijn huisaccountant, de heer [betrokkene2] van Deloitte. Die zei dat hij dit zelf niet kon behandelen en dat hij intern zou kijken wie daarvoor geschikt was, hij verwees me naar de heer [gedaagde].

(...)

Als u mij vraagt of de heer [gedaagde] en ik ons nog afgevraagd hebben of [eiser] Beheer de huur wel kon beëindigen, zeg ik u dat dit niet het geval is en dat ik er alleen mee bezig was hoe mijn bedrijf te continueren. Ik moet daarbij zeggen dat ik er zelf van overtuigd was dat het contract afliep en dat ik eruit moest. Ik vroeg dus aan [gedaagde] om daarin tussen mij en de familie [eiser] te bemiddelen. Dat hield in dat hij contact zocht met de familie [eiser] en voor mij onderzocht of zij bereid waren om het pand aan mij te verkopen.

(...)

Het doel waarmee ik [gedaagde] inschakelde was dat de huur per 31 december 2008 was opgezegd omdat ik de huurverhoging niet accepteerde.

Ik heb [gedaagde] niet uitdrukkelijk gevraagd om naar de huurovereenkomst te kijken, maar ook niet gezegd dat hij daar niet naar hoefde te kijken. Het was een open opdracht en het maakte me niet uit hoeveel het kostte, we hebben daar ook niet over gepraat, ik wilde gewoon dat het opgelost werd.”

4.6.

In het voorlopig getuigenverhoor heeft [gedaagde] onder meer verklaard:

“Mijn standplaats was Roermond en het was de bedoeling dat ik gaandeweg bij allerlei cliënten geïntroduceerd zou worden. Op die manier werd ik geroepen bij een gesprek tussen de heer [betrokkene2] en de heer [bestuurder1]. In dat gesprek weet ik dat [bestuurder1] verbolgen was over het weigeren van het bod van hem om het pand te kopen. Aan mij is gevraagd om een briefje namens hem te schrijven waarin ingestemd werd met een huurverhoging. Dat heb ik gedaan. U toont mij de brief van 14 augustus 2008 die als bijlage is gevoegd bij het verzoekschrift en dat is inderdaad de brief die ik geschreven heb. Voorover ik mij kan herinneren, het is lang geleden, is dit mijn enige bemoeienis met deze zaak geweest.

Als u mij vraagt of ik bij het schrijven van de brief gebruik heb gemaakt van het dossier van Deloitte, dan zou dat kunnen. (...) De meeste gegevens zullen echter op de bespreking zijn genoemd, omdat deze niet in het dossier zijn te vinden. In feite is de inhoud van de brief mij op de bespreking met de paplepel ingegoten.

Als u mij vraagt of ik nog heb overwogen om de huurovereenkomst te bekijken voordat ik de brief wegstuurde, dan zeg ik u van niet. Er is mij niet gevraagd of gebleken dat er nog iets anders moest gebeuren dan dit briefje verzenden. Ik voelde geen onderzoeksplicht aan mijn zijde. (...)

Als u mij uit de verklaring van de heer [bestuurder1] voorleest dat deze zegt dat hij mij nooit in persoon ontmoet heeft en alleen een drietal keren telefonisch contact met mij heeft gehad, dan weet ik zeker dat ik hem op een bespreking met [betrokkene2] ontmoet heb en heb ik over deze kwestie, voorzover ik mij herinner, niet afzonderlijk telefonisch contact met hem gehad.

Ik heb inmiddels de betreffende bepaling uit de huurovereenkomst gelezen in de betreffende beschikking. Als ik die bepaling toen had gelezen, zou ik de brief van 14 augustus 2008 niet verzonden hebben.

(...)

Ik heb nooit contact gehad met de verhuurder [eiser] Beheer, noch vóór het versturen van de brief van 14 augustus 2008, noch daarna.

Als gezegd wordt dat de opdracht aan mij zou zijn om te bemiddelen tussen [eiser] Raanhuis en de verhuurder [eiser] Beheer, dan klopt dat niet en is mij daar niets van bekend.”

4.7.

Partijen zijn het erover eens dat de herinnering van beide getuigen niet geheel correct is. De in zoverre achterhaalde delen van de verklaring van [bestuurder1] zijn niet geciteerd. Voor zover de geciteerde verklaring van [gedaagde] afwijkt van hetgeen volgens r.o. 4.5 vaststaat tussen partijen, is ook deze achterhaald.

4.8.

De rechtbank acht op basis van de eigen verklaring van [bestuurder1] (“Ik moet daarbij zeggen dat ik er zelf van overtuigd was dat het contract afliep en dat ik eruit moest. Ik vroeg dus aan [gedaagde] om daarin tussen mij en de familie [eiser] te bemiddelen. Dat hield in dat hij contact zocht met de familie [eiser] en voor mij onderzocht of zij bereid waren om het pand aan mij te verkopen.”) aannemelijk, dat hij in ieder geval aan [gedaagde] niet de open vraag heeft voorgelegd wat hij moest doen nu de huurovereenkomst was opgezegd, maar veeleer de insteek koos dat zijn probleem kon worden opgelost door het gehuurde te kopen.

4.9.

Of [bestuurder1] in algemene zin aan Deloitte (in de persoon van [betrokkene2]) heeft gevraagd om advies en bijstand ter zake van de opzegging van de huur, kan naar uit het navolgende zal blijken in het midden blijven. Immers, ook indien deze vraag niet met zoveel woorden is geformuleerd, kan Deloitte jegens [eiser] zijn tekortgeschoten door niet de zorg van een goed opdrachtnemer te betrachten, zoals [eiser] stelt. Evenzeer kan [gedaagde] ook zonder open adviesvraag van [bestuurder1] een beroepsfout hebben gemaakt, zoals [eiser] stelt. Of een dergelijke situatie zich voordoet, hangt af van de vraag wat onder de omstandigheden van het geval van een goed opdrachtnemer (Deloitte) respectievelijk een redelijk bekwaam en redelijk handelend adviseur ([gedaagde]) mocht worden verwacht.

4.10.

Algemeen bekend is dat Deloitte behoort tot Nederlands grootste en meest gerenommeerde kantoren op gebied van accountancy en belastingadvies.

Vast staat dat Deloitte al enige jaren optrad als vaste adviseur van de bedrijven van [bestuurder1], waaronder [eiser], ook wel in kwesties van juridische aard, bijvoorbeeld naar aanleiding van een geschil met een werknemer over diens pensioenrechten. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat in dit laatste geschil een medewerker van Deloitte de zaak ook inhoudelijk bleef behandelen nadat een procesadvocaat was ingeschakeld. Deloitte heeft zich dus aan [eiser] gepresenteerd als geschikt aanspreekpunt voor juridische vragen.

Vast staat dat [bestuurder1] zich in 2008 tot Deloitte, meer in het bijzonder haar vaste contactpersoon accountant [betrokkene2], heeft gewend naar aanleiding van Beheers opzegging van de huurovereenkomst met betrekking tot het bedrijfspand van [eiser]. Onbetwist is gesteld dat [bestuurder1] de opzeggingsbrief aan Deloitte heeft getoond. Deloitte begreep voorts, zoals zij zelf aangeeft, dat [bestuurder1]/[eiser] het bedrijfspand niet wilde verlaten. Partijen zijn het erover eens dat is gesproken over de aankoop van het pand door (indirect) [bestuurder1] als mogelijke oplossing voor dit probleem, en deze insteek lijkt door [bestuurder1] naar voren te zijn gebracht (zie r.o. 4.8).

Verder staat vast dat [betrokkene2] op enig moment zijn collega [gedaagde] heeft ingeschakeld om [bestuurder1] in deze kwestie van dienst te zijn. Vast staat dat [gedaagde] belastingadviseur was en gesteld noch gebleken is dat hij zich als jurist dan wel huurrechtspecialist heeft gepresenteerd. Duidelijk is echter dat hij door Deloitte naar voren is geschoven zonder dat daarbij een voorbehoud is gemaakt ten aanzien van zijn geschiktheid of deskundigheid om [bestuurder1]/[eiser] in deze kwestie te helpen, zodat [bestuurder1]/[eiser] er van uit mocht gaan dat [gedaagde] geschikt en deskundig was.

[gedaagde] heeft, naar onbetwist is gesteld, de opleiding fiscale economie gevolgd in welk verband hij ook een aantal juridische vakken heeft gevolgd. Hij was in 2008 bij Deloitte begonnen en had toen ongeveer tien jaar ervaring als belastingadviseur. Anders dan Deloitte heeft [gedaagde] zich niet gepresenteerd als (ook) deskundig op (niet-fiscaal) juridisch gebied en dus ook niet op het terrein van het huurrecht. Dit neemt echter niet weg dat hij in deze zaak, naar ook voor hem kenbaar was, niet werd geraadpleegd vanwege zijn fiscale expertise maar naar voren werd geschoven als geschikt en deskundig om namens Deloitte haar vaste klant [bestuurder1] bij te staan in een kwestie die met betrekking tot een bedrijfspand waarvan de huur was opgezegd. Dat [gedaagde] fiscaal getinte werkzaamheden heeft verricht is gesteld noch gebleken.

Partijen zijn het er over eens dat [bestuurder1] en [gedaagde] op 24 juli 2008 hebben gesproken over de aankoop van het pand door (indirect) [bestuurder1]. Uit de door [gedaagde] nog diezelfde dag aan Beheer verzonden brief volgt dat hij met [bestuurder1] meer concreet heeft gesproken over het uitbrengen van een bod van € 1,33 miljoen en over het vragen om een huurovereenkomst met een koopoptie.

4.11.

Van een kantoor op het gebied van accountancy en belastingadvies en van de professionals die daar werkzaam zijn mag in het algemeen worden verwacht dat zij de grenzen van hun eigen expertise kennen en zich daarvan rekenschap geven.

Accountancy, belastingadvies en advocatuur (dan wel meer algemeen de niet-fiscale juridische advisering) zijn verschillende disciplines. Deskundigheid op één van deze terreinen impliceert niet zonder meer deskundigheid op één of beide andere vakgebieden.

Dit neemt echter niet weg dat deze disciplines wel raakvlakken hebben en dat zich in de accountancy- en adviespraktijk niet zelden gevallen voordoen waarin expertise op verschillende terreinen nodig is.

Om deze reden mag van redelijk bekwame en redelijk handelende vakgenoten op één van deze terreinen, en van de kantoren waarbinnen zij werkzaam zijn, worden verwacht dat zij onderkennen wanneer een cliënt hen benadert met een kwestie die overduidelijk kenmerken vertoont van één van de andere disciplines, en dat dit bewustzijn een rol speelt bij de advisering over c.q. behandeling van die kwestie.

4.12.

Gelet op hetgeen onder 4.11 is overwogen, hadden Deloitte en [gedaagde] onder de in r.o. 4.10 weergegeven omstandigheden behoren te begrijpen dat het probleem dat [bestuurder1] en [eiser] bezig hield, en de besproken oplossing daarvoor, overduidelijk juridische kenmerken vertoonde. Deloitte en [gedaagde] begrepen immers dat het ging om de opzegging van een huurovereenkomst, om een dreigend conflict met de verhuurder, om het doen van een aanbod tot het kopen van onroerend goed en het vragen om een nieuwe huurovereenkomst met een koopoptie.

Hoewel op zichzelf ook van [bestuurder1] als ervaren ondernemer mag worden verwacht dat hij begreep dat zijn probleem vooral juridisch van aard was, kan hem niet worden verweten dat hij zich hiermee tot Deloitte en vervolgens [gedaagde] heeft gewend, omdat Deloitte zich aan [bestuurder1] heeft gepresenteerd als ook het juiste adres voor juridische vragen en Deloitte [gedaagde] naar voren heeft geschoven.

In wezen strekte de aan Deloitte verstrekte en aan [gedaagde] doorgeleide opdracht dus tot het optreden als adviseur in een juridische aangelegenheid.

Indien Deloitte en/of [gedaagde] meenden dat het gelet op hun primair niet-juridische expertise niet in de rede lag dat zij deze juridisch getinte zaak zouden behandelen, dan hadden zij de opdracht moeten weigeren of teruggeven, dan wel [bestuurder1] moeten aanraden zich over de juridische aspecten elders te laten voorlichten. Dit hebben zij echter niet gedaan. Deloitte heeft de opdracht aanvaard en [gedaagde] heeft zich aan de nadere uitvoering daarvan gezet.

Van Deloitte en [gedaagde] mocht onder deze omstandigheden worden verwacht dat zij zich realiseerden dat in een huurovereenkomst afspraken tussen de huurder en de verhuurder zijn vastgelegd, en dat de huurovereenkomst tussen [eiser] en Beheer dus bepalingen kon bevatten die van belang waren voor de benadering van het door [bestuurder1] beschreven probleem. Voor de hand lag dat de huurovereenkomst bepalingen zou bevatten over de looptijd en de wijze van beëindiging ervan, maar gelet op de wens van [eiser] om het bedrijfspand te kopen moesten Deloitte en [gedaagde] ook alert zijn op eventuele daarvoor relevante bepalingen.

Het besef van het mogelijk grote belang van de huurovereenkomst had Deloitte en [gedaagde] aanleiding moeten geven om bij [bestuurder1] navraag te doen naar (de inhoud van) de huurovereenkomst. Dit hebben Deloitte en [gedaagde] niet gedaan.

Voor een beperkte taakopvatting of verminderde zorgplicht ziet de rechtbank in dit geval des te minder aanleiding, nu de voorgenomen aankoop van een bedrijfspand door een MKB-ondernemer als [bestuurder1] doorgaans voor hem en de onderneming (ook in financieel opzicht) van zeer groot belang is.

Gesteld noch gebleken is dat [bestuurder1] iets zou hebben gezegd of gedaan dat Deloitte of [gedaagde] redelijkerwijs mocht opvatten als een instructie om de juridische kant van het probleem en/of de huurovereenkomst te negeren.

4.13.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat Deloitte jegens [eiser] is tekortgeschoten in de zorg die onder de omstandigheden van het geval van een goed opdrachtnemer mocht worden verwacht. Dat deze tekortkoming haar niet kan worden toegerekend, is niet gesteld of gebleken. Dit betekent dat Deloitte aansprakelijk is voor de door [eiser] als gevolg van deze toerekenbare tekortkoming geleden schade.

Uit het vorenstaande vloeit ook voort dat [gedaagde] een beroepsfout heeft gemaakt, door zich niet te gedragen zoals onder de omstandigheden van het geval mocht worden verwacht van een redelijk bekwaam en redelijk handelend professioneel adviseur met een fiscale achtergrond, die bijstand verleent in een juridische kwestie.

Voor zover Deloitte c.s. betoogt dat een belastingadviseur in het algemeen geen specifieke juridische (laat staan huurrechtelijke) kennis mag worden verwacht, zodat [gedaagde] heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend belastingadviseur mocht worden verwacht, treft dit in dit geval geen doel. Waar [gedaagde] zich als belastingadviseur zich heeft begeven buiten de grenzen van het eigen vakgebied, is niet langer de juiste maatstaf wat in het algemeen van een redelijk bekwaam en redelijk handelend belastingadviseur mag worden verwacht, maar wat mocht worden verwacht van een belastingadviseur die zich buiten het eigen vakgebied begaf, zoals in de vorige alinea verwoord. Het gaat erom dat de klant zich in een juridisch getinte kwestie heeft gewend tot een adviseur, aan wiens geschiktheid en deskundigheid hij niet hoefde te twijfelen, en dat deze adviseur zonder voorbehoud op dit punt is gaan optreden op een gebied buiten zijn primaire deskundigheid. Het risico dat daarbij fouten worden gemaakt kan niet op de klant worden afgewenteld met het argument dat juridisch advies nu eenmaal niet tot de expertise van de belastingadviseur behoort.

De slotsom ten aanzien van [gedaagde] is dat hij een beroepsfout heeft gemaakt en aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade.

Nu Deloitte instaat voor het handelen van [gedaagde], en op grond van het bepaalde in de artikelen 6:170 BW (Deloitte Belastingadviseurs) en 171 BW (Deloitte Accountants), is Deloitte ook op deze grond aansprakelijk voor de schade van [eiser].

4.14.

Voor de goede orde bespreekt de rechtbank nog waarom de verdere verweren van Deloitte c.s. op dit punt niet slagen.

4.14.1.

Het verweer dat Deloitte c.s. er van uit mocht gaan dat [bestuurder1] zichzelf reeds op de hoogte had gesteld van zijn rechtspositie onder de huurovereenkomst, dan wel vooraf al over voldoende inzicht beschikte, is onvoldoende gemotiveerd. Niet voldoende is dat [bestuurder1] een gisse, ervaren ondernemer was die uitstekend op de hoogte leek van het reilen en zeilen binnen zijn organisatie, zoals Deloitte c.s. stelt, ook niet wanneer [bestuurder1] zelf stellig meedeelde dat de overeenkomst per 31 december 2008 zou eindigen. De verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 27 maart 1992 (NJ 1993/188) treft geen doel, omdat het in dat geval ging om cliënten van een notaris die zich als deskundig op het gebied van onroerend goed afficheerden, en die zelf toen de notaris op het springende punt navraag deed, aangaven dat een en ander was geregeld. In het onderhavige geval wijst niets erop dat [bestuurder1] zich als deskundig op juridisch terrein heeft geafficheerd, dat Deloitte c.s. hem heeft bevraagd over hetgeen hij wist of begreep over zijn rechtspositie, of dat [bestuurder1] daarop in geruststellende zin heeft geantwoord.

4.14.2.

Het verweer dat Deloitte c.s. niet meer had hoeven doen dan zij heeft gedaan, omdat zij slechts een beperkte opdracht heeft gekregen, gaat zoals uit het vorenstaande blijkt niet op.

4.14.3.

Het verweer dat [bestuurder1] zelf de huurovereenkomst had gesloten en van de inhoud daarvan - zeker nu hij directeur en enig aandeelhouder was van een bedrijf met dertig werknemers - globaal op de hoogte moest zijn, en dat Deloitte c.s. om die reden niet ongevraagd onderzoek hoefde te doen naar die overeenkomst, wordt verworpen.

Deloitte c.s. lijkt te betogen dat zij de inhoud van een (huur)overeenkomst altijd buiten beschouwing mag laten wanneer haar ondernemerscliënten daarvan zelf op de hoogte behoren te zijn. Hiermee miskent zij echter haar rol als adviseur. Het is in beginsel aan de adviseur om, op grond van de door de cliënt verstrekte en reeds bekende gegevens gecombineerd met zijn eigen expertise, te analyseren welk advies zijn cliënt nodig heeft en welke informatie nog nodig is om hem deugdelijk van dienst te kunnen zijn.

[bestuurder1] heeft, door uit te leggen dat hij door de opzegging van de lopende huurovereenkomst met een probleem was geconfronteerd, voldoende signalen afgegeven om Deloitte c.s. te attenderen op het bestaan van de huurovereenkomst, en vanuit haar deskundigheid had Deloitte c.s. moeten begrijpen dat deze van belang kon zijn en daarnaar moeten handelen (als omschreven in r.o. 4.12, vierde alinea).

4.14.4.

Of een kopie van de huurovereenkomst voor [gedaagde] beschikbaar was in de dossiers of archieven van Deloitte, is voor het bovenstaande niet van belang, zodat de rechtbank de standpunten over en weer op dit punt laat rusten.

De omvang van de aansprakelijkheid

4.15.

In geschil is hoeveel schade [eiser] heeft geleden, en met name hoeveel van de door [eiser] gestelde schade aan het tekortschieten van Deloitte c.s. kan worden toegerekend.

4.16.

Bij het bepalen van de omvang van de schade gaat het erom te bepalen wat het verschil is tussen (i) de positie waarin [eiser] zou hebben verkeerd indien Deloitte c.s. niet zou zijn tekortgeschoten en (ii) de positie waarin [eiser] is komen te verkeren ten gevolge de tekortkoming van Deloitte c.s.

4.17.

[eiser] stelt in dit verband het volgende.

Indien [gedaagde] de huurovereenkomst had gelezen, dan zou hij met een enkele blik hebben gezien dat de opzegging niet rechtsgeldig was. Had hij [eiser] correct geadviseerd, dan zou [eiser] aan Beheer hebben kunnen tegenwerpen, zo nodig in een procedure voor de kantonrechter, dat de overeenkomst niet door Beheer kon worden opgezegd. Daarmee zou de kwestie zijn afgedaan en had [eiser] zonder problemen voor de oude huurprijs verder hebben kunnen huren, slechts vermeerderd met indexering, in plaats van tegen een huurprijs verhoogd met € 10.000,00 (plus indexering) per jaar.

De schade bedraagt dus jaarlijks € 10.000,00, steeds vermeerderd met de jaarlijkse indexering, vanaf 1 januari 2009 zo lang de huurovereenkomst loopt.

[eiser] heeft steeds geprobeerd haar schade te beperken, en daartoe Beheer steeds verzocht om een lagere huurprijs en om verkoop van het gehuurde. Uiteindelijk heeft [betrokkene3] samen met drie andere investeerders de aandelen van Beheer gekocht, in welk verband [eiser] een nieuwe huurovereenkomst is aangegaan met Beheer. Deze huurovereenkomst is ingegaan per 1 juni 2013 en heeft een vaste looptijd van 30 jaar. Bij de onderhandelingen over de huurprijs was [eiser] in het nadeel ten opzichte van Beheer, omdat de geldende huur op dat moment € 10.665,33 hoger was dan deze zou zijn geweest zonder de beroepsfout van [gedaagde]. Ook heeft zij bij die onderhandelingen de eenzijdige opzeggingsmogelijkheid moeten inleveren. Ook de huurovereenkomst van 2013 voorziet in jaarlijkse indexatie van de huurprijs.

Voorts heeft [eiser] schade geleden als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW doordat zij kosten moest maken voor de procedure voor de kantonrechter. Deze belopen, na aftrek van de door Beheer betaalde proceskostenvergoeding, € 9.854,16.

4.18.

Deloitte c.s. voert in reactie hierop verschillende verweren aan, die in het navolgende voor zoveel nodig aan de orde komen.

4.19.

Deloitte c.s. betwist op zichzelf niet dat indien Deloitte c.s. haar zorgplichten goed was nagekomen en dus [gedaagde] de huurovereenkomst zou hebben gelezen, duidelijk zou zijn geworden dat de opzegging door Beheer niet geldig was, en dat dit zou hebben geleid tot het advies om dit aan Beheer tegen te werpen. Evenmin is betwist dat in dat geval, zo nodig na een gerechtelijke procedure, [eiser] de huurovereenkomst na 31 december 2008 zou hebben voortgezet op de oude voorwaarden.

Vast staat dat [eiser] na de fouten van Deloitte c.s. per 1 januari 2009 akkoord is gegaan met een huurprijs die € 10.000,00 per jaar, plus indexatie, hoger was dan uit de oude voorwaarden volgde. Deze hogere huur levert schade voor [eiser] op die aan de fouten van Deloitte c.s. kan worden toegerekend.

4.20.

In geschil is gedurende welke periode de door [eiser] betaalde hogere huur in voldoende causaal verband staat met de fouten van Deloitte c.s.

Volgens artikel 2 van de huurovereenkomst (zie onder 2.10) zou de huurovereenkomst bij gebreke van opzegging door [eiser] telkens stilzwijgend voor twee jaar zijn verlengd op de oude voorwaarden. Dit betekent dat de eerste tweejaarstermijn zou zijn verstreken op 31 december 2010, de daaropvolgende op 31 december 2012, de daarna volgende op 31 december 2014, en zo verder.

Tussen partijen staat vast dat [eiser] en Beheer in werkelijkheid, na de fouten van Deloitte c.s., een huurverlenging voor drie jaar zijn overeengekomen, derhalve tot 31 december 2011. De rechtbank begrijpt uit de stukken dat deze in 2012 is voorgezet en dat de huurprijs toen is geïndexeerd maar niet separaat verhoogd. Op 1 juni 2013 (aanvankelijk stelde [eiser] 1 augustus 2013, en daarvan is ook Deloitte c.s. uitgegaan) kwam naar aanleiding van de overdracht van alle aandelen in Beheer (en dus indirect de overdracht van het bedrijfspand) aan [betrokkene3] en drie andere investeerders, een nieuwe huurovereenkomst op andere voorwaarden tot stand.

4.21.

Deloitte c.s. betoogt dat de verhoogde huurprijs na 4 juli 2011, maar zeker na 1 augustus 2013 niet langer redelijkerwijs als gevolg kan worden toegerekend aan de verweten fouten. Zij meent dat het causaal verband tussen de verweten gedragingen en de schade in zoverre ontbreekt, althans is doorbroken.

4.22.

Deloitte c.s. voert hiertoe onder meer aan dat Beheer op 4 juli 2011, toen [bestuurder1] de aandelen van [betrokkene1] in [eiser] overdroeg aan [betrokkene3], alsnog de gewenste huurverhoging had kunnen afdwingen. Deloitte c.s. betoogt dat artikel 12 van de huurovereenkomst voor deze overdracht de toestemming van Beheer vereiste, en dat Beheer deze toestemming had kunnen onthouden tenzij [eiser] alsnog met de huurverhoging instemde.

Dit betoog faalt. Artikel 12 ziet op het aan een derde overdragen van de exploitatie van de in het gehuurde uitgeoefende werkzaamheden. Daarvan was in juli 2011, zoals [eiser] terecht aanvoert, geen sprake nu het ging om de overdracht van aandelen in de huurder, die zelf voortging met de exploitatie. Daarnaast heeft [eiser] onbetwist gesteld dat Beheer feitelijk niet heeft getracht om artikel 12 van de huurovereenkomst in te roepen. Deloitte c.s. heeft ook zelf aangegeven dat deze aandelenoverdracht kennelijk geen gevolgen heeft gehad voor de huurovereenkomst.

4.23.

Wel treft doel het argument van Deloitte c.s. dat er na het sluiten van een nieuwe huurovereenkomst in 2013 geen voldoende causaal verband meer is tussen de door [eiser] betaalde huur en de fouten van Deloitte c.s.

Deloitte voert aan dat toen [betrokkene3], enig aandeelhouder van [eiser], samen met drie anderen de aandelen in Beheer verwierf, door partijen een nieuwe huurovereenkomst werd gesloten op een moment dat zeker gelet op de marktsituatie het bedingen van nieuwe voorwaarden mogelijk was, temeer nu de aandelen van huurder en verhuurder nu (deels) in dezelfde handen kwamen.

Namens [eiser] is in reactie hierop bij comparitie aangevoerd dat na uitgebreid marktonderzoek is gebleken dat haar huidige vestigingsplaats de enige reële optie is, en dat haar moedermaatschappij [betrokkene3] dus niet zonder reden koos voor het overnemen van de aandelen in Beheer. Toen bancaire financiering niet lukte, vond zij drie andere investeerders. Deze eisten een jaarlijkse huuropbrengst van ten minste € 110.000,--, welke eis ook werd ingegeven door de koopprijs van de aandelen, die weer was gerelateerd aan de tussen [eiser] en Beheer destijds geldende huurprijs van € 140.000,00 per jaar. Tegenover de huurverlaging stond het verlies van de eenzijdige opzegmogelijkheid en een vaste huurtermijn van 30 jaar, en een triple netto constructie op grond waarvan [eiser] als huurder de onderhouds- en overige kosten moet dragen. De huurprijsverlaging is dus duur betaald, aldus [eiser].

Ter comparitie heeft de heer J.W. [betrokkene3], directeur en grootaandeelhouder van [betrokkene3] die de aandelen in [eiser] houdt, nog verklaard dat hij 25 procent van de aandelen houdt in Beheer maar geen bestuurder is van deze vennootschap.

Uit de verklaringen van [eiser] en de heer [betrokkene3], die in zoverre niet zijn betwist door Deloitte c.s., leidt de rechtbank tegen de achtergrond van het verdere partijdebat af, dat de overname van de aandelen in Beheer in 2013 is ingegeven door de wens om eigendom te verkrijgen van het bedrijfspand waarin [eiser] haar bedrijf uitoefende, opdat [eiser] dit daar kon blijven doen. Kennelijk heeft [betrokkene3] eerst zelf banken om financiering verzocht, en toen dit niet lukte andere investeerders gevonden. Bij het vormgeven van hun deelname in Beheer zijn kennelijk tussen de (beoogd) aandeelhouders afspraken gemaakt die ook [eiser] als huurder aangingen, meer in het bijzonder met betrekking tot de huurprijs (deze werd aanzienlijk verlaagd, ook ten opzichte van 2008) de looptijd van de huur (deze werd aanzienlijk verlengd, en de opzegmogelijkheid voor [eiser] werd geschrapt) en de kostenverdeling tussen huurder en verhuurder (deze werd nadeliger voor [eiser]). Kennelijk is op deze basis een nieuwe huurovereenkomst opgesteld die door [eiser] is aanvaard en ondertekend. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] het met deze gang van zaken niet eens was, en het komt de rechtbank ook voor dat deze hoofdzakelijk in haar belang en voordeel was.

Nu op initiatief van [betrokkene3] en met instemming van [eiser] de eigendoms- en huurverhoudingen ingrijpend zijn gewijzigd, kan niet worden gezegd dat de hoogte van de huurprijs die [eiser] sedertdien aan Beheer moet betalen het gevolg is van de tekortkoming van Deloitte. Veeleer wijst het relaas van [eiser] erop dat de uiteindelijke inhoud van de nieuwe huurovereenkomst voortkomt uit de zakelijke eisen van de andere drie nieuwe aandeelhouders in Beheer. Daarmee is het causaal verband tussen de tekortkoming van Deloitte en de schade van [eiser] doorbroken met ingang van de nieuwe huurovereenkomst.

Gelet op deze achtergronden van de nieuwe huurovereenkomst, die door Beheer vooral ten behoeve van de belangen van [eiser] op de lange termijn lijkt te zijn geïnitieerd, valt zonder nadere - hier ontbrekende - toelichting niet in te zien dat [eiser] bij de onderhandelingen over de nieuwe huurovereenkomst in het nadeel was ten opzichte van Beheer (omdat de huurprijs door de fouten van Deloitte c.s. ruim € 10.000 hoger was) en dat dit tot concrete schade van [eiser] heeft geleid.

Nu [eiser] ter comparitie heeft aangegeven dat de nieuwe huurovereenkomst niet per 1 augustus 2013 maar per 1 juni 2013 is ingegaan, zal de rechtbank bij deze laatste datum aansluiten.

4.24.

Aldus moet worden bepaald hoeveel méér huur [eiser] heeft betaald in de periode van 1 januari 2009 (de ingangsdatum van de na de fouten van Deloitte c.s. gesloten huurovereenkomst) tot en met 31 mei 2013 (de dag voordat de nieuwe overeenkomst met het ‘overgenomen’ Beheer inging).

[eiser] heeft bij dagvaarding gesteld en onderbouwd met haar productie 13, dat hiermee € 57.704,10 is gemoeid, welk bedrag zij ter comparitie heeft verminderd tot € 55.926,55 in verband met de gewijzigde ingangsdatum van de overeenkomst van 2013. Deloitte c.s. heeft deze berekening slechts betwist voor wat betreft het causaal verband, zodat de juistheid van de overige daarin genoemde factoren vast staat. Uit het oordeel dat slechts tot en met 31 mei 2013 voldoende causaal verband bestaat volgt dat over 2013 slechts als teveel betaalde huur in aanmerking komt het bedrag van € 4.443,89 (zie comparitieaantekeningen [eiser] onder 30).

Aldus stelt de rechtbank het bedrag aan door de fouten van Deloitte c.s. teveel betaalde huur vast als volgt:

  • -

    over 2009 € 10.000,00

  • -

    over 2010 € 10.140,00

  • -

    over 2011 € 10.221,12

  • -

    over 2012 € 10.456,21

  • -

    over 1/1/2013 t/m 31/5/2013 € 4.443,89 +

Totaal € 45.261,22.

4.25.

Deloitte c.s. heeft betoogd dat aan [eiser] eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW valt te verwijten. Zij voert daartoe ten eerste aan dat [bestuurder1] (destijds enig bestuurder van [eiser]) zelf in de huurovereenkomst had kunnen lezen dat deze in beginsel niet door de verhuurder kon worden opgezegd, en als hij dit had gedaan, de schade niet zou zijn geleden. Ten tweede heeft [bestuurder1] de opzegging als een voldongen feit aan [gedaagde] gepresenteerd, en ten derde heeft [eiser] volgens Deloitte c.s. vanaf sinds 2009 de mogelijkheid onbenut gelaten om een gunstiger huurprijs te bewerkstelligen, al dan niet na verhuizing, hetgeen op de markt voor bedrijfspanden mogelijk moet zijn geweest.

4.26.

Dit verweer treft geen doel.

Op zichzelf acht de rechtbank niet onaannemelijk dat indien [bestuurder1] zelf in de huurovereenkomst had gekeken, de schade niet zou zijn geleden. [bestuurder1] heeft ter comparitie ook een opmerking van deze strekking gemaakt. Dat de opzegging door [bestuurder1] als voldongen feit aan Deloitte c.s. is gepresenteerd is ook niet in geschil, en vindt ook steun in de verklaring die [bestuurder1] heeft afgelegd in het voorlopig getuigenverhoor. De rechtbank acht voorts aannemelijk dat het doen van navraag naar de huurovereenkomst eerder in Deloitte c.s. zou zijn opgekomen indien het aflopen van de huurovereenkomst niet als vast gegeven was gepresenteerd. Dat niet zou zijn geprobeerd om een lagere huur te bewerkstelligen, is gemotiveerd bestreden en vervolgens niet verder uitgewerkt.

Partijen zijn het er over eens dat het lezen van de relevante bepaling voor ieder van hen aanleiding zou zijn geweest om zich niet (langer) bij de opzegging van de huurovereenkomst neer te leggen.

In het midden kan blijven in welke mate de aan enerzijds [eiser] en anderzijds Deloitte c.s. toe te rekenen omstandigheden aan de schade hebben bijgedragen. Onder de omstandigheden van dit geval vereist de billijkheid, gelet op de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, dat een andere verdeling wordt gemaakt aldus dat Deloitte c.s. de volledige schade draagt.

Hoewel [eiser] kan worden verweten dat [bestuurder1] onachtzaam is geweest door niet de huurovereenkomst na te lezen, en dat hij de feiten eenduidiger heeft voorgesteld dan zij juridisch bezien waren, was [bestuurder1] verstandig genoeg om zich tot zijn vaste professionele adviseur te wenden. Aan Deloitte c.s. kan echter worden verweten dat zij haar verplichtingen als professioneel adviseur niet voldoende zorgvuldig heeft uitgevoerd, en wel op een punt dat de kern van haar raadgevende taak raakt (zie r.o. 4.12, 4.13 en 4.14.3). Juist waar de klant zich verlaat op zijn adviseur, moeten strenge eisen worden gesteld aan het honoreren van een beroep op eigen schuld.

Op deze gronden komt de rechtbank tot het oordeel dat de gehele schade groot € 45.261,22 voor rekening van Deloitte c.s. komt, zonder aftrek voor eigen schuld.

4.27.

Vervolgens moet worden beoordeeld of aan Deloitte c.s. een beroep toekomt op artikel 13 van de algemene voorwaarden van Deloitte Accountants, welke bepaling strekt tot beperking van aansprakelijkheid.

4.28.

Bij conclusie van antwoord heeft Deloitte c.s. (onder 4.46) gesteld dat de algemene voorwaarden van Deloitte van toepassing waren op alle werkzaamheden die Deloitte Accountants voor [betrokkene1] (en haar dochtermaatschappijen) verrichte. Ter onderbouwing stelt Deloitte c.s. dat Deloitte Accountants aan [betrokkene1] een opdrachtbevestiging heeft gestuurd met betrekking tot het samenstellen van de jaarrekening, en dat daarbij de algemene voorwaarden waren gevoegd. Deloitte c.s. verwijst naar haar productie 4 bij antwoord. Deze brief van 25 juni 2009 houdt voor zover relevant in:

“Deze brief is bedoeld om de voorwaarden van de aan ons verstrekte opdracht vast te leggen. U heeft ons opdracht gegeven de jaarrekening van [betrokkene1]en haar dochtermaatschappijen over het boekjaar 2008 samen te stellen. (...)

Opdracht

Wij zullen op basis van de door u te verstrekken gegevens de jaarrekening van [betrokkene1]en haar dochtermaatschappijen over het boekjaar 2008 samenstellen, in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder de door onze beroepsorganisatie de NOvAA uitgevaardigde gedrags- en beroepsregels. In overeenstemming met de voor het accountantsberoep geldende standaard voor samenstellingsopdrachten, bestaan onze werkzaamheden in hoofdzaak uit het verzamelen, het verwerken, het rubriceren en het samenvatten van financiële gegevens.
(...)

Wij zullen de samenstellingsopdracht uitvoeren in overeenstemming met COS 4410 'Opdrachten tot het samenstellen van financiële informatie' en de Verordening Gedragscode.

(...)

Geldigheidsduur en Algemene Voorwaarden

Deze opdrachtbevestiging zal van kracht blijven totdat de opdracht wordt beëindigd, gewijzigd of vervangen door een andersoortige opdracht. Op onze dienstverlening zijn onze Algemene Voorwaarden van toepassing, waarvan u een exemplaar aantreft.”

4.29.

[eiser] betwist dat er algemene voorwaarden van toepassing zijn op de overeenkomst van opdracht. Zij wijst erop dat de opdrachtbevestiging op andere werkzaamheden ziet, althans slechts op de opdracht de jaarrekening over 2008 samen te stellen, en voorts dateert van bijna een jaar na de hier relevante werkzaamheden.

4.30.

Vervolgens heeft Deloitte c.s. ter comparitie betoogd dat de algemene voorwaarden ook golden voor andersoortige werkzaamheden dan het opstellen van jaarrekeningen en dergelijke, en gesteld dat ook voor 2008 een opdrachtbevestiging moet zijn verzonden. Deloitte c.s. heeft aangeboden te bewijzen dat deze opdrachtbevestiging dezelfde inhoud heeft als die van 25 juni 2009.

4.31.

De rechtbank constateert dat de overgelegde opdrachtbevestiging uitdrukkelijk is toegespitst op de opdracht tot samenstelling van de jaarrekening over 2008. Deloitte c.s. heeft niet toegelicht waarom desondanks de algemene voorwaarden ook op andersoortige opdrachten of werkzaamheden betrekking zouden hebben. Zeker na het verweer van [eiser] mocht een toelichting op dit punt wel van haar worden verwacht. Haar standpunt dat de algemene voorwaarden van Deloitte van toepassing waren op alle werkzaamheden die Deloitte Accountants voor [betrokkene1] (en haar dochtermaatschappijen) verrichtte, wordt daarom als onvoldoende gemotiveerd gepasseerd.

Ook aan het aanbod om te bewijzen dat de opdrachtbevestiging van 2008 een gelijke inhoud had als die van 25 juni 2009 gaat de rechtbank voorbij. Immers, ook indien dit zou komen vast te staan leidt dit niet tot de conclusie dat de algemene voorwaarden ook gelden voor de in dit geding aan de orde zijnde werkzaamheden.

Op deze gronden verwerpt de rechtbank het beroep op de exoneratieclausule.

4.32.

De conclusie is dat als verschuldigde schadevergoeding zal worden toegewezen een bedrag groot € 45.261,22. Gevorderd is dat dit bedrag wordt vermeerderd met de BTW, maar nu gesteld noch gebleken is dat de BTW schade veroordeelt [eiser] oplevert (bijvoorbeeld omdat [eiser] deze niet kan verrekenen) zal deze vordering worden afgewezen.

4.33.

[eiser] vordert over het toe te wijzen bedrag rente als bedoeld in artikel 6:119a BW. Terecht heeft Deloitte c.s. betwist dat gelet op de aard van de vordering de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW toepasselijk is, en dit is ter comparitie namens [eiser] ook toegegeven. De rechtbank zal over het toewijsbare bedrag dan ook de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW toewijzen.

4.34.

Als ingangsdatum van de wettelijke rente noemt [eiser] primair de vervaldata van de verschillende huurtermijnen als genoemd in haar productie 13, subsidiair 7 juni 2012, althans de datum van de dagvaarding. Deloitte c.s. heeft op dit punt niet specifiek verweer gevoerd.

De rechtbank zal voor de ingangsdatum van de rente aanknopen bij de data en bedragen genoemd in productie 13 van [eiser].

Dit leidt tot toewijzing van rente over € 10.000,00 vanaf 1 januari 2009, over € 10.140,00 vanaf 1 januari 2010, over € 10.221,12 vanaf 1 januari 2011, over € 10.456,21 vanaf 1 januari 2012, en over € 4.443,89 vanaf 1 januari 2013.

4.35.

[eiser] vordert voorts (zie 3.1 onder 2) vergoeding van de kosten die zij heeft gemaakt voor de procedure voor de kantonrechter. Deloitte c.s. betwist dat dit als schade valt aan te merken.

Dit verweer slaagt. Aangezien [betrokkene3] in 2012 de geldigheid van de opzegging ter discussie heeft gesteld bij Beheer, maar Beheer kennelijk pas na een procedure voor de kantonrechter haar ongelijk toegaf, neemt de rechtbank aan dat het voeren van een gerechtelijke procedure ook nodig zou zijn geweest indien de discussie met Beheer reeds in 2008 was gevoerd. Hieruit volgt dat de kosten van de procedure voor de kantonrechter niet als schade voor vergoeding in aanmerking komen.

Deze vordering zal daarom worden afgewezen.

4.36.

[eiser] vordert voorts (zie 3.1 onder 3) een verklaring voor recht dat - samengevat - Deloitte c.s. gehouden is de schade van [eiser] te vergoeden, en verwijzing naar de schadestaatprocedure. Deze vordering is ingesteld voor het geval dat de vorderingen onder 1 en 2 niet of niet geheel worden toegewezen. Nu uit het voorgaande volgt dat aan deze voorwaarde is voldaan, zal de rechtbank ook over de derde vordering oordelen.

De vordering zal worden afgewezen. Uit hetgeen in dit vonnis is overwogen en geoordeeld volgt dat Deloitte c.s. slechts schadeplichtig is tot het bedrag waartoe zij in het dictum van dit vonnis zal worden veroordeeld. Voor een verklaring voor recht die verder gaat dan dat, of een verwijzing naar de schadestaat, bestaat dus geen grond. Nu het dictum reeds een veroordeling tot het betalen van schadevergoeding zal bevatten, valt niet in te zien welk belang [eiser] nog zou kunnen hebben bij een separate verklaring voor recht dat Deloitte c.s. jegens haar (tot dat bedrag) aansprakelijk is.

4.37.

[eiser] vordert voorts (zie 3.1 onder 4) betaling door Deloitte van € 4.182,85, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW vanaf 7 juni 2012 althans vanaf de dagvaarding. Zij stelt daartoe dat zij recht heeft op terugbetaling van hetgeen zij heeft betaald uit hoofde van de inmiddels ontbonden overeenkomst van opdracht.

Deloitte c.s. bestrijdt op zichzelf niet dat de overeenkomst is ontbonden en dat op haar een terugbetalingsverbintenis rust ter zake van het honorarium voor de hier relevante werkzaamheden. Ook de rechtbank zal hiervan uitgaan.

Wel bestrijdt Deloitte c.s. dat het gehele gefactureerde bedrag ziet op de hier bedoelde werkzaamheden. Zij voert daartoe aan dat aan [betrokkene1] twee facturen zijn gestuurd die (deels) zien op de werkzaamheden van [betrokkene2] en [gedaagde] voor [eiser], in totaal groot € 3.515 exclusief BTW. Die facturen zien ook op advies over pensioenen, overleg over de mogelijke verkoop van de aandelen in [eiser] en werkzaamheden met betrekking tot een dividenduitkering. Uit de digitale urenadministratie van Deloitte blijkt dat [gedaagde] voor ongeveer € 900 aan werkzaamheden heeft verricht voor [eiser], aldus Deloitte c.s. ter comparitie.

[eiser] heeft deze toelichting op de facturen niet gemotiveerd bestreden.

De in de betreffende facturen gehanteerde omschrijvingen ‘Non assurance. Overleg inzake pensioenen. Overleg en correspondentie inzake huurovereenkomst’ respectievelijk ‘Non assurance. Bespreking en correspondentie inzake huur’ doen vermoeden dat in ieder geval de eerste factuur ook op andere werkzaamheden dan de huurkwestie ziet. Aannemelijk is dat het aantal uren dat door [gedaagde] en [betrokkene2] aan de kwestie zal zijn besteed, gelet op de uit de stukken blijkende omvang van hun werkzaamheden, de factuurbedragen niet volledig verklaren. De rechtbank acht echter niet waarschijnlijk dat in de facturen voor deze kwestie slechts € 900 voor uren van [gedaagde] is berekend. Aannemelijk is dat ook uren van [betrokkene2] zullen zijn gefactureerd. Het ontbreken van toetsbare specificaties of urenstaten komt voor rekening van Deloitte.

De rechtbank rekent, om onnodige proceskosten op dit ondergeschikte punt te voorkomen, in goede justitie de factuurbedragen bij helfte toe aan de huurkwestie en bij helfte aan de overige werkzaamheden. Voor het terugbetalen van hoogstwaarschijnlijk reeds afgedragen of in verrekening gebrachte BTW ziet de rechtbank geen aanleiding.

De slotsom is dat Deloitte de helft van het bedrag van € 3.515 exclusief BTW moet terugbetalen, dus € 1.757,50.

4.38.

Over dit bedrag zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf de onbestreden datum van ontbinding van de overeenkomst en terugvordering van het honorarium, 7 juni 2012.

4.39.

Nu is gevorderd dat Deloitte c.s. wordt veroordeeld tot betaling binnen twee dagen na betekening, en daartegen geen verweer is gevoerd, zal de vordering aldus worden toegewezen.

4.40.

Deloitte c.s. zal als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser]. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 76,71 voor explootkosten, € 1.836,00 voor griffierecht en € 1.158,00 (2 punten x € 579,00) voor salaris van de advocaat, dus in totaal € 3.070,71.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt Deloitte Accountants en Deloitte Belastingadviseurs en [gedaagde] hoofdelijk om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] te betalen € 45.261,22, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW over € 10.000,00 vanaf 1 januari 2009, over € 10.140,00 vanaf 1 januari 2010, over € 10.221,12 vanaf 1 januari 2011, over € 10.456,21 vanaf 1 januari 2012, en over € 4.443,89 vanaf 1 januari 2013, steeds tot aan de dag van algehele voldoening,

5.2.

veroordeelt Deloitte Accountants en Deloitte Belastingadviseurs hoofdelijk om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] te betalen € 1.757,50, vermeerderd met de wettelijke rente daarover als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW vanaf 7 juni 2012,

5.3.

veroordeelt Deloitte Accountants en Deloitte Belastingadviseurs en [gedaagde] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen € 3.070,71 voor proceskosten, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 Burgerlijk Wetboek met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2014.

1885/2537