Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:10110

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-12-2014
Datum publicatie
15-12-2014
Zaaknummer
11/992500-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Geen overtreding Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Uitzonderingsbepaling van artikel 2 lid 4 is van toepassing. Overtreding voorschriften omgevingsvergunning. Vergunning heeft formele rechtskracht. Opzettelijk gevaar veroorzaken spoorwegverkeer door toe te staan dat heuvelprocesleider handelt in strijd met Bedieningsvoorschrift met botsing van wagens met gevaarlijke stoffen en brand tot gevolg. Aan aanmerkelijke onvoorzichtigheid van rechtspersonen te wijten dat ethanol is gaan branden en brand in reservoirwagen is ontstaan. Medeplegen.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.3
Wetboek van Strafrecht 158 en 164
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 11/992500-13

Datum uitspraak: 11 december 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor economische strafzaken, in de zaak tegen de verdachte rechtspersoon:

[verdachte rechtspersoon 1],

gevestigd te: [vestigingsadres], [plaats],

ter terechtzitting vertegenwoordigd door de bepaald gevolmachtigde [naam gevolmachtigde], bestuurder van de verdachte rechtspersoon,

raadslieden mr. M. van Strien en mr. L.E.G. van der Hut, advocaten te Den Haag.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 24 juni 2014, 17, 18, 20 en 27 november 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte rechtspersoon (hierna: [verdachte rechtspersoon 1]) is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzittingen van 17 en 20 november 2014 overeenkomstig de vorderingen van de officieren van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIEREN VAN JUSTITIE

De officieren van justitie mrs. E.C. Nieuwenhuis en R.S. Mackor (hierna: de officieren van justitie) hebben gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 (opzetvariant), 2 (opzetvariant), 3 primair en 4 ten laste gelegde;

- veroordeling van [verdachte rechtspersoon 1] tot een geldboete van € 900.000,--.

GELDIGHEID DAGVAARDING

1. Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de dagvaarding (partieel) nietig is omdat deze, wat betreft de onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten, niet voldoet aan de eisen van artikel 261 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), op de volgende gronden.

De dagvaarding is ten aanzien van de feiten 1 en 2, wat betreft de verstrekking van de wagenlijsten, niet feitelijk uitgewerkt omdat niet specifiek is aangegeven welk verwijt ten aanzien van welke specifieke wagenlijst wordt gemaakt.

De dagvaarding is ten aanzien van feit 4, wat betreft de rol van [verdachte rechtspersoon 1] bij het ontstaan van de botsing van de reservoirwagens, de voorzienbaarheid van het brandgevaar, en het (gevolg)gevaar niet of onvoldoende feitelijk uitgewerkt.

2. Beoordeling

De rechtbank begrijpt de dagvaarding, in samenhang bezien met het dossier, ten aanzien van de feiten 1 en 2 zo dat de verwijten ten aanzien van de wagenlijsten betrekking hebben op de wagenlijsten van de sporen 129, 131 en 134 en de sporen ten oosten van spoor 129. Voor zover de samensteller van de tenlastelegging bedoeld heeft wagenlijsten van andere sporen dan voornoemde sporen daar onder te laten vallen, leidt dit tot partiële nietigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding ten aanzien van feit 4 is - mede gelet op de wijziging tenlastelegging - voldoende duidelijk over het verwijt dat wordt gemaakt, namelijk het in botsing laten komen van reservoirwagens gevuld met ethanol waardoor brand is ontstaan, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen is ontstaan. De rol van [verdachte rechtspersoon 1] bij de botsing van de reservoirwagens, de voorzienbaarheid van het brandgevaar en het (gevolg)gevaar worden in de tenlastelegging op voldoende wijze uitgewerkt in het geheel van feitelijke onderdelen. Dit deel van het verweer mist daarom feitelijke grondslag.

De dagvaarding ten aanzien van feit 4 voldoet op alle onderdelen aan de eisen die artikel 261 Sv daaraan stelt.

3. Conclusie

De dagvaarding is ten aanzien van de feiten 1 en 2 partieel nietig voor zover de tenlastelegging betrekking heeft op wagenlijsten van andere sporen dan de sporen 129, 131 en 134 en de sporen ten oosten van spoor 129. Voor het overige is de dagvaarding voor deze feiten geldig evenals ten aanzien van feit 4.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Feit 1

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de Wet vervoer gevaarlijke stoffen) hierna WVGS) niet van toepassing is zodat [verdachte rechtspersoon 1] dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit. [verdachte rechtspersoon 1] beroept zich daarbij op artikel 2, vierde lid, van de WVGS. Daarin wordt bepaald dat de WVGS niet van toepassing is op handelingen als bedoeld in het eerste lid van dit artikel - waaronder wordt begrepen het vervoeren van gevaarlijke stoffen per spoor, aannemen van gevaarlijke stoffen, het laten staan van een vervoermiddel waarin zich (resten) van gevaarlijke stoffen bevinden en het ontvangen van gevaarlijke stoffen tijdens of aansluitend aan het vervoer - voor zover deze betrekking hebben op het vervoer dat uitsluitend plaatsvindt binnen een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet Milieubeheer (hierna Wm), tenzij dit vervoer plaatsvindt over de openbare weg.

Beoordeling

In de Wet milieubeheer is “inrichting” als volgt gedefinieerd: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

Het rangeeremplacement Kijfhoek is een inrichting. Binnen de begrenzing van de inrichting zijn, volgens de procesbeschrijving van het rangeeremplacement Kijfhoek (algemeen proces-verbaal p. 43 e.v.) die deel uit maakt van de vergunning, onder meer aanwezig: goederensporen, rangeerheuvel en dienstgebouwen, verspreid over de gehele inrichting. De doorgaande sporen maken geen onderdeel uit van de inrichting.

De hoofdfunctie van het rangeeremplacement Kijfhoek is, blijkens de vigerende vergunning, het sorteren van wagens afhankelijk van de bestemming. De wagens worden in treinen aangevoerd en vervolgens gesorteerd. Bij het rangeerproces wordt gebruikgemaakt van een heuvel. Zodra de wagens de heuvel zijn gepasseerd, lopen deze naar de diverse verdeelsporen.

Het rangeerproces is in de hiervoor al genoemde procesbeschrijving nader beschreven. Kort samengevat staat hierin dat goederentreinen binnenkomen op de aankomstsporen 201 tot en met 214 gelegen aan de noordzijde van het emplacement. Nadat een trein op een aankomstspoor is binnengekomen wordt deze heuvelklaar gemaakt. Dit houdt in dat de treinlocomotief afgekoppeld en weggerangeerd wordt en dat de juiste koppelingen tussen de wagens worden losgemaakt. Zodra de trein heuvelgereed is gemaakt wordt deze over de heuvel heen geduwd met behulp van een heuvellocomotief. Zodra de wagens de heuvel zijn gepasseerd, lopen deze naar de diverse verdeelsporen 101 tot en met 144. Nadat de wagens op de verdeelsporen aan elkaar gekoppeld zijn, worden de wagens met behulp van de radioloc (een locomotief) omgehaald via een omhaalspoor, dat zijn de sporen 51 tot en met 53, naar een van de vertreksporen 151 tot en met 154 of 155 tot en met 158. Treinen die in noordelijke richting moeten vertrekken dienen altijd vanaf de vertreksporen te vertrekken; treinen met een bestemming in zuidelijke richting kunnen behalve van de vertreksporen ook rechtstreeks van een van de verdeelsporen vertrekken. Nadat de locomotief is aangekoppeld kan de trein vertrekken.

Naar later is vastgesteld zijn op 14 januari 2011, (onder meer) de tenlastegelegde 24 wagens met gevaarlijke stoffen overeenkomstig het hiervoor weergegeven proces gerangeerd op het rangeeremplacement Kijfhoek. De bewegingen die met deze wagens over het spoor zijn gemaakt tijdens het rangeerproces dienen aangemerkt te worden als vervoer van gevaarlijke stoffen. De rechtbank sluit hiermee aan bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) die in gelijke zin heeft beslist in zijn uitspraak van 12 februari 2014, nummer 201209880/1/A4 (ECLI:NL:RVS:2014:386). Voorts hebben de rangeeractiviteiten plaatsgevonden op het rangeeremplacement Kijfhoek en derhalve uitsluitend binnen de inrichting. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook, op grond van het bepaalde in artikel 2, vierde lid, van de WVGS, deze wet in de onderhavige zaak niet van toepassing.

De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van de WVGS (kamerstukken 2005/06, 30 328). Blijkens deze toelichting is met de invoering van artikel 2, vierde lid, van de WVGS, beoogd de reikwijdte van de WVGS in te perken ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen, met als doel de toepasselijke regelgeving op deze inrichtingen in hoeveelheid ruim te verminderen, zonder daarmee de veiligheid in het geding te brengen. De veiligheid van medewerkers en omgeving wordt volgens de toelichting voldoende geborgd door de wet- en regelgeving van de Ministers van SZW en VROM. Dit blijkt ook in de onderhavige zaak waar strafbaarstelling van dezelfde feiten plaatsvindt in feit 2 van de tenlastelegging. Aan het voorgaande voegt de rechtbank nog toe dat het in de toelichting genoemde verplaatsen van containers binnen een terminal middels een geautomatiseerd systeem, als een situatie waarin de WVGS niet meer van toepassing zal zijn, goed vergelijkbaar is met het rangeerproces op Kijfhoek.

Nu de verweten gedragingen vallen onder de uitzondering van artikel 2, vierde lid, van de WGVS en deze wet in de onderhavige zaak niet van toepassing is, zal [verdachte rechtspersoon 1] ten aanzien van feit 1 worden vrijgesproken.

WAARDERING VAN HET BEWIJS

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvragen.

a. Op 14 januari 2011 is trein 44805 aangekomen op aankomstspoor 210 op het rangeeremplacement Kijfhoek in Zwijndrecht.

b. Deze trein bestond uit 25 spoorwagens, waarvan er 24 waren beladen met gevaarlijke stoffen.

c. Van deze 24 wagens waren er 20 reservoirwagens beladen met ethanol, UN 1170, 2 reservoirwagens met zwavelkoolstof, UN 1131, één reservoirwagen

leeg en ongereinigd van fosfor, UN 2447, en één open wagen beladen met een lege ongereinigde tankcontainer van een pyrofore metaal organische stof, vloeibaar reactief met water, UN 3394.

d. Volgens de planning van de vervoerder, [naam vervoerder] (hierna: [naam vervoerder]), dienden de 20 wagens beladen met ethanol in 5 afloopjes van steeds vier reservoirwagens naar verdeelspoor 131 te worden geheuveld en diende één afloopje bestaande uit de (resterende) 5 wagens naar verdeelspoor 112 te worden geheuveld.

e. Tussen 21.07 en 21.12 uur zijn de afloopjes 1 en 2 zonder problemen geheuveld.

f. Om 21.08 uur heeft [naam knuppelaar], in dienst bij [naam vervoerder], in zijn functie van knuppelaar op die avond, de stopknop op het knuppelperron ingedrukt omdat

de afloopjes 3 en 4 niet van elkaar konden worden gescheiden als gevolg van het niet voldoende losdraaien van de koppelingen tussen deze twee afloopjes door de

zogenoemde langdraaier.

g. Om 21.10 uur heeft [naam machinist], in dienst bij [naam vervoerder], en machinist van de heuvellocomotief op die avond, de locomotief in stand-by gezet

en is het tweede afloopje in deze stand over de heuvel geduwd. [naam machinist] heeft de locomotief om 21.11 uur weer stand-in gezet.

h. Tussen 21.11 en 21.17 uur heeft [naam heuvelprocesleider], in dienst bij [verdachte rechtspersoon 2] en gedetacheerd bij [verdachte rechtspersoon 1], en werkzaam alsh heuvelprocesleider op 14 januari 2011, 107 bedienopdrachten en meldteksten gekregen op zijn bedienscherm waaronder diverse kritische meldingen.

i. Afloopje 3 is tussen 21.18 en 21.20 uur geheuveld naar verdeelspoor 131. De snelheid bij het verlaten van verdeelspoorrailrem 131 was 24,5 km/h. Afloopje 3 is vervolgens gebotst op afloopje 2.

j. Afloopje 4 is tussen 21.20 en 21.22 uur geheuveld naar verdeelspoor 131. De snelheid bij het verlaten van verdeelspoorrailrem 131 was 24,8 km/h. Afloopje 4 is

vervolgens gebotst op afloopje 3.

k. Als gevolg van de botsing van afloopje 4 op afloopje 3 is onder meer de eerste wagen van afloopje 4 (met nummer 3387 783 073-7) ontspoord, als gevolg

waarvan er een scheur aan de onderzijde is ontstaan waardoor Ethanol naar buiten is gestroomd.

l. als gevolg van de botsing zijn in totaal 8 reservoirwagens beschadigd.

m. Afloopjes 5 en 6 zijn tussen 21.27 en 21.33 uur zonder problemen geheuveld, zij het dat afloopje 6 op spoor 131 is terecht gekomen terwijl gepland was dat het naar spoor 112 zou gaan.

n. De uit voornoemde wagen gestroomde ethanol heeft ertoe geleid dat om 21.40 uur brand is ontstaan.

o. De brand was op 15 januari 2011 omstreeks 12.00 uur geblust.

p. Ten tijde van de brand stonden op spoor 129 25 reservoirwagens waarvan in ieder geval 22 leeg en ongereinigd van LPG (UN 1965) waren en 2 leeg, gereinigd en gevuld met stikstof waren.

q. Twee reservoirwagens op spoor 129 zijn aangestraald door de brand, te weten de twee wagens die leeg en gereinigd en gevuld met stikstof waren.

Medeplegen

De tenlastelegging en het requisitoir vinden hun fundament in de theorie dat [verdachte rechtspersoon 2] en [verdachte rechtspersoon 1] samen, al dan niet tevens in combinatie met anderen, verantwoordelijk zijn voor het rangeren op het emplacement Kijfhoek. Of, zoals de officieren van justitie het in hun requisitoir stellen:
Alle te behandelen feiten moeten in de context van deze uiteenzetting over de samenwerking en gedeelde verantwoordelijkheden worden geplaatst. Er is nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte rechtspersoon 2] en [verdachte rechtspersoon 1]. Juridisch gezien betekent dit dat er voor alle feiten sprake is van medeplegen.’

De rechtbank zal dit punt ten aanzien van de onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten in een keer beoordelen.

Op grond van de Beheerconcessie is [verdachte rechtspersoon 2] beheerder van de hoofdspoorweginfrastructuur in Nederland. Blijkens de tussen [verdachte rechtspersoon 2] en [verdachte rechtspersoon 1] gesloten samenwerkingsovereenkomst d.d. 2 november 2007 (bijlage bij Algemeen proces-verbaal p. 686 e.v.) zal [verdachte rechtspersoon 1] de exploitatie van de Betuweroute voor haar rekening nemen. In artikel 1.2 van de samenwerkingsovereenkomst staan “Betuweroute” en “Exploitatie/Exploiteren Betuweroute” gedefinieerd. Uit de definitie van “Betuweroute”

kan worden afgeleid (via bijlage 1 van de Overeenkomst met betrekking tot afspraken Betuweroute d.d. 15 februari 2007) dat hieronder ook valt het emplacement Kijfhoek. Uit de definitie “Exploitatie/Exploiteren Betuweroute” volgt dat hieronder ook valt de beheertaken Capaciteitsmanagement en Verkeersleiding met betrekking tot het emplacement Kijfhoek.
In aanmerking nemende dat in artikel 7.2 van de samenwerkingsovereenkomst is bepaald dat [verdachte rechtspersoon 1] met het oog op de exploitatie van de Betuweroute taken zal uitvoeren op het gebied van verkeersleiding, capaciteitsmanagement, infra- of assetmanagement en ICT, moet het er gelet op het voorgaande voor worden gehouden dat ter zake Kijkhoek de beheertaken infra- of assetmanagement en ICT bij [verdachte rechtspersoon 2] zijn gebleven.

Tussen [verdachte rechtspersoon 2] en [verdachte rechtspersoon 1] is op 28 april 2008 een detacheringsovereenkomst gesloten (bijlage bij Algemeen proces-verbaal p. 680 e.v.). Uit de in deze overeenkomst vooropgestelde overwegingen volgt dat [verdachte rechtspersoon 2] bij Capaciteitsmanagement en Verkeersleiding medewerkers in dienst heeft die de operationele werkzaamheden in 2007 in een dienstverleningsconstructie voor [verdachte rechtspersoon 1] uitvoerden, dat het noodzakelijk is dat er intensieve samenwerking tussen het management van [verdachte rechtspersoon 1] en het betrokken personeel van [verdachte rechtspersoon 2] Capaciteitsmanagement en Verkeersleiding ontstaat, en dat voor deze intensieve samenwerking noodzakelijk is dat [verdachte rechtspersoon 1] de volledige leidinggevende verantwoordelijkheid heeft. Dit zal, blijkens de overeenkomst, gerealiseerd worden in twee stappen, namelijk in 2008 door het betrokken personeel te detacheren bij [verdachte rechtspersoon 1] en per 1 januari 2009 door de overgang van het personeel van [verdachte rechtspersoon 2] naar [verdachte rechtspersoon 1].
In artikel 1.2 van de detacheringsovereenkomst is bepaald dat [verdachte rechtspersoon 1] de werknemers gedurende de detacheringsperiode operationeel aanstuurt. In artikel 11.2 is bepaald dat [verdachte rechtspersoon 2] gedurende deze periode van detachering de bevoegdheid tot het geven van voorschriften en houden van toezicht op de medewerker overdraagt aan [verdachte rechtspersoon 1].

De overgang van personeel van [verdachte rechtspersoon 2] naar [verdachte rechtspersoon 1] per 1 januari 2009 heeft uiteindelijk nooit plaatsgevonden als gevolg van wettelijke beperkingen. Aan de hand van de feitelijke situatie op 14 januari 2011 kan evenwel worden vastgesteld dat detachering van personeel van [verdachte rechtspersoon 2] bij [verdachte rechtspersoon 1] is voortgezet na 1 januari 2009.

Op basis van het bovenstaande kan worden vastgesteld dat zowel [verdachte rechtspersoon 2] als [verdachte rechtspersoon 1] verantwoordelijk zijn voor (een deel van) het rangeren op het emplacement Kijfhoek. Echter, niet eenduidig valt vast te stellen welke vennootschap precies verantwoordelijk is voor welke werkzaamheden, met andere woorden: onduidelijkheid blijft waar de verantwoordelijkheid van de ene vennootschap precies begint en die van de andere vennootschap ophoudt.

Dit beeld wordt bevestigd in het in opdracht van [verdachte rechtspersoon 2] door

[naam], regionaal veiligheidsadviseur [verdachte rechtspersoon 2], opgestelde Onderzoeksrapport d.d. 13 januari 2012 (bijlage bij Algemeen-proces-verbaal p. 586 e.v.). Hij schrijft in zijn rapport onder het kopje “verantwoordelijkheden betrokken partijen” dat ten tijde van het incident de verantwoordelijkheidsverdeling nog niet als zodanig expliciet was besproken tussen [verdachte rechtspersoon 1] en [verdachte rechtspersoon 2]. Per december 2011 is dat door de directies van [verdachte rechtspersoon 1] en [verdachte rechtspersoon 2] alsnog gedaan. Dit heeft tot de volgende tekst in het onderzoeksrapport geleid:

[verdachte rechtspersoon 2] is beheerder van de hoofdspoorweginfrastructuur. Het emplacement Kijfhoek is een onderdeel van de hoofdspoorweginfrastructuur. [verdachte rechtspersoon 2] heeft diverse beheertaken contractueel overgedragen aan [verdachte rechtspersoon 1]. [verdachte rechtspersoon 1] regelt de verkeersleiding en verdeelt de capaciteit aan de verschillende goederenvervoerders (zie artikel 16 van de Spoorwegwet). Als beheerder behoudt [verdachte rechtspersoon 2] de eindverantwoordelijkheid voor de uitvoering van deze taken.
[verdachte rechtspersoon 2] voert het onderhoud uit van de hoofdspoorweginfrastructuur op het emplacement en is één van de drijvers van de inrichting (vergunning Wet Milieubeheer). De fysieke onderdelen van het heuvelsysteem vormen een onderdeel van de hoofdspoorweginfrastructuur op Kijfhoek (inclusief de ict-onderdelen). [verdachte rechtspersoon 2] is verantwoordelijk voor het toegankelijk en functioneel houden van het heuvelsysteem.
[verdachte rechtspersoon 1] is operationeel en integraal verantwoordelijk voor de veiligheid van het heuvelproces op Kijfhoek. Dit betekent dat [verdachte rechtspersoon 1] direct zal ingrijpen of aanvullende veiligheidsmaatregelen zal nemen als dat nodig is en continu de veiligheid van het hele proces monitort en verder verbetert. [verdachte rechtspersoon 2] Verkeersleiding is verantwoordelijk voor het toeleveren van deskundig personeel van de seinzaal en Proral Assetmanagement is verantwoordelijk voor de juiste werking van het heuvelsysteem. [verdachte rechtspersoon 1] en [verdachte rechtspersoon 2] werken intensief samen deze verantwoordelijkheden in te vullen en te concretiseren.

Het voorgaande geeft in grote lijnen de verantwoordelijkheidsverdeling weer die ook uit de tussen partijen geldende overeenkomsten volgt met dien verstande dat een en ander op onderdelen explicieter is gemaakt. Dit ligt ook voor de hand nu niet is gesteld of gebleken dat partijen na 14 januari 2011 een andere verantwoordelijkheidsverdeling hebben afgesproken dan die er voor 14 januari 2011 was.
Het voorgaande maakt bovendien eens te meer duidelijk dat [verdachte rechtspersoon 2] en [verdachte rechtspersoon 1] samen zorgdragen voor het rangeren op het emplacement Kijfhoek, met dien verstande dat [verdachte rechtspersoon 2] zorgt voor het “fysieke” deel hiervan (waaronder de computersystemen) en [verdachte rechtspersoon 1] voor het operationele deel hiervan (waaronder gelet op het bepaalde in de detacheringsovereenkomst en de verantwoordelijkheid van [verdachte rechtspersoon 1] ten aanzien van de veiligheid, ook het toezicht op de juiste uitvoering van de werkzaamheden door de werknemers begrepen moet worden geacht).

Aldus is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte rechtspersoon 2] en [verdachte rechtspersoon 1] bij de uitvoering van de rangeerwerkzaamheden op het emplacement Kijfhoek en derhalve ook bij de in dat kader gepleegde strafbare feiten. Het ten laste gelegde medeplegen in de feiten 2, 3 en 4 wordt derhalve bewezen geacht,

Overigens dient daarbij ten aanzien van feit 2 een uitzondering te worden gemaakt voor zover het de markering en zichtbaarheid van de blusputten (vergunningvoorschrift 2.3.3) betreft. Naar het oordeel van de rechtbank ziet dit voorschrift louter op de fysieke inrichting van het emplacement Kijfhoek en valt daarmee, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen, onder de verantwoordelijkheid van [verdachte rechtspersoon 2]. Ten aanzien van dit onderdeel dient [verdachte rechtspersoon 1] dan ook niet aangemerkt te worden als medepleger.

Feit 2

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat [verdachte rechtspersoon 1] niet de houder van de omgevingsvergunning van 28 augustus 1995 is, doch dat [verdachte rechtspersoon 2] dit is. [verdachte rechtspersoon 1] kan daarom niet als medepleger van dit feit worden aangemerkt. Indien al sprake is van overtreding van vergunningvoorschriften, dan kan en moet alleen [verdachte rechtspersoon 2] daarop worden aangesproken. [verdachte rechtspersoon 1] was niet op de hoogte van de specifieke vergunningsvoorschriften en zij behoefde dat ook niet te zijn omdat zij geen vergunninghouder is en zij, mede gelet op de taakverdeling op het emplacement, geen enkele reden heeft om die voorschriften wel te kennen. Evenmin bevat het dossier een aanwijzing dat [verdachte rechtspersoon 1] wist van de betreffende voorschriften. [verdachte rechtspersoon 1] is niet verantwoordelijk voor de naleving hiervan en had er ook geen zicht op.

Tussenbeoordeling

Vast staat dat aan [verdachte rechtspersoon 2] als rechtsopvolger van de Nederlandse Spoorwegen N.V., de onderhavige WM-vergunning, die in verband met overgangsrecht van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht per 1 oktober 2010 een omgevingsvergunning wordt genoemd, is verleend. Dit gegeven neemt echter niet weg dat [verdachte rechtspersoon 1] op grond van feiten en omstandigheden als medepleger bij overtreding van die voorschriften kan worden aangemerkt.

Zoals hiervoor door de rechtbank onder het kopje medeplegen is overwogen, is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte rechtspersoon 1] en [verdachte rechtspersoon 2] bij de uitvoering van de rangeerwerkzaamheden op het emplacement Kijfhoek. Indien daarbij vergunningvoorschriften worden overtreden is [verdachte rechtspersoon 1] daarvoor mede verantwoordelijk. Het feit dat de vergunning niet aan [verdachte rechtspersoon 1] is verleend doet daaraan niet af. Dit geldt eveneens voor de stelling dat [verdachte rechtspersoon 1] niet op de hoogte was van specifieke vergunningvoorschriften. Immers, op haar rust als professionele partij en medeverantwoordelijke voor het rangeerproces de verplichting op de hoogte te zijn van die voorschriften. Bovendien blijkt uit de verklaring van getuige [naam], directeur van [verdachte rechtspersoon 1], die betrekking hebben op/van belang zijn voor het rangeerproces (dossiermap Incident 14 januari 2011 pag. 365 t/m 373) dat [verdachte rechtspersoon 1] als gebruiker van de vergunning wel degelijk bekend was met de inhoud van de hierin opgenomen voorschriften. Bij de politie heeft [naam] immers verklaard dat op Kijfhoek een milieuvergunning rust, dat tussen alle partijen die werkzaam zijn op de Kijfhoek overleg plaatsvindt en dat door [verdachte rechtspersoon 2] een overleg is neergezet waar de stafafdeling veiligheid en omgeving van [verdachte rechtspersoon 1] in betrokken is en dat dit is om goed inhoud te geven aan de vergunning.

Het verweer wordt dan ook verworpen.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is, onder verwijzing naar het door [verdachte rechtspersoon 2] ingenomen standpunt, dat de voorschriften 2.1.10 (mechanisch bijdruksysteem/oploopsnelheid), 2.5.1 (effectieve maatregelen) en 2.5.7 (tijdig alle benodigde informatie aan hulpverleningsdiensten verstrekken) zoals opgenomen in de omgevingsvergunning van 28 augustus 1995 vernietigd, dan wel buiten toepassing moeten worden verklaard, zodat bewezenverklaring van die tenlastegelegde overtredingen van die vergunningsvoorschriften niet mogelijk is.

De raadsvrouw heeft zich hiervoor beroepen op de al eerder aangehaalde uitspraak van de ABRvS van 12 februari 2014. In deze uitspraak heeft de ABRvS het beroep van [verdachte rechtspersoon 2] tegen de bij beschikking van 29 augustus 2012 aan haar verleende nieuwe (revisie)vergunningaanvraag gegrond verklaard en daarbij overwogen dat een aantal voorschriften in strijd met artikel 1, vijfde lid, (Europese) Richtlijn 2008/68/EG aan de vergunning zijn verbonden. Die voorschriften hadden niet in een omgevingsvergunning opgenomen mogen worden omdat de betreffende onderwerpen alleen op grond van de gevaarlijke stoffen regelgeving (waaronder RID) geregeld zijn, dan wel geregeld mogen worden. De raadsvrouw stelt dat hetgeen de ABRvS heeft overwogen onverkort geldt voor de hiermee overeenkomende voorschriften 2.1.10, 2.5.1 en 2.5.7 van de onderhavige vergunning en dat de rechtbank hieraan gebonden is.

Tussenbeoordeling

Voornoemde omgevingsvergunning en de mogelijk daarop gerichte procedures worden beheerst door het bestuursrecht, de Wet Milieubeheer in samenhang met de Algemene wet bestuursrecht. Het is aan de bestuursrechter om over dat besluit te oordelen, terwijl, als de daartegen openstaande bestuursrechtelijke rechtsgang niet (met succes) is gevolgd, de rechtbank van die vergunning met voorschriften dient uit te gaan. De rechtbank stelt vast dat in dit geval de rechtsvoorganger van [verdachte rechtspersoon 2] c.q. [verdachte rechtspersoon 2] deze bestuursrechtelijke rechtsgang niet heeft gevolgd. De omgevingsvergunning is derhalve onherroepelijk en heeft formele rechtskracht.

In verband met een behoorlijke taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter en met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken, geldt dat de thans door [verdachte rechtspersoon 2] gekozen weg tot vernietiging dan wel buiten toepassing verklaren van genoemde vergunningvoorschriften in de omgevingsvergunning, in een strafrechtelijke procedure, na het onbenut laten van de bestuursrechtelijke rechtsgang, niet de juiste weg is om de geldigheid van deze voorschriften van de omgevingsvergunning aan de orde te stellen.

Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank uitgaat van de toepasselijkheid van de omgevingsvergunning d.d. 28 augustus 1995 zoals die toentertijd is afgegeven en luidde, inclusief de daarin neergelegde voorschriften. Dat de ABRvS met betrekking tot een later aan [verdachte rechtspersoon 2] afgegeven revisievergunning voorschriften betreffende gevaarlijke stoffenregelgeving strijdig heeft geoordeeld met Europese regelgeving doet daar niet aan af. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Standpunt verdediging (voorschrift 2.1.10)

Aangevoerd is dat het tenlastegelegde onderdeel betreffende de te hoge snelheid van de wagens (mechanisch bijdruksysteem/oploopsnelheid; voorschrift 2.1.10) niet bewezen kan worden.

De tekst van dit voorschrift bevat uitsluitend de tot [verdachte rechtspersoon 2] gerichte verplichting voor eind 2001 een mechanisch bijdruksysteem in te voeren. Hieraan is voldaan nu dit systeem sinds het begin van het jaar 2000 operationeel is. Dit heeft onder leiding en verantwoordelijkheid van [verdachte rechtspersoon 2] plaatsgevonden. [verdachte rechtspersoon 1] is daarbij niet betrokken geweest. Nu het systeem operationeel is, kan het voorschrift niet overtreden zijn. Geen causaal verband bestaat tussen het al dan niet operationeel zijn van dit systeem en de botsing tussen de wagens. Blijkens het [naam]-rapport is de enige oorzaak voor de hoge snelheden van de wagens en het botsen daarvan met een te hoge snelheid, het overrulen van het heuvelsysteem door de heuvelprocesleider, waardoor kennelijk de automatische (rem)werking van het heuvelsysteem (deels) werd opgeheven. Het botsen had dus niets te maken met het al dan niet operationeel zijn of de werking van het (mechanisch) op- en bijdruksysteem.

Tussenbeoordeling

Ingevolge voorschrift 2.1.10 van de omgevingsvergunning dient, zo spoedig mogelijk, doch voor eind 2001 een mechanisch bijdruksysteem operationeel te zijn, waardoor na het heuvelen wagens op mechanische wijze tegen elkaar worden gedrukt met een gemiddelde oploopsnelheid van 1,5 m/seconde (5,4 km/uur) en een maximale oploopsnelheid van 1,6 m/seconde (6 km/uur).

Hetgeen namens [verdachte rechtspersoon 1] is aangevoerd geeft blijk van een te beperkte interpretatie van dit voorschrift. De rechtbank is van oordeel dat de ratio van deze bepaling, mede in het licht van het bepaalde in voorschrift 2.1.9 van de omgevingsvergunning, is het reguleren van de oploopsnelheid van de wagens na het heuvelen tot een maximum van 1,6 m/seconde (6 km/uur) en dat een systeem moet worden gerealiseerd dat die maximumsnelheid waarborgt.

Uit de bewijsmiddelen, en in het bijzonder het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 maart 2011, documentcode 1103309550.AMB, opgemaakt door [naam] (dossiermap Incident 14 januari 2011, pag. 105 e.v.) volgt dat hiervan geen sprake is geweest. Immers blijkt hieruit dat afloop 3 bij het verlaten van de verdeelspoorrem een snelheid had van 24,5 km/uur en door deze te hoge snelheid op afloop 2 is gebotst, ten gevolge waarvan schade is ontstaan. Afloop 4 had bij het verlaten van verdeelspoorrailrem een snelheid van 24,8 km/uur en is door deze te hoge snelheid gebotst op afloop 3, met schade tot gevolg. Hoewel op grond hiervan niet kan worden vastgesteld wat precies de snelheid is geweest waarmee de verschillende afloopjes elkaar hebben geraakt, is naar het oordeel van de rechtbank wel de conclusie gerechtvaardigd dat de oploopsnelheid waarmee de wagens tegen elkaar zijn gedrukt hoger was dan de maximale toegestane oploopsnelheid van 1,6 m/seconde (6 km/uur) en derhalve niet is voldaan aan de voorwaarde dat een systeem is gerealiseerd dat een maximale oploopsnelheid van 1,6 m/seconde (6 km/uur) waarborgt. Het verweer wordt verworpen.

Standpunt verdediging (voorschriften 2.5.1 en 2.5.7)

Aangevoerd is dat overtreding van voorschrift 2.5.1 (effectieve maatregelen treffen) en voorschrift 2.5.7 (tijdig alle benodigde informatie verstrekken wagenlijsten) van de omgevingsvergunning niet bewezen kan worden.

Alle beschikbare informatie is direct en tijdig verstrekt. Weliswaar zijn er onvolledige wagenlijsten verstrekt, maar die hadden betrekking op wagens die niet in de directe omgeving van de brand stonden. Het is dan ook onjuist dat [verdachte rechtspersoon 1] op dit punt geen effectieve maatregelen als bedoeld in voorschrift 2.5.1 zou hebben getroffen. Het feit dat wagens met LPG of stikstof niet of niet onmiddellijk zijn verwijderd kan niet aan [verdachte rechtspersoon 1] worden tegengeworpen. Dit kan ook niet als effectieve maatregel worden aangemerkt, nu wagens met stikstof geen enkel gevaar behelsden en de wagens met LPG niet in de nabijheid van de brand stonden.

Tussenbeoordeling

De feitelijke omschrijving in de tenlastelegging ziet onder meer op de aan de brandweer verstrekte wagenlijsten. Het verstrekken van wagenlijsten aan de brandweer is naar het oordeel van de rechtbank, anders dan betoogd, aan te merken als een effectieve maatregel om de gevolgen van het ongewone voorval (een wagen met brandende ethanol) te beperken. Immers, als blijkt uit de verklaringen van getuige [naam] (dossiermap Vergunning pag. 104) en getuige [naam] (dossiermap Vergunning pag. 125) zijn de wagenlijsten noodzakelijk om de blusstrategie te bepalen. Door wagenlijsten te verstrekken met informatie die niet eenduidig, onvolledig of onjuist was, is de brandweer belemmerd om adequaat op te treden bij het blussen van de brand en heeft [verdachte rechtspersoon 1] in zoverre niet voldaan aan voorschrift 2.1.5.

Hieruit vloeit tevens voort dat niet is voldaan aan voorschrift 2.5.7 waarin wordt bepaald dat tijdig alle benodigde informatie verstrekt dient te worden. Immers, nu wagenlijsten zijn verstrekt die niet overeenkwamen met de feitelijke situatie op het spoor, is niet de benodigde informatie verstrekt, laat staan dat deze tijdig is verstrekt.

Het verplaatsen van de wagens op spoor 129 dient eveneens te worden aangemerkt als een effectieve maatregel. Naar inschatting van de brandweer dienden reservoirwagens op spoor 129 verplaatst te worden ter voorkoming van ontploffingsgevaar omdat deze wagens, waarvan op basis van de verstrekte wagenlijsten aangenomen werd dat deze LPG bevatten, werden aangestraald door de wagen met brandende ethanol. Het enkele feit dat achteraf is gebleken dat deze twee door de brand aangestraalde wagens geen ontploffingsgevaar opleverden omdat zij leeg, gereinigd en gevuld met stikstof bleken, doet daaraan niet af. Doorslaggevend is de inschatting van de situatie op het moment dat de maatregel wordt verlangd.

Het verplaatsen van deze wagens heeft enige tijd in beslag genomen, onder meer omdat de wagens gekoppeld moesten worden en er een machinist geregeld moest worden. Toen echter de wagens klaar waren voor vertrek bleek dit vervolgens niet mogelijk omdat de seinzaal was ontruimd. Ontruiming had plaatsgevonden op last van de shiftleader op basis van berichtgeving via de radio omtrent een besluit van de burgemeester om tot evacuatie over te gaan van nabij Kijfhoek gelegen woningen. Het had echter op de weg van de shiftleader gelegen om inlichtingen omtrent de gevaarzetting voor de medewerkers in de seinzaal, in te winnen op Kijfhoek, in het bijzonder bij de brandweer, in plaats van af te gaan op informatie uit tweede hand. Alsdan was duidelijk geweest dat er voor de medewerkers op de seinzaal geen gevaar dreigde en ontruiming onnodig was. Nu ten gevolge van de ontruiming van de seinzaal het verplaatsen van de wagens op spoor 129 ongeveer een uur vertraging is opgelopen zijn de wagens niet zo spoedig als mogelijk verplaatst en is ook op dit onderdeel gehandeld in strijd met voorschrift 2.5.1.

Het verweer wordt dan ook verworpen.

Ten aanzien van voorschrift 2.3.3

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen onder het kopje medeplegen, bestaat geen onduidelijkheid over het antwoord op de vraag welke vennootschap verantwoordelijk is voor de fysieke inrichting van het emplacement Kijfhoek, waaronder mede begrepen dienen te worden de blusputten op het emplacement. Dat is [verdachte rechtspersoon 2]. Dit betekent dat [verdachte rechtspersoon 1] ten aanzien van dit voorschrift geen verwijt kan worden gemaakt, zodat zij van dit onderdeel zal worden vrijgesproken.

Standpunt verdediging (opzet)
Aangevoerd is dat, hoewel in het kader van de WED kleurloos opzet (opzet gericht op de gedraging) voldoende is, in het licht van de tekst van de onderhavige tenlastelegging, het opzet tevens dient te zijn gericht op het overtreden van de daarin genoemde vergunningvoorschriften. Hiervoor ontbreekt volgens de verdediging het bewijs, waarbij zij verwijst naar hetgeen zij eerder ten aanzien van het medeplegen heeft betoogd met betrekking tot onder meer de bekendheid van [verdachte rechtspersoon 1] met de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften.

Tussenbeoordeling

De rechtbank onderschrijft het standpunt van de verdediging dat het opzet in dit geval tevens gericht moet zijn op het overtreden van de in de tenlastelegging genoemde vergunningvoorschriften. Zij is evenwel van oordeel dat van opzet gericht op het overtreden van die vergunningvoorschriften ook sprake is, zij het in voorwaardelijke zin. Immers, zoals hiervoor reeds overwogen, was [verdachte rechtspersoon 1] op de hoogte van de vergunning en de daarin opgenomen vergunningsvoorschriften of had zij dat in ieder geval dienen te zijn als medeverantwoordelijke voor het rangeerproces. Door te handelen als zij heeft gedaan heeft zij welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij zou handelen in strijd met die voorschriften.

Het verweer wordt dan ook verworpen. Mede gelet op bovenstaande motivering kan dit strafbare feit aan [verdachte rechtspersoon 1] worden toegerekend.

Conclusie

Uit al het voorgaande volgt dat [verdachte rechtspersoon 1], tezamen en in vereniging met [verdachte rechtspersoon 2], opzettelijk, in voorwaardelijke zin, in strijd heeft gehandeld met voorschriften 2.1.10, 2.5.1 en 2.5.7 die behoren bij de aan [verdachte rechtspersoon 2] voor de inrichting afgegeven vergunning. Het onder 2 tenlastegelegde feit is wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3

Tegen de achtergrond van de hierboven weergegeven vaststaande feiten en omstandigheden dient te worden beoordeeld of de in de tenlastelegging onder feit 3 genoemde gedragingen/handelingen bewezen kunnen worden en hebben geleid tot de onder feit 3 daaraan gekoppelde gevolgen. De rechtbank maakt een onderscheid tussen de tenlastegelegde gedragingen/handelingen die volgens de tenlastelegging hebben geleid tot - kort gezegd - de botsing en de brand en de ten laste gelegde handelingen/gedragingen die volgens de tenlastelegging hebben geleid tot gevaar voor ontploffing en/of Bleve.

Ten aanzien van gevolg: botsing/brand

Onderscheid wordt gemaakt tussen de handelingen/gedragingen ten aanzien van de noodstopknop en die ten aanzien van het Bedieningsvoorschrift.

Noodstopknop

Standpunt openbaar ministerie

Aangevoerd is - voor zover thans relevant - dat de instructies voor de bediening van de stopknop bij het personeel niet bekend dan wel niet duidelijk zijn. Dit wordt niet anders door de plaatselijke regelgeving die door verdediging in het geding is gebracht nu deze tegenstrijdige instructies bevat. De regeling (gedoeld wordt op de Plaatselijke Regelgeving van de Productielocatie Kijfhoek met betrekking tot het Heuvelsorteerstation, ingangsdatum 15.07.2005, bijlage 1 bij de pleitaantekeningen van [verdachte rechtspersoon 2] waarop eveneens door [verdachte rechtspersoon 1] een beroep is gedaan) schrijft enerzijds voor dat men een heuveling niet mag onderbreken om de koppeling lang te draaien (p. 10). Anderzijds staat vermeld dat heuvelen mag worden onderbroken door de stopknop in te drukken voor het langdraaien van de koppeling (p. 12 en 16).

De opvolgende gebeurtenissen na het indrukken van de stopknop dienen als kettingreactie te worden gezien. In de context van die kettingreactie vormt het indrukken van de stopknop een wezenlijk onderdeel. Het is een van de oorzaken van het zich voordoen van het gevaar als beschreven in de tenlastelegging.

Tussenbeoordeling

Uit het dossier volgt dat de knuppelaar [naam knuppelaar] de stopknop heeft ingedrukt omdat de koppelingen tussen de afloopjes 3 en 4 niet voldoende waren losgedraaid en hij deze afloopjes daardoor niet van elkaar kon scheiden.

Door [verdachte rechtspersoon 2] is, als gezegd, de Plaatselijke Regelgeving van de Productielocatie Kijfhoek met betrekking tot het Heuvelsorteerstation ingangsdatum 15.07.2005 overlegd, op welke regeling door [verdachte rechtspersoon 1] eveneens een beroep is gedaan. Deze regelgeving beschrijft blijkens de eveneens in het geding gebrachte e-mail van [naam vervoerder] de op 14 januari 2011 geldende procedure voor wat betreft het heuvelen en in het bijzonder het knuppelen. In artikel 13 van deze regeling met als titel “heuvelen/onderbreken/bedienen stopknop” staat dat de heuveling mag worden onderbroken door bediening van de stopknop wanneer de knuppelaar een koppeling niet uit de haak krijgt.

Dit is wat [naam knuppelaar] heeft gedaan op 14 januari 2011 en derhalve heeft hij op 14 januari 2011 de stopknop bediend conform de voorgeschreven regels. Van tegenstrijdigheid in deze regelgeving is geen sprake. Artikel 5.12 van de regeling, waaraan het openbaar ministerie in dit verband refereert, heeft, gelet op de titel, betrekking op het niet los krijgen van de koppeling door de langdraaier. Dit ziet op het losdraaien van de koppeling door de langdraaier op het aankomstperron. Derhalve heeft genoemd artikel betrekking op een ander onderdeel van het heuvelproces dan het onderdeel knuppelen op het heuvelperron.

Uit de door knuppelaar [naam knuppelaar] afgelegde verklaring volgt bovendien dat hem duidelijk was dat in deze situatie de stopknop diende te worden ingedrukt.

Aldus kan, anders dan het openbaar ministerie heeft gesteld, niet worden bewezen het onderdeel in de tenlastelegging dat de knuppelaar op 14 januari 2011 de stopknop heeft bediend/ingedrukt zonder dat hiervoor een duidelijke instructie gold en/of terwijl niet duidelijk was wanneer/in welke situatie(s) de stopknop mocht worden bediend.

Bedieningsvoorschrift

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat het handelen in strijd met het Bedieningsvoorschrift niet aan [verdachte rechtspersoon 1] kan worden verweten, nu zij geen invloed of toezichthoudende rol heeft met betrekking tot het handelen van de heuvelprocesleider. Er is dus geen sprake van door [verdachte rechtspersoon 1] “niet voorkomen of toestaan” dat er werd gehandeld in strijd met het Bedieningsvoorschrift. [verdachte rechtspersoon 1] heeft niet de wetenschap of bevoegdheid om dat handelen te voorkomen. Daarnaast geldt dat [verdachte rechtspersoon 1] niet beter wist dan dat het heuvelsysteem fail safe was.

[verdachte rechtspersoon 1] had bovendien geen opzet op het veroorzaken van gevaar voor het spoorwegverkeer. Dit volgt uit voornoemde omstandigheden en ook uit de navolgende omstandigheden.

[verdachte rechtspersoon 1] wist niet dat het heuvelsysteem overruled kon worden en evenmin dat het gevolg daarvan kan zijn dat wagens met een te hoge snelheid de heuvel afgaan.

Bovendien is niet aangetoond dat indien wagens met een te hoge snelheid van de heuvel gaan per definitie de aanmerkelijk kans ontstaat dat er zich een dusdanige botsing tussen wagens zal voordoen dat daardoor brand of ander gevaar wordt veroorzaakt voor het spoorwegverkeer. In dit verband wordt verwezen naar het [naam]-rapport waaruit volgt dat veel vaker wagens te snel naar beneden gaan maar dat een botsing met brand zeldzaam is. [verdachte rechtspersoon 1] was zich in ieder geval niet bewust van de hiervoor genoemde kans en behoorde zich daar niet bewust van te zijn en zij heeft deze kans evenmin aanvaard.

[verdachte rechtspersoon 1] heeft voorts niet nauw en bewust samengewerkt met anderen tot het plegen van dit feit.

Tussenbeoordeling

Zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen, is zij van oordeel dat [verdachte rechtspersoon 1] bewust en nauw heeft samengewerkt met [verdachte rechtspersoon 2] ten aanzien van het rangeren op emplacement Kijfhoek. Onderdeel van dit rangeren is het heuvelproces.

Met deze vaststelling is gegeven dat de vraag of opzet op de tenlastegelegde gedraging en op het veroorzaken van gevaar bewezen kan worden verklaard ten aanzien van beide vennootschappen moet worden beoordeeld. Ter zake overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de heuvelprocesleider [naam heuvelprocesleider] op 14 januari 2011 veel kritische meldingen heeft gekregen en hierop niet heeft gereageerd zoals in het Bedieningsvoorschrift is voorgeschreven.

Uit de bewijsmiddelen volgt eveneens dat hieraan twee verklaringen ten grondslag liggen.

1. Omdat er vaak heel veel meldingen zijn en het scherm van de heuvelprocesleider maar 200 meldingen kan laten zien, kan de heuvelprocesleider ook meldingen, waaronder kritische meldingen, over het hoofd zien en om die reden voorgeschreven handelingen nalaten.

2. De heuvelprocesleider probeert in geval van kritische storingsmeldingen, waarvan er per heuvelproces in de regel meerdere zijn, altijd eerst zelf de storingsmelding op te lossen alvorens hij conform de instructie van het Bedieningsvoorschrift handelt.

Dat de heuvelprocesleiders aldus werken is in overeenstemming met de opleiding tot heuvelprocesleider die zij krijgen. Dit kan worden afgeleid uit de verklaring van [naam] die een van de opleiders is.

Aldus kan worden vastgesteld dat de wijze waarop de werkzaamheden door [naam heuvelprocesleider] zijn uitgevoerd een binnen [verdachte rechtspersoon 2] en [verdachte rechtspersoon 1] gebruikelijke en geaccepteerde werkwijze was en onderdeel uitmaakte van de dagelijkse bedrijfsvoering van beide vennootschappen. Dit wordt als zodanig ook niet bestreden. Wel is door de verdediging aangevoerd dat zij ervan uitging en er ook vanuit mocht gaan dat het heuvelsysteem fail safe was in die zin dat het systeem het heuvelproces volledig automatisch en veilig regelt zonder inbreng van de menselijke factor ten aanzien van de veiligheid, en dat dit ertoe leidt dat opzet niet bewezen kan worden verklaard.

Dit verweer houdt geen stand.

In het onderzoeksrapport van [naam] d.d. 13 januari 2012 staat als deelconclusie op pagina 32 vermeld: “Het heuvelsysteem voldoet aan de in 1999 bekende en beproefde techniek en stand der wetenschap. Op 14 januari 2011 zijn er geen aanwijzingen gevonden over het onjuist functioneren en heeft het systeem als zodanig correct gefunctioneerd. Het gaat daarbij uit van het deskundig/ervaren bedienen en strikt volgen van procedures door de heuvelprocesleider.”

Ook het rapport van [naam] d.d. 17 december 2012 laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Daarin staat: “Door de vrijheidsgraden die het systeem nu kent, is de verantwoordelijkheid van de bediener zeer groot. De kans dat de operator/heuvelprocesleider iets doet dat risicovol is, is daarmee zeker aanwezig en is nog groter als hij/zij het systeem niet goed kent.

Dat het [verdachte rechtspersoon 2] en [verdachte rechtspersoon 1] vóór 14 januari 2011 duidelijk was of in ieder geval duidelijk moet zijn geweest dat de juiste werking en daarmee de veiligheid van het systeem mede afhankelijk is van de wijze waarop dit systeem door de heuvelprocesleider wordt bediend, volgt reeds uit het feit dat er een Bedieningsvoorschrift is. Een Bedieningsvoorschrift, bestaande uit 251 pagina’s, waarin onder meer is beschreven welke acties door de heuvelprocesleider bij welke melding van het systeem kunnen en/of dienen te worden genomen. In hoofdstuk 9 van dit voorschrift staan de zogenaamde kritische meldingen beschreven en de daarbij behorende instructies. Deze instructies zijn glashelder. Zo staat er onder meer: “Stop de trein en Bel SMC”, “Stop de trein en kijk wat de detectie veroorzaakt kan hebben”, “Stop de trein. Laat buiten kijken welke wagen er nu werkelijk op de heuveltop staat en check of er een administratieve fout in de administratieve gegevens van het afloopje zat” en “Stop de trein. Het systeem stopt het heuvelen. Kijk of er geen aanrijding is opgetreden”. Uit de aard van deze instructies kan reeds worden afgeleid dat het niet voldoen hieraan kan leiden tot onder meer botsingen. In dit verband wijst de rechtbank er nog op dat [naam] heeft verklaard dat de ervaring van de heuvelprocesleider een grote rol speelt bij het adequaat afhandelen van de storingen. Dit was bij hem dus blijkbaar ook al vóór 14 januari 2011 bekend.

Uit het voorgaande wordt afgeleid dat [verdachte rechtspersoon 2] en [verdachte rechtspersoon 1] ook vóór 14 januari 2011 wisten dat de menselijke factor wel degelijk een rol speelde ten aanzien van de veiligheid van het heuvelsysteem en dat zij wisten of konden weten dat falen van deze menselijke factor tot botsingen kon leiden. Door desalniettemin toe te staan dat de heuvelprocesleiders in strijd met het Bedieningsvoorschrift reageerden op kritische meldingen van het heuvelprocessysteem en niet te voorkomen dat kritische meldingen over het hoofd werden gezien als gevolg van de aard van het systeem hebben zij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de op 14 januari 2011 ontstane botsing plaatsvond met alle gevolgen van dien.

[verdachte rechtspersoon 2] heeft in dit verband nog gewezen op een passage in het rapport van [naam] waaruit zou volgen dat de kans dat een vergelijkbare kinetische energie zou optreden als bij de botsing van de wagens op 14 januari 2011 - indien automatische geheuveld wordt - in orde van 1015 per afloop of 1010 per jaar is en die kans dus niet significant is. [verdachte rechtspersoon 1] heeft ter zitting een vergelijkbaar standpunt ingenomen. De rechtbank begrijpt dit zo dat [verdachte rechtspersoon 1] stelt dat de kans op gevaar in geval van een botsing gering is. De rechtbank stelt voorop dat met de botsing het gevaar voor mechanische verkeer al is gegeven en dit verweer van [verdachte rechtspersoon 1] om die reden reeds geen kans van slagen heeft.

Nog afgezien daarvan geldt het volgende. Uit de onderzoeksvraag die aan [naam] is voorgelegd kan worden afgeleid dat voorafgaand aan de botsing op 14 januari 2011 het in ieder geval niet bekend was bij betrokken partijen hoe groot de kans was op optreden van loss of containment (vrijkomen van gevaarlijke stoffen) in het geval zich een botsing voordeed. In dit verband wordt met name verwezen naar pagina 1 en 2 van het rapport. Door bewust de aanmerkelijk kans op een botsing te aanvaarden, heeft [verdachte rechtspersoon 1] dus ook - bij gebreke van andersluidende kennis daarover en in de wetenschap dat er gevaarlijke stoffen worden vervoerd - de aanmerkelijke kans op loss of containment aanvaard.

Voorts geldt dat op basis van de bevindingen van [naam] niet de vergaande conclusie kan worden getrokken dat de kans op gevaar in geval van een botsing gering is. Nog daargelaten dat [naam] in haar rapport stelt dat de verwachting is dat de kans op loss of containment afhankelijk is van het type wagen en de stof die erin vervoerd wordt en zij derhalve in ieder geval geen algemene uitspraak doet over de kans op gevaar na een botsing, heeft zij enkel op basis van zogenoemde ‘sigarendoosberekeningen’ de kans op het ontstaan van schade in de situatie van een botsing, zoals deze zich thans heeft voorgedaan, berekend en is vervolgens tot de conclusie gekomen dat “de kans zeer klein lijkt (cursivering door de rechtbank)”.

Op basis van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat [verdachte rechtspersoon 2] en [verdachte rechtspersoon 1] voorwaardelijk opzet hebben gehad op de tenlastegelegde gedraging, te weten het toestaan dat in strijd met het Bedieningsvoorschrift werd gehandeld, en op het veroorzaken van gevaar door die gedraging, in de vorm van een botsing en de brand. Gelet op bovenstaande motivering kan dit strafbare feit ook aan [verdachte rechtspersoon 2] en [verdachte rechtspersoon 1] worden toegerekend.

Ten aanzien van gevolg: ontploffing/BLEVE

Standpunt openbaar ministerie

Aangevoerd is - voor zover de rechtbank begrijpt - dat door de aanwezigheid van meerdere, lege ongereinigde LPG-wagens op spoor 129 een gevaar voor ontploffing of een Bleve ontstond en dat dit gevaar er niet was geweest als deze wagens tijdig waren verplaatst door [verdachte rechtspersoon 2]. Het gevaar voor ontploffing of Bleve van deze wagens is gegeven omdat de wagens gedurende 40 minuten slechts vanaf één kant waren gekoeld terwijl uit scenarioboeken onder meer blijkt dat tweezijdige koeling van aangestraalde wagens een van de benodigdheden is bij een dreigende Bleve.

Tussenbeoordeling

Vast is komen te staan dat er op spoor 129 25 wagens stonden waarvan 2 wagens (wagens 7 en 8 op de wagenlijst/heuvellijst) leeg en ongereinigd en gevuld met stikstof en de overige wagens leeg en ongereinigd van LPG.

Eveneens is vast komen te staan dat alleen de genoemde wagens 7 en 8 brandschade hadden als gevolg van de brand die op spoor 131 plaatsvond en de overige wagens op spoor 129 niet. Vast staat voorts dat wagens gevuld met stikstof geen gevaar opleverden voor een ontploffing of Bleve.

Het voorgaande brengt mee dat bewijs voor het causaal verband tussen het tenlastegelegde gevaar voor ontploffing of Bleve en het niet snel genoeg verplaatsen van de reservoirwagens op spoor 129 ontbreekt. Immers, de wagens die werden aangestraald door de brand leverden geen gevaar op voor ontploffing of Bleve doordat ze leeg, gereinigd en gevuld met stikstof waren en de wagens die theoretisch een gevaar voor een ontploffing op Bleve konden opleveren omdat er nog resten LPG in zaten niet werden aangestraald door de brand. De stelling van het openbaar ministerie dat deze LPG-wagens, ook nu ze niet werden aangestraald, een daadwerkelijk te duchten gevaar voor ontploffing of Bleve opleverden omdat deze - kort gezegd - onvoldoende waren gekoeld, vindt geen steun in het dossier. Het betoog van de openbaar ministerie ter zake dat is gebaseerd op situaties beschreven in een scenarioboek welke situaties door het openbaar ministerie worden gekoppeld aan de feiten maakt dit niet anders. Tegen het door het openbaar ministerie ingenomen standpunt pleit bovendien dat de wagens 9 tot en met 25 van spoor 129 niet zijn verplaatst en niet is gebleken dat hierom door de brandweer wel was verzocht. De wagens 9 tot en met 25, die op wagen 11 na eveneens ongereinigd waren van LPG en in de buurt van de brand stonden, konden dus blijkbaar in de buurt van de brand blijven staan zonder dat dit gevaar opleverde.

Conclusie

[verdachte rechtspersoon 2] en [verdachte rechtspersoon 1] hebben tezamen en in vereniging opzettelijk, in de vorm van voorwaardelijke opzet, toegestaan dat in strijd met het Bedieningsvoorschrift werd gehandeld met een botsing en brand tot gevolg. Het tenlastegelegde feit 3 is in zoverre bewijsbaar. Voor het overige wordt [verdachte rechtspersoon 1] hiervan vrijgesproken.

Feit 4

Tegen de achtergrond van de hierboven weergegeven vaststaande feiten en omstandigheden en in het licht van de door het openbaar ministerie en de verdediging aangevoerde argumenten dient te worden beoordeeld of de in de tenlastelegging onder feit 4 genoemde gedragingen/handelingen hebben geleid tot de onder feit 4 daaraan gekoppelde gevolgen.

Beoordeling

Uit hetgeen de rechtbank in het voorgaande heeft overwogen, volgt dat bewezen kan worden dat het aan de schuld (aanmerkelijke onvoorzichtigheid) van [verdachte rechtspersoon 2] en [verdachte rechtspersoon 1] is te wijten dat ethanol is gaan branden en brand in een reservoirwagen is ontstaan en dat dit ook aan hen is toe te rekenen.

Beoordeeld dient te worden of hierdoor gevaar voor goederen en/of voor zwaar lichamelijk letsel voor personen is ontstaan.

De rechtbank stelt voorop dat een zogenoemd brandtechnisch rapport, met daarin een beschrijving van de oorzaak van de brand, de gevolgen en gevaarzetting van de brand, in het dossier ontbreekt.

Bij gebreke hiervan dient het bewijs voor het ten laste gevaar als gevolg van de brand te worden gehaald uit de wel in het dossier beschikbare documenten en verklaringen.

Op basis hiervan kan alleen worden bewezen dat er door de brand gevaar was voor reservoirwagens op de sporen 129, 131 en 132, voor houten dwarsliggers tussen sporen 130 en 131 ter hoogte van de brandhaard en voor een kabel van een bijdrukkarretje op spoor 131.

Bewijs voor gevaar voor de overige tenlastegelegde goederen (treinen, gebouwen op/nabij rangeerterrein Kijfhoek en/of woningen in de (nabije) omgeving van Kijfhoek) ontbreekt.

Hetzelfde geldt voor het tenlastegelegde levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen. Weliswaar kan bewezen worden dat personeel werkzaam op het rangeeremplacement en personeel van de brandweer in de nabijheid van de brand is geweest maar hiermee is nog niet het bewijs geleverd dat er voor deze personen het tenlastegelegde gevaar bestond.

BEWEZENVERKLARING

Op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande en de overige inhoud van de bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden (als bijlage II aan dit vonnis gehecht) is wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte rechtspersoon 1] het onder 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

2.

zij omstreeks 14 januari 2011 te Zwijndrecht, op het rangeeremplacement

Kijfhoek,

tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk,

in strijd heeft gehandeld met voorschriften van een omgevingsvergunning die betrekking hadden op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid, onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,

te weten de krachtens de Wet Milieubeheer bij beschikking van 28 augustus

1995 met kenmerk DWM/102840 door Gedeputeerde Staten van Zuid - Holland

verleende vergunning aan N.V. Nederlandse Spoorwegen (NS),

immers, hebben zij, verdachte, en haar mededader, toen aldaar:

-in strijd met Voorschrift 2.1.10 van die vergunning niet voldaan aan de verplichting dat wagens na het heuvelen op mechanische wijze tegen elkaar worden gedrukt met een gemiddelde oploop snelheid van 1,5 m/s (en/of 5,4 km/u) en/of een maximale oploop snelheid van 1,6 m/s (en/of 6 km/u),

aangezien reservoirwagens met wagennummers 33877849621-0 en 33877836263-6

en 33877965339-7 en 33877965320-7 (afloop 3) en reservoirwagens met

wagennummers 33877853073-7 en 33877965202-7 en 33877853044-8 en

33877853398-8 (afloop 4) met een (oploop)snelheid van meer dan 1,6 m/s en/of 6 km/u op/tegen de reservoirwagens met wagennummers 33877850571-3 en 33877853048-9 en

33877851916-9 en 33877853019-0 (afloop 2) respectievelijk reservoirwagens met wagennummers 33877849621-0 en 33877836263-6 en 33877965339-7 en 33877965320-7 (afloop 3) zijn gekomen/gebotst;

en

-in strijd met Voorschrift 2.5.1 van die vergunning niet heeft voldaan aan de verplichting om bij een ongewoon voorval met gevaarlijke stoffen binnen de inrichting onmiddellijk effectieve maatregelen te treffen om de gevolgen van de gebeurtenissen te beperken dan wel weg te nemen,

aangezien

a) posities en locaties en inhoud en ladingen van (trein)wagens niet duidelijk waren omdat wagenlijsten niet overeenkwamen met de feitelijke situatie van de betreffende (trein)wagens

en verschillende wagenlijsten en onvolledige wagenlijsten verstrekt werden,

en wagenlijsten voor (trein)wagens ten oosten van spoor 129 niet verstrekt werden

en

b) reservoirwagens leeg en ongereinigd van LPG en beladen met stikstof op spoor 129 niet onmiddellijk/onverwijld/zo spoedig als mogelijk werden verplaatst uit de nabijheid van de

brandende reservoirwagen op spoor 131;

en

- in strijd met Voorschrift 2.5.7 van die vergunning niet heeft voldaan aan de verplichting dat de centrale rangeerdienstleider of zijn/haar plaatsvervanger op verzoek van hulpverlenende instanties zoals de brandweer bij de bestrijding van onregelmatigheden, waarbij gevaarlijke stoffen (conform RID) betrokken zijn, tijdig alle benodigde informatie zoals aard, omvang en locatie van onregelmatigheden verstrekt,

aangezien posities en/ locaties en inhoud en ladingen van (trein)wagens niet duidelijk waren omdat wagenlijsten, zoals die op verzoek van hulpverlenende instanties verstrekt werden, niet overeenkwamen met de feitelijke situatie van de betreffende (trein)wagens en verschillende wagenlijsten en onvolledige wagenlijsten verstrekt werden en wagenlijsten voor wagens ten oosten van spoor 129, waar door hulpverlenende instanties om werd verzocht, niet verstrekt werden;

3.

zij op 14 januari 2011 te Zwijndrecht, op het rangeeremplacement

Kijfhoek,

tezamen en in vereniging met een ander,

opzettelijk gevaar heeft veroorzaakt voor verkeer door mechanische kracht over een

spoorweg,

immers, hebben zij, verdachte en haar mededader,

vierentwintig (24) (reservoir)wagens, beladen met gevaarlijke stoffen, waaronder ethanol en/of zwavelkoolstof en/of leeg en ongereinigd van gevaarlijke stoffen, waaronder fosfor en/of pyrofore metaal organische stof, vloeibaar reactief met water, geheuveld/gerangeerd/vervoerd ,

terwijl zij, verdachte, en haar mededader,

hebben toegestaan dat

-in strijd met het Bedieningsvoorschrift voor Kijfhoek Heuvelproces (waaronder hoofdstuk 3, paragraaf 3.3.4 en/of hoofdstuk 9)

a) genoemde wagens door de heuvelprocesleider werden gerangeerd/geheuveld terwijl het heuvelprocessysteem niet conflictvrij/storingsvrij was, en

b) kritische (storings)meldingen in het heuvelprocessysteem tijdens het rangeren/heuvelen van genoemde wagens niet ieder afzonderlijk en/of per melding conform de instructies en/of opdrachten van het Bedieningsvoorschrift door de heuvelprocesleider werden afgehandeld, en

c) de heuvelprocesleider geen stopopdracht heeft gegeven toen het heuvelprocessysteem kritische (storings)meldingen tijdens het rangeren/heuvelen van genoemde wagens genereerde,

als gevolg waarvan

-railremmen geen of onvoldoende remkracht hadden en

-enkele van genoemde wagens tijdens de afloop/het heuvelen een te hoge snelheid ontwikkelden en

- botsingen tussen enkele van genoemde wagen optraden en

-schade aan deze wagens werd veroorzaakt en

-brand bij reservoirwagen met wagennummer 33877853073-7 ontstond;

4.

zij omstreeks 14 januari 2011 te Zwijndrecht, op het rangeeremplacement

Kijfhoek,

tezamen en in vereniging met een ander,

aanmerkelijk onvoorzichtig meerdere reservoirwagens geladen met de zeer brandbare vloeistof ethanol met elkaar in botsing heeft laten komen, bij welke botsing vervolgens ethanol is vrijgekomen,

immers hebben zij en haar mededader meerdere reservoirwagens gerangeerd

en / of geheuveld, terwijl tijdens dat rangeren/heuvelen

- in strijd met het Bedieningsvoorschrift voor Kijfhoek Heuvelproces werd gehandeld,

ten gevolge waarvan het aan hun schuld te wijten is dat brand is ontstaan in reservoirwagen met wagennummer 33877853073-7,

terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen is ontstaan, te weten voor treinwagens staande op het rangeeremplacement Kijfhoek en spoormaterieel .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. [verdachte rechtspersoon 1] moet ook daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

2.

medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2.3 aanhef en onder a

van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan door een rechtspersoon;

3. primair

medeplegen van opzettelijk gevaar veroorzaken voor het verkeer door mechanische kracht over een spoorweg, begaan door een rechtspersoon;

4.

medeplegen van aan zijn schuld brand te wijten zijn, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat, begaan door een rechtspersoon.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE RECHTSPERSOON

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte rechtspersoon 1] uitsluit.

[verdachte rechtspersoon 1] is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan [verdachte rechtspersoon 1] wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de draagkracht van [verdachte rechtspersoon 1]. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

[verdachte rechtspersoon 1] voert ten behoeve van de exploitatie van de Betuweroute beheertaken uit op het rangeeremplacement Kijfhoek, waar dagelijks een groot aantal wagens met gevaarlijke stoffen wordt gerangeerd. Dit brengt veiligheidsrisico’s met zich mee voor de omgeving. Mede gelet op de ligging van het rangeeremplacement, middenin de dichtbevolkte Randstad, behoort zij daar tot de categorie risicobedrijven.

[verdachte rechtspersoon 1] heeft zich samen met [verdachte rechtspersoon 2], schuldig gemaakt aan drie strafbare feiten, bestaande uit, kort gezegd, het in strijd handelen met voorschriften verbonden aan de aan [verdachte rechtspersoon 2] verleende omgevingsvergunning, het veroorzaken van gevaar voor spoorwegverkeer en het verwijtbaar veroorzaken van brand op emplacement Kijfhoek.

[verdachte rechtspersoon 1] heeft samen met [verdachte rechtspersoon 2] vergunningvoorschriften, gericht op veiligheidsaspecten, ter bescherming van mens en milieu niet nageleefd. Zo zijn wagens, beladen met gevaarlijke stoffen gerangeerd, waarbij tijdens het rangeren een hogere oploopsnelheid is bereikt dan was toegestaan, met een botsing tot gevolg. Door deze botsing is ethanol uit een wagen gelekt en is brand ontstaan. Wagenlijsten die vervolgens voor de brandweer van belang waren voor het bepalen van een blusstrategie van deze brand werden niet verstrekt, kwamen niet overeen met de feitelijke situatie op het spoor of vertoonden verschillen. Ook is onnodig vertraging opgetreden bij het op last van de brandweer verplaatsen van wagens, waarvan vermoed werd dat deze ontploffingsgevaar opleverden, omdat de seinzaal, zonder overleg met de daartoe aangewezen autoriteit, was ontruimd.

Daarnaast hebben [verdachte rechtspersoon 1] en [verdachte rechtspersoon 2] gevaar veroorzaakt op het spoor door het Bedieningsvoorschrift voor het Kijfhoek Heuvelproces niet na te leven bij het rangeren van 24 wagens met gevaarlijke stoffen, met de eerder genoemde botsing, schade aan wagens en spoorwegmaterieel en brand tot gevolg.

Als exploitant/taakbeheerder van een spooremplacement waar dagelijks een groot aantal wagens met gevaarlijke stoffen wordt gerangeerd met alle risico’s van gevaarzetting van dien, rust er een grote verantwoordelijkheid op [verdachte rechtspersoon 1] om met inachtneming van alle veiligheidsvoorschriften te handelen en erop toe te zien dat dit ook gebeurt door een ieder die bij de uitvoering van de werkzaamheden betrokken is. Door desalniettemin haar bedrijfsvoering zo in te richten dat in strijd met het Bedieningsvoorschrift van haar eigen heuvelsysteem werd gehandeld, heeft [verdachte rechtspersoon 1] het risico van het ontstaan van gevaar genomen zoals dit zich ook heeft gerealiseerd. Dit rekent de rechtbank [verdachte rechtspersoon 1] aan.

Voorts rekent de rechtbank het [verdachte rechtspersoon 1] aan dat zij bij de onderhavige calamiteiten niet adequaat heeft gehandeld met als gevolg dat de brandweer werd belemmerd in de uitoefening van zijn taak om risico’s van de brand te beheersen, de brand te bestrijden en de schadelijke gevolgen van de brand zoveel mogelijk te beperken.

[verdachte rechtspersoon 1] mag van geluk spreken dat haar handelen niet heeft geleid tot nog veel ernstiger gevolgen dan die zich nu hebben voorgedaan.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een aanzienlijke geldboete.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen geldboete heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat [verdachte rechtspersoon 1] blijkens het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 24 september 2014 niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Voorts heeft de rechtbank ten gunste van [verdachte rechtspersoon 1] in aanmerking genomen dat er sedert 14 januari 2011 geen ernstige, vergelijkbare incidenten meer hebben plaatsgevonden.

Bij de berechting van een zaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte rechtspersoon in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersoon kan als een zodanige handeling worden aangemerkt. De heer [naam] is in de onderhavige zaak op 17 oktober 2011 voor het eerst als vertegenwoordiger van [verdachte rechtspersoon 1] verhoord. Op deze datum is de redelijke termijn derhalve aangevangen.

Tussen 17 oktober 2011 en de datum van het eindvonnis ligt een periode van drie jaar en bijna 2 maanden. Uitgaande van de termijn van twee jaar, zoals hiervoor is overwogen, zou er in de onderhavige zaak sprake zijn van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM van ruim een jaar en 1 maand. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdachte rechtspersoon, dient dit gecompenseerd te worden door vermindering van de op te leggen straf met een bedrag van € 10.000,--.

Ook houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat [verdachte rechtspersoon 1], zoals bij monde van haar vertegenwoordiger ter zitting toegelicht, veel inzet toont om overtredingen als de onderhavige te voorkomen.

De rechtbank deelt niet het standpunt van de officieren van justitie dat het onderhavige incident vergeleken kan worden met de zaken van [naam], [naam] en [naam]. In de onderhavige zaak is slechts sprake geweest van vermeende dreiging van groot gevaar in de zin van een BLEVE. Feitelijk is de materiële en milieuschade, hoewel zeker niet te verwaarlozen, afgezet tegen de genoemde zaken beperkt gebleven, terwijl evenmin sprake is geweest van een structureel niet naleven van veiligheidsvoorschriften.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank dan ook een substantieel lagere geldboete opleggen dan door de officieren van justitie is geëist

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Behalve op het reeds genoemde artikel, is gelet op de artikelen 23, 47, 51, 57, 158 en 164 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, zoals deze golden ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de dagvaarding ten aanzien van de feiten 1 en 2 partieel nietig, voor zover deze ziet op wagenlijsten van andere sporen dan de sporen 129, 131 en 134 en de sporen ten oosten van spoor 129;

verklaart de dagvaarding ten aanzien van de feiten 1 en 2 voor het overige geldig en ten aanzien van feit 4 geldig;

verklaart niet bewezen, dat [verdachte rechtspersoon 1] het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de [verdachte rechtspersoon 1] daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat [verdachte rechtspersoon 1] de onder 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan [verdachte rechtspersoon 1] meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt [verdachte rechtspersoon 1] ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart [verdachte rechtspersoon 1] strafbaar;

veroordeelt [verdachte rechtspersoon 1] tot een geldboete van € 100.000,- (zegge: honderdduizend euro).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.F. Koekebakker, voorzitter,

en mrs. M.C. Franken en I.K. Rapmund, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. Lemm, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 december 2014.

Bijlage I bij vonnis van 11 december 2014.

TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING

Aan de verdachte rechtspersoon wordt ten laste gelegd dat

1.

(Gevaarlijke stoffen)

Zij op of omstreeks 14 januari 2011 te Zwijndrecht, op het rangeeremplacement

Kijfhoek,

tezamen en in vereniging met (een) andere en), althans alleen,

al dan niet opzettelijk,

in strijd met het bepaalde bij en/of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke

stoffen,

gevaarlijke stoffen met een vervoermiddel per spoor heeft vervoerd

en/of

een vervoermiddel, waarin of waarop zich gevaarlijke stoffen of resten daarvan

bevinden, heeft laten staan en/of laten liggen

en/of

overige met het vervoer van gevaarlijke stoffen rechtstreeks samenhangende

handelingen heeft verricht,

te weten vierentwintig, in elk geval één of meerdere, reservoir-, en/of open

wagen(s), waarvan twintig beladen waren met ethanol (UN 1170, klasse 3) en/of

twee beladen waren met zwavelkoolstof (UN 1131, klasse 3) en/of één wagen leeg en

ongereinigd was van fosfor (UN 2447, klasse 4.2) en/of één wagen leeg en

ongereinigd was van een pyrofore metaal organische stof, vloeibaar reactief

met water (UN 3394, klasse 4.2),

zijnde die stof(fen) (een) gevaarlijke stof(fen), als bedoeld in artikel 1 van

de Wet vervoer gevaarlijke stoffen,

zonder een of meer door de Minister van Verkeer en Waterstaat (per 14 oktober 2010

Minister van Infrastructuur en Milieu) gestelde regel(s) in de VSG

(Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen) en/of in het RID

(Reglement betreffende het internationale spoorwegverkeer van gevaarlijke

goederen), zoals bedoeld in artikel 2 van de VSG voornoemd, in acht te nemen,

immers, heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededaderes) toen aldaar:

(veiligheidsplichten)

in strijd met Voorschrift/randnummer 1.4.1.1 van het RID voornoemd niet

voldaan aan de verplichting dat zij als betrokkene bij het vervoer van

gevaarlijke goederen overeenkomstig de aard en de omvang van de te

voorziene gevaren maatregelen treft om schadegevallen te verhinderen en/of

indien schade optreedt, de omvang daarvan zo beperkt mogelijk te houden,

aangezien werd toegestaan en/of niet werd voorkomen dat

- de nood(stop)knop op het knuppelperron (van spoor 232) tijdens het rangeren/heuvelen door de rangeermedewerker/knuppelaar werd

bediend/ingedrukt, zonder dat voor de bediening van de noodknop (een)

(duidelijke) instructie(s) gold(en) en/of terwijl niet duidelijk was

wanneer/in welke situatie(s) de noodknop mocht worden bediend,

en/of

- in strijd met het Bedieningsvoorschrift voor Kijfhoek Heuvelproces

(waaronder hoofdstuk 3, paragraaf 3.3.4 en/of hoofdstuk 9)

a) genoemde wagens door de heuvelprocesleider werden gerangeerd/geheuveld

terwijl het heuvelprocessysteem niet conflictvrij/storingsvrij was, en/of

b) kritische (storings)meldingen in het heuvelprocessysteem tijdens het

rangeren/heuvelen van genoemde wagens niet ieder afzonderlijk en/of per

melding conform de instructie(s) en/of opdracht(en) van het

Bedieningsvoorschrift door de heuvelprocesleider werden afgehandeld, en/of

c) de heuvelprocesleider geen stopopdracht aan de machinist heeft gegeven

toen het heuvelprocessysteem kritische (storings)meldingen tijdens het

rangeren/heuvelen van genoemde wagens genereerde,

en/of

- twintig, althans een of meer (reservoir)wagen(s) leeg en ongereinigd van LPG

en/of beladen met stikstof op spoor 129

a. niet onmiddellijk/onverwijld/zo spoedig als mogelijk uit/van de

nabijheid van de brand/brandende reservoirwagen op spoor 131 werd(en) verplaatst en/of

b) gedurende enige uren in de nabijheid van de brand/brandende

reservoirwagen op spoor 131 stond(en);

en/of

(veiligheidsplichten)

- in strijd met Voorschrift/randnummer 1.4.1.2 van het RID voornoemd niet

voldaan aan de verplichting dat zij als betrokkene een mogelijk direct

gevaar voor de openbare veiligheid onmiddellijk meldt aan de instanties

voor de hulpverlening en de veiligheid en deze instanties voorziet

van de voor hun optreden noodzakelijke informatie, en/of

- in strijd met Voorschrift/randnummer 1.4.3.6 van het RID voornoemd niet

voldaan aan de verplichting dat zij als infrastructuurbeheerder er voor

zorgt dat zij te allen tijde gedurende het vervoer snel en onbeperkt

toegang heeft tot de informatie met betrekking tot:

- samenstelling van de trein, door vermelding van het nummer van elke

wagen en het wagentype, indien dit niet onderdeel is in het

wagennummer; en/of

- UN-nummers van de gevaarlijke goederen die in of op elke wagen worden

vervoerd, of, indien alleen gevaarlijke goederen verpakt in gelimiteerde

hoeveelheden worden vervoerd overeenkomstig Hoofdstuk 3.4, informatie die

aanwezigheid daarvan aangeeft indien kenmerking van de wagen of de grote

container overeenkomstig Hoofdstuk 3.4 is voorgeschreven; en/of

- Positie van elke wagen in de trein (volgorde van de wagens),

aangezien positie(s) en/of locatie(s) en/of inhoud en/of lading(en) van

(trein)wagen(s) niet duidelijk was/waren omdat

- wagenlijst(en), zoals die aan de instanties voor de hulpverlening en de

veiligheid verstrekt werd(en), niet overeenkwam(en) met de feitelijke

situatie van de betreffende (trein)wagen(s) en/ of (twee) verschillende

wagenlijst( en) en/of (een) onvolledige wagenlijst(en) verstrekt werd(en),

en/of

- wagenlijst(en), zoals die aan instanties voor de hulpverlening en de

veiligheid verstrekt werd(en), de samenstelling van de trein(en) en/of de

positie(s) van elke wagen in de trein(en) en/of UN-nummer(s) van

gevaarlijke goederen en/of lading(en) niet (juist) aangaf(ven),

en/of

- wagenlijst(en), waar door de instanties voor de hulpverlening en de

veiligheid om werd verzocht, niet snel verstrekt werd(en) en/of

wagenlijst(en) (voor (trein)wagens ten oosten van spoor 129), waar door

de instanties voor de hulpverlening en de veiligheid om werd verzocht,

niet verstrekt werd(en);

(Artikel 1a juncto artikel 2 juncto artikel 6 Wet op de economische delicten

juncto artikel 5 van de Wet Vervoer gevaarlijke stoffen juncto artikel 51 van

het Wetboek van Strafrecht)

art. 5 Wet vervoer gevaarlijke stoffen

2.

(Omgevingsvergunning)

Zij op of omstreeks 14 januari 2011 te Zwijndrecht, op het rangeeremplacement

Kijfhoek,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

al dan niet opzettelijk,

in strijd heeft gehandeld met een (of meer) voorschrift(en) van een

omgevingsvergunning dat (die) betrekking had(den) op activiteiten als bedoeld

in artikel 2.1 eerste lid, onder e van de Wet algemene bepalingen

omgevingsrecht,

te weten de krachtens de Wet Milieubeheer bij beschikking van 28 augustus

1995 met kenmerk DWM/102840 door Gedeputeerde Staten van Zuid - Holland

verleende vergunning aan N.V. Nederlandse Spoorwegen (NS),

immers, heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s), toen aldaar:

(te hoge snelheid van wagens)

-in strijd met Voorschrift 2.1.10 van die vergunning niet voldaan aan de

verplichting dat wagens na het heuvelen op mechanische wijze tegen elkaar

worden gedrukt met een gemiddelde oploop snelheid van 1,5 m/s (en/of 5,4 km/u)

en/of een maximale oploop snelheid van 1,6 m/s (en/of 6 km/u),

aangezien reservoirwagens met wagennummers 33877849621-0 en/of 33877836263-6

en/of 33877965339-7 en/of 33877965320-7 (afloop 3) en reservoirwagens met

wagennummers 33877853073-7 en/of 33877965202-7 en/of 33877853044-8 en/of

33877853398-8 (afloop 4) met een (oploop)snelheid van 6,8 m/s en/of 24,5 km/u

respectievelijk 6,9 m/s en/of 24,8 km/u,

in elk geval (telkens) meer dan 1,6 m/s en/of 6 km/u op/tegen de

(reservoir)wagens met wagennummers 33877850571-3 en/of 33877853048-9 en/of

33877851916-9 en/of 33877853019-0 (afloop 2) respectievelijk reservoirwagens

met wagennummers 33877849621-0 en/of 33877836263-6 en/of 33877965339-7 en/of 33877965320-7 (afloop 3) zijn gekomen/gebotst;

en/of

(onvoldoende markering en herkenbaarheid van blusputten)

- in strijd met Voorschrift 2.3.3 van die vergunning niet voldaan aan de

verplichting dat aansluitpunten en/of afsluiters en/of brandleidingen

duidelijk gemarkeerd zijn en/of te allen tijde waarneembaar en/of bereikbaar

zijn,

aangezien de blusputten onder het maaiveld lagen en/of op de blusputten

platen/deksels lagen en/of de blusputten en/of de daarover heen liggende

platen en/of deksels niet (duidelijk) waren gemarkeerd en/of de blusputten

en/of de daarover heen liggende platen en/of deksels niet (duidelijk)

waarneembaar waren;

en/of

(effectieve maatregelen treffen)

-in strijd met Voorschrift 2.5.1 van die vergunning niet heeft voldaan aan de

verplichting om bij een ongewoon voorval met gevaarlijke stoffen binnen de

inrichting onmiddellijk effectieve maatregelen te treffen om de gevolgen van de

gebeurtenissen te beperken dan wel weg te nemen,

aangezien

a. a) positie(s) en/of locatie(s) en/of inhoud en/of lading(en) van

(trein)wagen(s) niet duidelijk was/waren omdat wagenlijst(en) niet

overeenkwam(en) met de feitelijke situatie van de betreffende (trein)wagen(s)

en/of (twee) verschillende wagenlijst(en) en/of (een) onvolledige wagenlijst(en)

verstrekt werd(en),

en/of wagenlijst(en) verstrekt werd(en) die de samenstelling van de trein(en)

en/of de positie(s) van elke wagen in de trein(en) en/of UN-nummer(s)

van gevaarlijke goederen en/of lading(en) niet (juist) aangaf/-gaven,

en/of wagenlijst(en) niet onmiddellijk verstrekt werd(en) en/of

wagenlijst(en) (voor (trein)wagens ten oosten van spoor 129) niet verstrekt

werd(en)

en/of

b) twintig, althans een of meer (reservoir)wagen(s) leeg en ongereinigd van LPG en/of

beladen met stikstof op spoor 129 niet onmiddellijk/onverwijld/zo spoedig als mogelijk

werd(en) verplaatst/verwijderd uit/van de nabijheid van de brand/brandende

reservoirwagen op spoor 131;

en/of

(geen tijdige en/of onjuiste informatieverstrekking aan hulpverleningsdiensten)

- in strijd met Voorschrift 2.5.7 van die vergunning niet heeft voldaan aan de

verplichting dat de centrale rangeerdienstleider of zijn/haar plaatsvervanger

op verzoek van hulpverlenende instanties zoals de brandweer bij de

bestrijding van onregelmatigheden, waarbij gevaarlijke stoffen (conform RID)

betrokken zijn, tijdig alle benodigde informatie zoals aard, omvang en locatie

van onregelmatigheden verstrekt,

aangezien positie(s) en/ of locaties(s) en/ of inhoud en/of lading(en) van

(trein)wagen(s) niet duidelijk was/waren omdat

wagenlijst(en), zoals die op verzoek van hulpverlenende instanties verstrekt

werd(en), niet overeenkwam(en) met de feitelijke situatie van de betreffende

(trein)wagen(s) en/of (twee) verschillende wagenlijst(en) en/of (een)

onvolledige wagenlijst(en) verstrekt werd(en) en/of

wagenlijst(en), zoals die op verzoek van hulpverlenende instanties verstrekt

werd(en), de samenstelling van de trein(en) en/of de positie(s) van elke

wagen in de trein(en) en/of UN-nummer(s) van gevaarlijke goederen en/of

lading(en) niet (juist) aangaf/-gaven, en/of

wagenlijst(en), waar door hulpverlenende instanties om werd verzocht, niet

tijdig verstrekt werd(en) en/of wagenlijst(en) (voor wagens ten oosten van

spoor 129), waar door hulpverlenende instanties om werd verzocht, niet

verstrekt werd(en);

(Artikel 1a juncto artikel 2 juncto artikel 6 Wet op de economische delicten

juncto artikel 2.3 onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

juncto artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht)

art 2.3 ahf/sub a Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

art 2.3 ahf/sub a Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

3.

(Gevaar voor spoorwegverkeer)

zij op of omstreeks 14 januari 2011 te Zwijndrecht, op het rangeeremplacement

Kijfhoek,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

opzettelijk gevaar veroorzaakt voor verkeer door mechanische kracht over een

spoorweg,

immers, heeft/hebben zij, verdachte en/of haar mededader(s),

vierentwintig (24), in elk geval één of meerdere, (reservoir)wagen(s), beladen met

gevaarlijke stoffen, waaronder ethanol en/of zwavelkoolstof en/of leeg en ongereinigd van

gevaarlijke stoffen, waaronder fosfor en/of pyrofore metaal organische stof, vloeibaar reactief met water, geheuveld/gerangeerd/vervoerd en/of laten heuvelen/rangeren/vervoeren,

terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s),

heeft/hebben toegestaan en/of niet heeft/hebben voorkomen dat

de nood(stop)knop op het knuppelperron (van spoor 232) tijdens het

rangeren/heuvelen door de rangeermedewerker/knuppelaar werd

bediend-ingedrukt, zonder dat voor de bediening van de noodknop (een)

duidelijke instructie(s) gold(en) en/of terwijl niet duidelijk was wanneer/in

welke situatie(s) de noodknop mocht worden bediend, en/of

heeft/hebben toegestaan en/of niet heeft/hebben voorkomen dat

-in strijd met het Bedieningsvoorschrift voor Kijfhoek Heuvelproces (waaronder

hoofdstuk 3, paragraaf 3.3.4 en/of hoofdstuk 9)

a)genoemde wagens

door de heuvelprocesleider werden gerangeerd/geheuveld terwijl het

heuvelprocessysteem niet conflictvrij/storingsvrij was, en/of

b) kritische (storings)meldingen in het heuvelprocessysteem tijdens het

rangeren/heuvelen van genoemde wagens niet ieder afzonderlijk en/of per

melding conform de instructie(s) en/of opdracht(en) van het

Bedieningsvoorschrift door de heuvelprocesleider werden afgehandeld, en/of

c) de heuvelprocesleider geen stopopdracht aan de machinist heeft gegeven toen

het heuvelprocessysteem kritische (storings)meldingen tijdens het

rangeren/heuvelen van genoemde wagens genereerde,

als gevolg waarvan

-railremmen geen of onvoldoende remkracht hadden en/of

-enkele van genoemde wagens tijdens de afloop/het heuvelen een (te) hoge of

verhoogde snelheid ontwikkelden en/of

-(een) botsing(en)/aanrijding tussen twee, althans enkele van genoemde wagens

optrad(en) en/of

-schade aan een of meer van genoemde wagens werd veroorzaakt en/of

-brand in/bij reservoirwagen met wagennummer 33877853073-7 ontstond,

en/of

heeft/hebben nagelaten en/of geen of onvoldoende maatregelen heeft/hebben

getroffen om

-twintig, althans een of meer (reservoir )wagen(s) leeg en ongereinigd van LPG en/of

beladen met stikstof op spoor 129 onmiddellijk/onverwijld/zo spoedig als mogelijk te

verplaatsen en/of te verwijderen uit/van de nabijheid van de brand/brandende

reservoirwagen op spoor 131,

als gevolg waarvan

-gevaar voor een ontploffing en/of BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour

Explosion) ontstond;

(Artikel 164 Wetboek van Strafrecht)

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 14 januari 2011 te Zwijndrecht, op het rangeeremplacement

Kijfhoek,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

zich zodanig heeft gedragen dat door haar schuld gevaar ontstond voor het verkeer

door mechanische kracht over een spoorweg,

immers, heeft/hebben zij, verdachte en/of haar mededader(s),

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam

vierentwintig (24), in elk geval één of meerdere, (reservoir)wagen(s), beladen met

gevaarlijke stoffen, waaronder ethanol en/of zwavelkoolstof en/of leeg en ongereinigd van

gevaarlijke stoffen, waaronder fosfor en/of pyrofore metaal organische stof, vloeibaar reactief met water, geheuveld/gerangeerd/vervoerd en/of laten heuvelen/rangeren/vervoeren,

terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s),

heeft/hebben toegestaan en/of niet heeft/hebben voorkomen dat

de nood(stop)knop op het knuppelperron (van spoor 232) tijdens het

rangeren/heuvelen door de rangeermedewerker/knuppelaar werd

bediend-ingedrukt, zonder dat voor de bediening van de noodknop (een)

duidelijke instructie(s) gold(en) en/of terwijl niet duidelijk was wanneer/in

welke situatie(s) de noodknop mocht worden bediend, en/of

heeft/hebben toegestaan en/of niet heeft/hebben voorkomen dat

-in strijd met het Bedieningsvoorschrift voor Kijfhoek Heuvelproces (waaronder

hoofdstuk 3, paragraaf 3.3.4 en/of hoofdstuk 9)

a)genoemde wagens

door de heuvelprocesleider werden gerangeerd/geheuveld terwijl het

heuvelprocessysteem niet conflictvrij/storingsvrij was, en/of

b) kritische (storings)meldingen in het heuvelprocessysteem tijdens het

rangeren/heuvelen van genoemde wagens niet ieder afzonderlijk en/of per

melding conform de instructie(s) en/of opdracht(en) van het

Bedieningsvoorschrift door de heuvelprocesleider werden afgehandeld, en/of

c) de heuvelprocesleider geen stopopdracht aan de machinist heeft gegeven toen

het heuvelprocessysteem kritische (storings)meldingen tijdens het

rangeren/heuvelen van genoemde wagens genereerde,

als gevolg waarvan

-railremmen geen of onvoldoende remkracht hadden en/of

-enkele van genoemde wagens tijdens de afloop/het heuvelen een (te) hoge of

verhoogde snelheid ontwikkelden en/of

-(een) botsing(en)/aanrijding tussen twee, althans enkele van genoemde wagens

optrad(en) en/of

-schade aan een of meer van genoemde wagens werd veroorzaakt en/of

-brand in/bij reservoirwagen met wagennummer 33877853073-7 ontstond,

en/of

heeft/hebben nagelaten en/of geen of onvoldoende maatregelen heeft/hebben

getroffen om

-twintig, althans een of meer (reservoir )wagen(s) leeg en ongereinigd van LPG en/of

beladen met stikstof op spoor 129 onmiddellijk/onverwijld/zo spoedig als mogelijk te

verplaatsen en/of te verwijderen uit/van de nabijheid van de brand/brandende

reservoirwagen op spoor 131,

als gevolg waarvan

-gevaar voor een ontploffing en/of BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour

Explosion) ontstond;

(Artikel 165 Wetboek van Strafrecht)

MEER SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 14 januari 2011 te Zwijndrecht, op het rangeeremplacement

Kijfhoek

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de spoorweg werd veroorzaakt of kon

worden veroorzaakt en/of dat het verkeer op de spoorweg werd gehinderd of kon

worden gehinderd,

immers, heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s)

tijdens het heuvelen en/of rangeren en/of vervoeren en/of laten staan van

vierentwintig (24), in elk geval één of meerdere, (reservoir)wagen(s),

beladen met gevaarlijke stoffen, waaronder ethanol en/of zwavelkoolstof en/of leeg en

ongereinigd van gevaarlijke stoffen, waaronder fosfor en/of pyrofore metaal organische stof, vloeibaar reactief met water, toegestaan en/of niet voorkomen dat

-de nood(stop)knop op het knuppelperron (van spoor 232) tijdens het

rangeren/heuvelen door de rangeermedewerker/knuppelaar werd

bediend/ingedrukt, zonder dat voor de bediening van de noodknop (een)

duidelijke instructie(s) gold(en) en/of terwijl niet duidelijk was wanneer/in

welke situatie(s) de noodknop mocht worden bediend, en/of

toegestaan en/of niet voorkomen dat

-in strijd met het Bedieningsvoorschrift voor Kijfhoek Heuvelproces (waaronder

hoofdstuk 3, paragraaf 3.3.4 en/of hoofdstuk 9)

a. a) genoemde wagens door de heuvelprocesleider werden gerangeerd/geheuveld

terwijl het heuvelprocessysteem niet conflictvrij/storingsvrij was, en/of

b) kritische (storings)meldingen in het heuvelprocessysteem tijdens het

rangeren/heuvelen van genoemde wagens niet ieder afzonderlijk en/of per

melding conform de instructie(s) en/of opdracht(en) van het

Bedieningsvoorschrift door de heuvelprocesleider werden afgehandeld, en/of

c) de heuvelprocesleider geen stopopdracht aan de machinist heeft gegeven toen

het heuvelprocessysteem kritische (storings)meldingen tijdens het

rangeren/heuvelen van genoemde wagens genereerde,

als gevolg waarvan

-railremmen geen of onvoldoende remkracht hadden en/of

-enkele van genoemde wagens tijdens de afloop/het heuvelen een (te) hoge of

verhoogde snelheid ontwikkelden en/of

-(een) botsing(en)/aanrijding tussen twee, althans enkele van genoemde wagens

optrad(en) en/of

-schade aan een of meer van genoemde wagens werd veroorzaakt en/of

brand in/bij reservoirwagen met wagennummer 33877853073-7 ontstond,

en/of

nagelaten en/of geen of onvoldoende maatregelen getroffen om

twintig, althans een of meer (reservoir)wagen(s) leeg en ongereinigd van LPG en/of

beladen met stikstof op spoor 129 onmiddellijk/onverwijld/zo spoedig als mogelijk te

verplaatsen en/of te verwijderen uit/van de nabijheid van de brand/brandende

reservoirwagen op spoor 131,

als gevolg waarvan

-gevaar voor een ontploffing en/of BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour

Explosion) ontstond;

(Artikel 3 Spoorwegwet)

4.

(Culpose veroorzaking van brand)

zij op of omstreeks 14 januari 2011 te Zwijndrecht, op het rangeeremplacement

Kijfhoek,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en / of onoplettend en / of

onachtzaam meerdere reservoirwagens geladen met de zeer brandbare vloeistof

ethanol met elkaar in botsing heeft laten komen, in elk geval niet heeft

voorkomen dat meerdere reservoirwagens geladen met de zeer brandbare stof

ethanol met elkaar in botsing kwamen en/of konden komen, na/bij welke botsing

(vervolgens) ethanol is vrijgekomen,

immers heeft/hebben zij en / of haar mededader(s) meerdere reservoirwagens gerangeerd

en / of geheuveld, terwijl tijdens dat rangeren/heuvelen

- de nood(stop)knop werd bediend/ingedrukt zonder dat voor de bediening daarvan

(een) (duidelijke) instructie(s) gold(en); en / of

- in strijd met het Bedieningsvoorschrift voor Kijfhoek Heuvelproces werd gehandeld,

ten gevolge waarvan het aan haar/hun schuld te wijten is dat ethanol is gaan

branden en/of brand is ontstaan in/aan reservoirwagen met wagennummer

33877853073-7,

en / of terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen is ontstaan, te weten voor

treinwagens en/of treinen staande op en / of rijdende langs het

rangeeremplacement Kijfhoek en/of gebouwen op/nabij rangeeremplacement

Kijfhoek en / of woningen in de (nabije) omgeving van het rangeeremplacement

Kijfhoek en / of brandweermaterieel en/of spoormaterieel en / of voertuigen

rijdende op de A16 langs het rangeeremplacement Kijfhoek,

en / of terwijl daardoor levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

voor een ander of anderen is ontstaan, te weten voor een of meer in de

(nabije) omgeving van die reservoirwagen 33877853073-7 en / of op / nabij

rangeeremplacement Kijfhoek bevindende perso(o)n(en), waaronder personeel

werkzaam op het rangeeremplacement en /of personeel van de brandweer en /of

personeel van (andere) hulpverlenende instanties en / of personen bevindende

in/nabij woningen in de omgeving van het rangeeremplacement en /of personen in

voertuigen op de A16 en wegen in de omgeving van het rangeeremplacement,

in elk geval gemeen gevaar voor goederen en / of levensgevaar en / of gevaar

voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, is ontstaan;

(Artikel 158 Wetboek van Strafrecht)

Art 158 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht