Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:10059

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-12-2014
Datum publicatie
11-12-2014
Zaaknummer
10/700365-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Uitspraak heling gestolen eindexamens Ibn Ghaldoun.

Zie ook uitspraken medeverdachten: ECLI:NL:RBROT:2014:10060 en ECLI:NL:RBROT:2014:10061

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Jeugd

Parketnummer: 10/700365-13

Datum uitspraak: 11 december 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[Naam verdachte],

geboren op[geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres: [adres]

[adres],

raadsvrouw mr. S. Splinter, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2014 en 27 november 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. D.N.G. Woei-A-Tsoi heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 25 uur met aftrek van
voorarrest, zodat 23 uur zal resteren, subsidiair 11 dagen vervangende hechtenis.


ONTVANKELIJKHEID OFFICIER VAN JUSTITIE

Namens de verdachte is aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging, omdat er sprake is van een dubbele vervolging in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

De raadsvrouw heeft daarbij onder meer verwezen naar de uitspraken van het Gerechtshof Den Haag van 22 september 2014 (ECLI:NL:GHDHA:2014:3017) en van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 november 2014 (ECLI:NL:GHARL2014:8499).

Zij heeft bepleit dat de lijn die de gerechtshoven in deze arresten heeft uitgezet ook in het onderhavige geval gevolgd dient te worden. In het bestuursrechtelijk traject is het eindexamen van de verdachte ongeldig verklaard en gelet op de aard en de zwaarte van dit besluit moet dit bestuursrechtelijk traject als een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de en de fundamentele vrijheden (EVRM) worden aangemerkt. Door de verdachte andermaal strafrechtelijk te vervolgen, is sprake van een dubbele vervolging in de zin van artikel 68 Sr.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 13 februari 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:957) stelt de rechtbank voorop dat er geen wettelijke bepaling is die strafrechtelijke vervolging uitsluit indien het eindexamen van een scholier van het middelbaar onderwijs reeds ongeldig is verklaard.

Bovendien zijn, zoals de rechtbank reeds heeft overwogen in de laatstgenoemde uitspraak van 13 februari 2014, de belangen die artikel 5 van het Eindexamenbesluit VO – waarin onder meer het ongeldig verklaren van een of meer toetsen van het reeds afgelegde deel van het schoolexamen is geregeld – beoogt te beschermen anders dan de belangen die de artikelen 310 en 416 Sr beogen te beschermen. Waar eerstgenoemde bepaling dient te waarborgen dat de betrouwbaarheid van eindexamens en de integriteit van eindexamenkandidaten niet in het geding zijn, zien laatstgenoemde bepalingen op een bescherming van het vermogen van (rechts)personen.

De onderhavige ongeldigverklaring van het eindexamen is geen sanctie met een punitief karakter. Het uit het ‘frauderen’ met de examenopgaven voortvloeiende vermoeden dat betrokkene niet beschikt over de nodige kennis leidt immers tot een sanctie die is gericht op het zeker stellen dat de leerling beschikt over adequate kennis en daarmee op kwaliteitsbewaking en niet op het toevoegen van geïndividualiseerd concreet leed ter afschrikking. Verdachte kan door het opnieuw maken van het examen alsnog zijn examen behalen.

De verdachte heeft de gelegenheid gehad om binnen een redelijk te achten termijn door middel van her- en/of staatsexamens alsnog zijn eindexamen te halen. Met name dit element leidt de rechtbank tot het oordeel dat het bestuursrechtelijk traject waarin het eindexamen van de verdachte ongeldig is verklaard, niet als een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 van het EVRM kan worden beschouwd. Dat de verdachte, naar gesteld, door het ongeldig verklaren van zijn examen een studieschuld heeft opgebouwd van € 1.600,- leidt niet tot een andersluidend oordeel.

Van een dubbele vervolging de zin van artikel 68 Sr is derhalve geen sprake.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Een en ander neemt niet weg dat de verdachte het ongetwijfeld als een straf heeft ervaren dat zijn diploma ongeldig is verklaard. De vraag of hiermee rekening dient te worden gehouden bij de strafoplegging zal de rechtbank bij de strafmotivering bespreken.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij in of omstreeks de periode van 24 mei 2013 tot en met 27 mei 2013, althans

in of omstreeks de periode van 01 mei 2013 tot en met 30 mei 2013 te Rotterdam

en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en)

meermalen, althans eenmaal

(een) goed(eren), te weten

-(een) fotografische opname(s) van (een) gestolen

(eind)examen(s)/examenopgaven VWO 2013 en/of HAVO 2013 en/of

- (een) gegevensdrager(s) - SD-card en/of USB-stick en/of harde schijf en/of

mobiele telefoon (smartphone) en/of laptop en/of tablet en/of desktopcomputer

- met daarop opgeslagende afbeeldingen van de gestolen

(eind)examens/examenopgaven VWO 2013 en/of HAVO 2013,

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl

hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed/die

goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door

misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf,

verkregen goed(eren) betrof,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s):

- ingelogd op het/de e-mailadres(sen) ak2013@[emailadres] en/of

economie010@[emailadres2], waarop afbeeldingen van voornoemd(e)

(eind)examen(s)/examenopgaven beschikbaar waren en/of

- afbeeldingen van (een) (eind)examen(s)/examenopgaven ontvangen en/of bekeken

en/of gebruikt en/of aangeboden aan (een) ander(en);

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De uitwerking van de bewijsmiddelen is als bijlage II aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

NADERE BEWIJSMOTIVERING

Afbeeldingen van eindexamens een ‘goed’?

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit, omdat afbeeldingen van eindexamens niet als goederen in de zin van artikel 416 Sr kunnen worden aangemerkt. De vertrouwelijkheid van deze gegevens is immers niet relevant bij de beoordeling of iets als een (weggenomen) goed kan worden aangemerkt, zoals ook blijkt uit de uitspraken van de Hoge Raad van

3 december 1996 (NJ 1997/574) en 13 juni 1995 (NJ 1995/635).

Ten aanzien van de vraag of afbeeldingen van eindexamens zijn aan te merken als goederen in de zin artikel 416 Sr overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar de hiervoor aangehaalde uitspraak van deze rechtbank 13 februari 2014, als volgt.

Binnen de functie die een eindexamen in het maatschappelijk verkeer heeft, is hét wezenskenmerk dat de inhoud daarvan, voor degene die daaraan moeten deelnemen, geheim blijft tot aan het uur dat het examen moet worden gemaakt. Het is dit kenmerk, dat als een intrinsiek element van het eindexamen moet worden aangemerkt, dat maakt dat het eindexamen een economische waarde vertegenwoordigt. Zonder dit element is een eindexamen welhaast een waardeloos stuk papier.

Op het moment dat eindexamens – vóór het uur waarop het eindexamen moet worden gemaakt - worden weggenomen en terechtkomen bij deelnemers aan die eindexamens, verliest de rechthebbende ook dit intrinsieke element en daarmee de economische waarde van het eindexamen. Het is dit intrinsieke element dat in wezen aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende wordt onttrokken en waar ook het opzet van degene die wegneemt steeds op is gericht. Dat de papieren versie van een eindexamen wordt teruggelegd brengt daarin geen verandering. Het intrinsieke element is daarom ook aan te merken als goed in de zin van artikel 310 Sr.

Wanneer een weggenomen eindexamen wordt vermenigvuldigd door daarvan afbeeldingen te maken, wordt geprofiteerd van dit (intrinsieke) goed dat door misdrijf is verkregen. De gemaakte afbeeldingen zijn onder de gegeven omstandigheden daarom ook als goederen in de zin van artikel 416 Sr aan te merken.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Onvoldoende bewijs?

Voorts heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit, omdat de verklaringen van de verdachte

[naam] ongeloofwaardig zijn en er voorts geen enkel bewijs in het dossier zit voor de bewering dat de verdachte een examen heeft verworven, voorhanden heeft gehad of heeft overgedragen.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verklaringen van [naam] voldoende gedetailleerd en consistent om als bewijsmiddel te kunnen dienen. Bovendien heeft zij zichzelf met deze verklaringen belast. In dat licht bezien acht de rechtbank de stelling van de raadsvrouw dat deze getuigenverklaringen onbetrouwbaar moeten worden geacht, onvoldoende geconcretiseerd.

De verklaring van de verdachte dat hij voorafgaand aan de examens weliswaar heeft ingelogd op adressen waar mogelijk gestolen eindexamens waren te zien, maar dat hij geen toegang tot die eindexamens kreeg, acht de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen die als bijlage II aan dit vonnis zijn gehecht ongeloofwaardig. Uit de als bewijsmiddel opgenomen chatgesprekken die de verdachte met een derde heeft gevoerd, kan duidelijk worden opgemaakt dat de verdachte met die derde de vragen en antwoorden doorneemt van het eindexamen economie en aardrijkskunde, vóór het tijdstip waarop die eindexamens officieel moesten worden gemaakt.

De overtuiging dat de verdachte gestolen eindexamens in zijn bezit heeft gehad, heeft de rechtbank tevens bekomen op grond van de veel hogere cijfers, die hij bij het centraal schriftelijk eindexamen Engels en economie heeft gehaald. Hij stond gemiddeld voor zijn schoolexamens voor Engels een 4,8. Op het centraal schriftelijk eindexamen haalde hij een 7,8. Voor economie stond hij gemiddeld voor zijn schoolexamen een 5,8. Voor dit vak behaalde hij bij zijn centraal schriftelijk eindexamen een 7,4.

Onder verdere verwijzing naar de bewijsmiddelen uitgewerkt in bijlage II acht de rechtbank het feit wettig en overtuigend bewezen.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

Opzetheling

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Uit de kluis van de voormalig scholengemeenschap Ibn Ghaldoun te Rotterdam zijn voorafgaand aan de afname van de eindexamens 2013 in totaal 27 centrale examens 2013 gestolen door een aantal leerlingen van die school. Al gauw gonst het van de geruchten en gaat het onder een aanzienlijk aantal eindexamenkandidaten op diverse scholen – onder meer via social media –als een lopend vuurtje rond, dat er gestolen examens te verkrijgen zijn.

Verdachte zat in het schooljaar 2012/2013 in 5 havo op het [naam school] in Rotterdam. Verdachte is één van de eindexamenkandidaten die de verleiding niet heeft kunnen weerstaan en heeft voorafgaand aan de afname daarvan gestolen havo 2013 eindexamens verkregen en gebruikt. Hierbij is het echter niet gebleven. Verdachte heeft die eindexamens vervolgens ook nog tegen betaling aangeboden aan mede-eindexamenkandidaten. De rechtbank neemt dit de verdachte bijzonder kwalijk. De gestolen eindexamens hadden door zijn toedoen verder verspreid kunnen worden.

Vastgesteld kan worden dat die eindexamens 2013 op ten minste zes verschillende middelbare scholen terecht zijn gekomen.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het voordeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 24 oktober 2014 niet eerder is veroordeeld. Tevens heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat het eindexamen van de verdachte ongeldig is verklaard.

Omdat het bij verdachte niet slechts is gebleven bij gebruik van de gestolen examens voor zichzelf, maar de examens ook nog tegen betaling heeft aangeboden aan anderen, zal de rechtbank echter boven de eis van de officier van justitie uitgaan.

Voor toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht, zoals verzocht door de raadsvrouw van verdachte, ziet de rechtbank – gelet op de ernst van het feit – geen aanleiding.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 9, 22c, 22d en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 38 (achtendertig) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 19 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. O.E.M. Leinarts, voorzitter,

en mrs. J. de Gans en F. van Laanen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.A. Versloot, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 december 2014.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I bij vonnis van 11 november 2014

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 24 mei 2013 tot en met 27 mei 2013, althans

in of omstreeks de periode van 01 mei 2013 tot en met 30 mei 2013 te Rotterdam

en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en)

meermalen, althans eenmaal

(een) goed(eren), te weten

-(een) fotografische opname(s) van (een) gestolen

(eind)examen(s)/examenopgaven VWO 2013 en/of HAVO 2013 en/of

- ( een) gegevensdrager(s) - SD-card en/of USB-stick en/of harde schijf en/of

mobiele telefoon (smartphone) en/of laptop en/of tablet en/of desktopcomputer

- met daarop opgeslagen de afbeeldingen van de gestolen

(eind)examens/examenopgaven VWO 2013 en/of HAVO 2013,

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl

hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed/die

goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door

misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf,

verkregen goed(eren) betrof,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s):

- ingelogd op het/de e-mailadres(sen) ak2013@[emailadres] en/of

economie010@[emailadres2], waarop afbeeldingen van voornoemd(e)

(eind)examen(s)/examenopgaven beschikbaar waren en/of

- afbeeldingen van (een) (eind)examen(s)/examenopgaven ontvangen en/of bekeken

en/of gebruikt en/of aangeboden aan (een) ander(en);

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht