Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:10037

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-12-2014
Datum publicatie
11-12-2014
Zaaknummer
14/2972
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In het onderhavige geval maakt eiser bezwaar met het verzoek de aanslag te verminderen tot het bedrag genoemd in de contrataxatie die eiser verweerder nog zal laten toekomen. De rechtbank is van oordeel dat dit een bezwaar is op nader aan te voeren gronden. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit deze zinsnede immers niet zonder meer geconcludeerd kan worden dat er inhoudelijk een geschil is over de in de aanslag genoemde WOZ-waarde aangezien de contrataxatie bijvoorbeeld ook zou kunnen uitkomen op een waarde die gelijk aan of hoger is dan door verweerder is bepaald.

Vast staat dat eiser bekend was met verweerders taxatieverslag van het object. Anders dan in het arrest van de Hoge Raad van 24 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:86) waarin is geoordeeld dat bij gebreke van de bekendheid met de inhoud van het aan de aanslag ten grondslag liggende taxatieverslag de enkele opmerking van een burger dat de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld aangemerkt moet worden als grond van het bezwaar, had het in dit geval, waar immers het taxatieverslag wel bij eiser bekend was, op de weg van eiser en daarmee zijn professionele gemachtigde gelegen om voor het einde van de termijn ten minste één inhoudelijke grond tegen de door verweerder vastgestelde waarde aan te voeren of de door eiser voorgestane lagere waarde expliciet te benoemen. Dat dit niet is gebeurd klemt te meer nu van een professioneel gemachtigde meer kennis mag worden verwacht dan van een zelf procederende burger. Anders dan eiser blijkbaar meent, had de onderbouwing in eerste instantie niet noodzakelijkerwijs uit een contrataxatie hoeven te bestaan.

Met verweerder is de rechtbank tevens van oordeel dat de termijn van 31 januari 2014 tot 10 april 2014 niet onredelijk kort kan worden geacht. Dat verweerder de termijn alleen verlengt als sprake is van bijzondere omstandigheden acht de rechtbank niet onredelijk. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat waarde mag worden gehecht aan het maatschappelijk belang om de bezwaarprocedures voor mei in hetzelfde jaar af te handelen. De rechtbank stelt vast dat (de gemachtigde van) eiser diverse malen in de gelegenheid is gesteld het bezwaar nader te onderbouwen en gewaarschuwd is voor de consequenties wanneer dat niet tijdig zou gebeuren, zonder daar verder gehoor aan te geven. Eiser heeft geen steekhoudende argumenten aangedragen dan wel bijzondere omstandigheden gesteld die verweerder er toe hadden moeten brengen eiser een langere nadere termijn te gunnen. Ook uit de stukken of het verhandelde ter zitting is zulks niet gebleken. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het maken van bezwaar voor een groot aantal panden en verschillende cliënten geen bijzondere omstandigheid is. Het onderbouwen van een groot aantal bezwaarschriften valt onder het ondernemersrisico.

Voorts merkt de rechtbank op dat verweerder met de door hem in de onderhavige zaak gehanteerde termijnen niet afwijkt van de door de Waarderingskamer geadviseerde termijnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 14/2972

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 december 2014 in de zaak tussen

[eiser][eiser]

gemachtigde: drs. M.B. van Aanholt,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Capelle aan den IJssel, verweerder,

gemachtigden: mr. P.E.H.A. Ingenhou en P.A. van Halewijn.

Procesverloop

Bij beschikking krachtens de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) van 31 januari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de waarde van de onroerende zaak, gelegen aan de[adres] te[woonplaats], per waardepeildatum

1 januari 2013 voor het belastingjaar 2014 vastgesteld op [bedrag]

Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 17 april 2014, heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak (het bestreden besluit) heeft eiser beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2014. Eiser was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Tegen verweerders primaire besluit heeft eiser op 20 februari 2014 bezwaar gemaakt. In het bezwaarschrift heeft eiser onder meer het volgende naar voren gebracht:

Namens en ten behoeve van onze voornoemde cliënt maken wij hierbij bezwaar tegen de voornoemde aanslag. Wij verzoeken u de waarde van het voornoemde vastgoed te verminderen tot het bedrag genoemd in de contrataxatie die wij u nog laten toekomen en het te betalen bedrag van de aanslag dienovereenkomstig te verminderen.

Om de contrataxatie te kunnen opstellen verzoeken wij u een kopie van het door u opgestelde taxatieverslag met betrekking tot de voornoemde aanslag op te sturen naar de door ons ingeschakelde taxateur de heer O.F.N. Duiker, postbus 28233, 3003 KE Rotterdam.

Na ontvangst van het taxatieverslag zal de heer O.F.N. Duiker of een van zijn werknemers contact met u opnemen en u de contrataxatie doen toekomen. Een volmacht waaruit ons mandaat en dat van de voornoemde taxateur blijkt is bijgevoegd.

Wij verzoeken contact op te nemen met de taxateur voor een hoorgesprek als u overweegt af te wijken van zijn taxatie. U kunt contact opnemen met de taxateur op telefoonnummer 010 - 466 94 66 of via info@duiker.nl.

Tot slot verzoeken wij u op grond van artikel 7:15 Awb in combinatie met het Besluit Proceskosten Bestuursrecht aan cliënt de kosten te vergoeden die hij heeft moeten maken in verband met de behandeling van deze bezwaarprocedure, de bijbehorende taxatie en een eventueel hoorgesprek.

Aarzel niet contact op te nemen als u vragen en/of opmerkingen heeft.

1.2

Bij brief van 25 februari 2014 heeft verweerder aan eiser het volgende medegedeeld:

Uw brief met betrekking tot de kennisgeving zoals die aan …. is verzonden in het

kader van de Wet waardering onroerende zaken onder nummer …., is door mij in

goede orde ontvangen.

In de Algemene Wet Bestuursrecht worden eisen aan een bezwaarschrift gesteld. In artikel

6:5 wordt bepaald dat de gronden van het bezwaar dienen te worden aangegeven. Uw

bezwaar is niet of onvoldoende gemotiveerd. Om te voorkomen dat u in uw bezwaar niet- ontvankelijk wordt verklaard, stel ik u in de gelegenheid om voor 19 maart 2014 uw

bezwaarschrift nader te motiveren.

Uw brief geeft mij vooralsnog geen aanleiding om uitstel van betaling te verlenen voor de

gerelateerde aanslag(en) onroerende zaakbelastingen.

U dient dus het aanslagbiljetbedrag binnen de op de aanslag aangegeven termijnen te

voldoen.

Het door u aangevraagde taxatieverslag wordt rechtstreeks toegezonden naar de door uw

ingeschakelde taxateur de heer O.F.N. Duiker.

1.3

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser het taxatieverslag op of omstreeks 25 februari 2014 heeft ontvangen.

1.4

Bij brief van 13 maart 2014 heeft de gemachtigde van eiser het volgende aan verweerder verzocht:

Wij hebben ten aanzien van de volgende door u opgelegde aanslagen gemeentelijke heffingen bezwaarschriften ingediend (…)

Deze bezwaarschriften behoeven nog motivering. Wij verzoeken u om uitstel te verlenen voor de duur van vier weken met betrekking tot de motivering van de bezwaarschriften gericht aan bovengenoemde aanslagen.

Wij gaan ervan uit dat u aan ons verzoek tegemoet komt. Aarzel niet contact op te nemen als u vragen en/of opmerkingen heeft.”

1.5

Bij brief van 20 maart 2014 heeft verweerder aan de gemachtigde van eiser het volgende bericht:

In uw brief van 13 maart 2014 verzoekt u om uitstel met betrekking tot motivering

proforma bezwaarschriften voor de objecten [adres], (…).

In uw brief verzoekt u om uitstel te verlenen voor de duur van 4 weken. Ik zie echter géén

reden om aan uw verzoek tegemoet te komen. U hebt mijn inziens ruimschoots de tijd uw

bezwaarschriften te motiveren.

Ik geef u nogmaals de gelegenheid om het bezwaar nader te motiveren en verzoek u

daarom om uiterlijk binnen twee weken na dagtekening van deze brief, dus uiterlijk op 3 april 2014, het bezwaarschrift te motiveren. Indien het bezwaarschrift niet binnen deze gestelde termijn wordt gemotiveerd, wordt het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard.

Ik vertrouw er op u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Hebt u nog vragen, dan

kunt u contact opnemen met de in het briefhoofd vermelde medewerker.

1.6

Bij brief van 3 april 2014 heeft verweerder aan de gemachtigde van eiser het volgende bericht:

Naar aanleiding van uw contact, telefonisch en via de mail, met de heer Riemen van 3 april 2014, stuur ik u hierbij de bevestiging om de motiveringstermijn voor onderstaande bezwaren te verlengen. Voor deze bezwaren is in een eerder stadium al een rappel verzonden met een uiterste motiveringsdatum van 3 april 2014.

Ik verzoek u zodoende uiterlijk op 9 april 2014, tot motivering van de bezwaarschriften over te gaan. De motiveringen moeten dus 10 april 2014 in ons bezit zijn. Indien u de bezwaarschriften intrekt, verzoek ik u dit ook (schriftelijk) kenbaar te maken.

Indien binnen de gestelde termijn geen reactie is ontvangen, worden de bezwaarschriften

niet-ontvankelijk verklaard.

…..

Ik vertrouw er op u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Hebt u nog vragen, dan kunt

u contact opnemen met de in het briefhoofd vermelde medewerker.

1.7

Bij het bestreden besluit heeft verweerder wegens het uitblijven van de gronden van bezwaar, het bezwaar van eiser (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard.

2. Eiser betoogt dat verweerder het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit betoog faalt.

2.1

Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bevat het bezwaarschrift tenminste de gronden van het bezwaar.

Ingevolge artikel 6:6 van de Awb kan een bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

2.2.1

In het onderhavige geval maakt eiser bezwaar met het verzoek de aanslag te verminderen tot het bedrag genoemd in de contrataxatie die eiser verweerder nog zal laten toekomen. De rechtbank is van oordeel dat dit een bezwaar is op nader aan te voeren gronden. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit deze zinsnede immers niet zonder meer geconcludeerd kan worden dat er inhoudelijk een geschil is over de in de aanslag genoemde WOZ-waarde aangezien de contrataxatie bijvoorbeeld ook zou kunnen uitkomen op een waarde die gelijk aan of hoger is dan door verweerder is bepaald.

Vast staat dat eiser bekend was met verweerders taxatieverslag van het object. Anders dan in het arrest van de Hoge Raad van 24 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:86) waarin is geoordeeld dat bij gebreke van de bekendheid met de inhoud van het aan de aanslag ten grondslag liggende taxatieverslag de enkele opmerking van een burger dat de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld aangemerkt moet worden als grond van het bezwaar, had het in dit geval, waar immers het taxatieverslag wel bij eiser bekend was, op de weg van eiser en daarmee zijn professionele gemachtigde gelegen om voor het einde van de termijn ten minste één inhoudelijke grond tegen de door verweerder vastgestelde waarde aan te voeren of de door eiser voorgestane lagere waarde expliciet te benoemen. Dat dit niet is gebeurd klemt te meer nu van een professioneel gemachtigde meer kennis mag worden verwacht dan van een zelf procederende burger. Anders dan eiser blijkbaar meent, had de onderbouwing in eerste instantie niet noodzakelijkerwijs uit een contrataxatie hoeven te bestaan.

2.2.2

Met verweerder is de rechtbank tevens van oordeel dat de termijn van 31 januari 2014 tot 10 april 2014 niet onredelijk kort kan worden geacht. Dat verweerder de termijn alleen verlengt als sprake is van bijzondere omstandigheden acht de rechtbank niet onredelijk. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat waarde mag worden gehecht aan het maatschappelijk belang om de bezwaarprocedures voor mei in hetzelfde jaar af te handelen. De rechtbank stelt vast dat (de gemachtigde van) eiser diverse malen in de gelegenheid is gesteld het bezwaar nader te onderbouwen en gewaarschuwd is voor de consequenties wanneer dat niet tijdig zou gebeuren, zonder daar verder gehoor aan te geven. Eiser heeft geen steekhoudende argumenten aangedragen dan wel bijzondere omstandigheden gesteld die verweerder er toe hadden moeten brengen eiser een langere nadere termijn te gunnen. Ook uit de stukken of het verhandelde ter zitting is zulks niet gebleken. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het maken van bezwaar voor een groot aantal panden en verschillende cliënten geen bijzondere omstandigheid is. Het onderbouwen van een groot aantal bezwaarschriften valt onder het ondernemersrisico.

Voorts merkt de rechtbank op dat verweerder met de door hem in de onderhavige zaak gehanteerde termijnen niet afwijkt van de door de Waarderingskamer geadviseerde termijnen.

3. Eiser betoogt dat de bestreden beslissing strijdig is met artikel 7:2 van de Awb nu eiser in bezwaarfase niet is gehoord door verweerder. Dit betoog faalt.

3.1

Artikel 7:2, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan voordat het beslist op het bezwaar, belanghebbenden in de gelegenheid stelt te worden gehoord.

Artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb bepaalt dat van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is.

Een bezwaar is kennelijk niet ontvankelijk als daarover in redelijkheid geen twijfel over bestaat.

3.2

Uit wat hiervoor is overwogen onder 2., volgt dat bij verweerder in redelijkheid geen twijfel hoefde te bestaan over de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar.

4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Klomp, voorzitter, en mr. J.B. van den Beld en mr. L.A.C. van Nifterick, leden, in aanwezigheid van C. Groenewegen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).