Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:10019

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-12-2014
Datum publicatie
16-12-2014
Zaaknummer
ROT 14-3942
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BC-Bpf Vrijstelling ogv art. 5 van het Vrijstellings- en boetebesluit Wet bpf 2000 (onvoldoende beleggingsrendement).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2015/23

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 14/3942

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2014 in de zaak tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[a] , te [b], eiseres,

gemachtigde: mr. G.R. Derksen,

en

de stichting Stichting Pensioenfonds voor Personeelsdiensten, verweerster (StiPP),

gemachtigde: mr. S. Leurink.

Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2012 (het primaire besluit) heeft StiPP het verzoek van eiseres om vrijstelling in verband met onvoldoende beleggingsrendement op grond van artikel 5 van het Vrijstellings- en boetebesluit Wet bpf 2000 (VBB) afgewezen.

Bij besluit van 8 mei 2014 (het bestreden besluit) heeft StiPP het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

StiPP heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2014. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, in gezelschap van[c], algemeen directeur van eiseres. StiPP heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000) kan de minister (van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) op aanvraag van het georganiseerde bedrijfsleven binnen een bedrijfstak, dat naar zijn oordeel een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt, deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds voor één of meer bepaalde groepen van personen die in de betrokken bedrijfstak werkzaam zijn, verplicht stellen.

Op grond van artikel 13, eerste en tweede lid, van de Wet Bpf 2000 heeft het bedrijfstakpensioenfonds tot taak het verlenen en het intrekken van vrijstellingen van de verplichtstelling. Het bedrijfstakpensioenfonds kan aan de vrijstelling voorschriften verbinden. Op grond van het derde lid worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder het bedrijfstakpensioenfonds vrijstelling van de verplichtstelling verleent, kan verlenen, intrekt en kan intrekken alsmede met betrekking tot de voorschriften die het bedrijfstakpensioenfonds aan de vrijstelling kan verbinden.

1.2.

Op grond van artikel 5, eerste lid, van het in dit verband tot stand gebrachte VBB wordt op verzoek van een werkgever door een bedrijfstakpensioenfonds vrijstelling verleend indien er sprake is van onvoldoende beleggingsresultaat.

Op grond van artikel 7, zesde lid, van het VBB wordt aan de vrijstelling, bedoeld in artikel 5, eerste lid, het voorschrift verbonden dat aan de pensioenregeling van de werkgever ten minste dezelfde aanspraken worden ontleend als aan de pensioenregeling van het bedrijfstakpensioenfonds. Op grond van het zevende lid wordt de vrijstelling als bedoeld in het zesde lid verleend nadat de werkgever heeft aangetoond aan de voorschriften bedoeld in het zesde lid te voldoen.

2. Aan het bestreden besluit heeft StiPP ten grondslag gelegd dat eiseres niet heeft aangetoond dat aan haar pensioenregeling ten minste dezelfde aanspraken kunnen worden ontleend als aan de pensioenregeling van StiPP.

3. Het betoog van eiseres dat StiPP ten onrechte heeft aangenomen dat zij onder de werkingssfeer van het pensioenfonds van StiPP valt, slaagt niet. Op grond van artikel 25 van de Wet Bpf 2000 is de kantonrechter aangewezen daarover te oordelen en niet de bestuursrechter. Bij ontstentenis van een andersluidend oordeel van de kantonrechter, dient de rechtbank uit te gaan van de rechtmatigheid van het oordeel van StiPP over de toepasselijkheid van de verplichtstelling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) van 13 maart 2014, ECLI:NL:CBB:2014:113).

4. Eiseres betoogt dat StiPP ten onrechte meent dat geen sprake is van gelijke aanspraken als bedoeld in artikel 7, zesde lid, van het VBB. Omdat het volgens eiseres gaat om een totale beoordeling kan, ook als haar pensioenregeling een afwijking laat zien ten opzichte van de regeling van StiPP, nog steeds sprake zijn van dezelfde aanspraken.

Aanspraken zien volgens eiseres alleen op opgebouwde rechten en nog op te bouwen rechten, die onder ongewijzigde omstandigheden daadwerkelijk opgebouwd kunnen worden. Gelet hierop is eiseres van mening dat de uitsluitingsgronden in haar pensioenregeling, voor zover deze er zouden zijn, geen aanspraken zijn als hiervoor bedoeld, omdat deze betrekking hebben op mogelijke gewijzigde toekomstige omstandigheden.

4.1.

Dit betoog faalt.

Het CBB heeft in zijn uitspraak van 1 april 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:123) het volgende overwogen: “Zoals uit de respectievelijke nota’s van toelichting (Stb. 2000, 633, p. 20 en Stcrt. 1998, nr. 78, p. 6) blijkt, betekent de in artikel 7, zesde lid, neergelegde voorwaarde dat de verplicht gestelde pensioenregeling van (in dit geval) StiPP feitelijk bij een andere uitvoerder moet worden ondergebracht. Ondergaat die pensioenregeling een wijziging, dan dient ook de vrijgestelde pensioenregeling op dezelfde wijze te worden aangepast. Er wordt dus uitsluitend vrijstelling verleend van verplichte deelname aan de pensioenregeling bij StiPP; op het punt van de inhoud blijft die regeling leidend en bestaat er geen vrijheid om daarvan af te wijken.”

4.2.

Tot 1 januari 2015 geldt dat voor sommige werknemers van eiseres de pensioenopbouw in de regeling van eiseres lager is dan bij StiPP. In de bijlage bij de brief van 19 september 2014 heeft eiseres - op voorstel van haar pensioenverzekeraar om de pensioenopbouw tot die datum te verhogen - zich bereid verklaard een eventueel negatief verschil aan te zuiveren door middel van extra pensioeninleg met terugwerkende kracht. Met StiPP is de rechtbank van oordeel dat hiermee niet wordt voorzien in een regeling met ten minste gelijke aanspraken op dit moment en in het verleden ten opzichte van de regeling van StiPP, omdat hier niet uit blijkt hoe wordt omgegaan met werknemers die reeds uit dienst zijn getreden en waardeoverdracht hebben gepleegd of waarvan de pensioenaanspraken zijn afgekocht danwel die zijn gepensioneerd, arbeidsongeschikt zijn geworden of zijn overleden.

4.3.

De in geding zijnde niet-wettelijke uitsluitingsbepalingen zijn opgenomen in artikel 12 van het Pensioenreglement van [a] (Reglement) en het vierde, zesde en zevende lid van bijlage III ‘Acceptatieregeling’ van de Overeenkomst AEGON MKB Groei Pensioen tussen [a] en AEGON Levensverzekering N.V. (Acceptatieregeling).

In artikel 12 van het Reglement is bepaald dat het nabestaandenpensioen, wezenpensioen op risicobasis en de Anw-hiaatverzekering, indien de deelnemer in het eerste jaar waarin het risico voor de betreffende deelnemer is verzekerd, overlijdt, slechts zullen worden uitgekeerd bij overlijden ten gevolge van een ongeval. In het zesde lid van de Acceptatieregeling is bepaald dat indien mede een overlijdensdekking is toegezegd, geldt dat in geval de verzekerde in het eerste jaar waarin het risico is verzekerd, overlijdt, slechts wordt uitgekeerd bij overlijden ten gevolge van een ongeval. Het standpunt van eiseres dat een dergelijke uitsluitingsgrond heel gebruikelijk is bij verzekeraars en dat er in beginsel wel dekking is, tenzij er misbruik wordt gemaakt, doet er niet aan af dat eiseres door het opnemen van deze bepaling geen vanuit materieel opzicht bekeken pensioenregeling heeft met ten minste gelijke aanspraken als de regeling van Stipp. Ook de omstandigheid dat, naar eiseres stelt, kleine werkgevers hun pensioenregeling buiten een bedrijfspensioenfonds alleen maar bij een verzekeraar kunnen onderbrengen, die nu eenmaal dergelijke antimisbruikbepalingen hanteren, maakt dit oordeel niet anders.

In het vierde lid van de Acceptatieregeling is bepaald dat verhogingen worden geaccepteerd voorzover zij het gevolg zijn van een verhoging van het pensioengevend salaris van niet meer dan 15% binnen een jaar. Het standpunt van eiseres dat een dergelijke loonsverhoging bij haar werknemers feitelijk nooit voor komt, doet er niet aan af dat eiseres door het opnemen van deze maximering geen vanuit materieel opzicht bekeken pensioenregeling heeft met ten minste gelijke aanspraken als de regeling van StiPP.

In het zevende lid van de Acceptatieregeling is bepaald dat de acceptatieregeling onverlet laat de uitsluiting die ter zake van reeds bestaande arbeidsongeschiktheid is gemaakt in artikel 6 lid 2 sub a van de aanvullende voorwaarden. Het standpunt van eiseres dat het gaat om aanvullende voorwaarden die helemaal niet van toepassing zijn, doet er niet aan af dat eiseres door het opnemen van deze bepaling geen vanuit materieel opzicht bekeken pensioenregeling heeft met ten minste gelijke aanspraken als de regeling van StiPP.

Eiseres kan niet worden gevolgd in haar standpunt dat de hiervoor genoemde uitsluitingsgronden niet behoren tot de pensioenaanspraken. Op grond van artikel 1 van de Pensioenwet is een pensioenaanspraak immers het recht op een nog niet ingegaan pensioen, uitgezonderd overeengekomen voorwaardelijke toeslagverlening. Het kenmerk van de hiervoor genoemde uitsluitingsgronden is dat ze leiden tot ontzegging van een pensioenrecht, anders dan een voorwaardelijke toeslag, waarop (slechts) recht bestaat als aan de betreffende voorwaarden wordt voldaan.

4.4.

Bij brief van 19 september 2014 heeft eiseres nog een berekening overgelegd van de actuaris van haar pensioenverzekeraar inzake de hoogte van het opgebouwde kapitaal van een 25-jarige deelnemer die na één jaar met ontslag gaat. De actuaris van StiPP heeft geconcludeerd dat met deze berekening onvoldoende is aangetoond dat de hoogte van het opgebouwde kapitaal in de regeling van eiseres op iedere leeftijd ten minste even hoog is als in de pensioenregeling van StiPP, nu de berekening is beperkt tot de basisregeling van StiPP per 1 januari 2014, en niet op de voor die datum geldende, voor 25-jarigen betere, regeling van StiPP. Eiseres heeft evenmin in ogenschouw genomen dat tot 1 januari 2013 deelnemers met een contract voor onbepaalde tijd direct in de plusregeling van StiPP werden opgenomen, net zoals deelnemers met een diensttijd langer dan 1,5 jaar. Voorts heeft de actuaris vastgesteld dat onduidelijk is op welke wijze de netto premie in de regeling van eiseres is berekend en welke franchise is gehanteerd. Voorts heeft de actuaris van StiPP geconstateerd dat eiseres geen aangepaste en door haar en de pensioenverzekeraar ondertekende en vastgestelde verzekeringsovereenkomst en uitvoeringsreglementen heeft overgelegd, zodat niet is te verifiëren of, en zo ja, per wanneer alle voorgestelde wijzigingen daadwerkelijk zijn overeengekomen of in werking treden. Tot slot heeft de actuaris van StiPP geconstateerd dat eiseres geen verklaring van de actuaris van haar pensioenverzekeraar omtrent ten minste gelijke aanspraken bij de voorgestelde wijzigingen in de pensioenregeling heeft meegestuurd.

4.5.

Gelet op de verklaring van de actuaris van StiPP en de ter zitting door StiPP gegeven toelichting is de rechtbank met StiPP van oordeel dat eiseres niet heeft aangetoond dat aan haar pensioenregeling ten minste gelijke aanspraken kunnen worden ontleend als aan de pensioenregeling van StiPP.

5. Eiseres betoogt tot slot dat de bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering om haar vrijstelling te verlenen in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het motiverings-, zorgvuldigheids-, en evenredigheidsbeginsel.

Naar het oordeel van de rechtbank bieden de gedingstukken geen aanknopingspunten voor de conclusie dat één of meer van deze algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden, terwijl eiseres ook overigens niets heeft aangevoerd dat tot een ander oordeel moet leiden. Dit betoog faalt dan ook.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Woudstra, rechter, in aanwezigheid van

mr. E. Kleingeld-Top, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

11 december 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.