Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:10018

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-12-2014
Datum publicatie
16-12-2014
Zaaknummer
ROT 13-7205
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gelet daarop en in aanmerking genomen dat de minister tot op heden wat betreft de invaliditeit voortvloeiend uit een beroepsziekte geen gevolg heeft gegeven aan de instructienorm van artikel 54a, vierde lid, van het Barp is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij beoordeling van een claim op grond van invaliditeit voortvloeiend uit een beroepsziekte dragend zal moeten motiveren waarom het in dat geval gerechtvaardigd is die claim niet op gelijke voet te beoordelen als een claim op grond van invaliditeit voortvloeiend uit een dienstongeval door artikel 5 van de Regeling niet overeenkomstig toe te passen. De Procesbeschrijving doet niet af aan dit oordeel, omdat daarbij geen rechtvaardiging wordt gegeven voor het niet overeenkomstig toepassen van artikel 5 van de Regeling.

Hoewel ter zitting daarnaar gevraagd, heeft verweerder niet kunnen motiveren waarom het in dit geval gerechtvaardigd is artikel 5 van de Regeling niet overeenkomstig toe te passen. De rechtbank verbindt daaraan de conclusie dat verweerder bij het bestreden besluit een onjuiste toepassing heeft gegeven aan artikel 54a, eerste lid, van het Barp door artikel 5 van de Regeling niet op overeenkomstige wijze bij de berekening te betrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 13/7205

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 december 2014 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. V. Dolderman,

en

de korpschef van politie, verweerder,

gemachtigde: mr. A.E.M. van Wessum.

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres op grond van artikel 54a, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (het Barp) een bedrag van € 15.000,- netto toegekend aan smartengeld in verband met invaliditeit als gevolg van een beroepsziekte.

Bij besluit van 1 oktober 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en het primaire besluit heroverwegend gehandhaafd onder de aanvulling dat het verzoek om analoge toepassing van de Regeling uitkering dienstongevallen politie (de Regeling) voor de berekening van de hoogte van het smartengeld wordt afgewezen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft als nader stuk ingediend de “Procesbeschrijving van de behandeling verzoek smartengeld psychische beroepsziekte” (de Procesbeschrijving).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2014. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft bij beslissing van 7 augustus 2014 het onderzoek heropend. Zij heeft daarbij de zaak naar een meervoudige kamer verwezen, teneinde de zaak voort te zetten in de stand waarin deze zich bevindt.

Nadat partijen desgevraagd toestemming hebben gegeven voor het achterwege laten van een (nadere) zitting, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1.

Op grond van artikel 1, aanhef en onder y, van het Barp wordt onder ‘beroepsziekte’ verstaan een ziekte, welke in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en die niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten. Op grond van dat artikel onder z wordt onder ’dienstongeval’ verstaan een ongeval, welke in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en die niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid zijn te wijten.

Op grond van artikel 54a, eerste lid, van het Barp wordt in geval van invaliditeit die voortvloeit uit een dienstongeval of een beroepsziekte aan de desbetreffende ambtenaar smartengeld vergoed tot een netto maximum bedrag van € 136.100,- (thans: € 150.000,-). Op grond van het vierde lid stelt de minister (van Veiligheid en Justitie) nadere regels vast omtrent de toekenning van de uitkering, bedoeld in het eerste lid.

1.2.

De nadere regels als bedoeld in artikel 54a, vierde lid, van het Barp zijn neergelegd in de Regeling.

Artikel 3, eerste lid, van de Regeling bepaalt dat het bevoegd gezag een deskundige aanwijst die de als gevolg van het dienstongeval ontstane mate van invaliditeit van de ambtenaar vaststelt aan de hand van de AMA-Guidelines. De vaststelling vindt plaats zodra voorzienbaar is dat de toestand van de ambtenaar niet meer zal verbeteren of verslechteren, doch uiterlijk twee jaar na het dienstongeval. Het tweede lid bepaalt dat het smartengeld gelijk is aan de in procenten vastgestelde mate van invaliditeit, tenzij op grond van artikel 4 een hoger uitkeringspercentage wordt vastgesteld.

Artikel 5, eerste lid, van de Regeling bepaalt dat indien op grond van artikel 3 of artikel 4 een uitkeringspercentage is vastgesteld en het dienstongeval tevens heeft geleid tot arbeidsongeschiktheid, een tweede uitkeringspercentage wordt vastgesteld, tenzij de ambtenaar het bevoegd gezag schriftelijk verzoekt niet tot vaststelling daarvan over te gaan. Op grond van het tweede lid wijst het bevoegd gezag een deskundige aan die het tweede uitkeringspercentage vaststelt aan de hand van de in het derde lid opgenomen tabel, waarbij wordt uitgegaan van de mate van arbeidsongeschiktheid zoals bepaald door het ter zake van de uitvoering van de arbeidsongeschiktheidsregelingen bevoegde orgaan.

2.1.

Eiseres was van 1 maart 1995 tot 1 maart 2011 in dienst als politieambtenaar. Zij is sinds 10 september 2008 als gevolg van een posttraumatische stressstoornis (PTSS) arbeidsongeschikt geraakt voor haar functie van rechercheur A bij het bureau[a]. Bij besluit van 6 december 2010 heeft verweerder de PTSS aangemerkt als een beroepsziekte in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder y, van het Barp. Om vast te stellen of er sprake is van blijvende invaliditeit, heeft eiseres een onderzoek door een psychiater ondergaan, die de mate van functionele invaliditeit aan de hand van de 6e editie van de AMA-guide heeft vastgesteld op 10%. Bij het primaire besluit heeft verweerder vervolgens op basis van de uitkomst van dit onderzoek aan eiseres smartengeld toegekend ten bedrage van € 15.000,-, waarbij is uitgegaan van een inmiddels met de bonden overeengekomen verhoging van het maximumbedrag als bedoeld in artikel 54a van het Barp tot € 150.000,-.

2.2.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft eiseres bij besluit van 24 augustus 2012 arbeidsongeschikt verklaard in de zin van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij haar mate van arbeidsongeschiktheid werd bepaald op 41%.

3. Aan het bestreden besluit heeft verweerder het standpunt ten grondslag gelegd dat er voor hem geen gehoudenheid bestaat in gevallen van invaliditeit die voortvloeien uit een beroepsziekte de Regeling, in het bijzonder artikel 5 daarvan, overeenkomstig toe te passen. Volgens verweerder heeft de minister voor de invaliditeit die voortvloeit uit een beroepsziekte geen uitvoering gegeven aan de aan hem gerichte instructienorm van artikel 54a, vierde lid, van het Barp, waar hij dat voor de invaliditeit die voortvloeit uit een dienstongeval bij de Regeling wél heeft gedaan. Nu slechts op grond van artikel 5 van de Regeling de mogelijkheid bestaat de berekening van de uitkering op grond van de mate van arbeidsongeschiktheid in de plaats te stellen van de berekening van de uitkering op grond van de mate van invaliditeit, en dit een bewuste keuze is geweest van de minister, was er volgens verweerder voor hem, anders dan eiseres heeft betoogd, in dit geval geen gehoudenheid artikel 5 van de Regeling overeenkomstig toe te passen. Verweerder meent in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 1 oktober 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BK0687) steun te vinden voor zijn standpunt.

4. Met eiseres acht de rechtbank dit standpunt onjuist en zij overweegt daartoe als volgt.

4.1.

De CRvB heeft in de vermelde uitspraak overwogen dat de invaliditeit die voortvloeit uit een beroepsziekte door de minister niet nader is genormeerd in een regeling als bedoeld in artikel 54a, vierde lid, van het Barp en dat ook psychische beperkingen kunnen leiden tot arbeidsongeschiktheid en invaliditeit. In die zaak diende de korpsbeheerder alsnog te (laten) onderzoeken of en in welke mate de beroepsziekte van appellant heeft geleid tot invaliditeit en welk percentage van het maximumbedrag aan smartengeld bij die mate van invaliditeit past. Daarbij heeft de CRvB erop gewezen dat de zogenoemde AMA-Guides for the Evaluation of Permanent Impairment ook criteria geven voor het vaststellen van het invaliditeitspercentage bij invaliditeit wegens psychische klachten. Uit deze overwegingen volgt niet, noch volgt overigens uit de uitspraak, dat artikel 5 van de Regeling in gevallen van invaliditeit voortvloeiend uit een beroepsziekte niet voor overeenkomstige toepassing in aanmerking zou kunnen komen.

4.2.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat de tekst van artikel 54a, eerste lid, van het Barp geen onderscheid maakt tussen invaliditeit die voortvloeit uit een dienstongeval en invaliditeit die voortvloeit uit een beroepsziekte: smartengeld wordt vergoed tot hetzelfde maximum bedrag. Ook elders in het Barp — zie de artikelen 38 (doorbetalen bezoldiging bij ziekte), 39 (aanvullende uitkering bij arbeidsongeschiktheid) en 54 (vergoeding van medische kosten) — wordt geen onderscheid gemaakt betreffende de rechtspositionele aanspraken in geval van een dienstongeval of beroepsziekte.

4.3.

Gelet daarop en in aanmerking genomen dat de minister tot op heden wat betreft de invaliditeit voortvloeiend uit een beroepsziekte geen gevolg heeft gegeven aan de instructienorm van artikel 54a, vierde lid, van het Barp is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij beoordeling van een claim op grond van invaliditeit voortvloeiend uit een beroepsziekte dragend zal moeten motiveren waarom het in dat geval gerechtvaardigd is die claim niet op gelijke voet te beoordelen als een claim op grond van invaliditeit voortvloeiend uit een dienstongeval door artikel 5 van de Regeling niet overeenkomstig toe te passen. De Procesbeschrijving doet niet af aan dit oordeel, omdat daarbij geen rechtvaardiging wordt gegeven voor het niet overeenkomstig toepassen van artikel 5 van de Regeling.

5. Hoewel ter zitting daarnaar gevraagd, heeft verweerder niet kunnen motiveren waarom het in dit geval gerechtvaardigd is artikel 5 van de Regeling niet overeenkomstig toe te passen. De rechtbank verbindt daaraan de conclusie dat verweerder bij het bestreden besluit een onjuiste toepassing heeft gegeven aan artikel 54a, eerste lid, van het Barp door artikel 5 van de Regeling niet op overeenkomstige wijze bij de berekening te betrekken.

6. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De rechtbank acht het niet mogelijk om het geschil definitief te beslechten.

Uit de toelichting op de Regeling volgt dat bij de vaststelling van een tweede uitkeringspercentage op grond van artikel 5 van de Regeling het arbeidsongeschiktheidspercentage zoals dat in het kader van de arbeidsongeschiktheidsregelingen is vastgesteld het uitgangspunt vormt. De te benoemen deskundige bepaalt vervolgens in hoeverre dit arbeidsongeschiktheidspercentage rechtstreeks en onlosmakelijk het gevolg is van het dienstongeval. Indien zowel een uitkeringspercentage wegens invaliditeit als een uitkeringspercentage wegens arbeidsongeschiktheid is vastgesteld, wordt het smartengeld berekend naar het hoogste percentage.

Hieruit volgt dat verweerder met het oog op een juiste vaststelling van het smartengeld een deskundige dient aan te wijzen om het tweede uitkeringspercentage vast te stellen. Voordat hij opnieuw beslist op het bezwaar van eiseres zal verweerder hiertoe dienen over te gaan.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 160,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 974,-, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Haan, voorzitter, en mr. B. van Velzen en

mr. C.E. Bos, leden, in aanwezigheid van mr. E. Kleingeld-Top, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.