Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:CA3899

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-06-2013
Datum publicatie
20-06-2013
Zaaknummer
ROT 11/5669
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ambtshalve wijziging van een in 1991 verleende revisievergunning t.b.v. een motorcrosscircuit door verlaging van de geluidsvoorschriften, aanscherping van de meet- en registratieverplichtingen en het opnemen van een verbodsbepaling.

Voor de nieuwe geluidnormen heeft verweerder aansluiting gezocht bij het convenant tussen de KNMV en de MON waarin is afgesproken dat de geluidproductie van crossmotoren landelijk met 6 dB(A) gereduceerd zal worden. Verweerder heeft geen eigen akoestisch onderzoek verricht, doch de reductie van 6 dB(A) op het bronvermogen één-op-één toegepast op het immissieniveau en de grenswaarden met 6 dB(A) aangescherpt. Volgens het StAB-advies leidt de aanscherping van de geluidgrenswaarde tot een overschrijding van de geluidgrenswaarde.

De rechtbank acht de vaste jurisprudentie m.b.t. de artikelen 8.22 en 8.23 van de Wet milieubeheer (oud) van toepassing op de artikelen 2.30 en 2.31 van de Wabo. De mogelijkheid van het aanbrengen van stillere geluiddempers in crossmotoren waarmee een geluidreductie wordt bewerkstelligd van 6 dB(A) wordt aangemerkt als een voortschrijdende technische ontwikkeling. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in dit geval niet had mogen beperken tot het maken van een berekening, maar had moeten onderzoeken of de vergunde bedrijfsvoering van de inrichting door de aanscherping van het geluidvoorschrift niet onmogelijk zou worden. De veralging van de geluidgrenswaarden betekent dat een zodanig groot gedeelte an de in 1991 vergunde activiteiten wordt uitgesloten dat dit neermkomt op intrekking van de vergunning. De rechtbank voorziet zelf en stelt nieuwe geluidvoorschriften vast.

De aangescherpte meet- en registratieverplichtingen vloeien niet voort uit voortschrijdende technische ontwikkelingen, maar dienen ter controle en registratie. Dat neemt niet weg dat verweerder op zichzelf bevoegd is om met toepassing van artikel 2.31, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wabo voorschriften als hier aan de orde aan de vergunning te verbinden, zolang dit maar in het belang van de bescherming van het milieu is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de nieuwe meet- en registratieverplichtingen in redelijkheid aan de vergunning kunnen verbinden in het belang van de bescherming van het milieu, omdat het voorgeschreven geluidmeetsysteem feitelijk al enkele jaren binnen de inrichting aanwezig is.

Het opnemen van een verbodsbepaling is niet in het belang van de bescherming van het milieu, maar overbodig, omdat eiseres ook zonder dit voorschrift gehouden is aan hetgeen is aangevraagd en vergund.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.22
Wet milieubeheer 8.23
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.30
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/6725
JOM 2013/384
OGR-Updates.nl 2013-0198
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 11/5669

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 juni 2013 in de zaak tussen

de vereniging Motorclub “de Bougie”, te Arkel, eiseres,

gemachtigde: mr. M. Bos,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Giessenlanden, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder ambtshalve de geluidsvoorschriften gewijzigd van de op 24 oktober 1991 aan eiseres verleende revisievergunning ingevolge de Hinderwet met betrekking tot de inrichting aan de Vlietskade 1025 te Arkel.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit (rechtstreeks) beroep ingesteld.

De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 19 januari 2012 (reg.nr. AWB 11/5668) het verzoek van eiseres om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2012. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Scholts en D.P. Nelemans.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) benoemd als deskundige als bedoeld in artikel 8:47, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Op 1 juni 2012 heeft de StAB aan de rechtbank advies uitgebracht. Eiseres en verweerder hebben, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, een reactie op het advies van de StAB gegeven. Op 9 augustus 2012 heeft de StAB op de reactie van partijen gereageerd.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten. Met toestemming van partijen is nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1.1 Op grond van artikel 2.30 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) beziet het bevoegd gezag voor zover de omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo regelmatig of de voorschriften die aan een omgevingsvergunning zijn verbonden, nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.

1.2 Artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo bepaalt dat het bevoegd gezag voorschriften van de omgevingsvergunning wijzigt indien door toepassing van artikel 2.30, eerste lid, van de Wabo blijkt dat de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt, gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu, verder kunnen, of, gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu, verder moeten worden beperkt.

1.3 Op grond van artikel 2.31, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wabo kan het bevoegd gezag voorschriften van een omgevingsvergunning wijzigen voor zover deze betrekking hebben op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, voor zover dit in het belang van de bescherming van het milieu is.

2. Aan eiseres is op 25 oktober 1991 een revisievergunning op grond van de Hinderwet verleend ten behoeve van het motorcrosscircuit aan de Vlietskade 1025 in Arkel. Bij het bestreden besluit heeft verweerder op grond van de artikelen 2.30 en 2.31 van de Wabo ambtshalve de voorschriften B6, D1 en D4 van deze vergunning ingetrokken en nieuwe voorschriften B6, B7, B8, D1 en D4 aan de vergunning verbonden.

3. Het beroep is gericht tegen de aanscherping van de geluidsgrenswaarden in voorschrift D1 en het opnemen van de meet- en registratieverplichtingen in de voorschriften B6 en B7 en een verbodsbepaling in voorschrift B8.

4.1 Het oude voorschrift D1 luidde:

“Het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige werktuigen en installaties alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, mag ter plaatse van enige niet tot de inrichting behorende woning of andere geluidsgevoelige bestemming niet meer bedragen dan:

50 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur (dagperiode);

45 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur (avondperiode);

40 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur (nachtperiode);

op zondagen en algemeen erkende feestdagen geldt gedurende de dagperiode de grenswaarde voor de avondperiode;

controle op de niveaus van het verspreide geluid, alsmede beoordeling van de meetresultaten moet gebeuren overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai IL-HR-13-01;

alvorens de gemeten equivalente geluidsniveaus van het crossgebied aan de grenswaarden worden getoetst moet bij deze niveaus 5dB(A) worden opgeteld (correctie voor tonaal geluid).”

4.2 Het nieuwe voorschrift D1 luidt:

“Het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige werktuigen, installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, mag ter plaatse van enige niet tot de inrichting behorende woning of andere geluidsgevoelige bestemming niet meer bedragen dan:

44 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur (dagperiode);

39 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur (avondperiode);

34 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur (nachtperiode);

Controle op de niveaus van het verspreide geluid, alsmede beoordeling van de meetresultaten moet gebeuren overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai IL-HR-13-01 van maart 1981.

Alvorens de gemeten equivalente geluidsniveaus van het crossgebied aan de grenswaarden worden getoetst moet bij deze niveaus 5dB(A) worden opgeteld indien tonaliteit is vastgesteld conform de Handleiding.”

5. Verweerder heeft, nadat uit onderzoek van de Milieudienst Zuid-Holland Zuid naar het referentieniveau van het omgevingsgeluid van 6 november 2008 was gebleken dat het referentieniveau in de dagperiode nabij de woonkern van Arkel minder dan 40 dB(A) bedraagt en de omgeving als landelijk moet worden getypeerd, aanleiding gezien de geluidsgrenswaarden in voorschrift D1 met 6 dB(A) te verlagen van 50 dB(A) etmaalwaarde naar 44 dB(A) etmaalwaarde. Verweerder heeft voor de aan de inrichting van eiseres te stellen geluidnormen aansluiting gezocht bij het convenant dat op 2 mei 2010 is gesloten tussen de Koninklijke Nederlandse Motorrijders Vereniging (KNMV), waarbij eiseres is aangesloten, en de Motorsport Organisatie Nederland (MON). In dit convenant, dat op

1 januari 2011 in werking is getreden, is onder meer afgesproken dat de geluidproductie van crossmotoren landelijk met 6 dB(A) gereduceerd zal worden. Deze afspraak is gebaseerd op het akoestisch rapport van 4 maart 2010 dat in opdracht van de convenantsluitende organisaties is uitgevoerd door het adviesbureau Peutz B.V. (Peutz) naar stillere geluidsdempers. Uit dit rapport blijkt dat met gebruikmaking van stillere geluiddempers in crossmotoren het geluidsniveau op enige afstand van het circuit afneemt met circa 6 dB(A).

6.1 Ten aanzien van de aanscherping van de geluidgrenswaarden in voorschrift D1 van 50 dB(A) naar 44 dB(A) stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte uit het rapport van Peutz van 4 maart 2010 en het KNMV-convenant de conclusie heeft getrokken dat de geluidgrenswaarden met 6 dB(A) verlaagd kunnen worden. Verweerder miskent daarmee dat eiseres al sinds 2009 alleen nog maar crossmotoren met geluiddempers in de uitlaat toelaat, zonder dat dit heeft geleid tot een substantieel lagere geluidbelasting op de woningen van derden. Volgens eiseres is de oorzaak daarvan tweeledig. Enerzijds is het bronvermogen van crossmotoren de afgelopen jaren steeds verder toegenomen. Anderzijds treden er soms extreme meteo-omstandigheden op waardoor het geluidsscherm niet goed functioneert. In dit verband heeft eiseres erop gewezen dat uit het geluidrapport behorende bij de aanvraag om een omgevingsvergunning van 26 september 2011 blijkt dat in de huidige situatie waarin op de motorcrossbaan uitsluitend motoren worden toegelaten met dempers die voldoen aan de KNMV-convenant ternauwernood kan worden voldaan aan de op grond van het oude voorschrift D1 geldende geluidsgrenswaarde van 50 dB(A).

6.2 Eiseres stelt dat verweerder artikel 2.30 van de Wabo onjuist heeft toegepast. Naar de mening van eiseres had verweerder op grond van artikel 2.30 van de Wabo moeten bezien of de geluidvoorschriften van de vergunning nog wel toereikend zijn gezien de technische ontwikkelingen op het gebied van geluiddemping en vervolgens moeten concluderen dat dat het geval is, omdat alle crossmotoren die van het terrein gebruik maken inmiddels zijn voorzien van de stillere geluiddempers en daarmee net kan worden voldaan aan de geluidgrenswaarden van de vigerende vergunning. De situatie als bedoeld in artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo, dat gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu de nadelige gevolgen die de inrichting veroorzaakt verder kunnen worden beperkt, doet zich hier daarom niet voor, zodat verweerder voorschrift D1 niet had mogen aanscherpen.

7.1 De rechtbank heeft de StAB verzocht een deskundigenbericht uit te brengen over de haalbaarheid van de bij het bestreden besluit geactualiseerde langtijdgemiddelde geluidgrenswaarde van 44 dB(A) voor de dagperiode (voorschrift D1). De StAB heeft op 1 juni 2012 verslag uitgebracht. Naar aanleiding van de reacties van partijen op dit rapport heeft de StAB op 9 augustus 2012 een aanvullend verslag uitgebracht.

7.2 In het verslag stelt de StAB vast dat aanscherping van de geluidgrenswaarde in voorschrift D1 van 50 dB(A) naar 44 dB(A) leidt tot een overschrijding van de geluidgrenswaarde tijdens wedstrijddagen en dat tijdens trainingen net aan deze grenswaarde kan worden voldaan.

7.3. De reden van de overschrijding is, anders dan eiseres stelt, niet dat het bronvermogen van crossmotoren in de loop der jaren zou zijn toegenomen. Integendeel, uit de beschikbare onderzoeken van TNO en Peutz blijkt dat het bronvermogen van crossmotoren juist is afgenomen en ook uit de metingen die in opdracht van eiseres door LBP-Sight zijn verricht blijkt dat het geluidsniveau op het motorcrossterrein is afgenomen.

Evenmin kan de overschrijding verklaard worden door extreme meteo-omstandigheden. Harde wind in combinatie met temperatuurinversie heeft geen invloed op de hoogte van het bronvermogen van de crossmotoren, maar alleen op de geluidsoverdracht van bron naar ontvanger, terwijl het niet realistisch is te veronderstellen dat de effecten van harde wind en temperatuurinversie gelijktijdig optreden. De Handleiding meten en rekenen Industrielawaai (Handleiding) voorziet niet in metingen onder extreme meteo-omstandigheden. Hoewel de Handleiding geen eisen stelt ten aanzien van de maximale windsnelheid waarbij gemeten mag worden, is het te verwachten dat bij een harde wind het stoorgeluid hoger zal zijn, waardoor een goede en betrouwbare meting bemoeilijkt wordt. Het niet goed functioneren van de containerwand is een handhavingsaspect. Voor zover er twijfel bestaat of de geluidsgrenswaarden gehaald kunnen worden vanwege de aanwezigheid van kieren tussen de containers, kunnen deze kieren eenvoudig afgedicht worden waardoor er weer een geheel gesloten afschermende containerwand zal zijn.

7.4 Er is echter onvoldoende zekerheid dat de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarde van 50 dB(A) gebaseerd is geweest op een representatieve geluidsmeting. Het in 1990 gemeten immissieniveau is namelijk aanzienlijk lager dan op grond van het gemiddelde bronvermogen van crossmotoren uit die tijd verwacht zou mogen worden.

7.5 Verder toont een door de StAB uitgevoerde herberekening met grote mate van zekerheid aan dat de inrichting tijdens wedstrijden niet aan de nieuwe geluidsgrenswaarde van 44 dB(A) kan voldoen, ook niet indien wordt uitgegaan van crossmotoren met stillere geluidsdempers die voldoen aan de aangescherpte KNMV-eis van 94 dB(A) op 7,5 meter. Uit de herberekening volgt dat de oude grenswaarde uit voorschrift D1 van 50 dB(A) met slechts 1 dB(A) aangescherpt kan worden. De StAB adviseert om in voorschrift D1 een onderscheid te maken tussen wedstrijden en trainingen. In dat geval zou de oude grenswaarde tijdens trainingen wel met 6 dB(A) aangescherpt kunnen worden. Daarbij dient dan wel de voorwaarde gesteld te worden dat het niet is toegestaan om op wedstrijddagen te trainen, omdat de inrichting anders de in bijlage I, onderdeel D, onder m, in samenhang bezien met het gestelde onder categorie 19.2 van het Besluit omgevingsrecht genoemde grens voor openstelling van het circuit van 8 uur of meer per week zou overschrijden.

8. In reactie op het advies van de StAB heeft verweerder bij brief van 4 juli 2012 de rechtbank meegedeeld geen reden te hebben om aan de representativiteit van de in 1991 vergunde waarde van 50 dB(A) te twijfelen. Omdat de in de vergunning opgenomen geluidgrenswaarde van 50 dB(A) al ruim 20 jaar vaststond en er geen discussie was over de haalbaarheid van deze norm achtte verweerder het voor de ambtshalve wijziging van de omgevingsvergunning niet noodzakelijk om een uitgebreid akoestisch onderzoek naar de haalbaarheid van de nieuw opgelegde geluidsnorm te doen. Verweerder heeft de reductie van het bronvermogen van 6 dB(A) door toepassing van nieuwe geluidsdempers vertaald in een gelijkluidende reductie van de geluidsgrenswaarden bij de omliggende woningen. Ter onderbouwing van de juistheid van zijn handelwijze wijst verweerder erop dat ook uit het verslag van de StAB (pagina 14) blijkt dat er een eenduidige relatie bestaat tussen bronvermogen en het immissieniveau bij de ontvanger.

9. Eiseres heeft door middel van een memo van Peutz van 7 september 2012 op het advies van de StAB gereageerd. Peutz kan zich niet vinden in de berekeningen die door de StAB zijn uitgevoerd met behulp van het (aangepaste) akoestisch rekenmodel van LBP-Sight. Het rekenmodel van LBP-Sight laat volgens Peutz enkele principiële tekortkomingen zien en het is daardoor aannemelijk dat het gebruik ervan leidt tot onjuiste uitkomsten. Volgens Peutz resulteert het door de StAB gehanteerde rekenmodel in een onrealistisch hoge schermwerking. Uit berekeningen met behulp van een actueel akoestisch rekenmodel blijkt dat tijdens de trainingen de tot 44 dB(A) aangescherpte waarde wordt overschreden met maximaal 2 dB(A) ter hoogte van de woonbebouwing van Arkel en met maximaal 3 dB(A) ter hoogte van De Haar 3. De berekende overschrijdingen zijn weliswaar beperkt maar wel significant. Voor de wedstrijdsituatie komt Peutz tot een geluidbelasting van maximaal 49 dB(A) inclusief 5 dB(A) toeslag voor tonaal geluid voor de woonbebouwing in Arkel en 50 dB(A) ter hoogte van De Haar 3. Deze waarden zijn circa 1 dB(A) hoger dan die de StAB heeft berekend. Het standpunt van de StAB dat de oude grenswaarde van 50 dB(A) aangescherpt kan worden deelt Peutz niet. Bovendien rechtvaardigt een aanscherping met slechts 1 dB(A) niet het ambtshalve wijzigen van een vergunning, omdat een verschil van 1 dB(A) op grond van de Handleiding meten en rekenen industrielawaai binnen de toegestane nauwkeurigheid van meten en rekenen valt.

10.1 Ten aanzien van de vraag of verweerder bevoegd is op basis van de artikelen 2.30 en 2.31 van de Wabo voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning, overweegt de rechtbank het volgende.

10.2 Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 maart 2000 (LJN: BL2227), met betrekking tot toepassing van artikel 8.22 van de Wet milieubeheer (oud) vloeit voort dat dit artikel, zoals blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van dit artikel, ziet op het actualiseren van de vergunning in verband met technische ontwikkelingen of ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu. Indien daarvan niet is gebleken kan geen toepassing worden gegeven aan artikel 8.22 van de Wet milieubeheer (oud), maar mogelijk wel aan artikel 8.23 van de Wet milieubeheer (oud). De artikelen 2.30 en 2.31 van de Wabo verschillen niet wezenlijk van hetgeen voor de inwerkingtreding van de Wabo was bepaald in de artikelen 8.22 en 8.23 van de Wet milieubeheer (oud). De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding om van de jurisprudentie met betrekking tot de artikelen 8.22 en 8.23 van de Wet milieubeheer (oud) af te wijken.

10.3 Naar het oordeel van de rechtbank dient de mogelijkheid van het aanbrengen van stillere geluiddempers in crossmotoren waarmee een geluidreductie wordt bewerkstelligd van 6 dB(A) aangemerkt te worden als een voortschrijdende technische ontwikkeling in de zin van artikel 2.30, eerste lid juncto artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo. Gelet hierop diende verweerder te bezien of de in voorschrift D1 (oud) toegestane geluidbelasting verder kon, dan wel moest worden beperkt.

10.4 Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 maart 2012 (LJN: BV9473), mag bij de actualisering van de vergunningvoorschriften de grondslag van de aanvraag van de onderliggende vergunning niet worden verlaten. De grondslag van de aanvraag wordt verlaten wanneer als gevolg van het verbinden van voorschriften of het gedeeltelijk weigeren van de vergunning, een andere inrichting dan die waarvoor vergunning is gevraagd moet worden geëxploiteerd. Voorts mag de toepassing van dit artikel niet tot gevolg hebben dat de vergunde bedrijfsvoering onmogelijk wordt gemaakt. Dit zou neerkomen op een intrekking van de vergunning, waartoe artikel 2.30 van de Wabo niet de bevoegdheid geeft.

10.5 Niet in geschil is dat eiseres aan de op 24 oktober 1991 verleende Hinderwet vergunning rechten kan ontlenen voor het houden van trainingen op:

- woensdag van 17.00 tot 19.00 uur met maximaal 25 crossers à 2 uur (in totaal 50 crossuren)

- woensdag van 19.00 tot 19.30 uur met maximaal 10 crossers à 0,5 uur (totaal 5 crossuren)

- zaterdag van 13.00 tot 17.00 uur met maximaal 20 crossers à 2,5 uur (totaal 50 crossuren)

Verder mag eiseres per jaar 9 wedstrijden houden op zaterdag, waarbij met gemiddeld 20 motoren wordt gereden gedurende 4,5 uur in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur (totaal 90 crossuren).

De maximale openstelling per week bedraagt 2,5 uur op woensdagen en 4,5 uur op zaterdagen, in totaal maximaal 7 uur per week.

Voorschrift D1

10.6 De rechtbank stelt vast dat verweerder aan de actualisering van voorschrift D1 geen eigen akoestisch onderzoek ten grondslag heeft gelegd, doch de reductie van 6 dB(A) op het bronvermogen één-op-één heeft toegepast op het immissieniveau bij de woningen en de grenswaarden met 6 dB(A) heeft aangescherpt. Hoewel aan verweerder moet worden toegegeven dat uit de overdrachtsformules die zijn opgenomen in de Handleiding inderdaad blijkt dat een reductie van het bronvermogen zal resulteren in een gelijke verlaging van het geluidsniveau bij de woningen, had verweerder zich in dit geval desalniettemin niet mogen beperken tot het maken van een berekening, maar had hij moeten onderzoeken of de vergunde bedrijfsvoering van de inrichting door de aanscherping van het geluidvoorschrift D1 niet onmogelijk zou worden.

10.7 In dit verband merkt de rechtbank op dat tussen verweerder, eiseres en omwonenden vanwege de geluidoverlast van het motorcrossterrein veelvuldig overleg is geweest in het kader van vergunningaanvragen en plannen van aanpak en dat verweerder op de hoogte was van de problematische geluidssituatie van het motorcrossterrein. Nu verweerder niet heeft onderzocht of aan de aangescherpte geluidgrenswaarden kon worden voldaan, is het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Op grond van het deskundigenverslag van StAB, dat op dit punt door partijen niet bestreden is, stelt de rechtbank vast dat de verlaging van de geluidgrenswaarden in voorschrift D1 met 6 dB(A) van 50 dB(A) etmaalwaarde naar 44 dB(A) betekent dat een zodanig groot gedeelte van de in 1991 vergunde activiteiten wordt uitgesloten, dat dit neerkomt op intrekking van de vergunning. De artikelen 2.30, eerste lid en 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo geven echter niet de bevoegdheid een vergunning geheel of gedeeltelijk in te trekken. Het bestreden besluit, voor zover dat ziet op voorschrift D1, is in strijd met deze bepalingen en komt ook om deze reden voor vernietiging in aanmerking. Het beroep is in zoverre gegrond.

11.1 De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en overweegt daartoe het volgende.

11.2 Voorop gesteld moet worden dat de StAB is te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van milieu en ruimtelijke ordening. De rechtbank mag in beginsel op het door de StAB uitgebrachte deskundigenbericht afgaan. Dat is slechts anders indien het deskundigenbericht onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd.

11.3 De rechtbank is van oordeel dat het door de StAB verrichte onderzoek volledig en zorgvuldig is. De StAB heeft eiseres in de gelegenheid gesteld te reageren op het deskundigenbericht en is vervolgens op de door Peutz naar voren gebrachte kritiekpunten ingegaan. De StAB heeft daarbij gebruik gemaakt van het eerder in de procedure door eiseres zelf ingebrachte rapport van LBS-Sight van 8 december 2011 ter onderbouwing van haar standpunt dat aanscherping van de geluidgrenswaarde leidt tot overschrijding van de geluidgrenswaarde. Het rapport van LBS-Sight maakt tevens onderdeel uit van de op 8 december 2011 ingediende aanvraag om een nieuwe omgevingsvergunning. Gelet hierop heeft de StAB de berekeningen met behulp van het akoestisch rekenmodel van LBP-Sight mogen uitvoeren. De StAB heeft onderkend, zoals Peutz terecht opmerkt, dat in het LBP-Sightrapport wordt uitgegaan van een te hoog bronvermogen tijdens trainingssituaties en heeft het bronvermogen in het rekenmodel daarom verlaagd van 118 dB(A) naar 113 dB(A). Deze laatste waarde is ontleend aan het in opdracht van de KNMV verrichte onderzoek van Peutz uit 2010 dat geldt als stand der techniek. Anders dan de door Peutz berekende indicatieve waarde van de schermwerking, heeft de StAB de exacte waarde doorberekend door middel van een vergelijking van de geluidniveaus per ontvangerpositie voor de situaties met en zonder geluidscherm. Uit deze berekeningen blijkt dat er geen sprake is van een onrealistisch hoge schermwerking. Nu het rekenmodel voorts op correcte wijze overeenkomstig methode II.8 van de Handleiding is opgesteld, kan niet gezegd worden dat de door de StAB uitgebrachte rapportage onjuistheden bevat dan wel dat de daarin getrokken conclusies inhoudelijk niet afdoende zouden zijn.

11.4 Naar aanleiding van het deskundigenbericht van de StAB heeft verweerder bij brief van 4 juli 2012 de rechtbank medegedeeld dat hij zich kan vinden in het voorstel van de StAB om een onderscheid te maken tussen geluidsgrenswaarden tijdens wedstrijden en de trainingen. Verweerder acht dit een voor dit moment aanvaardbare oplossing.

11.5 Eiseres heeft bij brief van 27 september 2012 meegedeeld zich neer te leggen bij de door de StAB aanbevolen geluidsgrenswaarden van 44, 39 en 34 dB(A) voor trainingen en 49, 44 en 39 dB(A) voor wedstrijden tijdens respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

11.6 Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door een nieuw voorschrift D1 aan de vergunning te verbinden. Dit voorschrift treedt in de plaats van het vernietigde voorschrift D1.

11.7 Het nieuwe voorschrift D1 luidt als volgt:

“Het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige werktuigen, installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, mag ter plaatse van enige niet tot de inrichting behorende woning of andere geluidsgevoelige bestemming niet meer bedragen dan:

tijdens trainingen

44 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur (dagperiode);

39 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur (avondperiode);

34 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur (nachtperiode):

tijdens wedstrijden

49 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur (dagperiode);

44 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur (avondperiode);

39 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur (nachtperiode):

Controle op de niveaus van het verspreide geluid, alsmede beoordeling van de meetresultaten moet gebeuren overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai IL-HR-13-01 van maart 1981.

Alvorens de gemeten equivalente geluidsniveaus van het crossgebied aan de grenswaarden worden getoetst moet bij deze niveaus 5dB(A) worden opgeteld indien tonaliteit is vastgesteld conform de Handleiding.

Het is niet toegestaan om op wedstrijddagen te trainen”

Voorschriften B6 en B7

12. Wat betreft de in de voorschriften B6 en B7 opgenomen meet- en registratieverplichtingen heeft verweerder aansluiting gezocht bij het “Plan van aanpak Geluidmonitoring 2009” dat eiseres in het kader van de aanvraag om een milieuvergunning van 1 februari 2010 heeft overgelegd. In het plan van aanpak worden maatregelen genoemd die eiseres heeft getroffen ter controle van haar geluidemissie. Het gaat om de preventieve meetcontainer waarin het geluid van de motor wordt gemeten voordat de coureur de baan op gaat, alsmede om de meetopstelling met een permanente meetmast (microfoon 3 aan de oostzijde van het circuit). Verweerder is van mening dat deze maatregelen gehandhaafd dienen te worden en dat de gegevens beschikbaar moeten worden gesteld aan het bevoegd gezag. Om die reden zijn de meet- en registratieverplichtingen voorgeschreven.

Verweerder ziet in het advies van de StAB geen reden voor het laten vervallen van de voorschriften B6, B7 en B8.

13. Eiseres maakt bezwaar tegen het feit dat in de voorschriften B6 en B7 meet- en registratieverplichtingen zijn voorgeschreven die onderdeel uitmaakten van het “Plan van aanpak Geluidmonitoring 2009”, omdat dit plan van aanpak op 1 februari 2010 overgelegd is in het kader van een aanvraag om een revisievergunning, die inmiddels is ingetrokken. De wijziging van de voorschriften B6 en B7 is in strijd met artikel 2.30 en 2.31 van de Wabo, omdat deze wijziging niet voortvloeit uit de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en/of de ontwikkeling met betrekking tot de kwaliteit van het milieu. De noodzaak van de meet- en registratieverplichtingen dient volgens eiseres beoordeeld te worden in het kader van de beslissing op de op 8 december 2011 ingediende nieuwe aanvraag om een omgevingsvergunning.

14.1 Het oude voorschrift B6 luidde:

“Het bestuur van de motorcrossclub dient zorg te dragen voor het bijhouden van een logboek waarin per crosser aantekening wordt gemaakt welke crosser op welke tijden is begonnen en gestopt met rijden. Het logboek moet actueel zijn en moet een beeld geven van zowel trainingen als wedstrijden en dient op eerste aanvraag van de met controle belaste ambtenaren (o.a. politie en TMD) te worden getoond.”

14.2 Het nieuwe voorschrift B6 luidt:

“Het gebruik van de motorcrossbaan is alleen toegestaan na het controleren van de geluidsemissie en na het invullen van het logboek. In het logboek dient ten minste het volgende eenduidig te worden beschreven:

- de datum,

- het tijdstip van de controlemeting van de crossmotor

- de motor (het motornummer of de naam)

- het gemeten geluidniveau en de voor deze motor van toepassing zijnde toetswaarde.

Het logboek moet actueel zijn en moet een beeld geven van zowel trainingen als wedstrijden en dient op eerste aanvraag van de met controle belaste ambtenaren (zoals bijvoorbeeld Politie en Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid) te worden getoond.”

14.3 Het nieuw opgenomen voorschrift B7 luidt:

“Motorclub De Bougie dient op alle dagen dat er trainingen of wedstrijden zijn, met een permanent opgestelde geluidmeetmicrofoon, het verloop van de geluidemissie te meten. Deze geluidmetingen dienen doorlopend plaats te vinden in blokjes van bij voorkeur 30 seconden tot maximaal 2 minuten of korter (meetduur T). Zowel het equivalente (LAeq T) als het maximale geluidniveau (Lmax) dienen in combinatie met de datum en het tijdstip, te worden opgeslagen in een (digitaal) register. Deze meetgegevens dienen minimaal in de vorm van een grafiek met een uurgemiddelde, op verzoek van een toezichthouder, beschikbaar te worden gesteld. Veranderingen in de meetopstelling dienen onmiddellijk te worden gemeld.”

15. Ten aanzien van de beroepsgrond van eiseres dat de noodzaak tot het opnemen van de controle- en meetvoorschriften B6 en B7 beoordeeld dient te worden in het kader van de op 8 december 2011 ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning overweegt de rechtbank dat artikel 2.31, tweede lid, van de Wabo de bevoegdheid om tot ambtshalve wijziging van de vergunningvoorschriften niet aan voorwaarden heeft verbonden, anders dan dat de wijziging in het belang van de bescherming van het milieu behoort te zijn. Ook anderszins is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan geoordeeld moet worden dat verweerder zijn besluitvorming had moeten opschorten.

16. De voorschriften B6 en B7 vloeien niet voort uit voortschrijdende technische ontwikkelingen, maar dienen ter controle en registratie van de crossmotoren die van het motorcrossterrein gebruik maken. Dat neemt niet weg dat verweerder op zichzelf bevoegd is om met toepassing van artikel 2.31, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wabo voorschriften als hier aan de orde aan de vergunning te verbinden, zolang dit maar in het belang van de bescherming van het milieu is. De rechtbank ziet zich aldus gesteld voor de vraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorschriften B6 en B7 in het belang zijn van de bescherming van het milieu.

17. Op het motorcrossterrein staat sinds 2009 een permanente geluidmeetmast opgesteld nabij het drukst bereden deel van het crossterrein. Met deze meetmast wordt tijdens trainingen en wedstrijden gemonitord of de in het convenant afgesproken waarde wordt overschreden. Het geluidsniveau wordt hierbij als tijdgemiddelde waarde over 2 minuten gemeten en weergegeven op een groot display in de jurycabine. De rechtbank stelt vast dat het in voorschrift B7 voorgeschreven geluidmeetsysteem feitelijk al enkele jaren binnen de inrichting aanwezig en in werking is en dat het meetsysteem ook voorziet in de mogelijkheid om de meetgegevens op te slaan en ter plaatse of op afstand uit te lezen. Overigens schrijft het Motorcross Reglement in artikel 07 voor dat de geluidemissie van de crossers gemeten dient te worden, zodat eiseres ook om andere redenen over het in voorschrift B7 voorgeschreven meetsysteem beschikt. Verweerder heeft voorschrift B7 naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid aan de vergunning kunnen verbinden in het belang van de bescherming van het milieu. Dit laatste geldt evenzeer voor voorschrift B6, in welk verband de rechtbank heeft meegewogen dat volgens de rapportage van het StAB het in het voorschrift bedoelde meetsysteem al in de inrichting van eiseres aanwezig is en wordt toegepast en dat daarmee zeer lawaaiige motoren eruit gehaald kunnen worden voordat zij de baan opgaan.

Voorschrift B8

18. Het nieuw opgenomen voorschrift B8 luidt:

“Het is verboden met andere motoren dan de aangevraagde motoren te crossen of op andere wijze binnen de inrichting te bezigen.”

19. Verweerder acht het opnemen van voorschrift B8 noodzakelijk, omdat in de in 1991 verleende vergunning is uitgegaan van 2-takt en 4-takt crossmotoren. Het is niet de bedoeling dat op het motorcrossterrein ook met andere typen motoren, zoals quads en trials, wordt gereden, omdat die hun eigen geluidskarakteristiek hebben. Met deze typen motoren is ten tijde van de vergunningverlening geen rekening gehouden.

20. Uit de op 25 oktober 1991 aan eiseres verleende Hinderwetvergunning blijkt dat de aanvraag en de daarbij overgelegde stukken deel uitmaken van de vergunning. Gelet hierop is eiseres ook zonder voorschrift B8 gehouden aan hetgeen is aangevraagd en vergund en is dit voorschrift naar het oordeel van de rechtbank overbodig, en derhalve niet in het belang van de bescherming van het milieu. Deze beroepsgrond slaagt. Het bestreden besluit, voor zover daarbij voorschrift B8 aan de vergunning verbonden is, komt voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 2.31, tweede lid, aanhef en onder b van de Wabo.

De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het bestreden besluit voor zover betreft voorschrift B8 te herroepen.

21. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover betreft de voorschriften B8 en D1 en voorziet zelf in de zaak, zoals onder 11.7 en 20 aangegeven.

22. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

23. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.180,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en een ½ punt voor het indienen van een nadere reactie, met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt het bestreden besluit,voor zover betreft de voorschriften D1 en B8,

- bepaalt dat voorschrift D1 komt te luiden als geformuleerd in rechtsoverweging 11.7 en herroept het bestreden besluit voor zover betreft voorschrift B8 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit,

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 302,- vergoedt,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.180,- te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzitter, en mr. H. Bedee en mr. C.M. van Hoorn, leden, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.