Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:CA3895

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-06-2013
Datum publicatie
20-06-2013
Zaaknummer
ROT 12/5202
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Langdurigheidstoeslag. Artikel 3, aanhef en onder 1, van de Verordening langdurigheidstoeslag gemeente Schiedam 2012 is onverbindend. Het categoraal uitsluiten van de kring van gerechtigden van personen aan wie gedurende de referteperiode arbeidsverplichtingen zijn opgelegd, verdraagt zich niet met artikel 36, eerste lid, van de Wwb, in het bijzonder met het begrip ‘geen uitzicht op inkomensverbetering’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 12/5202

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 juni 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. M. van Eck,

en

het college van burgemeester en wethouders van Schiedam, verweerder,

gemachtigde: mr. A. Mersel.

Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om langdurigheidstoeslag afgewezen.

Bij besluit van 24 oktober 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 27 maart 2013 te Rotterdam ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Ter zitting hebben partijen desgevraagd te kennen gegeven bij een eventuele verwijzing van de zaak naar een meervoudige kamer ermee in te stemmen dat zonder nadere zitting uitspraak wordt gedaan door de meervoudige kamer.

Bij beslissing van 3 april 2013 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak met toepassing van artikel 8:10, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht verwezen naar een meervoudige kamer. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser en zijn echtgenote, [X], ontvangen sinds 8 februari 2008 een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) naar de norm voor gehuwden. Op 6 april 2012 heeft eiser langdurigheidstoeslag aangevraagd.

2. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat op grond van artikel 3, aanhef en onder 1, van de Verordening langdurigheidstoeslag gemeente Schiedam 2012 (Verordening) geen recht bestaat op langdurigheidstoeslag, omdat gedurende de referteperiode voor eiser en zijn echtgenote arbeidsverplichtingen golden.

3. Op grond van artikel 36, eerste lid, van de Wwb, zoals dat gold ten tijde hier van belang, verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.

Op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wwb stelt de gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot het verlenen van een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36.

Op grond van het tweede lid, aanhef en onder b, hebben deze regels in ieder geval betrekking op de hoogte van de langdurigheidstoeslag en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen langdurig en laag inkomen.

Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Verordening, voor zover van belang, wordt in deze verordening verstaan onder

e. Inkomenstoeslag: de langdurigheidstoeslag bedoeld in artikel 36 WWB;

h. Peildatum: de datum waarop de inkomenstoeslag wordt aangevraagd;

i. Referteperiode: een periode van zes maanden voorafgaand aan de peildatum.

Op grond van artikel 2 van de Verordening, voor zover hier van belang, komt, onverminderd het bepaalde in artikel 35 en 36 van de wet, in aanmerking voor de inkomenstoeslag de belanghebbende die:

1. gedurende de referteperiode aangewezen is geweest op een inkomen dat gemiddeld niet hoger is dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm;

2. geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de wet.

Op grond van artikel 3, aanhef en onder 1, van de Verordening heeft geen recht op een inkomenstoeslag de belanghebbende die gedurende de referteperiode arbeidsverplichtingen opgelegd heeft gekregen vanuit enige sociale wet- of regelgeving.

4. Niet in geschil is dat wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 2 van de Verordening. Vast staat ook dat gedurende de referteperiode voor eiser en zijn echtgenote arbeidsverplichtingen golden.

5. Eiser betoogt onder meer dat het bepaalde in artikel 3, aanhef en onder 1, van de Verordening onverbindend is, omdat daarmee op onjuiste wijze invulling is gegeven aan het begrip ‘geen uitzicht op inkomensverbetering’, neergelegd in artikel 36, eerste lid, van de Wwb. Volgens eiser brengt het bestaan van arbeidsverplichtingen niet per definitie mee dat feitelijk ook uitzicht op inkomensverbetering bestaat.

6.1 Aan een algemeen verbindend voorschrift kan slechts verbindende kracht worden ontzegd, indien - voor zover thans van belang - de door de betrokken regelgever gemaakte keuzen strijdig geacht moeten worden met een hogere - algemeen verbindende - regeling.

6.2 Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 36, eerste lid, van de Wwb is de regeling omtrent langdurigheidstoeslag een uitwerking van de wens om inkomensondersteuning te bieden aan mensen die langdurig van een laag inkomen afhankelijk zijn, vanuit de vooronderstelling dat deze personen in het algemeen minder mogelijkheden hebben geld te reserveren voor (onverwachte) hoge kosten. Met het in dit artikellid opgenomen criterium ‘geen uitzicht op inkomensverbetering’ is beoogd te waarborgen dat bepaalde groepen met een goed arbeidsmarktperspectief niet in aanmerking komen voor langdurigheidstoeslag. De wetgever heeft gemeenten in staat willen stellen om de langdurigheidstoeslag vorm te geven op een wijze die aansluit bij zowel de voormelde wens als het gemeentelijk re-integratiebeleid, door de voorwaarden voor langdurigheidstoeslag te decentraliseren. Daartoe moeten gemeenten in een verordening regels stellen (Kamerstukken II 2007/08, 31 441, nrs. 3 en 12).

Ter zitting heeft verweerder meegedeeld dat het bepaalde in artikel 3, aanhef en onder 1, van de Verordening dient ter invulling van het begrip ‘geen uitzicht op inkomensverbetering’. Verweerder heeft voorts toegelicht dat indien in een concreet geval wordt vastgesteld dat gedurende de referteperiode voor de aanvrager arbeidsverplichtingen golden, de aanvraag om langdurigheidstoeslag zonder nadere afweging wordt afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat het aldus categoraal uitsluiten van de kring van gerechtigden van personen aan wie gedurende de referteperiode arbeidsverplichtingen zijn opgelegd, zich niet verdraagt met het door artikel 36, eerste lid, van de Wwb gegeven kader voor toekenning van langdurigheidstoeslag, in het bijzonder met de voormelde strekking van het begrip ‘geen uitzicht op inkomensverbetering’. De rechtbank acht namelijk, anders dan verweerder meent, geenszins uitgesloten dat zich binnen de groep van personen voor wie arbeidsverplichtingen gelden, personen bevinden die feitelijk geen goed arbeidsmarktperspectief hebben, bijvoorbeeld doordat zij ondanks de door de gemeente geboden ondersteuning gericht op arbeidsinschakeling er niet in slagen uit te stromen naar regulier werk dat hen in staat stelt voor (onvoorziene) hoge uitgaven te sparen. Toepassing van artikel 3, aanhef en onder 1, van de Verordening kan dus tot gevolg hebben dat langdurigheidstoeslag wordt geweigerd aan personen voor wie de wettelijke regeling wel is bedoeld. Naar het oordeel van de rechtbank vereist een deugdelijke beoordeling van het criterium ‘geen uitzicht op inkomensverbetering’ in alle gevallen maatwerk, waarbij - eventueel naast de vaststelling of arbeidsverplichtingen zijn opgelegd - rekening wordt gehouden met andere individuele omstandigheden van het geval. Bij gebrek aan mogelijkheden om het toekomstig arbeidsmarktperspectief met zekerheid te bepalen, ligt het voor de hand dat hierbij wordt gekeken naar de situatie in het verleden. Daarbij kunnen, zoals in de wetsgeschiedenis is vermeld, een rol spelen de duur van de afhankelijkheid van het lage inkomen, de mate waarin neveninkomsten uit arbeid zijn dan wel worden verkregen en de mate waarin men zich heeft gehouden aan regels omtrent solliciteren en medewerking aan re-integratie (Kamerstukken II 2007/08, 31 441, nr. 3).

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat artikel 3, aanhef en onder 1, van de Verordening onverbindend is wegens strijd met artikel 36, eerste lid, van de Wwb.

6.3 Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

6.4 De rechtbank ziet geen mogelijkheid het geschil finaal te beslechten en zal verweerder opdragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, waarbij beoordeeld dient te worden of eiser voldoet aan het criterium ‘geen uitzicht op inkomensverbetering’. Omdat voorstelbaar is dat verweerder dit criterium nader in de Verordening wil bepalen en die procedure mogelijk geruime tijd in beslag zal nemen, wordt geen termijn gesteld voor het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar.

6.5 Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

6.6 De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt het bestreden besluit,

- bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak,

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 42,- vergoedt,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,-, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, voorzitter, en mr. J. Bergen en

mr. M.C. Woudstra, leden, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.