Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:CA2767

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-05-2013
Datum publicatie
11-06-2013
Zaaknummer
401083 / HA ZA 12-403
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overdracht vorderingsrecht van v.o.f. aan BV. Beoordeling rechtsgeldigheid cessieakte. Eiswijziging niet in strijd met de eisen van een goede procesorde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2013-0217
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/401083 / HA ZA 12-403

Vonnis van 8 mei 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STATON BOUW B.V.,

gevestigd te Werkendam,

eiseres,

advocaat mr. B.H.M. Karen,

tegen

1. [gedaagde 1],

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

gedaagde,

advocaat mr. S.P. Koerselman,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. E. Spijer.

Eiseres zal hierna Staton genoemd worden. Waar gedaagden afzonderlijk worden genoemd, worden zij aangeduid als [gedaagde 1] respectievelijk [gedaagde 2].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 19 december 2012 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

- de akte van Staton;

- de antwoordakte van [gedaagde 1];

- de antwoordakte van [gedaagde 2];

- de akte uitlating producties van Staton.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1. In het tussenvonnis heeft de rechtbank onder andere geoordeeld dat de vordering van v.o.f. Staton Bouw (hierna: de v.o.f.) uit hoofde van een op 21 februari 2011 gesloten geldleningsovereenkomst (nog) niet rechtsgeldig is overgedragen aan Staton vanwege het ontbreken van een leveringsakte. De rechtbank heeft Staton in de gelegenheid gesteld alsnog een leveringsakte in het geding te brengen. Staton heeft dat bij akte gedaan. Gedaagden hebben daarop gereageerd.

2.2. Staton heeft in haar akte opgemerkt dat uit de daarbij gevoegde leveringsakte blijkt dat het vorderingsrecht uit hoofde van de hiervoor bedoelde geldleningsovereenkomst is overgedragen en geleverd aan Staton en dat daarmee “aan alle formele vereisten is voldaan”. Mede gelet op de zojuist in 2.1 weergegeven beslissing in het tussenvonnis, kan deze akte in redelijkheid niet anders worden begrepen dan in die zin dat Staton de overgelegde leveringsakte aan haar vordering ten grondslag heeft willen leggen en in zoverre de gronden van haar eis heeft willen wijzigen. Juist is, zoals [gedaagde 2] heeft betoogd, dat Staton in (de kop van) haar akte niet met zoveel woorden heeft vermeld dat het gaat om een wijziging van de grondslag van haar eis, zulks in strijd met artikel 2.6 van het Landelijk procesreglement. Dat voorschrift strekt er echter met name toe dat, bij de behandeling van zaken op de rol, geen misverstand moet ontstaan omtrent een eventuele eiswijziging, mede in verband met de mogelijkheid van de wederpartij om een rolbeslissing te vragen ten aanzien van de toelaatbaarheid van de eiswijziging. In dit geval kan in redelijkheid geen onduidelijkheid zijn ontstaan, alleen al niet omdat reeds in tussenvonnis op een eiswijziging was gezinspeeld.

2.3. Beide gedaagden menen dat de eiswijziging in strijd is met de eisen van een goede procesorde en om die reden moet worden geweigerd. De rechtbank deelt die opvatting niet. Uitgangspunt is dat Staton bevoegd is de gronden van haar eis te wijzigen. Die bevoegdheid is in beginsel niet beperkt tot inhoudelijke gronden. Anders dan [gedaagde 1] meent, valt niet in te zien dat een eiswijziging niet zou mogen worden gebruikt om een “ontvankelijkheidsgebrek” te herstellen. Bij de beoordeling van de vraag of de eiswijziging in strijd is met de eisen van een goede procesorde kunnen allerlei omstandigheden een rol spelen, waaronder de fase waarin de procedure zich bevindt en de invloed die de eiswijziging zal hebben op het verdere verloop van de procedure. Ook proceseconomische overwegingen kunnen een rol spelen, zoals de notie dat zoveel mogelijk recht moet worden gedaan over het materiële geschil tussen partijen, zodat zo mogelijk onnodige vervolgprocedures kunnen worden voorkomen. Tegen deze achtergrond is de eiswijziging niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. Die eiswijziging strekt er immers louter toe dat het gebrek ten aanzien van het ontbreken van een leveringsakte wordt hersteld, zodat per saldo het materiële geschil tussen partijen kan worden beoordeeld.

2.4. De desbetreffende cessieakte luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Partijen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 1]

ingeschreven in het Handelsregister onder nummer 24341035 ten deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar bestuurder [persoon 1].

en:

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bouwteam Variant B.V. ingeschreven in het Handeisregister onder nummer 18060822, ten deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar bestuurder [persoon 2],

beiden handelend in hun hoedanigheid van voormalig beherend vennoten van de vennootschap onder firma Staton Bedrijfsruimtebouw, voorheen gevestigd te [adres], hierna te noemen: 'Cedent',

en

3. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Staton Bouw B.V., […]

OVERWEGENDE DAT:

A. Cedent tot 31 mei 2011 haar onderneming dreef in de rechtsvorm van een vennootschap onder firma.

B. Op 31 mei 2011 de besloten vennootschap Staton Bouw B.V. (Verkrijger) werd opgericht. Partijen zijn er daarbij vanuit gegaan dat op dat moment alle activa van de vennootschap onder firma werden ingebracht in de besloten vennootschap, waaronder de overeenkomst van geldlening, welke als bijlage 1 bij de onderhavige akte is gevoegd.

C. Dat de rechtbank Rotterdam bij tussenvonnis van 19 december 2012 in de procedure tussen Verkrijger en de geldleners krachtens de overeenkomst van geldlening voorshands heeft vastgesteld dat de vorderingen uit hoofde van de geldleningovereenkomst niet bij inbreng op Verkrijger zijn overgegaan.

D. De rechtbank heeft de Verkrijger in de gelegenheid gesteld in de procedure een akte van cessie in te brengen, waarbij de Verkrijger de vorderingsrechten uit hoofde van voornoemde geldleningovereenkomst alsnog geleverd krijgt.

E. De Cedent, de vennootschap onder firma Staton Bedrijfsruimtebouw, is per 31 mei 2011 ontbonden. Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat de vorderingsrechten uit hoofde van de geldleningovereenkomst niet op Staton Bouw zijn overgegaan, bevinden deze vorderingsrechten zich nog in het onverdeelde vermogen van de ontbonden vennootschap onder firma, welke vennootschap onder firma rechtens geacht wordt in stand te blijven zo lang haar vermogen niet is vereffend.

F. Met de onderhavige akte van cessie wordt beoogd de vorderingsrechten uit hoofde van de

geldleningovereenkomst welke volgens de rechtbank Rotterdam nog niet op rechtsgeldige wijze aan Verkrijger zijn geleverd, alsnog aan Verkrijger te leveren. De personen hierboven genoemd onder 1 zijn de voormalig beherende vennoten van de ontbonden vennootschap onder firma Staton Bedrijfsruimtebouw, die, zoals gezegd, is blijven voortbestaan zo lang dat voor de vereffening van haar vermogen noodzakelijk was. Betrokken personen zijn dan ook bevoegd om namens de ontbonden vennootschap onder firma Staton Bedrijfsruimtebouw deze overeenkomst van cessie aan te gaan en de daarbij betrokken vorderingsrechten krachtens deze akte van cessie aan Verkrijger te leveren.

VERKLAREN HET VOLGENDE TE ZIJN OVEREENGEKOMEN:

Artikel 1 Levering en overdracht

1.1 Onderwerp van onderhavige akte is de cessie van de opeisbare vordering op de schuldenaar zoals deze omschreven is in Bijlage 1. Cedent wenst aan Verkrijger te cederen de vordering inclusief opgelopen rente en bijkomende kosten met een hoofdsom van € 300.000, hierna te noemen "Vordering". Deze cessie vindt plaats onder de voorwaarden zoals hierna is uiteengezet.

1.2 Cedent levert door middel van deze akte vrij en onbezwaard de vordering aan Verkrijger, die verklaart hierbij genoemde levering te aanvaarden.

1.3 Verkrijger zal deze akte van cessie bij akte inbrengen op de rolzitting van 16 januari 2013 in de bij de rechtbank Rotterdam aanhangige procedure en aldus op deze wijze mededeling van

deze overdracht doen aan partijen [gedaagde 1] en [gedaagde 2], schuldenaren uit hoofde van de geldleningsovereenkomst ter zake waarvan de vorderingsrechten bij deze akte van cessie aan Verkrijger zijn overgedragen en geleverd.”

De als bijlage 1 bij de akte gevoegde geldleningsovereenkomst is de overeenkomst op grond waarvan Staton in deze procedure betaling door gedaagden vordert, en die is geciteerd in 2.1 van het tussenvonnis.

2.5. [gedaagde 2] heeft gesteld dat niet de in de akte genoemde v.o.f. Staton Bedrijfsruimtebouw maar de v.o.f. Staton Bouw rechthebbende ten aanzien van de vordering uit de geldleningsovereenkomst was, zodat de v.o.f. Staton Bedrijfsruimtebouw niet tot cessie bevoegd was. Dit verweer faalt. Uit de al eerder in geding gebrachte stukken (zie productie 9 bij de ter comparitie genomen akte overlegging producties) blijkt dat Staton Bedrijfsruimtebouw een handelsnaam is van (de v.o.f.) Staton Bouw. Dat betekent dat bij zowel de geldleningsovereenkomst als de cessieakte een en dezelfde v.o.f. is betrokken.

2.6. [gedaagde 1] heeft aangevoerd dat [bedrijf 1], een van de voormalige beherend vennoten van de v.o.f., onjuist is vertegenwoordigd en dat daarom de cessieakte niet rechtsgeldig is. Daartoe heeft hij, met verwijzing naar een overgelegd uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel, gesteld dat niet [persoon 1] de vertegenwoordigingsbevoegde bestuurder van [bedrijf 1] is, zoals in de cessieakte is vermeld, maar [bedrijf 2] Ten aanzien van dit verweer overweegt de rechtbank als volgt.

2.7. Bij akte uitlating producties heeft Staton onder meer op het overgelegde uittreksel gereageerd. Zij heeft in dat verband niet betwist dat [bedrijf 2] de tot vertegenwoordiging bevoegde bestuurder van [bedrijf 1] is. Dat feit staat dus vast. [gedaagde 1] heeft dus in zoverre gelijk dat, volgens de letterlijke tekst van de cessieakte, laatstgenoemde vennootschap niet juist is vertegenwoordigd. Niet die letterlijke tekst is echter beslissend, maar de vraag wat partijen hebben bedoeld en redelijkerwijs uit elkaars verklaringen konden afleiden. Het gaat daarbij in een geval als het onderhavige primair om de verhouding tussen de partijen bij de cessieakte. [gedaagde 1] is ten aanzien van die cessie een derde, zij het een derde met wiens belangen bij de uitleg van de cessieakte rekening gehouden moet worden, nu hij immers (mogelijk) de schuldenaar is onder de geldleningsovereenkomst die voorwerp is van de cessie. Bij dat laatste past dan wel de kanttekening dat het hier niet gaat om eventuele onduidelijkheid omtrent wat precies is gecedeerd, maar (slechts) om de vraag of de cederende partij correct is vertegenwoordigd.

2.8. Tegen deze achtergrond en gelet op de stukken van het geding is de rechtbank van oordeel dat er redelijkerwijs geen misverstand over kan bestaan dat de in de cessieakte genoem[persoon 1] in het kader van de cessie heeft opgetreden als middellijk bestuurder van [bedrijf 1], namelijk als bestuurder van [bedrijf 2] die weer bestuurder is van [bedrijf 1] Deze verhouding tussen [persoon 1], [bedrijf 2] en [bedrijf 1] blijkt uit de door Staton overgelegde notariële akte waarbij zij is opgericht (productie 8). [gedaagde 1] heeft niet gesteld dat die verhouding in werkelijkheid anders is, en evenmin heeft hij feiten gesteld die zouden kunnen leiden tot de conclusie dat dit voor hem redelijkerwijs onduidelijk heeft kunnen zijn. Dit betekent dat geoordeeld moet worden aangenomen dat de partijen bij de cessieakte hebben beoogd dat [persoon 1] via zijn holding is opgetreden als rechtsgeldig vertegenwoordiger van [bedrijf 1] en dat [gedaagde 1] dit niet in andere zin heeft begrepen. Het enkele ontbreken van het woord “middellijk” in de kop van de cessieakte doet hier niet aan af.

2.9. Voorts heeft [gedaagde 1] bij wijze van verweer aangevoerd dat uit de cessieakte niet blijkt dat de cessie is verricht in naam van de v.o.f., terwijl de zaken in het kader van de vereffening van een ontbonden v.o.f. moeten worden verricht namens die vennootschap. Uit de cessieakte blijkt slechts dat [bedrijf 1] en Bouwteam Variant B.V. hebben gehandeld in hun hoedanigheid van voormalig beherende vennoten, en dat is een andere rechtspositie dan zij zouden innemen als zij namens de v.o.f. zouden hebben gehandeld – aldus [gedaagde 1].

2.10. Ook dit verweer faalt. In de eerste plaats ziet de rechtbank niet in dat het optreden van genoemde B.V.’s “in hun hoedanigheid van voormalig beherend vennoten” van de v.o.f. iets anders zou kunnen betekenen dan dat zij optreden namens die v.o.f. In de tweede plaats blijkt uit de tekst van de cessieakte onmiskenbaar dat de twee B.V.’s namens de v.o.f. hebben gehandeld. Met name wijst de rechtbank op de overweging onder F van de cessieakte, waarin staat dat de twee hier bedoelde B.V.’s “dan ook bevoegd [zijn] om namens de ontbonden [v.o.f.] deze overeenkomst van cessie aan te gaan en de daarbij betrokken vorderingsrechten krachtens deze akte van cessie aan [Staton] te leveren”. Voor zover al de kop van de cessieakte op dit punt enige onduidelijkheid zou creëren, heeft in elk geval te gelden dat die onduidelijkheid met deze passage is weggenomen.

2.11. In de derde plaats heeft [gedaagde 1] aangevoerd dat de voormalige beherende vennoten slechts dan als vereffenaars van een ontbonden v.o.f. kunnen optreden als in de v.o.f.-overeenkomst niet anders is bepaald (artikel 32 WvK). Nu Staton die overeenkomst niet heeft overgelegd, betwist [gedaagde 1] dat Ablas Aannemingsbedrijf en Bouwteam Variant bevoegd waren als vereffenaars op te treden. [gedaagde 1] heeft in zoverre gelijk dat op grond van genoemde bepaling in beginsel de v.o.f.-overeenkomst bepalend is voor wat betreft de vraag wie bevoegd is of zijn als vereffenaar op te treden. Gelet op de betwisting door [gedaagde 1] zal de rechtbank Staton gelegenheid geven bewijs te leveren van haar (impliciete) stelling dat genoemde B.V.’s als vereffenaars van de v.o.f. kunnen optreden. Vooralsnog gaat de rechtbank er vanuit dat Staton dit bewijs wil leveren door middel van het overleggen van de v.o.f.-overeenkomst. Om proceseconomische redenen zal deze bewijsopdracht gelijktijdig worden gegeven met de in het tussenvonnis al aangekondigde tegenbewijsopdrachten (zie verder hierna).

2.12. Los van de rechtsgeldigheid van de cessieakte heeft [gedaagde 1] ten slotte nog aangevoerd dat de geldleningsovereenkomst niet door de v.o.f. is aangegaan, maar door [personen 1 en 2]. [gedaagde 1] verwijst in dit verband naar de aanhef van de geldleningsovereenkomst (zie het citaat in 2.1 van het tussenvonnis). De rechtbank verwerpt dit verweer. Tot aan de door [gedaagde 1] genomen antwoordakte is kennelijk tussen partijen niet in geschil geweest dat de geldlening door de v.o.f. is verstrekt. Staton heeft bij dagvaarding (onder 1) met zoveel woorden gesteld dat de v.o.f. de uitlener was en die stelling is bij antwoord niet betwist. Ook ter comparitie, bij welke gelegenheid de zaak uitvoerig inhoudelijk is besproken, is deze stelling niet betwist. De rechtbank heeft in het tussenvonnis dan ook als feit vastgesteld dat de v.o.f. de geldleningsovereenkomst heeft gesloten. Tegen deze achtergrond heeft [gedaagde 1] zijn hier bedoelde verweer onvoldoende gemotiveerd. Daarbij komt mede betekenis toe aan de omstandigheid dat [gedaagde 1] niet heeft toegelicht wat, gelet op zijn standpunt ten aanzien van de uitlenende partij, in zijn ogen dan de betekenis is van de toevoeging “beiden bestuurder en eigenaar van Staton Vof” direct achter de namen van [personen 1 en 2] in de kop van de overeenkomst.

2.13. Als na de hiervoor bedoelde bewijsverrichtingen door Staton de rechtsgeldigheid van de cessie komt vast te staan, dan is aan de orde het door [gedaagde 1] te leveren tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling van Staton dat de geldleningsovereenkomst met [gedaagde 1] in privé is aangegaan. De rechtbank zal die tegenbewijsopdracht thans in het dictum opnemen. De rechtbank wijst Staton in dit verband uitdrukkelijk op 5.13 van het tussenvonnis (kort gezegd: eventuele getuigen aan de zijde van Staton moeten in het kader van de contra-enquête over de bewijsopdracht van [gedaagde 1] worden gehoord).

2.14. Als na de hiervoor bedoelde bewijsverrichtingen door Staton de rechtsgeldigheid van de cessie komt vast te staan, dan is ook aan de orde het door [gedaagde 2] te leveren tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling van Staton dat de geldleningsovereenkomst ook met [gedaagde 2] is gesloten. De rechtbank zal ook die tegenbewijsopdracht thans in het dictum opnemen en ook in dit verband wijs de rechtbank Staton op 5.13 van het tussenvonnis.

2.15. De te horen getuigen zullen door de rechtbank zo veel mogelijk gelijktijdig ten aanzien van alle (tegen)bewijsopdrachten worden gehoord (in enquête en contra-enquête). Na het wijzen van dit vonnis zal aan de hand van door partijen op te geven verhinderdata een datum of data en tijdstippen voor de verhoren worden bepaald. Het voorgaande laat onverlet het recht van iedere partij om zich na de enquête aan de zijde van de andere partij nader te beraden over de contra-enquête.

2.16. In zijn antwoordakte heeft [gedaagde 1] een verklaring voor recht gevorderd. Aan de beoordeling van deze vordering komt de rechtbank niet toe. Een tegeneis door een gedaagde partij moet immers uiterlijk bij conclusie van antwoord worden ingesteld, en dat stadium is al gepasseerd.

2.17. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. draagt Staton op het bewijs van haar stelling dat [bedrijf 1] en Bouwteam Variant B.V. bevoegd zijn als vereffenaars van de v.o.f. op te treden;

3.2. laat [gedaagde 1] toe tot het tegenbewijs van het voorshands bewezen geachte feit dat de geldleningsovereenkomst met hem in privé is gesloten;

3.3. laat [gedaagde 2] toe tot het tegenbewijs van het voorshands bewezen geachte feit dat de geldleningsovereenkomst mede met hem is gesloten;

3.4. bepaalt dat indien een partij het bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan Wilhelminaplein 100/125 voor de rechter mr. Th. Veling;

3.5. bepaalt dat de partij die getuigen wil laten horen ter uitvoering van het aan deze partij opgedragen bewijs, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank - Administratie haven en handel, afdeling planningsadministratie, kamer E12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam, faxnummer 010 2972518 - de te horen getuigen en de verhinderdagen van de getuigen, alle partijen en hun advocaten in de maanden juni tot en met september 2013 moet opgeven, waarna dag/dagen en uur van het getuigenverhoor zal worden bepaald;

3.6. bepaalt dat de partij die getuigen in contra-enquête wil voorbrengen, bij de opgave van verhinderdata rekening moet houden met de in dat kader (vermoedelijk) te horen getuigen; voor contra-enquête zal een dag/dagen en uur worden gereserveerd na de voor het getuigenverhoor bepaalde dag/dagen;

3.7. bepaalt dat een partij die het aan deze partij opgedragen bewijs niet door getuigen wil leveren maar door overlegging van bewijsstukken en/of door een ander bewijsmiddel, het voornemen hiertoe binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank - Administratie haven en handel, afdeling roladministratie, kamer E12.55, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam, faxnummer 010 2972517 - en aan de wederpartij moet opgeven, waarna de verdere procesvoering zal worden bepaald;

3.8. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2013.?

1980/1354