Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:CA2751

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-05-2013
Datum publicatie
11-06-2013
Zaaknummer
C/10/346572 / HA ZA 10-195
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanleg Randstadrail. Geschil tussen opdrachtgever en hoofdaannemer omtrent kosten voor extra versteviging van de grond ten behoeve van boortunnel (jetgrouten). Nadere uitlatingen partijen vooruitlopend op deskundigenbericht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/346572 / HA ZA 10-195

Vonnis van 1 mei 2013

in de zaak van

1. de vennootschap onder firma

SATURN V.O.F.,

gevestigd te Hoofddorp,

2. de naamloze vennootschap

DURA VERMEER GROEP N.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

3. de rechtspersoon naar het recht van Duitsland

ED. ZÜBLIN AG,

gevestigd te Stuttgart,

eiseressen,

advocaat mr. E.J. Eijsberg,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ROTTERDAM,

zetelend te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. B.Th. van Schouwenburg.

Partijen zullen hierna Saturn en de gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- tussenvonnis van 25 april 2012 met de daaraan ten grondslag liggende stukken;

- conclusie na tussenvonnis van Saturn, met producties;

- antwoordconclusie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald, aanvankelijk op 7 november 2012.

1.3. Deze zaak is op de rol gevoegd met de zaak die bij de rechtbank aanhangig is onder zaak- en rolnummer 304242 / HA ZA 08-863, die wordt gevoerd tussen Saturn en de Zweedse vennootschap Hercules Grundläggning AB (hierna: Hercules). Ook in die zaak wordt vandaag uitspraak gedaan.

1.4. Twee van de drie rechters die bovengenoemd tussenvonnis hebben gewezen zijn inmiddels werkzaam in een ander team binnen de rechtbank.

2. De verdere beoordeling

inleiding

2.1. Deze zaak gaat, heel kort weergegeven, om de vraag voor wier rekening de kosten van aanvullende werkzaamheden komen die zijn verricht ter versteviging van de grond in een deel van het traject van de Randstadrail. Ter plaatse van de zogenoemde Goudse Lijn Passage heeft Saturn in opdracht van de gemeente de kleilaag verstevigd door middel van kalkcementkolommen. Na het aanbrengen daarvan is de grond aanvullend verstevigd door middel van jetgrouten. Om de kosten van dat jetgrouten gaat het in deze procedure.

2.2. Bij tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat ten aanzien van de zogenoemde horizontale leemte sprake is van een tekortkoming van Saturn. Voor zover de kosten van het jetgrouten aan het herstel van die horizontale leemte moeten worden toegerekend heeft Saturn dan ook geen aanspraak op vergoeding. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat ten aanzien van de verticale leemte geen sprake is van een tekortkoming. Op vergoeding van de kosten die aan het herstel daarvan moeten worden toegerekend heeft Saturn in beginsel aanspraak.

2.3. De rechtbank heeft de zaak naar de rol verwezen voor een conclusiewisseling door partijen over enkele specifiek aangeduide punten. Partijen hebben van die mogelijkheid gebruik gemaakt. Voorts heeft de gemeente haar antwoordconclusie gebruikt om uitvoerige kanttekeningen te plaatsen bij enkele in het tussenvonnis vastgestelde feiten en genomen beslissingen. Die kanttekeningen zijn voor de rechtbank echter geen aanleiding op de desbetreffende overwegingen terug te komen. Een uitzondering geldt voor de opmerking van de gemeente dat onder 4.31 van het tussenvonnis in plaats van “gemeente” moet worden gelezen “Saturn”. Dat is evident juist.

horizontaal / verticaal

2.4. Bij de verdere beoordeling is het uitgangspunt dat Saturn verplicht was de kalkcementkolommen aan te brengen tot een diepte van 0,5 meter in het pleistocene zand en dat Saturn die verplichting niet (volledig) is nagekomen. Saturn was daarom, bij wijze van herstel van die tekortkoming, verplicht op eigen kosten de onbehandelde laag (de horizontale leemte) te jetgrouten. Vast staat (4.27 van het tussenvonnis) dat de gemeente, nadat Saturn een ‘testveld’ had gejetgrout tot vier meter boven de toekomstige tunnel (4.25), aan Saturn in dit verband een opdracht heeft gegeven om te jetgrouten tot de bovenkant van de toekomstige tunnel. De daarmee gemoeide kosten komen in beginsel voor rekening van Saturn, behoudens voor zover de opdracht van de gemeente verder strekte dan noodzakelijk tot herstel van de hiervoor bedoelde tekortkoming. Waar als gevolg van die verdere strekking ook de verticale leemtes zijn behandeld, geldt de opdracht van de gemeente als bestekswijziging.

2.5. In dit verband is de vraag gerezen of de opdracht van de gemeente inderdaad verder strekte dan noodzakelijk als hier bedoeld en, in dat verband, of deze opdracht impliceerde dat uitsluitend de horizontale leemte dan wel ook een deel van de verticale leemtes werd gejetgrout. De rechtbank heeft partijen gelegenheid gegeven zich hierover uit te laten.

2.6. Saturn heeft in dat kader het volgende gesteld (zulks met verwijzing naar een door Hercules in de in 1.3 bedoelde procedure genomen conclusie na tussenvonnis, door Saturn overgelegd als productie bij haar conclusie na tussenvonnis). Indien het jetgrouten zou zijn beperkt tot de horizontale leemte, zou zijn gejetgrout tussen 0,5 m in het pleistocene zand en 0,2 m in de kalkcementkolommen. Een dergelijke omvang van de te jetgrouten laag is, volgens Saturn (Hercules) voldoende “om de desbetreffende toleranties en onzekerheden te compenseren, en tevens voor het waarborgen van het contact tussen de materialen die bij het jetgrouten worden ‘aangesloten’.” De rechtbank begrijpt deze stelling en de daaraan door Saturn (Hercules) gegeven onderbouwing aldus dat ingevolge de opdracht van de gemeente meer is gejetgrout dan noodzakelijk was om de tekortkoming op te lossen.

2.7. Op deze stelling heeft de gemeente gereageerd met, allereerst, het betoog dat aanvankelijk helemaal niet duidelijk was hoe dik de horizontale leemte was, zodat Saturn (Hercules) de “stringente afbakening” van de werkzaamheden tot 0,2 m niet had kunnen waarmaken. De gemeente heeft in dit verband verwezen naar de feitelijke gang van zaken, zoals door haar laatstelijk uiteengezet in 12 t/m 14 van haar antwoordconclusie na tussenvonnis. Uit die uiteenzetting volgt dat, volgens de gemeente, onderscheid gemaakt moet worden tussen een drietal vakken die gejetgrout zijn:

- als eerste vak C; in dat vak ligt de beoogde tunnel dieper en grotendeels in het pleistocene zand; ten aanzien van vak C is gejetgrout tot het dak van de tunnel;

- vervolgens, toen op basis van onderzoek meer duidelijk was omtrent de ligging van het pleistocene zand en de onderkant van de kalkcementkolommen, de vakken A en B; die vakken konden gerichter worden gejetgrout, tot enkele tientallen centimeters in de onderkant van de kalkcementkolommen.

In de tweede plaats meent de gemeente dat Saturn voorbij gaat aan het belang dat de te realiseren jetgroutkolommen “zouden aansluiten op de besteksmatig voorziene kwaliteit” van de kalkcementkolommen.

2.8. Het door de gemeente gevoerde betoog ten aanzien van het onderscheid tussen de verschillende vakken begrijpt de rechtbank aldus dat in de visie van de gemeente het jetgrouten (in grote lijnen) beperkt is gebleven tot de horizontale laag: in vak C omdat de tunnel aldaar dieper lag (en dus het jetgrouten tot het dak van de tunnel ook beperkt kon blijven tot een diepere laag) en in de vakken A en B omdat toen het jetgrouten “gerichter” en dus beperkter kon plaatsvinden. Zo specifiek over de omvang van de ingevolge de opdracht van de gemeente gejetgroute laag is tot nu toe nog niet door partijen gedebatteerd. Omdat het de gemeente vrijstond deze stellingen thans nog naar voren te brengen (zij vloeien immers voort uit de door de rechtbank in het tussenvonnis opgeworpen vraag), zal de rechtbank Saturn gelegenheid geven op deze stellingen te reageren. De stellingen zijn van belang omdat, als komt vast te staan dat het jetgrouten in grote lijnen beperkt is gebleven tot de horizontale leemte, geen grondslag bestaat voor enigerlei vergoeding voor de daarmee gemoeide kosten. De rechtbank wijst er in dit verband nadrukkelijk op dat op Saturn de stelplicht en eventuele bewijslast rusten. Bij Saturn ligt dus ook het (bewijs)risico dat mogelijkerwijs niet kan worden vastgesteld dat de opdracht van de gemeente verder strekte dan uitsluitend de horizontale leemte, bijvoorbeeld omdat Saturn het door haar bedoelde plan van aanpak niet kan produceren (tussenvonnis sub 4.28 en conclusie na tussenvonnis sub 5).

2.9. Als komt vast te staan dat de ingevolge de opdracht van de gemeente gejetgroute laag dikker is dan de door Saturn (Hercules) bedoelde laag (tussen 0,5 in het pleistocene zand en 0,2 m in de onderkant van de kalkcementkolommen), dan rijst de vraag of Saturn (Hercules) ook met die dunnere laag had kunnen volstaan om haar tekortkoming te herstellen. Dat is slechts het geval als die dunnere laag zou hebben geleid tot een grondverbetering die aan de uit het bestek voortvloeiende eisen zou hebben voldaan. Saturn (Hercules) meent dat het antwoord bevestigend is. De in 2.7 als tweede weergegeven reactie van de gemeente moet kennelijk worden beschouwd als betwisting van die stelling. De vraag is relevant omdat, als het antwoord ontkennend is, niet valt in te zien op welke grond Saturn aanspraak zou kunnen maken op vergoeding van de kosten die verband houden met het jetgrouten van (een deel van) de verticale leemtes. De rechtbank zal deze vraag te zijner tijd zo nodig aan een deskundige voorleggen.

2.10. Als moet worden aangenomen dat de ingevolge de opdracht van de gemeente gejetgroute laag (in alle of enkele van de vakken) dikker is dan de door Saturn (Hercules) bedoelde laag en als komt vast te staan dat Saturn (Hercules) ook met een dunnere laag had kunnen volstaan om haar tekortkoming te verhelpen, dan is voorts het volgende van belang. De gemeente heeft gesteld dat ten tijde van de opdracht tot het jetgrouten van vak C nog geen inzicht bestond in de ligging van het pleistocene zand en in de onderkant en kwaliteit van de kalkcementkolommen en dat het voor Saturn (Hercules) daarom sowieso niet mogelijk was exact de in 2.6 bedoelde laag te jetgrouten. Kennelijk bedoelt de gemeente dat Saturn (Hercules) vanwege die onzekerheid, in elk geval voor wat betreft vak C, toch een dikkere laag had moeten jetgrouten om er zeker van te zijn dat de grond in voldoende mate verstevigd zou zijn. De rechtbank zal Saturn gelegenheid geven op deze stelling te reageren. Daarbij tekent de rechtbank overigens wel aan dat, zoals blijkt uit de vaststaande feiten (zie 2.12 t/m 2.14 van het tussenvonnis), Saturn al in een vroeg stadium heeft voorgesteld de onderkant van het kalkcementblok te jetgrouten en dat de gemeente dit voorstel (mede) heeft verworpen omdat zij van mening was dat Saturn ook ten aanzien van de verticale leemtes tekort was geschoten. Die weigeringsgrond was echter niet terecht, zo blijkt uit het in deze procedure gegeven oordeel.

2.11. Eerder in deze procedure heeft de gemeente zich op het standpunt gesteld dat het jetgrouten van de verticale leemtes (waartoe Saturn niet verplicht was) het onvermijdelijke gevolg is van het jetgrouten van de horizontale leemte (waartoe Saturn vanwege haar tekortkoming wel verplicht was). De rechtbank heeft in dit verband de term ‘bijvangst’ gebruikt. Dit standpunt van de gemeente kwam de rechtbank relevant voor omdat, indien juist, dit ertoe zou moeten leiden dat de kosten gemoeid met het jetgrouten van de verticale leemtes niet te vermijden waren, zodat Saturn op vergoeding daarvan in dat geval geen aanspraak zou kunnen maken. Bij antwoordconclusie na tussenvonnis heeft de gemeente echter tot twee keer toe gesteld dat, bij het terugtrekken van de boormast na het jetgrouten, het boorgat weliswaar gevuld wordt met specie maar dat dit niet impliceert dat de verticale leemtes alsnog worden “behandeld” conform de eisen van de overeenkomst. De rechtbank leidt hieruit af dat de gemeente zich niet langer op het standpunt stelt dat het jetgrouten van de verticale leemtes het onvermijdelijke gevolg is van het jetgrouten van de horizontale leemte. Dit geschilpunt is daarmee niet langer relevant voor de beoordeling van de vordering van Saturn.

2.12. Bij de huidige stand van het partijdebat valt nog altijd te verwachten dat een deskundigenonderzoek nodig zal zijn. De in 2.8 en 2.10 bedoelde nadere uitlatingen zullen mede bepalend zijn voor de definitieve beslissing daaromtrent en ook voor de (eventueel) aan de deskundige te stellen vragen. De beoordeling van de opmerkingen van partijen over de expertise en de persoon van de deskundige en over de mogelijk te stellen vragen zal de rechtbank daarom aanhouden tot na die uitlatingen. Wel merkt de rechtbank op, overeenkomstig de stelling van de gemeente (antwoordconclusie sub 39) en gelet op het overwogene in 2.11, dat vraag iv genoemd in 4.29 van het tussenvonnis buiten beschouwing kan blijven.

2.13. Saturn heeft in haar conclusie na tussenvonnis nog opmerkingen gemaakt over de vraag wat op grond van het tussen haar en Hercules tot stand gekomen Addendum rechtens heeft te gelden. Die opmerkingen zijn niet relevant voor de beoordeling in de onderhavige zaak tussen Saturn en de gemeente.

2.14. De zaak zal worden verwezen voor akte na tussenvonnis als bedoeld in 2.8 en 2.10 aan de zijde van Saturn. Het gaat om een reactie van Saturn op nieuwe standpunten van de gemeente. In beginsel bestaat dus geen aanleiding de gemeente gelegenheid te geven voor een antwoordakte. In afwachting van de akte van Saturn zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. verwijst de zaak naar de rol van 29 mei 2013 voor akte als bedoeld in 2.14 door Saturn;

3.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Eerdhuijzen, mr. Th. Veling en mr. D. van Dooren en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2013 door mr. Th. Veling.?

1980/2457/2294