Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:CA2603

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-05-2013
Datum publicatie
10-06-2013
Zaaknummer
AWB DOR 12/806
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uit de toelichting op het per in 1 juli 2008 in werking getreden artikel 10d:4 van de CAR/UWO kan, anders dan eiser lijkt te veronderstellen, niet worden afgeleid dat een ambtenaar die is ontslagen op grond van artikel 8:8, eerste lid, van de CAR/UWO, in weerwil van de bewoordingen van het derde lid van artikel 10d:4 van de CAR/UWO, minimaal recht heeft op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering. In tegendeel, uit de toelichting blijkt dat de werkgevers- en werknemersvertegenwoordigers (LOGA-partijen) voor deze categorie ambtenaren bewust hebben afgezien van een dergelijke minimumuitkeringsregeling. Dit blijkt eens te meer uit het feit dat gelijktijdig met de inwerkingtreding van artikel 10d:4 van de CAR/UWO het derde lid van artikel 8:8 van de CAR/UWO is komen te vervallen, waarin voor deze categorie (minimaal) een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering werd voorgeschreven.

De door eiser ter zitting overgelegde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) van 2 augustus 2012 (LJN BX3521; TAR 2012, 178) leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Weliswaar heeft de CRvB in deze uitspraak - samengevat weergeven - geoordeeld dat bij een ontslag op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO ook onder het per 1 juli 2008 gewijzigde bovenwettelijke werkloosheidsstelsel van de CAR/UWO een minimale aanspraak bestaat op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering, maar bij gebrek aan overtuigende argumenten daarvoor ziet de rechtbank geen grond dit oordeel te onderschrijven. Daarbij merkt de rechtbank op dat de wijziging van voormeld stelsel van de CAR/UWO, waarbij het derde lid van artikel 8:8 van de CAR/UWO is komen te vervallen en artikel 10d:4 in de CAR/UWO is opgenomen, voortvloeit uit het op 23 januari 2008 door de LOGA-partijen gesloten onderhandelaarsakkoord over de arbeidsvoorwaarden in de sector gemeenten (CAO sector Gemeenten 2007-2009). Indien de rechtbank voormeld oordeel van de CRvB zou overnemen, zou zij naar haar oordeel een niet te rechtvaardigen inbreuk maken op de contract- en onderhandelingsvrijheid van de LOGA-partijen bij de bepaling van de arbeidsvoorwaarden. Hetzelfde geldt als de rechtbank de uitspraak van 18 februari 2013 van de CRvB (LJN BZ1337) zou volgen. In die uitspraak lijkt het op 2 augustus 2012 door de CRvB gegeven algemene oordeel te zijn genuanceerd, maar is wel geoordeeld dat de ambtenaar recht heeft op een aanvullende uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2013/117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: DOR 12/ 806

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 mei 2013 in de zaak tussen

[Eiser], wonende te [adres], eiser,

gemachtigde: mr. E.W. Heespelink,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht, verweerder,

gemachtigde: mr. N.A. de Graaff.

Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2011 heeft verweerder eiser met ingang van 1 november 2011 eervol ontslag verleend.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 10 november 2011 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 19 juni 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 12 juli 2012 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

De zaak is op 25 februari 2013 te Rotterdam ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde, vergezeld van M.S. van der Priem, directeur Maatschappelijke Ontwikkeling bij de gemeente Dordrecht.

Ter zitting hebben partijen desgevraagd te kennen gegeven bij een eventuele verwijzing van de zaak naar een meervoudige kamer ermee in te stemmen dat het onderzoek niet wordt heropend en dat zonder nadere zitting uitspraak wordt gedaan door de meervoudige kamer.

Bij beslissing van 20 maart 2013 heeft de rechtbank de zaak met toepassing van artikel 8:10, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht verwezen naar een meervoudige kamer.

Met ingang van 1 januari 2013 is het arrondissement Dordrecht opgegaan in het nieuwe arrondissement Rotterdam en is de rechtbank Dordrecht opgegaan in de nieuwe rechtbank Rotterdam. Gelet hierop wordt uitspraak gedaan door de rechtbank Rotterdam.

Overwegingen

1.1. Eiser is op 1 december 2008 in (vaste) dienst getreden van de gemeente Dordrecht in de functie van Strategisch Beleidsmedewerker bij de afdeling Regie & Beleid 2 van de sector Maatschappelijke Ontwikkeling.

1.2. Op 4 maart 2009 is eiser door zijn leidinggevende te kennen gegeven dat zijn functioneren op een aantal punten verbetering behoeft. Daarover zijn afspraken gemaakt, waarna eiser op 10 juni 2009 door zijn leidinggevende is medegedeeld dat er onvoldoende verbetering is en dat hij niet voldoet aan de functie-eisen. Op die laatste datum is tevens een aantal afspraken gemaakt over de ondersteuning van eiser bij het vinden van een andere baan. Vervolgens heeft op 24 juni 2009 een beoordelingsgesprek met eiser plaatsgevonden, waarbij is vastgesteld dat eiser niet voldoende geschikt is voor zijn functie. In overleg met het Loopbaancentrum Drechtsteden zal worden gekeken of er andere mogelijkheden voor een baan in Dordrecht/de Drechtsteden zijn. Ook eiser zelf zal actief op zoek gaan naar een andere functie. Op 20 oktober 2009 en 10 december 2009 hebben voortgangsgesprekken plaatsgevonden. Tijdens dit laatste gesprek is besloten dat de vacature voor de functie van eiser zal worden opengesteld. Na een voortgangsgesprek op 6 april 2010 is op 12 mei 2010 in gezamenlijk overleg besloten dat eiser vanaf 1 juni 2010 tot 1 december 2010 de directiesecretaris Stadsontwikkeling gaat ondersteunen. Voorts heeft verweerder eiser bij brief van 17 juni 2010 medegedeeld dat hem met ingang van 21 juni 2010 een loonbaancoachingstraject bij P&O Services Groep (POSG) wordt aangeboden. Daarbij heeft verweerder de verwachting uitgesproken dat eiser door gebruikmaking van dit traject uiterlijk 1 juni 2011 een andere werkkring zal hebben gevonden, alsmede te kennen gegeven dat, mocht dit niet het geval zijn, mogelijk een ontslagtraject zal worden gestart. De tijd die niet wordt besteed aan het traject zal worden besteed aan werkzaamheden binnen de gemeente Dordrecht. Nadat voormelde werkzaamheden bij Stadsontwikkeling waren beëindigd, heeft eiser tijdelijk werkzaamheden verricht bij Stadsbeheer. Na meerdere voortgangsgesprekken is op 27 mei 2011, bij het uitblijven van een nieuwe baan, met eiser gesproken over diverse regelingen (onder andere indiensttreding bij POSG) met als doel zijn dienstverband te beëindigen, waarna in een gesprek met eiser op 21 juli 2011 is vastgesteld dat hij aan geen van deze regelingen wil meewerken. Omdat er geen werkzaamheden meer waren voor eiser binnen de gemeente Dordrecht is hem bij besluit van 22 juli 2011 met ingang van 21 juli 2011 tot 1 oktober 2011 buitengewoon verlof verleend. Bij e-mail van 3 augustus 2011 heeft eiser te kennen gegeven geen gebruik te willen maken van de door verweerder geboden mogelijkheid om op 17 augustus 2011 verder van gedachten te wisselen, tenzij sprake is van een regeling die substantieel anders is dan de eerder voorgestelde regelingen.

1.3. Bij brief van 14 september 2011 heeft verweerder eiser te kennen gegeven dat hij voornemens is eiser eervol ontslag te verlenen onder nog nader te bepalen voorwaarden. Daarbij heeft verweerder eiser twee keuzes voorgelegd:

(1) Eiser wordt vrijgesteld van zijn werkzaamheden en maakt met ingang van 1 januari 2012 gebruik van zijn opgebouwde levenslooptegoed en met ingang van 1 januari 2013 van zijn keuzepensioen, waarin vervolgens door zijn werkgever de maximaal fiscale ruimte zal worden gestort, zodat eiser een hoger pensioen ontvangt;

(2) Eiser wordt op grond van artikel 8:8 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst voor de sector gemeenten (CAR/UWO) eervol ontslag verleend met ingang van 1 oktober 2011, waarna hij de wettelijke werkloosheidsuitkering zonder aanvulling ontvangt.

1.4. Na kennis te hebben genomen van de zienswijze van eiser op voormeld voornemen, waarin hij te kennen heeft gegeven zich in geen van de twee voorgelegde keuzes te kunnen vinden, heeft verweerder eiser bij besluit van 18 oktober 2011 met toepassing van artikel 8:8, eerste lid, van de CAR/UWO, zonder toekenning van een aanvullende uitkering, eervol ontslag verleend met ingang van 1 november 2011 (het ontslagbesluit).

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, overeenkomstig het advies van 24 mei 2012 van de Bezwarencommissie bezwaarschriften gemeentepersoneel, het ontslagbesluit gehandhaafd. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er sprake was van een uitzichtloze situatie, waardoor voortzetting van het dienstverband met eiser redelijkerwijs niet langer van hem kon worden gevergd. Voor een aanvullende uitkering is naar de mening van verweerder geen grond aanwezig, nu hij geen overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag van eiser heeft geleid. Daarbij heeft verweerder erop gewezen dat hij voldoende inspanningen heeft verricht om eiser te helpen bij het vinden van een andere functie, dat eiser relatief kort in dienst is geweest en dat hij zijn functie van Strategisch Beleidsmedewerker van meet af aan niet voldoende en niet volledig heeft uitgeoefend en dat eiser dat ook niet ontkent. Verder heeft verweerder nog opgemerkt dat hij verschillende regelingen heeft voorgesteld die eiser zonder opgaaf van reden heeft verworpen en dat hij nimmer met een tegenvoorstel is gekomen.

3. Op grond van artikel 8:8, eerste lid, van de CAR/UWO kan een ambtenaar die vast is aangesteld eervol worden ontslagen op een bij het besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden in vorige artikelen van dit hoofdstuk genoemd.

Op grond van artikel 10d:4, eerste lid, van de CAR/UWO treft het college een passende regeling voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 ontslagen wordt.

Op grond van het derde lid van dit artikel betrekt het college bij de vaststelling van de regeling de inhoud van dit hoofdstuk, voor zover dit redelijk en billijk is.

Op grond van de artikelen 10d:10 en 10d:15 van de CAR/UWO, zoals deze luidden ten tijde van belang, heeft de ambtenaar die op grond van artikel 8:3 (reorganisatie) of 8:6 (onbekwaamheid of ongeschiktheid) van de CAR/UWO is ontslagen recht op een aanvullende en na-wettelijke uitkering (tezamen: bovenwettelijke werkloosheidsuitkering). Voor de na-wettelijke uitkering geldt bij een ontslag op grond van artikel 8:6 als voorwaarde dat het ontslag gelegen is in omstandigheden binnen de werksfeer.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1. Niet is in geschil dat de aan het ontslagbesluit ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden een ontslag op grond van artikel 8:8, eerste lid, van de CAR/UWO kunnen dragen. Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder een passende regeling als bedoeld in artikel 10d:4, eerste lid, van de CAR/UWO heeft getroffen voor eiser. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord en dat hij minimaal recht heeft op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering heeft eiser een brief van 27 juni 2008 van het Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden (hierna: LOGA) aan haar leden overgelegd, waarin onder meer een toelichting op het per in 1 juli 2008 in werking getreden artikel 10d:4 van de CAR/UWO wordt gegeven.

Deze toelichting luidt als volgt:

“Voor ambtenaren die worden ontslagen op grond van artikel 8:8 CAR 'overige ontslaggronden' dient het college een passende regeling te treffen. LOGA-partijen hebben niet willen vastleggen welke inhoud een dergelijke regeling moet krijgen. Daarvoor zijn de omstandigheden rond deze ontslaggrond te divers. Het ligt echter wel in de rede dat de inhoud, voor zover dat redelijk en billijk is, gebaseerd wordt op de rechten die gelden voor ambtenaren die op grond van artikel 8:3 of 8:6 ontslagen worden. Ook voor deze groep ontslagenen geldt dat overstappen van werk naar werk het primaire doel behoort te zijn van de ontslagregeling. Het ter beschikking stellen van faciliteiten (financieel of anderszins) om de reïntegratie te stimuleren zal daarom ook een onderdeel moeten uitmaken van de ontslagregeling.

Mocht werkloosheid niet te voorkomen zijn, dan geldt de mogelijkheid om, onder gelijke voorwaarden als voor de ambtenaren die ontslagen worden op grond van artikel 8:3 of 8:6 afspraken te maken over een aanvulling op de WW-uitkering en een na-wettelijke uitkering na afloop van de WW-uitkering. De exacte hoogte en duur van deze uitkeringen zijn mede afhankelijk van de overige afspraken die rond het ontslag gemaakt zijn.”

4.2. Uit deze toelichting kan, anders dan eiser lijkt te veronderstellen, niet worden afgeleid dat een ambtenaar die is ontslagen op grond van artikel 8:8, eerste lid, van de CAR/UWO, in weerwil van de bewoordingen van het derde lid van artikel 10d:4 van de CAR/UWO, minimaal recht heeft op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering. In tegendeel, uit de toelichting blijkt dat de werkgevers- en werknemersvertegenwoordigers (LOGA-partijen) voor deze categorie ambtenaren bewust hebben afgezien van een dergelijke minimumuitkeringsregeling. Dit blijkt eens te meer uit het feit dat gelijktijdig met de inwerkingtreding van artikel 10d:4 van de CAR/UWO het derde lid van artikel 8:8 van de CAR/UWO is komen te vervallen, waarin voor deze categorie (minimaal) een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering werd voorgeschreven.

4.3. De door eiser ter zitting overgelegde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) van 2 augustus 2012 (LJN BX3521; TAR 2012, 178) leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Weliswaar heeft de CRvB in deze uitspraak - samengevat weergeven - geoordeeld dat bij een ontslag op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO ook onder het per 1 juli 2008 gewijzigde bovenwettelijke werkloosheidsstelsel van de CAR/UWO een minimale aanspraak bestaat op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering, maar bij gebrek aan overtuigende argumenten daarvoor ziet de rechtbank geen grond dit oordeel te onderschrijven. Daarbij merkt de rechtbank op dat de wijziging van voormeld stelsel van de CAR/UWO, waarbij het derde lid van artikel 8:8 van de CAR/UWO is komen te vervallen en artikel 10d:4 in de CAR/UWO is opgenomen, voortvloeit uit het op 23 januari 2008 door de LOGA-partijen gesloten onderhandelaarsakkoord over de arbeidsvoorwaarden in de sector gemeenten (CAO sector Gemeenten 2007-2009). Indien de rechtbank voormeld oordeel van de CRvB zou overnemen, zou zij naar haar oordeel een niet te rechtvaardigen inbreuk maken op de contract- en onderhandelingsvrijheid van de LOGA-partijen bij de bepaling van de arbeidsvoorwaarden. Hetzelfde geldt als de rechtbank de uitspraak van 18 februari 2013 van de CRvB (LJN BZ1337) zou volgen. In die uitspraak lijkt het op 2 augustus 2012 door de CRvB gegeven algemene oordeel te zijn genuanceerd, maar is wel geoordeeld dat de ambtenaar recht heeft op een aanvullende uitkering.

4.4. Voor het oordeel dat verweerder, onverminderd het vorenoverwogene, naar eisen van redelijkheid en billijkheid was gehouden om eiser een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering toe te kennen, ziet de rechtbank geen grond. Eiser heeft - naar niet is weersproken - nimmer voldaan aan de voor de functie van Strategisch Beleidsmedewerker geldende functie-eisen. Voorts is eiser aanvankelijk gedeeltelijk en uiteindelijk volledig van de bij zijn functie behorende taken ontheven. Eiser heeft nadien nog werkzaamheden verricht binnen de gemeente Dordrecht, maar de daaraan bestede tijd was beperkt in verband met het op 21 juni 2010 gestarte intensieve, loonbaancoachingstraject bij POSG. Nu eiser vanaf indiensttreding steeds het bij de functie van Strategisch Beleidsmedewerker behorende salaris is blijven ontvangen en de kosten van het loonbaancoachingstraject volledig voor rekening van de gemeente Dordrecht zijn gekomen en moeten worden geacht onderdeel uit te maken van de ontslagregeling, ziet de rechtbank, mede gelet op het relatief korte dienstverband van eiser en de door verweerder voorgestelde en door eiser afgewezen regelingen, geen grond voor het oordeel dat verweerder geen passende regeling als bedoeld in artikel 10d:4, eerste lid, van de CAR/UWO heeft getroffen.

4.5. Het beroep is derhalve ongegrond.

4.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, voorzitter, en mrs. T. Damsteegt en

M.C. Woudstra, leden, in aanwezigheid van mr. M.J.F.J. van Beek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2013.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.