Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:CA2578

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
10-06-2013
Zaaknummer
345219 / HA ZA 09-3747
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

IPR. Bestuurdersaansprakelijkheid naar Engels recht en recht van St. Vincent & Grenadines.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Haven & Handel

Vonnis van 3 april 2013

in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/10/345219 / HA ZA 09-3747 van

1. de vennootschap naar het recht van de plaats harer vestiging

NIDERA (SUISSE) S.A.,

gevestigd te Renens, Zwitserland,

2. de vennootschap naar het recht van de plaats harer vestiging

ALIZÉS DENRÉES S.A.,

gevestigd te Abidjan, Ivoorkust,

3. de vennootschap naar het recht van de plaats harer vestiging

HUILERIE DE GUINEE SARL,

gevestigd te Conakry, Guinee,

4. de naamloze vennootschap

AMLIN CORPORATE INSURANCE N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

5. de naamloze vennootschap

ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseressen,

advocaat mr. B.S. Janssen,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. E.A. Bik.

1. Het verdere verloop van het geding

1.1. De rechtbank verwijst naar haar tussenvonnissen van 21 maart 2012 en 11 juli 2012.

1.2. Na laatstgenoemd tussenvonnis hebben eiseressen hebben een Akte na tussenvonnis genomen en heeft gedaagde Slot-akte genomen.

1.3. Partijen hebben daarna wederom vonnis gevraagd.

1.4. De rechtbank heeft kennis genomen van de processtukken die leidden tot de tussenvonnissen van 21 maart 2012 en 11 juli 2012 en van bovengenoemde stukken.

2. De verdere beoordeling

2.1. In de tussenvonnissen van 21 maart 2012 en 11 juli 2012 is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat de vorderingen van eiseressen tegen gedaagde beoordeeld moeten worden naar het recht van Saint Vincent and the Grenadines.

De vorderingen van eiseressen zijn gegrond op gesteld gedrag van gedaagde als bestuurder van [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]), waardoor eiseressen stellen schade te hebben geleden. De stellingen van eiseressen komen er – in de kern genomen – op neer dat gedaagde aansprakelijk is:

(i) omdat hij als de voor het onderhoud van de “[schip 1]” verantwoordelijk bestuurder van [bedrijf 1] heeft nagelaten ervoor te (doen) zorgen dat het schip in behoorlijke, zeewaardige staat verkeerde toen het schip door [bedrijf 1] voor het vervoer van de partijen rijst van Yangon, Myanmar naar Abidjan, Ivoorkust, en Conakry Port, Guinee, werd ingezet, respectievelijk

(ii) omdat hij als bestuurder van [bedrijf 1], begin juni 2009, nadat eiseressen aanmerkelijke schade hadden geleden in verband met die reis, heeft meegewerkt aan de overdracht door [bedrijf 1] van de schepen “[schip 2]” en “[schip 3]” voor elk US$ 1,- aan een met een andere bestuurder van [bedrijf 1] verbonden rechtspersoon waardoor de (aanmerkelijk hogere waarde van) de schepen aan het verhaal voor eiseressen als schuldeisers van [bedrijf 1] zijn (is) onttrokken, terwijl [bedrijf 1] haar verplichtingen jegens eiseressen niet nakwam, de “[schip 1]” niet voor verhaal van de vordering van eiseressen vatbaar was en [bedrijf 1] geen verder voor verhaal vatbaar vermogen heeft.

De vorderingen van eiseressen betreffen derhalve gestelde onrechtmatige gedragingen (onrechtmatig nalaten waar handelen geboden was, respectievelijk meewerken aan onrechtmatig handelen), waardoor eiseressen als (gesubrogeerde verzekeraars van) contractuele wederpartijen van [bedrijf 1] schade hebben geleden.

2.2. Tussen partijen staat vast dat gedaagde in mei 2004 tot bestuurder (“director”) van [bedrijf 1] is benoemd, dat hij in de relevante periode van januari 2009 tot en met juni 2009 (nog steeds) director van [bedrijf 1] was en dat de hem verweten gedragingen die hoedanigheid en die periode betreffen.

2.3. Gedaagde heeft door middel van een opiniebrief van [persoon 1] en [persoon 2] van 6 juni 2012 inlichtingen verschaft over de inhoud van het recht van Saint Vincent and the Grenadines. Eiseressen hebben dat niet gedaan, hoewel de rechtbank hen daartoe tweemaal de gelegenheid heeft geboden.

Ten onrechte leidt gedaagde uit dat nalaten van eiseressen af dat de door hem voorgestane inhoud van het recht van Saint Vincent and the Grenadines de (enig) juiste is. De Nederlandse rechter dient ambtshalve het door de regels van internationaal privaatrecht aangewezen recht toe te passen (thans: artikel 10:2 BW). Dat aangewezen ‘vreemde’ recht is geen daadzaak die de Nederlandse rechter bij onvoldoende betwisting als bedoeld in artikel 149 Rv als vaststaand moet aanmerken.

Wel leidt de rechtbank af uit de omstandigheden dat eiseressen ondanks de geboden gelegenheid – ook nadat gedaagde de genoemde opiniebrief van 6 juni 2012 in het geding had gebracht – geen inlichtingen over het recht van Saint Vincent and the Grenadines hebben verschaft en dat zij geen commentaar hebben geleverd op die opiniebrief, dat zij geen inhoudelijk commentaar hebben op die opiniebrief en dat zij geen behoefte hebben zich (nader) uit te laten over de inhoud van het recht van Saint Vincent and the Grenadines.

2.4. Het burgerlijk recht in Saint Vincent and the Grenadines is gegrond op het Engelse common law stelsel.

Het vennootschapsrecht was er in de periode van januari 2009 tot en met juni 2009 gecodificeerd in de Companies Act 1994 (hierna: CA). De vestiging en inrichting van “offshore” vennootschappen of “international businesses” was in Saint Vincent and the Grenadines geregeld in de International Business Companies (Amendment and Consolidation) Act van december 2007 (hierna: IBCA).

Aldus gold in Saint Vincent and the Grenadines in de periode januari – juni 2009 het Engelse common law, de CA en de IBCA.

2.5. [bedrijf 1] kwalificeert als een “international business company” in de zin van section 7(1) IBCA.

2.6. Handelingen van een bestuurder (director) van een vennootschap betreffende die vennootschap worden naar het recht van Saint Vincent and the Grenadines in beginsel toegerekend aan de vennootschap.

2.7. De CA noch de IBCA bevat bepalingen over verantwoordelijkheden of verplichtingen van bestuurders ten opzichte van personen die buiten de vennootschap staan, zoals eiseressen. Evenmin bevat de CA of de IBCA een bepaling op grond waarvan een director van een international business company niet (of nooit) aansprakelijk is ten opzichte van zodanige buitenstaander.

2.8. In de IBCA wordt in Part II Incorporation, capacity and powers, Division 3 Capacity and Powers de algemene regel van rechtspersonenrecht gegeven dat een international business company een rechtspersoon is, een zelfstandige drager van rechten en verplichtingen, en dat een bestuurder daarvan niet aansprakelijk is voor de verplichtingen van de vennootschap (section 22 IBCA). Voor zover gedaagde betoogt dat section 22 IBCA hem vrijwaart voor aansprakelijkheid ten opzichte van eiseressen, ziet gedaagde daarbij over het hoofd dat de bepaling de genoemde algemene regel verwoordt en dat de bepaling eindigt met de woorden “except in so far as he [lees: de bestuurder] may be liable for his own conduct or acts”. Eiseressen spreken gedaagde in de onderhavige zaak aan wegens zodanig eigen gedrag van gedaagde.

2.9. De IBCA bevat in Part VI, Directors, dat de sections 84 tot en met 110 omvat, verantwoordelijkheden en verplichtingen van bestuurders (directors). Het gaat daarbij om verantwoordelijkheden en verplichtingen ten opzichte van de vennootschap, respectievelijk betrokkenen in of bij de vennootschap, maar niet om (gesubrogeerde verzekeraars van) contractuele wederpartijen van de vennootschap, zoals eiseressen.

Voor zover gedaagde met een beroep op de sections 96 en 99 IBCA en op de beslissing van de Engelse High Court in Regentcrest plc -v- Cohen [2001] 2 BCLC 80 betoogt dat geen aansprakelijkheid ten opzichte van een buiten de vennootschap staande partij kan ontstaan zolang de bestuurder “shall act honestly and in good faith and in what the director believes to be in the best interests of the company” (section 96), respectievelijk “shall act honestly and in good faith with a view to the best interests of the company (section 99), volgt de rechtbank dat betoog niet. De betreffende sections van de IBCA zien op de verantwoordelijkheid van een bestuurder ten opzichte van de vennootschap en betrokkenen in of bij de vennootschap en niet op die ten opzichte van derden, zoals eiseressen. De genoemde beslissing is gegeven met het oog op section 172 (oud) van de Companies Act 2006 van het Verenigd Koninkrijk, welke bepaling inhoudelijke overeenkomst vertoonde met sections 96 en 99 IBCA.

2.10. De grondslag van common law die in aanmerking komt om op basis van de gestelde, hiervoor in rov. 2.1 samengevatte feiten de vordering van eiseressen te dragen is de tort of negligence.

Eiseressen vorderen schadevergoeding die naar common law als pure economic loss wordt aangemerkt.

Voor aansprakelijkheid van een persoon voor pure economic loss op grond van de tort of negligence dient aan de zogenaamde “Caparo-test” te zijn voldaan: (i) the harm [of de pure economic loss] must be reasonably foreseeable, (ii) there has to be proximity between the wrongdoer and the party suffering the loss en (iii) imposing a duty of care has to be fair, just and reasonable.

In de CA noch in de IBCA is deze maatstaf ten aanzien van bestuurders van een “international business company” beperkt.

2.11. Toepassing van de Caparo-test op de stellingen van eiseressen levert het volgende op.

2.11.1. Gesteld noch gebleken is dat tussen (een of meer van de) eiseressen en gedaagde vóór het sluiten van de litigieuze vervoerovereenkomst betreffende de partijen rijst met de “[schip 1]” van Myanmar naar Abidjan, respectievelijk Conakry enige proximity of relatie bestond. Het zou dan ook te ver voeren om op gedaagde vóór het sluiten van die vervoerovereenkomst een duty of care te doen rusten.

Gesteld noch gebleken is dat gedaagde persoonlijk betrokken was bij de totstandkoming van die vervoerovereenkomst, dan wel bij de toetreding daartoe door (een of meer van de) eiseressen of de uitvoering daarvan door [bedrijf 1]. Ook op zodanige momenten bestond derhalve geen proximity of relatie tussen gedaagde en (een of meer van de) eiseressen.

Daarop stuit af het betoog van eiseressen dat gedaagde jegens hen aansprakelijk is geworden door zijn verantwoordelijkheden als bestuurder van [bedrijf 1] voor de staat van onderhoud van de “[schip 1]” niet behoorlijk na te komen.

2.11.2. Over de stelling van eiseressen dat gedaagde aansprakelijk is doordat hij, na het ontstaan van de vordering van eiseressen wegens schade in verband met de reis van de partijen rijst met de “[schip 1]”, heeft meegewerkt aan de overdracht door [bedrijf 1] van de schepen “[schip 2]” en “[schip 3]” voor elk US$ 1,- aan een met een andere bestuurder van [bedrijf 1] verbonden rechtspersoon, waardoor de (aanmerkelijk hogere waarde van) de schepen aan het verhaal voor eiseressen als schuldeisers van [bedrijf 1] zijn (is) onttrokken, overweegt de rechtbank het volgende.

[bedrijf 1] was een vrij kleine organisatie. [bedrijf 1] had maar enkele bestuurders en een paar schepen. Als bestuurder van [bedrijf 1] mag gedaagde bekend worden verondersteld met de financiële positie van [bedrijf 1] in de periode januari - juni 2009. Het moet gedaagde als bestuurder van [bedrijf 1] in mei 2009 bekend zijn geworden dat de “[schip 1]” voor de kust van Zuid-Afrika in ernstige problemen was geraakt, voor zover gedaagde niet al bekend was met de problemen met het schip tijdens die reis bij Sri Lanka in april 2009. Gedaagde moet daarom bekend worden verondersteld met de (mogelijk) substantiële vordering van (een of meer van de) eiseressen tot schadevergoeding wegens de in Zuid-Afrika afgebroken reis van de “[schip 1]” in mei 2009.

Echter, die omstandigheden brengen nog niet mee dat daarom sprake is van proximity, een relatie tussen eiseressen als schadelijdende en gedaagde als schadeveroorzakende personen.

Daarom kan niet de conclusie getrokken worden dat gedaagde wegens breach of a duty of care ten opzichte van eiseressen aansprakelijk is geworden.

2.12. Op het vorenstaande stuiten de vorderingen van eiseressen af.

2.13. De rechtbank zal eiseressen als de in het ongelijk gestelde partij in de aan de zijde van gedaagde gevallen proceskosten veroordelen. Die kosten begroot de rechtbank op het salaris voor de advocaat (6 punten in tarief VIII, derhalve) € 19.266,-. Het door gedaagde en de medegedaagde E.S. Kim betaalde griffierecht is reeds toegewezen bij vonnis van 6 oktober 2010.

3. De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen af;

veroordeelt eiseressen in de aan de zijde van gedaagde gevallen proceskosten, tot deze uitspraak begroot op € 19.266,-;

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger en uitgesproken in het openbaar op 3 april 2013. 1928