Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:CA1232

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-05-2013
Datum publicatie
28-05-2013
Zaaknummer
11-870099-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken voor het aanwezig hebben van 9 gram cocaïne. Verdachte wordt vrijgesproken van de verdenking van drugs dealen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Straf 3

parketnummer: 11/870099-12

verkort vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 mei 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1984],

wonende aan de [adres en woonplaats],

hierna: verdachte.

De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 14 mei 2013.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit.

2 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het ten laste gelegde bewezen achtend, zij het met betrekking tot feit 1 voor een kortere periode, te weten van 1 januari 2012 tot en met 4 juni 2012, - gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit. De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat de bewezenverklaring betreft. De verdediging heeft tevens een strafmaatverweer gevoerd.

4 De bewijsbeslissing

4.1 De vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1. ten laste is gelegd, omdat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt dat verdachte gedurende een bepaalde periode cocaïne heeft gedeald. In de door de officier van justitie genoemde observatie van activiteiten van verdachte en het getapte telefoongesprek van 8 februari 2012 ziet de rechtbank onvoldoende grond voor de conclusie dat het hierbij om een drugstransactie is gegaan. Voorts hebben de in het onderhavige onderzoek gehoorde gebruikers van cocaïne geen van allen verdachte genoemd als degene bij wie zij hun cocaïne kochten of haalden. Ten slotte kan niet worden uitgesloten, dat de door de officier van justitie genoemde (frequente) contacten tussen verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], niet drugsgerelateerd waren gelet op de gezamenlijke activiteiten ten behoeve van kapsalon [naam kapsalon].

Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van feit 1.

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2.

op 5 juni 2012 te Dordrecht opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 9,47 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.3 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, lid 1 sub 5° van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op:

2.

OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2 ONDER C VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7 De redenen die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

Vormverzuim

De rechtbank zal eerst ingaan op het standpunt van de verdediging ten aanzien van het gestelde vormverzuim.

De verdediging heeft bepleit dat sprake is van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek nu het dossier, in strijd met artikel 3, vierde lid van het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken (hierna: het Besluit), geen blijk geeft van de vernietiging van de geheimhoudersgesprekken. Immers kan niet worden vastgesteld dat de geheimhoudersgesprekken mogelijk sturing aan het onderzoek hebben gegeven. Dit vormverzuim dient in de strafmaat te worden verdisconteerd.

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat er sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Immers, niet is gebleken dat de geheimhoudersgesprekken overeenkomstig het Besluit zijn vernietigd.

De rechtbank is echter, anders dan de verdediging, van oordeel dat aan dit vormverzuim niet het gevolg van strafvermindering moet worden verbonden, nu niet is gebleken dat verdachte door het vormverzuim in zijn belangen is geschaad. De rechtbank volstaat derhalve, gelet op de in artikl 359a lid 2 Sv genoemde beoordelingsfactoren, met de enkele constatering van het vormverzuim.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer.

Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van harddrugs, namelijk cocaïne. Verdachte is daarmee medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van verdovende middelen veroorzaakt. Daarbij is van belang dat cocaïne een stof is die sterk verslavend werkt en schadelijk is voor de gezondheid. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld om in zijn eigen verslaving te voorzien.

Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee tot drie weken hanteert de rechtbank als uitgangspunt voor het aanwezig hebben van een hoeveelheid van 5 tot 15 gram harddrugs. Dit uitgangspunt gaat uit van een persoon die niet eerder is veroordeeld voor vergelijkbare strafbare feiten. Blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 april 2013 is verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking geweest voor overtreding van de Opiumwet.

Alles afwegende en in afwijking van de eis van de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van drie weken passend en geboden is. In de omstandigheid dat de rechtbank verdachte vrijspreekt van feit 1, ligt het verschil tussen de strafoplegging en hetgeen de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank ziet geen aanleiding om een gedeelte van de straf voorwaardelijk op te leggen.

7.2 De inbeslaggenomen voorwerpen

7.2.1 De teruggave

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte.

De rechtbank zal hier niet de verbeurdverklaring, zoals door de officier van justitie gevorderd, uitspreken, nu zij voor het opleggen van een degelijke bijkomende straf, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen aanleiding ziet.

8 De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf berust op de artikelen 2 en 10 van het Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

- verklaart het ten laste gelegde bewezen op de wijze als hierboven onder 4.2 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5 vermelde strafbare feit oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) weken;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

Geld Euro 1.667,50.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Mourik, voorzitter, mr. M. van Nooijen en mr. M. van Kuilenburg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.C. de Hooge griffier en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 4 juni 2012

in elk geval in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 4 juni

2012 te Dordrecht, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig

heeft gehad, een of meerdere (gebruikers)hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, in elk

geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 5 juni 2012 te Dordrecht opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 9,47 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

Parketnummer: 11/870099-12

Vonnis d.d. 28 mei 2013