Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:CA1226

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-05-2013
Datum publicatie
28-05-2013
Zaaknummer
11-870080-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 maanden voor het dealen in cocaïne voor een periode van zes maanden en het aanwezig hebben van 110 gram cocaïne.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Straf 3

parketnummer: 11/870080-12

verkort vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 mei 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1984],

wonende te [adres en woonplaats],

hierna: verdachte.

De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 14 mei 2013.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit.

2 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden met aftrek van de tijd door verdachte doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Als bijzondere voorwaarde bij het voorwaardelijk strafdeel heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte verplicht reclasseringstoezicht wordt opgelegd. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd dat bij uitspraak de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte wordt opgeheven.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft een bewijsverweer gevoerd.

4 De bewijsbeslissing

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 december 2011 tot en met 4 juni 2012 te

Dordrecht, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en

verstrekt en vervoerd (gebruikers)hoeveelheden cocaïne, zijnde cocaïne een middel

als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

op 5 juni 2012 te Dordrecht opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 110 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde feit 1 heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. De verdediging heeft het (bewijs)verweer gevoerd dat verdachte vanaf medio december 2011 of januari 2012 cocaïne voorhanden heeft gehad en verkocht. De rechtbank is van oordeel dat, op basis van het verhandelde ter zitting en het dossier, voldoende aannemelijk is dat verdachte gedurende een periode van zes maanden in cocaïne heeft gedeald.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, lid 1 sub 5° van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.3 Nadere bewijsoverweging

Door de raadsman is aangevoerd dat verdachte van feit 2 dient te worden vrijgesproken, nu uit het dossier niet blijkt dat de bij verdachte aangetroffen witte substantie cocaïne betreft.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is vast komen te staan dat onder verdachte ruim 110 gram (te weten 112,54 gram) cocaïne is aangetroffen. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op:

1.

OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2 ONDER B VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD, meermalen gepleegd;

2.

OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2 ONDER C VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD;

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7 De redenen die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van zes maanden schuldig gemaakt aan het dealen in cocaïne. Daarnaast is bij verdachte 110 gram cocaïne aangetroffen.

Verdachte is daarmee medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van verdovende middelen veroorzaakt. Daarbij is van belang dat cocaïne een stof is die schadelijk is voor de gezondheid en sterk verslavend is. Daarnaast ontstaat door de handel in harddrugs schade en overlast voor de samenleving. Enerzijds overlast in de buurten waar de handelsactiviteiten plaatsvinden, anderzijds overlast doordat - hetgeen als een feit van algemene bekendheid mag worden beschouwd - verslaafden aan harddrugs, om in hun dagelijkse behoefte te voorzien, vaak vermogensdelicten plegen. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en heeft - vermoedelijk- slechts gehandeld uit winstbejag.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de strafbare feiten het opleggen van een geheel onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf aangewezen is.

De rechtbank heeft wat de persoon van de verdachte betreft, gelet op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 april 2013, waaruit blijkt dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten met politie en justitie in aanraking is gekomen alsmede op de reclasseringsrapportage d.d. 13 augustus 2012.

Uit genoemde rapportage blijkt dat de reclassering zich primair onthoudt van het geven van een strafadvies, nu verdachte tijdens zijn gesprek met de reclassering gedeeltelijk heeft geweigerd om zijn medewerking te verlenen. De reclassering heeft subsidiair geadviseerd om aan verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarde bij het voorwaardelijk strafdeel een meldingsgebod, deelname aan een gedragsinterventie en een locatie gebod.

Alles afwegende en in afwijking van de eis van de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van dertien maanden passend en geboden is. In de omstandigheid dat de rechtbank ten aanzien van feit 1 een aanzienlijk kortere periode bewezen heeft verklaard dan de officier van justitie tot uitgangspunt van haar strafeis heeft genomen, ligt met name het verschil tussen de strafoplegging en hetgeen de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank ziet geen aanleiding om een gedeelte van de straf voorwaardelijk op te leggen, nu de rechtbank geen aanwijzingen heeft dat begeleiding door de reclassering is geïndiceerd.

7.2 De inbeslaggenomen voorwerpen

7.2.1 De verbeurdverklaring

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.

Gebleken is dat het bij verdachte aangetroffen geld afkomstig is van of gebruikt is bij het plegen van de strafbare feiten.

De rechtbank zal het in beslag genomen geld verbeurd verklaren.

8 De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen berusten op de artikelen 33, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen op de wijze als hierboven onder 4.1 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 13 (dertien) maanden;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis;

Beslag

- verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten

- 1. Geld Euro 1160,00;

- 2. Geld Euro 210,00;

- 3. Geld Euro 480,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Mourik, voorzitter, mr. M. van Nooijen en mr. M. van Kuilenburg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.C. de Hooge griffier en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 4 juni 2012 te

Dordrecht, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of

verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een

of meerdere (gebruikers)hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel

als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 5 juni 2012 te Dordrecht opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 110 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

Parketnummer: 11/870080-12

Vonnis d.d. 28 mei 2013