Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:CA1128

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-04-2013
Datum publicatie
27-05-2013
Zaaknummer
10/965088-12, UTL-I-2012035672
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitlevering aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar verklaard

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team straf 2

Parketnummer: 10/965088-12

UTL-I-2012035672

Datum uitspraak: 10 april 2013

Beslissing van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak van de opgeëiste persoon:

[naam opgeëiste persoon],

geboren op [geboortedatum] 1980 [land],

alias:

[naam],

geboren te [plaats] op [datum] 1980,

met de nationaliteit van de [nationaliteit],

zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Alpen aan den Rijn,

verder te noemen: de opgeëiste persoon.

raadsman mr H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam.

Procedure

De autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika hebben bij nota (nummer 147/12) van 17 oktober 2012, aangevuld bij brief van 22 januari 2013, aan het Nederlandse Ministerie van Veiligheid en Justitie een verzoek tot uitlevering ter vervolging van de opgeëiste persoon gedaan. Bij het uitleveringsverzoek zijn stukken overgelegd.

De Minister van Veiligheid en Justitie (verder: de Minister) heeft bij brief van 18 oktober 2012 het uitleveringsverzoek met de daarbij overgelegde stukken aan de officier van justitie bij het Landelijk Parket gezonden met het verzoek dit uitleveringsverzoek in behandeling te nemen.

De officier van justitie heeft op 24 oktober 2012 schriftelijk gevorderd, welke vordering op dezelfde dag ter griffie is ontvangen, dat de rechtbank het uitleveringsverzoek in behandeling zal nemen en heeft tevens een beslissing over de gevangenhou¬ding van de opgeëiste persoon verzocht.

Op 27 maart 2013 heeft de rechtbank ter openbare zitting gehoord:

- de officier van justitie mr. Oosterveld;

- de opgeëiste persoon, bijgestaan door de tolk mevrouw J.C. Ingenhoes, alsmede zijn raadsman mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toelaatbaarheid van de uitlevering en heeft een schriftelijke samenvatting daaromtrent aan de rechtbank overgelegd.

Uitleveringsverzoek

De uitlevering wordt verzocht met het oog op een tegen de opgeëiste persoon ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de feiten zoals uitgebreid omschreven in de ‘Affidavit’ d.d. 20 september 2012, nr. 12-CR-468 (FAB), opgesteld door Assistant United States Attorney Carlos R. Cardona waarin wordt verwezen naar de tegen hem uitgevaardigde akte van beschuldiging (Indictment, welk stuk niet bij de overgelegde stukken is gevoegd), uitgevaardigd door de Federale Grand Jury van de Amerikaanse Federale Districtsrechtbank voor het District van Puerto Rico d.d. 13 juni 2012 Het gaat hierbij om de volgende twee feiten (counts):

1.samenspanning tot het plegen van materieel strafbare feiten tegen de Verenigde Staten, meer in het bijzonder, de distributie van duizenden pillen die een mengeling en een opspeurbare hoeveelheid MDMA bevattende stof inhouden, hetgeen een gecontroleerde stof is, met het voornemen en de kennis dat zulke stof op illegale wijze in de Verenigde Staten zou ingevoerd worden.

2. het distribueren van een gecontroleerde stof met het voornemen en de kennis dat zulke stof op illegale wijze in de Verenigde Staten zou ingevoerd worden”.

In de vordering tot uitlevering wordt met name verwezen naar het aanhoudingsbevel dat op 13 juni 2012 naar aanleiding van de bovengenoemde Indictment tegen de voortvluchtige werd uitgevaardigd door de Amerikaanse rechter bij de District Court van Puerto Rico Marcos E. Lopez (nummer 12-468-FAB). Dit aanhoudingsbevel wordt gelezen tegen de achtergrond van bovengenoemde Affidavit.

Van de Nederlandse vertaling van dit aanhoudingsbevel is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie aan deze uitspraak gehecht, waarvan het tussen haken geplaatste gedeelte, bevattende de omschrijving van de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd, als hier ingevoegd dient te worden beschouwd.

Nu de ook in het aanhoudingsbevel genoemde Indictment niet bij de stukken is gevoegd, kan door de uitleveringsrechter niet worden beoordeeld op welke feiten de zinsnede ‘and any other charges mentioned in the Indictment’ precies ziet. De beslissing met betrekking tot de toelaatbaarheid beperkt zich dan ook tot de twee daaraan voorafgaande beschuldigingen.

Toepasselijk verdrag

Van toepassing is het uitleveringsverdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten van Amerika (Trb. 1980, 111), zoals herzien in het Verdrag bevattende het instrument bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Unie inzake de toepassing van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (Trb. 2004, nr. 299) (hierna: het Verdrag). Verwijzingen in deze uitspraak naar artikelen bij dit Verdrag zijn verwijzingen naar artikelen uit de bijlage bij voornoemd instrument, bevattende de integrale tekst van het Verdrag.

Identiteit van de opgeëiste persoon

In het uitleveringsverzoek staat als identiteit van de opgeëiste persoon vermeld [naam], geboren op [datum] 1980 in de [land]. Op 23 augustus 2012 is in Amsterdam uit hoofde van een bevel tot aanhouding ter fine van uitlevering een man aangehouden op grond van het vermoeden voornoemde [naam] te zijn. De aangehouden man gaf vervolgens tegenover de verbalisanten op zowel te zijn [naam], geboren op voornoemde data, als te zijn [naam], geboren op [datum] 1980 te [plaats], [land].

Op de zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard [naam] te heten.

Noch de opgeëiste persoon, noch de verdediging heeft aangevoerd dat hij niet de persoon is die waarvan de uitlevering door de autoriteiten van de Verenigde Staten wordt verzocht.

De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat zijn gelaat overeenkomt met de foto die van de opgeëiste persoon door de Amerikaanse autoriteiten is verstrekt. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de aangehouden persoon ook de opgeëiste persoon is.

Genoegzaamheid van de stukken

Onder de overgelegde stukken bevinden zich een afschrift van de toepasselijke wetsbepalingen en de overige noodzakelijke gegevens met betrekking tot de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht. De stukken voldoen aan de eisen van artikel 9, tweede en derde lid, van het Verdrag.

De rechtbank is van oordeel dat uit het bij de overgelegde stukken gevoegde bewijsmateriaal een zodanig redelijk vermoeden van schuld van de opgeëiste persoon voorvloeit aan de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht, dat naar Nederlands recht zijn aanhouding dan wel enig nader onderzoek met het oog op dagvaarding gerechtvaardigd zou zijn.

Dubbele strafbaarheid

De feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, zijn volgens de overgelegde wetsbepalingen naar Amerikaans recht strafbaar. Ter zake van die feiten kan ingevolge die bepalingen telkens een vrijheidsstraf worden opgelegd van ten minste een jaar.

Ook naar Nederlands recht zijn de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht strafbaar, te weten als:

- medeplegen van een feit als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10, voorbereiden en/of bevorderen door een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, strafbaar gesteld bij artikel 10a van de Opiumwet, in verbinding met artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht;

- opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10 lid 5 van de Opiumwet.

Voor deze feiten kan naar Nederlands recht telkens een vrijheidsstraf van ten minste een jaar worden opgelegd.

Geen onschuldverweer van de opgeëiste persoon

Blijkens de verklaring van de opgeëiste persoon ter zitting - hij heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht - kan hij niet onverwijld aantonen onschuldig te zijn aan het feit waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht.

Gevoerde verweren

A. Uitlokking / strijd met artikel 6 EVRM

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de uitlevering ontoelaatbaar verklaard dient te worden omdat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6 van het EVRM. De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn verweer uiteengezet dat door de Verenigde Staten van Amerika aan de Nederlandse Autoriteiten niet is kenbaar gemaakt dat er gebruik gemaakt is van een criminele burgerinfiltrant, zodat de Nederlandse autoriteiten daarvan geen kennis hebben kunnen nemen en geen toestemming hebben verleend aan de door de verdediging in de pleitnota aangevoerde criminele handelingen van de burgerinfiltrant in november 2011 welke ook hier in Nederland zouden hebben plaatsgevonden. Het vertrouwensbeginsel dient naar het oordeel van de raadsman te worden doorbroken aangezien de Amerikaanse autoriteiten zeer goed bekend zijn met het feit dat de Nederlandse autoriteiten het inzetten van een criminele burgerinfiltrant niet toestaan.

De raadsman verzoekt subsidiair om aanvulling van de stukken van de Amerikaanse autoriteiten, in welke stukken wordt duidelijk gemaakt hoe en op welke wijze de criminele burgerinfiltrant in contact is gekomen met “[naam]”.

De raadsman wil tevens aanvulling van het dossier met de antwoorden van de officier van justitie in Nederland op de Amerikaanse rechtshulpverzoeken. Bij gebreke van deze transparantie stelt de verdediging dat “[naam]” is uitgelokt door deze burgerinfiltrant. Onderbouwing voor deze stelling is dat de Amerikaanse autoriteiten de aanvang van het inzetten van de criminele burgerinfiltrant verhullen en derhalve trachten het uitlokken te verhullen. Dit alles is in strijd met artikel 6 EVRM.

Hierover wordt als volgt geoordeeld.

Als uitgangspunt geldt dat aan de rechter die over de toelaatbaarheid van de uitlevering beslist geen oordeel toekomt over de rechtmatigheid van de bewijsgaring ten behoeve van de strafzaak in de verzoekende staat. Dat geldt in beginsel ook wanneer Nederland aan die bewijsgaring heeft bijgedragen door de verlening van rechtshulp.

Aangenomen moet worden dat Nederland, als door het EVRM en het IVBPR gebonden Staat, het resultaat van bilaterale onderhandelingen die hebben geleid tot het hier toepasselijke Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika heeft kunnen afstemmen op de aard en mate waarin de in de eerste twee genoemde verdragen neergelegde fundamentele rechtsbeginselen worden erkend in de Verenigde Staten van Amerika, terwijl sedertdien die verdragsrelatie is gecontinueerd. Daarom is uitgangspunt dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op het genoemde uitleveringsverdrag in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en bestraffing van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het eerdergenoemde EVRM en IVBPR zal respecteren (vgl. HR 8 juli 2003, LJN AE5288).

Dit betekent dat de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering slechts dan moet wijken voor de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om de rechten van dat verdrag te verzekeren indien (a) blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht, en in dat geval voorts (b) naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel ten dienste staat ter zake van die inbreuk.

Het verweer - dat Amerikaanse (opsporings)ambtenaren zonder toestemming op Nederlands grondgebied hebben geopereerd met behulp van een criminele burgerinfiltrant en dat het dat de opgeëiste persoon daarbij actief is uitgelokt - moet worden gevoerd in de procedure in de Verenigde Staten van Amerika. Het is voorts niet aannemelijk geworden dat een dergelijk verweer in de Verenigde Staten van Amerika niet kan worden gehonoreerd.

Er zijn daarom onvoldoende aanwijzingen dat de gerechtelijke procedure in de Verenigde Staten van Amerika zal plaatsvinden op een wijze die een flagrante schending van artikel 6 EVRM met zich mee brengt.

Het verzoek van de verdediging tot schorsing van de behandeling van de uitlevering om de genoemde stukken op te vragen wordt afgewezen.

B. Plaats van handeling

De raadsman stelt dat de feiten zijn gepleegd in Nederland en dat reeds daarom de uit¬levering ontoelaatbaar dient te worden verklaard op grond van artikel 4 lid 4 van de EU - VS Uitleveringsovereenkomst. Dit verweer slaagt niet. Of een strafbare feit kan leiden tot uitlevering, moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 2 van het Verdrag. Dat artikel bepaalt dat uitlevering wordt toegestaan voor feiten die tot uitlevering kunnen leiden en die zijn gepleegd buiten het grondgebied van de verzoekende Staat indien, voor zover thans relevant, de rechters van de aangezochte Staat in gelijksoortige omstandigheden bevoegd zouden zijn daarover rechtsmacht uit te oefenen. Gelet op het bepaalde in artikel 13 van de Opiumwet doet deze situatie zich voor.

Toepassing van artikel 4 lid 4 van de EU - VS Uitleveringsovereenkomst zou overigens niet tot een ander resultaat geleid hebben.

C. De periode

In het arrestatiebevel van 13 juni 2012 staat dat de beschuldiging is gepleegd “from in of about November 2011, and continuing up to in or about April 2012”, vertaald als vanaf november 2011 tot in of omtrent april 2012 in Nederland. De raadsman heeft bepleit dat de rechtbank zou moeten beslissen dat de uitlevering alleen zou moeten worden toegestaan voor de periode tot 1 april 2012. De rechtbank ziet hiertoe geen aanleiding.

Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten ter zake waarvan de uitlevering ter strafvervolging tot tenuitvoerlegging wordt verzocht, is bevonden dat aan alle daarvoor in de wet en toepasselijk verdragen gestelde eisen is voldaan, dient de gevraagde uitlevering toelaatbaar te worden verklaard.

In beslag genomen voorwerpen

Ter terechtzitting van 27 maart 2013 heeft de officier van justitie tevens de overdracht aan de verzoekende staat gevorderd van de bij de opgeëiste persoon in beslag genomen voorwerpen, namelijk twee mobiele telefoons, twee sim-kaarten en een micro SD-kaart.

De officier van justitie heeft hiertoe ter terechtzitting een handgeschreven beslaglijst opgesteld. De rechtbank ziet dat op deze handgeschreven beslaglijst vermeld staat:

“Beslaglijst ex artikel 46 UW.

gsm

gsm

sim kaart

sim kaart

micro SD kaart”

In het dossier bevindt zich geen proces-verbaal van bij de opgeëiste persoon in beslag genomen voorwerpen. De voorwerpen op bovengenoemde lijst zijn derhalve niet te linken aan dit dossier en deze zaak. De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie overgelegde beslaglijst niet voldoende is bepaald, zodat de rechtbank daarop geen beslissing kan noch behoeft te nemen.

Toepasselijke artikelen

De beslissing is, behalve op de reeds genoemde artikelen, gegrond op de navolgende artikelen:

artikelen 2, 5, 18, 26 en 28 van de Uitleveringswet,

artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht,

artikelen 10a en 10 van de Opiumwet.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart toelaatbaar de uitlevering aan de Verenigde Staten van Amerika van [naam], geboren op [datum] 1980 op de [land], alias [naam], geboren te [plaats] op [datum] 1980, ter strafvervolging van de hiervoor genoemde feiten.

Deze beslissing is genomen door:

mr. Trotman, voorzitter,

mrs. De Vreede en Doorduijn, rechters,

in tegenwoordigheid van Grootendorst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 april 2013.