Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:CA0339

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-04-2013
Datum publicatie
16-05-2013
Zaaknummer
ROT 12/3575
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over betalingsregeling. Ontbreken procesbelang na betaling van het verschuldigde bedrag. De rechtbank ziet geen aanleiding om een principiële uitspraak te doen over eventuele gevolgen bij het niet betalen van het verschuldigde bedrag, nu deze gevolgen niet meer kunnen ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 12/3575

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 mei 2013 in de zaak tussen

Quality RTV B.V. te Utrecht, eiseres,

gemachtigde: drs. R. Poeze,

en

de minister van Economische Zaken (Agentschap Telecom), verweerder,

gemachtigde: mr. O.F.V. de Bruijne.

Procesverloop

Bij besluit van 29 februari 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om een betalingsregeling afgewezen.

Bij besluit van 3 juli 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en bepaald dat eiseres een openstaande factuur van 9 december 2011 onmiddellijk en volledig dient te voldoen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend..

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2013. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Smit, mr. drs. R.A. Diekema, mr. E.P. Koorstra en mr. E.M. Hendriks.

Overwegingen

1. Bij besluiten van 22 juli 2011 heeft verweerder drie middengolfvergunningen voor commerciële radio-omroep, waarvan eiseres houdster was (de kavels C05, C07 en C09), verlengd tot 1 september 2017. Bij de factuur van 9 december 2011 heeft verweerder de toezichtskosten over 2011 en de verlengingskosten voor de kavels C05, C07 en C09 bij eiseres in rekening gebracht. Op 23 februari 2012 heeft eiseres verzocht om een betalingsregeling. Eiseres heeft daarbij voorgesteld om in 2012 € 2.000,-- te betalen, vanaf 2013 tot en met 2016 € 600,-- per jaar en in 2017 € 548,75. Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van eiseres afgewezen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit herroepen, onder de overweging dat in het besluit ten onrechte niet was ingegaan op de onderbouwing die aan het verzoek ten grondslag was gelegd: de verwijzing naar de situatie van Crosspoints B.V. en Rokit B.V. Verweerder is hierop in het bestreden besluit ingegaan, en heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat eiseres gehouden is de factuur van 9 december 2011 (alsnog) onmiddellijk te betalen.

2. Niet in geschil is dat eiseres het verschuldigde bedrag, dat ten grondslag ligt aan het onderhavige geding, inmiddels heeft betaald. Eiseres heeft de verschuldigdheid van het bedrag niet betwist. De rechtbank ziet zich dan ook gesteld voor de vraag of eiseres nog een (proces)belang heeft bij een inhoudelijk oordeel.

3. Ter zitting heeft eiseres desgevraagd aangegeven dat zij het verschuldigde bedrag heeft kunnen betalen zonder een beroep te moeten doen op derden en dat het voortbestaan van haar onderneming door de betaling niet in gevaar is gekomen, maar dat een gespreide betaling wel wenselijk zou zijn geweest. Daar heeft zij aan toegevoegd dat zij bij vernietiging van het bestreden besluit niet om terugbetaling van het door haar betaalde bedrag zal verzoeken. Volgens is eiseres is haar belang er in gelegen dat de rechtbank oordeelt over het feit dat verweerder eiseres met intrekking van de vergunning heeft gedreigd, terwijl de procedure tegen de weigering van een betalingsregeling nog liep.

4. Nu eiseres te kennen heeft gegeven dat zij zich bij de betaling heeft neergelegd, is er geen sprake meer van een procesbelang. Een oordeel van de rechtbank over de mogelijke gevolgen van niet-betaling heeft voor de door eiseres gedane betaling immers geen betekenis meer.

5. Uit het bovenstaande volgt dat het beroep niet-ontvankelijk is.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, voorzitter, en mr. C.A. Schreuder en

mr. J.W. van de Gronden, in aanwezigheid van mr. A.Th.A.M. Schouw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.