Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:CA0079

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-05-2013
Datum publicatie
14-05-2013
Zaaknummer
ROT 13/2126
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek gedaan om opvang op grond van de Wet maatschappelijke opvang. De weigering door verweerder van toelating tot maatschappelijke opvang enkel op grond van het criterium van regiobinding geeft, gelet op de omstandigheden van dit geval, geen blijk van een “fair balance” tussen publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en de particuliere belangen van verzoekster om toegelaten te worden tot de maatschappelijke opvang. Verzoek om een voorlopige voorziening te treffen wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 13/2126

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

8 mei 2013 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam], te Rotterdam, verzoekster,

gemachtigde: mr. R.S. Wijling,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: M.E. Braak.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting op 8 mei 2013 heeft de voorzieningenrechter

on¬mid¬del¬lijk mondeling uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter

- schorst het bestreden besluit en draagt verweerder op om vóór 9 mei 2013 om 15.00 uur verzoekster en haar kinderen toe te laten tot [adres] dan wel vergelijkbare maatschappelijke opvang;

- bepaalt dat verweerder aan verzoekster het betaalde griffierecht van € 44,00 vergoedt,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,00, te betalen aan verzoekster.

Overwegingen

Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet maatschappelijke opvang (Wmo) wordt in de Wmo en de daarop berustende bepalingen onder maatschappelijke opvang verstaan: het tijdelijk bieden van onderdak, begeleiding, informatie en advies aan personen die, door een of meer problemen, al dan niet gedwongen de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

Op grond van het eerste lid, aanhef en onder g, onder 7, van dit artikel wordt in de Wmo en de daarop berustende bepalingen verstaan onder maatschappelijke ondersteuning: het bieden van maatschappelijke opvang, waaronder vrouwenopvang en het voeren van beleid ter bestrijding van geweld dat door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffer is gepleegd.

Artikel 8 van het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) biedt ruimte voor gevallen waarin “the very essence” van de bescherming van dat artikel - zijnde respect voor de menselijke waardigheid en menselijke vrijheid - wordt aangetast. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming.

Indien sprake is van omstandigheden die tot gevolg hebben dat de normale ontwikkeling van het privé- en gezinsleven onmogelijk wordt gemaakt kan er sprake zijn van een zodanige aantasting van “the very essence” van artikel 8 van het EVRM dat er een positieve verplichting op de Staat berust de situatie in overeenstemming te brengen met de in artikel 8 van het EVRM opgenomen waarborg (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 22 december 2008, LJN: BG8776).

Verweerder bestrijdt niet dat verzoekster en de haar ten laste komende kinderen, van respectievelijk twee weken en 3 en 7 jaar oud, op grond van artikel 8 van het EVRM tot een kwetsbare groep behoren, maar stelt dat de kinderen bij verzoekster zijn weggehaald, zodat niet langer sprake is van een positieve verplichting als hiervoor bedoeld.

De voorzieningenrechter volgt dit standpunt niet. Niet is gebleken dat verzoekster gebruik kan maken van een voorziening zoals bedoeld in artikel 2 van de Wmo die kan worden gezien als opvang die aansluit bij de situatie van verzoekster en haar kinderen. Verzoekster heeft voorts voldoende aannemelijk gemaakt dat zij en de jongste twee kinderen niet bij haar echtgenoot of anderszins bij familie kunnen verblijven. De twee jongste kinderen zijn immers geplaatst in een pleeggezin en niet bij de oma van de kinderen. Verder is ter zitting gebleken dat verzoekster geen bestaansmiddelen heeft en geen steun (van haar echtgenoot) krijgt in de verzorging en opvoeding van deze kinderen en dat verzoekster vanwege haar recente bevalling dringend zelf behoefte heeft aan onderdak en medische zorg.

Bij deze stand van zaken was het voor verweerder te voorzien dat het niet toelaten tot de maatschappelijke opvang van verzoekster en haar kinderen in strijd zou komen met voornoemde, uit artikel 8 van het EVRM voortvloeiende, positieve verplichting tot bescherming van het privé- en gezinsleven van verzoekster en haar kinderen.

De weigering van toelating tot maatschappelijke opvang enkel op grond van het criterium van regiobinding geeft geen blijk van een “fair balance” tussen publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en de particuliere belangen van verzoekster om toegelaten te worden tot de maatschappelijke opvang.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472,00 en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van Strien, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J. van Mazijk, griffier.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.