Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:BZ9195

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
01-05-2013
Zaaknummer
10/740111-11 en 10/700599-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor de St. Maartenzaak (uit 2001) wegens onvoldoende bewijs;

Zaak Dorpsweg: bewezen verklaard wordt moord, geen sprake van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling van de verdachte. Hij heeft zich gedurende enige tijd kunnen beraden en de gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Sprake van voorbedachte raad. Straf 12 jaar, toewijzing vordering benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team straf 2

Parketnummers: 10/740111-11 en 10/700599-11 (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 23 april 2013

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de

Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie,

raadsman mr. G.R. Stolk, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 9 april 2013.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. M. Luijpen heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder het parketnummer 10/740111-11 impliciet primair ten laste gelegde feit (moord) en van het onder het parketnummer 10/700599-11 impliciet subsidiair ten laste gelegde feit (doodslag in vereniging);

- veroordeling van de verdachte voor de zaak met parketnummer 10/740111-11 tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren met aftrek van voorarrest en voor de zaak met parketnummer 10/700599-11 tot een gevangenisstraf van 9 jaren, tezamen aldus een gevangenisstraf van 25 jaren;

- gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij] inzake parketnummer 740111-11 tot het bedrag van € 10.843,55 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

MOTIVERING VRIJSPRAAK VAN DE ONDER PARKETNUMMER 10/700599-11 IMPLICIET PRIMAIR TEN LASTE GELEGDE MOORD IN VERENIGING EN DE IMPLICIET SUBSIDIAIR TEN LASTE GELEGDE DOODSLAG IN VERENIGING

Het impliciet primair ten laste gelegde feit - te weten moord in vereniging op [naam slachtoffer] - is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Dit oordeel zal niet nader worden gemotiveerd, nu de officier van justitie in haar requisitoir bij dit feit is uitgegaan van doodslag, en de raadsman op dit punt niets heeft opgemerkt.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte op 30 januari 2001 te Sint Maarten tezamen en in vereniging met medeverdachte [naam medeverdachte] het latere slachtoffer [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd. De officier van justitie kwalificeert dit als doodslag in vereniging. Zij heeft hiertoe verwezen naar het sectieverslag van de arts en patholoog, de verklaring van de medeverdachte [naam medeverdachte] en naar de verklaringen van de getuige [naam getuige].

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op 30 januari 2001 is te Sint Maarten het slachtoffer [naam slachtoffer] als gevolg van een schietpartij om het leven gekomen. De verdachte heeft steeds uitdrukkelijk betwist dat hij betrokken is geweest bij deze schietpartij of dat hij die dag zelfs maar aanwezig is geweest op de plaats delict. De getuige [naam getuige] heeft in haar laatste verklaringen beschreven dat zij bij het schietincident aanwezig is geweest. Zij heeft voorts verklaard dat de medeverdachte [naam medeverdachte] een wapen heeft getrokken, waarna een worsteling heeft plaatsgevonden met het slachtoffer. Op dat zelfde moment werd zij onder schot gehouden door een tweede man, die zij later op een politiefoto heeft aangewezen als de verdachte. Vervolgens heeft zij een aantal schoten gehoord en zag zij dat het slachtoffer -naar later blijkt dodelijk- getroffen was door een kogel. De verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte] zijn vervolgens weggegaan. Wie de schoten heeft gelost, weet de getuige niet.

Nu de aanwezigheid van de verdachte op 30 januari 2001 op de plaats delict slechts is gestoeld op verklaringen van de getuige [naam getuige] en het dossier geen enkel ander bewijsmiddel bevat waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij de schietpartij kan blijken, kan -hoewel de omstandigheid dat de verdachte kort na de schietpartij is vertrokken van Sint Maarten op zijn minst genomen de nodige vraagtekens oproept- het impliciet subsidiair ten laste gelegde eveneens niet wettig en overtuigend bewezen worden geacht.

De verdachte dient derhalve van het ten laste gelegde feit te worden vrijgesproken.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10/740111-11 impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 9 april 2011 te Rotterdam, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad , met een vuurwapen kogels afgevuurd in de richting van het hoofd, althans het lichaam, van die [naam slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

NADERE BEWIJSMOTIVERING

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich op 9 april 2011 te Rotterdam schuldig heeft gemaakt aan moord op het slachtoffer [naam slachtoffer] omdat uit de bewijsmiddelen kan blijken dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad.

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag. Omdat de verdachte het feit niet heeft gepleegd met voorbedachte raad, dient hij te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde moord.

De verdachte heeft namelijk gehandeld in een opwelling, hetgeen ook blijkt uit de korte tijdsduur van het incident, de plaats van het delict (voor het politiebureau) en de zeer korte tijd tussen de twee geloste schoten.

De verdachte heeft verklaard dat hij als passagier in een busje de tramhalte passeerde en daar toevallig [naam slachtoffer] zag staan. Omdat hij met [naam slachtoffer] wilde praten over een voortdurend conflict tussen hen, is hij uit het busje gestapt en naar hem toe gelopen. Op het moment dat hij tegenover [naam slachtoffer] stond, bewoog [naam slachtoffer] op enig moment met zijn arm richting zijn middel, waardoor de verdachte dacht dat hij een wapen ging trekken. Als reactie op deze beweging trok de verdachte zijn eigen wapen en laadde dit door. Toen [naam slachtoffer] een beweging met zijn hand in de richting van dat vuurwapen maakte, heeft hij twee keer in de richting van het slachtoffer geschoten. Nadat hij op [naam slachtoffer] had geschoten, bleef deze staan zodat de verdachte niet wist dat hij [naam slachtoffer] dodelijk had verwond. Hij is nooit van plan geweest het slachtoffer dood te schieten, aldus de verdachte.

De rechtbank overweegt het volgende.

Vast is komen te staan dat de verdachte op 9 april 2011 met een vuurwapen op het slachtoffer [naam slachtoffer] heeft geschoten ten gevolge waarvan deze is overleden.

Thans moet de vraag worden beantwoord of de verdachte dit met voorbedachte raad heeft gedaan. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “voorbedachte raad” moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en

de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven (HR 15 januari 2013, BY5678).

Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende.

In de loop der tijd voorafgaand aan de dag waarop de dodelijke schoten zijn gelost, hebben zich verschillende incidenten voorgedaan tussen de verdachte en het latere slachtoffer, de eerder genoemde [naam slachtoffer]. Op 9 april 2011 bevond [naam slachtoffer] zich omstreeks 17.00 uur aan de Dorpsweg te Rotterdam op het perron van de tramhalte. De verdachte stapte uit een busje en liep op hem af. [naam slachtoffer] liep vervolgens bij de verdachte vandaan en stak de weg over in de richting van het politiebureau. De verdachte liep achter het slachtoffer aan en trok op enig moment een (door)geladen vuurwapen uit zijn kleding tevoorschijn. Nadat [naam slachtoffer] en de verdachte de straat waren overgestoken, stonden zij stil ter hoogte van het politiebureau op korte afstand van elkaar, waarbij de verdachte volgens meerdere getuigen [naam slachtoffer] ook heeft vastgepakt met zijn linker hand en/of heeft geduwd. Getuigen hoorden voorts schreeuwen uit de richting van deze mannen. [naam slachtoffer] week naar achteren en maakte -zoals door meerdere getuigen is waargenomen- afwerende gebaren. Een getuige heeft hierbij [naam slachtoffer] ‘Nee, nee’ horen roepen. Meerdere getuigen verklaren dat de verdachte van dichtbij zijn arm strekte en het wapen richtte op het hoofd van [naam slachtoffer]. De verdachte schoot één keer in de richting van het hoofd van [naam slachtoffer], waarbij een kogel hem aan het gelaat links, op de overgang van voorhoofd naar behaarde hoofd links, raakte. Uit het pathologisch rapport van het NFI blijkt dat het hierbij ging om een schotkanaal aan het hoofd van links naar rechts schuin, achterwaarts en iets voetwaarts. [naam slachtoffer] viel hierna voorover op de grond. Vervolgens schoot de verdachte nogmaals op de op de grond liggende [naam slachtoffer], waarbij deze werd geraakt in de middelste linker oksellijn ter hoogte van de romp, met als gevolg een schotkanaal door de borst- en buikholte van links naar rechts, schuin iets voetwaarts. De verdachte deed daarna zijn capuchon op en rende weg.

De rechtbank leidt uit de omstandigheden in dit geval af dat het schieten op [naam slachtoffer] niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling van de verdachte, maar dat hij zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De rechtbank heeft onvoldoende informatie om met voldoende mate van zekerheid te beoordelen of de verdachte al langere tijd met een (al ontwikkeld of zich nog rijpend) plan rondliep om het slachtoffer te confronteren en desnoods diens leven te beëindigen. Maar ook indien zijn plan om [naam slachtoffer] op beslissende en voor deze fatale wijze te confronteren, eerst spontaan ontstond op het moment dat de verdachte hem op straat zag kort voor de verdachte het busje verliet, zijn er naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanwijzingen dat er sprake was van voorbedachte raad.

De rechtbank baseert dit concreet op de volgende uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden:

-de verdachte ziet vanuit het busje waarin hij zit, [naam slachtoffer] bij een tramhalte staan, verlaat het busje en loopt op hem af;

-alvorens hij bij [naam slachtoffer] is aangekomen, overbrugt de verdachte een afstand van enkele tientallen meters;

-terwijl hij [naam slachtoffer] nadert, verwijdert deze zich – kennelijk omdat hij de verdachte in de gaten kreeg – ;

-de verdachte gaat vervolgens desondanks achter [naam slachtoffer] aan;

-bij het naderen van [naam slachtoffer] pakt de verdachte een (door)geladen vuurwapen;

-beiden schreeuwen naar elkaar;

-als de verdachte bij [naam slachtoffer] is, pakt hij hem vast en/of duwt hij hem;

-vervolgens schiet de verdachte van dichtbij met gestrekte arm kennelijk bewust en bedoeld in de richting van het hoofd van [naam slachtoffer];

-nadat het slachtoffer op de grond is gevallen, schiet de verdachte nogmaals gericht op diens lichaam.

Onder de geschetste omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte voldoende momenten heeft gehad waarin hij heeft kunnen nadenken over de betekenis en de gevolgen van zijn handelen, en hij zich daarvan rekenschap heeft kunnen geven. Dit wordt nog versterkt door de waarneming dat de verdachte bij zijn daad de afwerende gebaren van [naam slachtoffer] heeft genegeerd. De rechtbank acht het, gezien de beschrijvingen die de getuigen geven van de handelingen en bewegingen van de verdachte (het achtervolgen en daarbij reeds pakken van een geladen dan wel doorgeladen vuurwapen, het vastpakken dan wel duwen door de verdachte, het richten en schieten op het hoofd) enerzijds en van [naam slachtoffer] (het wijken en afweren) anderzijds, onaannemelijk dat de verdachte met zijn schoten in een reflex heeft gereageerd op een voor hem verdachte bedreigende beweging van [naam slachtoffer] richting een verondersteld wapen. Een dergelijke beweging wordt ook door geen van de vele getuigen beschreven. Integendeel, het beschreven afweren in kennelijke weerloosheid door het slachtoffer had de verdachte ultiem tot herbezinning op zijn handelen dienen te brengen, hetgeen niet is gebeurd.

Dat het delict zich in een relatief kort tijdsbestek heeft afgespeeld doet aan vorenstaande beschrijving en duiding van de gebeurtenissen niet af.

De voorbedachte raad wordt daarom wettig en overtuigend bewezen geacht. Het andersluidende verweer wordt verworpen.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

Moord

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft op een mooie voorjaarsdag op de Dorpsweg in Rotterdam, waar zich op dat moment een groot aantal personen bevond, op brutale wijze [naam slachtoffer] van het leven beroofd door twee schoten op hem af te vuren. De verdachte heeft het slachtoffer éénmaal in het hoofd, en éénmaal in de borst geschoten. Als gevolg hiervan is het slachtoffer ter plaatse overleden.

De verdachte heeft door zijn handelen het slachtoffer het meest fundamentele recht, namelijk dat op leven, ontnomen. Bovendien heeft de verdachte hierdoor veel verdriet en welhaast onherstelbaar leed veroorzaakt bij de familie en nabestaanden van het slachtoffer. De ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen, opgesteld door de moeder, broer en ex-partner (en moeder van vier van de kinderen van het slachtoffer), hebben de treurige gevolgen van verdachtes daad voor de nabestaanden duidelijk naar voren gebracht. Dat geldt in het bijzonder voor de jonge kinderen van het slachtoffer, die moeten opgroeien zonder vader en met de wetenschap dat deze het slachtoffer is geweest van moord.

Doordat het misdrijf op klaarlichte dag in een drukke straat heeft plaatsgevonden, zijn er veel mensen ongewild getuige van geweest. Dit moet een beangstigende ervaring zijn geweest, waarvan naar de ervaring leert, nog lange tijd psychisch nadelige gevolgen kunnen worden ondervonden. De verdachte heeft niet alleen in de Antilliaanse gemeenschap - waar de wortels van zowel de verdachte als het slachtoffer liggen - maar ook in de maatschappij in het algemeen, veel onrust veroorzaakt en gevoelens van angst en onveiligheid teweeg gebracht.

Moord, zoals in het onderhavige geval bewezen is verklaard, behoort tot de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent en is naar zijn aard een misdrijf dat oplegging van een gevangenisstraf van zeer lange duur rechtvaardigt.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een op verdachtes naam gesteld Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 maart 2012 waaruit blijkt dat hij in Nederland niet eerder is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten.

De rechtbank heeft er nota van genomen dat de verdachte inziet dat hij fout heeft gehandeld, dat hij oprecht spijt lijkt te hebben van hetgeen er is gebeurd en dat hij ook de ernst daarvan beseft. De rechtbank heeft dit echter maar in beperkte mate mee laten wegen, nu deze inzichten van de verdachte achteraf niet opwegen tegen het enorme leed dat hij met zijn handelen bij de nabestaanden heeft aangericht.

Afgezien van het feit waarvan de verdachte is vrijgesproken, komt de rechtbank ten aanzien van het wel bewezen geachte levensdelict tot een in enige mate lagere afzonderlijke straf dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ/SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde partij], wonende te [adres], ter zake van het onder parketnummer 10/740111-11 ten laste gelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 11.514,37 aan materiële schade bestaande uit de kosten van de begrafenis van het slachtoffer ad € 8.097,50, de kosten van de grafsteen ad € 2.746,05 en reiskosten van de dochter van [naam slachtoffer] ad € 670,82 om de begrafenis van haar vader bij te kunnen wonen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Kosten begrafenis en kosten grafsteen

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht, zal deze worden toegewezen.

Reiskosten van de dochter van [naam slachtoffer]

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal deze, ondanks de betwisting door de verdachte, worden toegewezen.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Behalve op het reeds genoemde artikel, is gelet op artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder parketnummer 10/700599-11 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder parketnummer 10/740111-11 impliciet primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

wijst de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij], wonende te [adres], toe tot een bedrag van € 11.514,37 (zegge: elfduizend vijfhonderd veertien euro en zevenendertig eurocent) en veroor¬deelt de verdachte dit bedrag tegen kwij¬ting aan de benadeelde partij te betalen;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de bena¬deelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoer¬legging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 11.514,37 (zegge: elfduizend vijfhonderd veertien euro en zevenendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 11.514,37 (zegge: elfduizend vijfhonderd veertien euro en zevenendertig eurocent) vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 92 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.J. Bade, voorzitter,

en mrs. S. Jordaan en K.T. van Barneveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.G. Kuijs, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 april 2013.

Bijlage bij het vonnis van 23 april 2013

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

Parketnummer 10/740111-11

hij, op of omstreeks 09 april 2011 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, met een vuurwapen een of meer kogel(s) afgevuurd in de richting van het hoofd, althans het lichaam, van die [naam slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden.

(artikel 289/287 van het Wetboek van Strafrecht)

Parketnummer 10/700599-11

hij, op of omstreeks 30 januari 2001 te Sint Maarten tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, een of meerdere kogels afgevuurd in de richting van het (boven)lichaam van die [naam slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden.

(artikel 289/287 van het Wetboek van Strafrecht)