Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:BZ8799

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
ROT 12/3946
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Besluit waarbij verweerder het verzoek van eiser om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM, heeft afgewezen omdat met de uitspraak van de CRvB van 16 maart 2007 in rechte is vast komen te staan dat de beslissing rechtmatig was. Blijkens de overwegingen van het bestreden besluit kent verweerder geen schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn indien elk van de volgende vragen ontkennend wordt beantwoord:

- Moest verweerder nog een nieuwe beslissing op bezwaar nemen naar aanleiding van de uitspraak?

- Heeft de uitspraak gezag van gewijsde gekregen?

- Is er in de procedure vastgesteld dat er sprake is geweest van een verweerder toe te rekenen overschrijding van de redelijke termijn?

In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat elk van deze vragen in het geval van eiser ontkennend moet worden beantwoord, nu verweerder na de uitspraak van de CRvB geen nieuwe beslissing meer hoefde te nemen, de uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen – kennelijk is op de tweede vraag juist een bevestigend antwoord vereist - en de Raad zich in deze uitspraak niet heeft uitgelaten over overschrijding van de redelijke termijn. Om die reden zou eiser volgens verweerder geen recht hebben op vergoeding van de schade.

Door partijen is niet betwist en ook de Rb. neemt aan dat eiser met het na afloop van de betreffende procedure ingediende verzoek om schadevergoeding heeft beoogd een zogenoemd zelfstandig schadebesluit uit te lokken. (…) Naar het oordeel van de Rb. heeft verweerder ten onrechte aan de hand van de hierboven genoemde drie vragen beoordeeld of eiser aanspraak kan maken op schadevergoeding. Geen rechtsregel verbiedt dat een benadeelde een verzoek om schadevergoeding indient na afloop van de procedure die volgens hem onredelijk lang heeft geduurd. Evenmin volgt dit uit de uitspraak van de Raad van 12 november 2010 (LJN: BO4583). (…) Dat de beweerdelijk te lange procedure is geëindigd met een bevestigende uitspraak die gezag van gewijsde heeft gekregen, waarin bovendien niet is vastgesteld dat de redelijke termijn is overschreden, maakt evenmin dat een nadien ingediend verzoek om vergoeding van de door de vertraging onstane schade om die reden kan worden afgewezen. Verweerder heeft ten onrechte aangenomen dat de formele rechtskracht van het besluit waarop de beweerdelijk te lange procedure betrekking had, zich ook uitstrekt tot de (mogelijk onredelijk lange) duur van die procedure. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 21 juli 2010 (LJN: BN1930), betekent het feit dat een partij geen bezwaar en beroep heeft ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op aanvraag, niet dat in een procedure tegen een zelfstandig schadebesluit van de rechtmatigheid van het niet tijdig beslissen moet worden uitgegaan. Uit deze uitspraak kan worden afgeleid dat termijnoverschrijding niet beschouwd wordt als een onderdeel van de wijze van totstandkoming van de beslissing op bezwaar in die zin dat de termijnoverschrijding onder de formele rechtskracht van die beslissing zou vallen (aldus ook de Hoge Raad in zijn arrest van 22 oktober 2010, LJN: BM7040). Uit het voorgaande volgt dat verweerder naar aanleiding van het verzoek van 15 maart 2012 een besluit diende te nemen waarin hij zich diende uit te laten over de ((on)redelijk lange) duur van de procedure alsmede, indien hij van mening is dat de redelijke termijn is overschreden, over eisers aanspraak op vergoeding van schade als gevolg daarvan. Nu verweerder dat, ook in bezwaar, heeft nagelaten, is het bestreden besluit genomen in strijd met art. 7:12 Awb en dient het om die reden te worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 12/3946

tussenuitspraak als bedoeld in artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht van de enkelvoudige kamer van 21 maart 2013 in de zaak tussen

[eiser], te Rotterdam, eiser,

gemachtigde: mr. W.H. van Zundert,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: mr. L.J.M.M. de Poel.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 23 maart 2012 (het primaire besluit) ongegrond verklaard.

Tegen het bestreden besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2013. Namens eiser verscheen mr. W.H. van Zundert, gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft verweerder bij brief van 15 maart 2012 verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in verband met een procedure die liep van 13 december 1993 tot 16 maart 2007.

Bij brief van 23 maart 2012 heeft verweerder dit verzoek afgewezen, omdat met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 maart 2007 in rechte vast is komen te staan dat de beslissing rechtmatig was. Het tegen deze brief ingestelde bezwaar heeft verweerder bij brief van 25 juli 2012 ongegrond verklaard.

2. Blijkens de overwegingen van het bestreden besluit kent verweerder geen schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn indien elk van de volgende vragen ontkennend wordt beantwoord:

- Moest verweerder nog een nieuwe beslissing op bezwaar nemen naar aanleiding van de uitspraak?

- Heeft de uitspraak gezag van gewijsde gekregen?

- Is er in de procedure vastgesteld dat er sprake is geweest van een verweerder toe te rekenen overschrijding van de redelijke termijn?

3. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat elk van deze vragen in het geval van eiser ontkennend moet worden beantwoord, nu verweerder na de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep geen nieuwe beslissing meer hoefde te nemen, de uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen – kennelijk is op de tweede vraag juist een bevestigend antwoord vereist - en de Raad zich in deze uitspraak niet heeft uitgelaten over overschrijding van de redelijke termijn. Om die reden zou eiser volgens verweerder geen recht hebben op vergoeding van de schade.

4. Door partijen is niet betwist en ook de rechtbank neemt aan dat eiser met het na afloop van de betreffende procedure ingediende verzoek om schadevergoeding heeft beoogd een zogenoemd zelfstandig schadebesluit uit te lokken. Verweerders reactie op dit verzoek, vervat in de brief van 25 juli 2012, moet gelet hierop worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Nu de oorzaak van de schade waarover in het besluit is beslist, is gelegen in de duur van een bestuursrechtelijke procedure over een appellabel besluit van verweerder, moet worden aangenomen dat dit besluit vatbaar is voor bezwaar en vervolgens beroep (zie in dit verband de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 mei 2008, LJN: BD2637 en Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 23 januari 2008 (LJN: BC2942).

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten onrechte aan de hand van de hierboven genoemde drie vragen beoordeeld of eiser aanspraak kan maken op schadevergoeding. Geen rechtsregel verbiedt dat een benadeelde een verzoek om schadevergoeding indient na afloop van de procedure die volgens hem onredelijk lang heeft geduurd. Evenmin volgt dit uit de uitspraak van de Raad van 12 november 2010 (LJN: BO4583). In die uitspraak heeft de Raad overwogen dat de rechtbank ingevolge artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek van een partij een rechtspersoon kan veroordelen tot vergoeding van de schade die een partij lijdt. In de betreffende zaak had appellante hangende haar beroep bij de rechtbank echter niet verzocht om schadevergoeding. In die situatie is de rechtbank volgens de Raad niet gehouden zich ambtshalve – dus zonder dat daartoe een verzoek is ingediend – uit te laten over de aanspraak op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Uit de uitspraak van de Raad kan echter niet worden afgeleid dat een verzoek om schadevergoeding dat wordt ingediend na afloop van de procedure die onredelijk lang zou hebben geduurd, om die reden kan worden afgewezen.

6. Dat de beweerdelijk te lange procedure is geëindigd met een bevestigende uitspraak die gezag van gewijsde heeft gekregen, waarin bovendien niet is vastgesteld dat de redelijke termijn is overschreden, maakt evenmin dat een nadien ingediend verzoek om vergoeding van de door de vertraging onstane schade om die reden kan worden afgewezen. Verweerder heeft ten onrechte aangenomen dat de formele rechtskracht van het besluit waarop de beweerdelijk te lange procedure betrekking had, zich ook uitstrekt tot de (mogelijk onredelijk lange) duur van die procedure. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 21 juli 2010 (LJN: BN1930), betekent het feit dat een partij geen bezwaar en beroep heeft ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op aanvraag, niet dat in een procedure tegen een zelfstandig schadebesluit van de rechtmatigheid van het niet tijdig beslissen moet worden uitgegaan. Uit deze uitspraak kan worden afgeleid dat termijnoverschrijding niet beschouwd wordt als een onderdeel van de wijze van totstandkoming van de beslissing op bezwaar in die zin dat de termijnoverschrijding onder de formele rechtskracht van die beslissing zou vallen (aldus ook de Hoge Raad in zijn arrest van 22 oktober 2010, LJN: BM7040).

7. Uit het voorgaande volgt dat verweerder naar aanleiding van het verzoek van 15 maart 2012 een besluit diende te nemen waarin hij zich diende uit te laten over de ((on)redelijk lange) duur van de procedure alsmede, indien hij van mening is dat de redelijke termijn is overschreden, over eisers aanspraak op vergoeding van schade als gevolg daarvan. Nu verweerder dat, ook in bezwaar, heeft nagelaten, is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 7:12 van de Awb en dient het om die reden te worden vernietigd.

8. In het kader van het streven naar een definitieve beslechting van het geschil heeft de rechtbank onderzocht of zij met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder c, van de Awb, zelf in de zaak kan voorzien. Nu verweerder zich in het geheel nog niet inhoudelijk heeft uitgelaten over het verzoek om schadevergoeding, acht zij dat niet opportuun en geeft zij er de voorkeur aan om verweerder, met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb, eerst de gelegenheid te bieden het door de rechtbank geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen. De termijn waarbinnen verweerder de gelegenheid heeft het gebrek te herstellen en waarbinnen verweerder de rechtbank op de hoogte moet brengen van zijn bevindingen, bepaalt de rechtbank op zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

9. Indien verweerder geen gebruik maakt van de mogelijkheid het gebrek in het bestreden besluit te herstellen, dient hij dit zo snel mogelijk aan de rechtbank mede te delen.

10. Conform het bepaalde in artikel 8:51b, derde lid, van de Awb staat het eiser vrij om binnen een termijn van vier weken nadat verweerder het gebrek heeft hersteld, schriftelijk zijn zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld, naar voren te brengen.

11. De rechtbank zal bij de einduitspraak op het beroep een beslissing geven over de vergoeding van de gemaakte proceskosten.

Beslissing

De rechtbank,

stelt verweerder in de gelegenheid binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak en met inachtneming met hetgeen in deze uitspraak is overwogen, het door de rechtbank geconstateerde gebrek aan het bestreden besluit te herstellen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, rechter, in aanwezigheid van

mr. Y.W. Geerts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open.