Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:BZ8788

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
10/730256-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hortvathzaak

Verdachte 15 jaar, eendaadse samenloop van medeplegen van moord en diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. maximaal toegestane jeugddetentie en een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.

verlenging van de PIJ- maatregel is in dit geval mogelijk voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat, waarbij geldt dat de maatregel een jaar daarvoor voorwaardelijk eindigt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Parketnummer: 10/730256-12

Datum uitspraak: 25 april 2013

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [ ] te [ ],

wonende op het adres [ ]

ten tijde van de terechtzitting preventief gedetineerd in de justitiële jeugdinrichting De Hartelborgt Opvang te Spijkenisse,

raadsvrouw mr. Yilmaz, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 en 11 april 2013.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De [officier van justitie] heeft gerekwireerd tot:

- vrij¬spraak van het onder 1 primair ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 12 maanden met aftrek

van voorarrest, alsmede oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor

jeugdigen.

ONTVANKELIJKHEID OFFICIER VAN JUSTITIE

VERWEER EX ARTIKEL 359a Sv

De raadsvrouw heeft met een beroep op artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) betoogd dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim dat primair moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Volgens de raadsvrouw is in het voorbereidend onderzoek de verbaliseringsplicht als neergelegd in artikel 152 Sv niet correct nageleefd. In het proces-verbaal van getuigenverhoor van 12 augustus 2012 (p. 77) en het proces-verbaal van bevindingen van de politie (p. 371) is de gang van zaken op 12 augustus 2012 rond het verhoor van de verdachte - toen nog als getuige - en de gang van zaken voorafgaand en tijdens het vervoer van de verdachte naar het politiebureau onvolledig weergegeven. Voorts is de handelwijze van de politie, die is toe te rekenen aan het openbaar ministerie - welke handelwijze dus niet correct in de processen-verbaal is weergegeven - , in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, in aanmerking genomen dat zij te maken hadden met een vijftienjarige. Ook is doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van een minderjarige verdachte zijn recht op een eerlijk proces tekortgedaan.

Subsidiair zouden deze schendingen volgens de raadsvrouw moeten leiden tot bewijsuitsluiting, danwel tot matiging van de mogelijk op te leggen straf.

De officier van justitie heeft - kort en zakelijk weergegeven - zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van schending van de verbaliseringsplicht nu uit het proces-verbaal van bevindingen de betreffende gang van zaken blijkt.

De rechtbank overweegt als volgt.

Als uitgangspunt geldt dat indien wordt vastgesteld dat in het voorbereidend onderzoek sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv en het rechtsgevolg daarvan niet reeds uit de wet blijkt, de rechter dan dient te beoordelen of aan dat vormverzuim een rechtsgevolg dient te worden verbonden en zo ja, welk rechtsgevolg daarvoor in aanmerking komt. De rechter is niet wettelijk verplicht een van de sancties toe te passen. Artikel 359a Sv formuleert dus een bevoegdheid en niet een plicht, en biedt mede in het licht van de wetsgeschiedenis de rechter de mogelijkheid af te zien van het toepassen van een van de daar bedoelde rechtsgevolgen en te volstaan met het oordeel dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan. De strekking van de regeling van artikel 359a Sv is immers niet dat een vormverzuim hoe dan ook moet leiden tot enig voordeel voor de verdachte (vgl. HR 9 april 2013, LJN BX4439). Bij de keuze voor het toe te passen rechtsgevolg dient de rechter rekening te houden met de in het tweede lid van artikel 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd. Deze factoren moeten tevens van belang worden geacht voor de stelplicht van de verdediging. Bedoelde factoren zijn:

- het belang dat het geschonden voorschrift dient;

- de ernst van het verzuim;

- het nadeel dat wordt veroorzaakt.

Bij de beoordeling van deze laatste factor is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. Als er van zodanige schade geen sprake is, behoeft ook geen rechtsgevolg aan het verzuim te worden verbonden.

Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in artikel 359a voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking, namelijk alleen als het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (HR 19 december 1995, NJ 1996, 249) of als de rechter wordt misleid.

In het proces-verbaal van verhoor van getuige (nummer PL17CO 20122435685-35 pagina 77) d.d. 12 augustus 2012 wordt - voor zover van belang - vermeld:

“Op zondag 12 augustus 2012 te 14.00 uur hoorden wij op de locatie [adres] Rotterdam als getuige: X, geboren (…)

“X, wij hebben jou uitgenodigd als getuige (…)”.

In het proces-verbaal van bevindingen van de politie (nummer 2012435685-116 d.d. 22 augustus 2012, p 371-372) is met betrekking tot de gang van zaken bij het verhoor van 12 augustus 2012 van verdachte, toen nog als getuige, het volgende vermeld:

“Op zondag 12 augustus 2012, omstreeks 13:00 uur, gingen wij, verbalisanten, ter plaatse aan de [adres 2] te Rotterdam, de woning van X. Op aanbellen werd gereageerd door, naar later bleek, X. Hij liet ons, verbalisanten, de woning binnen. Hij gaf aan alleen thuis te zijn. Wij, verbalisanten, vertelden X dat wij onderzoek deden naar de moord/doodslag aan de [straat] te Rotterdam en vroegen hem met ons mee te gaan naar het politiebureau teneinde als getuige te worden gehoord. X verklaarde hiertoe bereid te zijn en ging met ons mee.

Omstreeks 14:00 uur startten wij het verhoor getuige. In het beginstadium van het verhoor, na ongeveer vijf tot tien minuten, merkte ik, [Verbalisant], een verwonding aan de rechterwijsvinger van X op. Dit was een snee links van de vingernagel. Ik, [Verbalisant], zei tegen X dat ik die wond zag en vroeg hem of hij mij zijn handen wilde laten zien. Ik zag aan de binnenzijde van de handen van X vele, zeer oppervlakkige verwondingen. De wond aan de wijsvinger leek dieper en redelijk vers.

Wij hoorden dat X verklaarde dat hij deze verwondingen regelmatig opliep tijdens zijn werk als paprikaplukker in de tuinbouw.

Ik, [Verbalisant], verliet hierop de verhoorkamer en stelde [Teamleider] omstreeks 14:15 uur op de hoogte van mijn bevindingen omtrent het letsel aan de handen van de getuige. Ik gaf hierbij aan dat ik de verwondingen niet direct herkende als zijnde verwondingen die bij steken met een mes zonder stootplaat zouden kunnen ontstaan. Door [Teamleider] werd besloten een forensisch arts in te schakelen, teneinde een medische beoordeling van het handletsel van de getuige te verkrijgen. In afwachting van de komst van de arts kon het verhoor getuige worden voortgezet.

Omstreeks 16:00 uur kwam de [forensisch arts] ter plaatse. In

aanwezigheid van ons, verbalisanten, stemde X in met een onderzoek aan zijn

handen door deze arts.

Omstreeks 17:00 uur beëindigden wij, verbalisanten het verhoor, waarna de verklaring, voorafgaand aan ondertekening door de getuige, op compleetheid ter beoordeling werd overlegd aan de teamleiding. In afwachting van deze beoordeling, vroeg ik X of hij aan het bureau wilde wachten. X stemde hiermee in.

Na overleg met de [officier van justitie], gaf zij toestemming tot aanhouding buiten heterdaad van X ter zake van moord cq. doodslag.

Op zondag 12 augustus 2012, te 19:25 uur, hielden wij X aan als verdachte.”

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij door de politie is opgehaald en vrijwillig met de politie is meegegaan. Hij mocht zijn ouders bellen om te vertellen dat hij door de politie werd opgehaald om mee naar het bureau te gaan om daar als getuige een verklaring af te leggen. Dat heeft hij ook gedaan. Hij heeft niet op enig moment tegen de politie gezegd dat hij naar huis wilde en dus niet langer wilde wachten.

De rechtbank constateert dat hetgeen in het proces-verbaal van bevindingen is vermeld geen aperte onjuistheden bevat, noch dat daarin van belang zijnde gebeurtenissen zijn weggelaten. Dit proces-verbaal bevestigt dat de verdachte thuis door de politie is opgehaald, dat het verhoor voor langere tijd onderbroken is geweest en dat de verdachte ook na afloop van het verhoor nog enige tijd heeft gewacht. Deze bevindingen waren niet in het proces-verbaal van getuigenverhoor van 12 augustus 2012 als hierboven vermeld opgenomen, maar dit verzuim is naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam hersteld met bovengenoemd proces-verbaal van bevindingen.

Er is dan ook geen sprake van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

De raadsvrouw heeft voor het eerst bij brief van 3 april 2013 betoogd, dat door de politie-ambtenaren in het busje op weg naar het politiebureau en tijdens het getuigenverhoor op 12 augustus 2012 herhaaldelijk tegen verdachte - toen nog getuige - zou zijn gezegd: “Jij hebt het gedaan, he? Jij bent het”.

Dit standpunt van de raadsvrouw vindt op geen enkele wijze bevestiging in het dossier, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat. Daarbij geldt, dat de verdachte in zijn eerste verhoor als getuige niets belastend voor zichzelf heeft verklaard. Ook overigens is niet gesteld door de verdediging dat de verdachte enig nadeel heeft ondervonden van het vermeende onherstelbare vormverzuim.

De rechtbank verwerpt het verweer in al haar onderdelen. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op of omstreeks 09 augustus 2012 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [ ] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg,

- voornoemde [ ] gewurgd, althans omsnoerend en/of samendrukkend geweld op

de hals van die [ ] uitgeoefend en/of

- meermalen met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp in de borst en/of

de hals en/of de rug, in elk geval het lichaam van die [ ] gestoken,

althans meermalen uitwendig inwerkend scherprandig perforend geweld op de

borst en/of hals en/of rug, althans het lichaam van die [ ] uitgeoefend,

tengevolge waarvan die [ ] massaal bloedverlies en/of functieverlies van

de beide longen en/of zuurstofgebrek op weefselniveau heeft bekomen,

tengevolge waarvan voornoemde [ ] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 09 augustus 2012 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee, althans een mobiele telefoon(s) (te weten een BlackBerry (Curve) en/of

een Samsung), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [ ], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [ ], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- meermalen, althans éénmaal (met kracht) slaan en/of stompen en/of stoten tegen het hoofd en/of het lichaam van die [ ] en/of

- die [ ] wurgen, althans omsnoerend en/of samendrukkend geweld uitoefenen op de hals van die [ ] en/of

- meermalen met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp in de borst en/of

de hals en/of de rug, in elk geval het lichaam van die [ ] steken,

althans uitwendig inwerkend scherprandig perforerend geweld op de borst en/of

hals en/of rug, althans het lichaam van die [ ] uitoefenen,

tengevolge waarvan voornoemde [ ] is overleden;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaar¬de heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

Nadere bewijsmotivering met betrekking tot het onder 1 primair tenlastegelegde

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht medeplegen van moord niet wettig en overtuigend bewezen, omdat geen sprake zou zijn geweest van voorbedachte raad.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de hem ten laste gelegde moord en heeft daartoe - zoals vervat in de pleitnota - kort weergegeven aangevoerd dat verdachte in paniek raakte toen hij het mes van de medeverdachte kreeg, dat verdachte toen in paniek en onder druk van de medeverdachte heeft gestoken en dat het steken was gericht op het buiten bewustzijn brengen van het slachtoffer. Hij heeft het slachtoffer in totaal vijf keer gestoken. Hij heeft niet in de hals gestoken, maar in de buik. Nadat hij het slachtoffer - dat volgens hem nog in leven was - had achtergelaten, is medeverdachte Y teruggegaan om het mes te zoeken. Volgens de raadsvrouw is niet uit te sluiten dat sprake is geweest van twee messen en is het heel goed mogelijk dat de medeverdachte Y, nadat hij was teruggegaan om het achtergebleven mes te zoeken, het slachtoffer meermalen heeft gestoken.

Allereerst stelt de rechtbank vast wat er volgens de bewijsmiddelen is gebeurd op 9 augustus 2012. Voor de leesbaarheid zal verdachte hierna X worden genoemd en de medeverdachten Y en Z.

Op 9 augustus 2012 werd om 19.05 uur een meisje van 17 jaar oud, genaamd [slachtoffer] aangetroffen in een bossage langs de [straat] te Rotterdam. Ze was overleden. Uit het sectierapport blijkt dat verspreid over het lichaam sprake was van 24 scherprandige letsels en perforaties met het aspect van steek-en snijwonden in onder andere haar hals, borst en rug. Voorts waren er onderhuidse bloeduitstortingen aan het gezicht en in de hals en er waren stipvormige bloeduitstortingen gelokaliseerd in het gezicht en in de bindvliezen van de oogleden. Haar halsslagaders waren geraakt, de rechterhalsslagader was compleet doorgesneden. Er waren links en rechts in de borst elf steekverwondingen, waarvan meerdere tot in de borstkas. In het borstbeen werden tenminste vier separate perforaties aangetroffen. Het rechter sleutelbeen was bij de aanhechting met het borstbeen gekliefd. Beide longen waren meermalen geraakt en het hart was in de oorsprong van de longslagader geperforeerd. Er waren perforaties van de borstkas, het middenrif, de milt en de maag. Ook waren er perforaties in de rechterborstholte en de lever.

De conclusie uit het sectierapport is dat het slachtoffer is overleden als gevolg van meermalen bij leven opgelopen uitwendig inwerkend scherprandig perforerend geweld op het lichaam. De bloeduitstortingen in de hals gecombineerd met de waargenomen stipvormige bloeduitstortingen gelokaliseerd in het gezicht en in de bindvliezen van de oogleden zijn suggestief voor het bij leven opgelopen omsnoerend en samendrukken geweld op de hals. Het is niet uitgesloten dat verstikkingsverschijnselen door bijvoorbeeld wurghandelingen aan het overlijden hebben bijgedragen.

Vlakbij het lichaam van het slachtoffer werd een opengeklapt en bebloed mes aangetroffen (hierna: het mes). Op het mes werd alleen DNA van X aangetroffen: geen DNA sporen van Y en Z.

Volgens X was het de bedoeling dat het slachtoffer zou worden beroofd, neergestoken en dat door Y met haar zou worden geneukt. Tussen Y en Z is afgesproken dat Z mee zou komen om de seks te filmen met zijn Iphone.

X heeft op 9 augustus 2012 met het slachtoffer nabij het Spartastadion afgesproken. X heeft op die dag Y en Z gebeld dat zij naar die plek moesten komen. X is met het slachtoffer ergens gaan zitten op een muurtje. Y en Z zijn later ook gekomen, waarbij zij alle drie deden alsof zij elkaar daar toevallig ontmoetten. Y en Z deden net alsof zij aan het joggen waren en gingen al joggend verder. Nadat X - zoals afgesproken - de telefoon van Y een keer had laten overgaan, zijn Y en Z naar X en het slachtoffer gegaan.

Y heeft zich aan het slachtoffer voorgesteld als [Persoon 1] en Z heeft eveneens een andere naam opgegeven. Y deed net alsof hij de broer van Z was, die bevriend zou zijn met de broer van X. Y deed net of hij de telefoon (die van Z was) van de broer van X aan X gaf. Hij zei daarbij: “Je broer heeft zijn telefoon bij mij laten liggen”. Terwijl hij dat deed, gaf hij onder die telefoon het door Y bij Z op 7 augustus 2012 opgehaalde mes aan X. Hij deed dat op die manier, zodat het slachtoffer niet zou merken dat er een mes werd gegeven. Dit was een week eerder zo afgesproken. Toen Y en het slachtoffer aan het praten waren, heeft X plotseling het slachtoffer een volle vuist in haar gezicht gegeven en daarna nog twee stoten, waardoor het slachtoffer van het muurtje viel. X begon het slachtoffer vervolgens te wurgen. X heeft het slachtoffer meermalen met het mes gestoken in de buurt van het muurtje (hierna plaats delict 1). X heeft toen tegen Y gezegd: “broer ik doe dit voor jou”.

Z heeft de telefoons van het slachtoffer en rugtas van X aangepakt en is weggaan van de plek. Z is naar huis gegaan. Onderweg kwam Z zijn buurjongen [ ] tegen. Aan hem heeft hij de telefoons van het slachtoffer laten zien.

Het slachtoffer is gevlucht naar de bosjes (plaats delict 2). X en Y zijn het slachtoffer achterna gerend, waarbij X in de bosjes (plaats delict 2) het slachtoffer heeft vastgepakt, waardoor zij ten val is gekomen. X is toen over het slachtoffer heen gaan zitten en heeft het slachtoffer meermalen gestoken. Zij is in totaal 24 maal gestoken. Y stond op dat moment vlak bij X en het slachtoffer. Toen het slachtoffer niet meer bewoog heeft Y de broek van het slachtoffer naar beneden getrokken. X stond daar ook bij. Volgens X was het de bedoeling van Y om seks met haar te hebben. Er is toen gezegd dat de onderbroek van het slachtoffer vies was omdat ze ongesteld was. X en Y zijn daarna weggaan. Zij zijn vervolgens weer teruggaan naar plaats delict 2 om het mes waarmee gestoken was te zoeken. Zij hebben het mes niet gevonden. X heeft nog in de laptoptas van het slachtoffer gekeken, waar hij huissleutels aantrof. Y heeft de huissleutels van het slachtoffer weggegooid. X heeft zijn bebloede Adidasjasje uitgetrokken. X en Y hebben de fiets van het slachtoffer meegenomen en zijn daar op weggefietst. X reed en Y zat achterop met in zijn handen het bebloede Adidasjasje van X. X heeft naar de zus van het slachtoffer ge-smst dat zij niet meer hoefde te komen naar de [straat], omdat X zogenaamd naar Arnhem zou gaan. X en Y hebben hun bebloede handen bij een meertje gewassen en hebben de fiets van het slachtoffer onder de Mathenesserbrug in het water gegooid. X en Y hebben daarna Z getroffen op een bankje, waarbij Z de rugtas van X en de telefoons van het slachtoffer aan X heeft gegeven. X heeft de simkaarten van de telefoons verwisseld en de Samsung telefoon van het slachtoffer aan Y gegeven. X heeft de Blackberry van het slachtoffer zelf gehouden. Zij spraken met elkaar af dat degene die als eerste wordt opgepakt alle schuld op zich zou nemen. X en Y zijn naar de kelder van het huis van X gegaan. Het bebloede jasje heeft X daar gelaten. X heeft één van de telefoons (de BB) van het slachtoffer gehouden. Bij een doorzoeking is het bebloede Adidasjasje in de kelder van de woning van X aangetroffen en de telefoon van het slachtoffer is aangetroffen achter de koelkast in de woning van X. Het Adidasjasje was doordrenkt met het bloed van het slachtoffer. Y heeft de andere telefoon (Samsung) van het slachtoffer gehouden. Deze telefoon is bij een doorzoeking in de woning van Y aangetroffen.

Meer en vaart verweer verdachte:

X heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het slachtoffer hooguit vijf keer in de buik of zij heeft gestoken, niet in de hals of hoofd, en dat hij niet diep heeft gestoken omdat het mes bot was. Volgens zijn verklaring leefde het slachtoffer nog op het moment dat hij haar bij de bosjes achter liet. Volgens X is Y alleen teruggegaan naar de bosjes om het mes te zoeken en heeft daar mogelijk de fatale messteken aan het slachtoffer toegebracht. De raadsvrouw heeft betoogd dat de bewijsmiddelen dit door X geschetste alternatieve scenario niet uitsluiten. De rechtbank begrijpt dit verweer aldus, dat daarmee volgens de raadsvrouw ook niet vast staat dat X het dodelijke geweld jegens slachtoffer heeft uitgeoefend.

De rechtbank begrijpt dat de raadsvrouw met dit betoog een beroep doet op de zogenaamde ‘Meer en Vaart’-jurisprudentie.

Vooropgesteld wordt dat de enkele stelling dat op basis van het dossier niet kan worden uitgesloten dat een ander de fatale steken aan het slachtoffer heeft toegebracht, onvoldoende is om van een “Meer en Vaart-situatie” te kunnen spreken. Daarvoor zal op zijn minst aannemelijk moeten zijn dat een dergelijk alternatief scenario zich heeft voorgedaan. Dat is in de onderhavige zaak niet het geval.

Allereerst merkt de rechtbank op dat uit het sectierapport blijkt, dat het slachtoffer - anders dan X verklaart - niet in haar buik is gestoken.

Volgens de raadsvrouw zou sprake kunnen zijn geweest van een tweede mes, waarmee Y zou hebben gestoken. Niemand heeft gezien of verklaard dat er op 9 augustus 2012 een tweede mes was. X zelf heeft desgevraagd ter terechtzitting beaamd geen tweede mes te hebben gezien. Evenmin heeft hij gezien dat Y het slachtoffer heeft gestoken. Het NFI heeft het mes dat naast het slachtoffer is aangetroffen onderzocht. X heeft zelf verklaard met dit mes het slachtoffer te hebben gestoken. Op het mes is geen DNA van Y aangetroffen, wel het DNA van X. De kans dat het niet het DNA van X was, is door het NFI geschat op kleiner dan 1 op 1 miljard. Ook heeft het NFI onderzoek gedaan naar de relatie tussen het naast het slachtoffer aangetroffen mes en de verwondingen in het borstbeen van het slachtoffer. Het NFI heeft - kort gezegd - geconcludeerd dat de hypothese dat het letsel is veroorzaakt door het mes veel waarschijnlijker is dan niet.

Voorts is alleen bij X - en niet bij de Y of Z - een kledingstuk (het Adidasjasje van X) in beslag genomen dat doordrenkt was van het bloed van het slachtoffer. Ook is bij X letsel geconstateerd bij zijn rechterduim en wijsvinger dat veroorzaakt lijkt te zijn door een mes.

Daarnaast blijkt uit forensisch onderzoek dat, gelet op de bloedsporen uit de steekwond van het slachtoffer in haar hoofd bij de haargrens, het slachtoffer deze verwonding heeft opgelopen toen zij zich nog in verticale positie bevond (dus staand of zittend). Volgens de verklaring van X zou hij eerst het slachtoffer hebben gestoken en Y zou nog meer steken hebben toegebracht nadat zij het slachtoffer in bewegingloze toestand liggend hebben achter gelaten. De suggestie dat Y deze steekwond in haar hoofd zou hebben toegebracht, is derhalve zeer onaannemelijk. Voorts blijkt uit forensisch onderzoek dat de verwonding aan het been van het slachtoffer, blijkens de aangetroffen beschadiging aan de broek van het slachtoffer, moet zijn toegebracht toen de broek nog niet naar beneden was getrokken. Uit onderzoek blijkt voorts dat de wond in het been nauwelijks heeft gebloed, waardoor het zeer aannemelijk is dat het slachtoffer op dat moment al was overleden of in elk geval nog een zeer lage bloeddruk had. Gelet hierop moet de steekwond in het been zijn toegebracht na de fatale steekwonden in de hals, rug en borst (die wel nog hebben gebloed). Nu zowel Y als X verklaren dat de broek op het allerlaatste moment door Y naar beneden is getrokken en zowel X als Y daar toen aanwezig waren, kan de verklaring van X dat Y pas veel later de fatale steken heeft toegebracht, ook op die grond niet kloppen.

Dat het mes zo bot was, dat X het slachtoffer niet dodelijk kon steken, is niet gebleken, integendeel. Immers, uit de rapportages van het NFI blijkt dat met het aangetroffen mes zo hard en diep is gestoken dat het borstbeen meermalen is geraakt. Voorts heeft Y verklaard, dat hij hoorde dat het handvat van het mes tegen de botten van het slachtoffer aan kwam, zo diep ging X haar steken in de borstkas en in de rug.

Tot slot heeft de rechtbank nog acht geslagen op de verklaringen van groepsleiders bij de Hartelborgt die van X zelf hebben gehoord dat hij het slachtoffer 24 keer heeft gestoken. ([naam getuige ], p. 1503-1505, [naam getuige ], p. 1509-1511), alsook op de verklaring van getuige [naam getuige], pedagogisch medewerker van de Hartelborgt, die heeft verklaard dat hij hoorde dat X zei: “Ik heb haar vierentwintig maal gestoken” en “Het was een meisje dat toch niets waard was, het was echt een hoer. Iedereen had haar al gehad.”

Op grond van al het voorgaande in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het verweer van X dat niet hij maar Y de fatale messteken heeft toegebracht, moet worden verworpen. De rechtbank acht bewezen dat alleen X alle tenlastegelegde geweldshandelingen heeft gepleegd ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden.

Voorbedachte raad:

De rechtbank stelt voorop dat voor bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die vóór of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat X voldoende tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

De rechtbank heeft bij haar oordeel dat, anders dan door de officier gerekwireerd, sprake is van voorbedachte raad, naast de bovengenoemde gebeurtenissen op 9 augustus 2012, in het bijzonder gelet op de hierna volgende feiten en omstandigheden voorafgaande aan 9 augustus 2012.

De rechtbank stelt de gebeurtenissen vóór 9 augustus 2012 vast:

X heeft ter terechtzitting verklaard:

“ Z, Y en ik hebben voorafgaande aan 9 augustus 2012 besproken dat we het slachtoffer zouden gaan beroven van haar telefoons en dat Y seks met haar zou hebben. De zus van het slachtoffer zou ook komen, maar dan wat later. We hebben toen ook besproken dat het de bedoeling was haar te steken.”

Medeverdachte Z heeft tijdens verhoren bij de politie verklaard:

(p. 542)

“Ik ben wel een keer met Y op die parkeerplaats geweest. Dat was een paar dagen

eerder. Oh met X ook. Toen zei hij dat ze daar meisjes verkrachten en vieze

dingen. Ik heb rondgekeken op dat terrein.” X zei ook tegen Y: “Hier kan je mensen

goed verstoppen.”

(p. 1164)

Op de vraag van verbalisanten wat er moest gaan gebeuren als de jongens (rechtbank: bedoeld zijn X en Y) seks hadden met die meisjes, antwoordde Z: “Toen zei Y tegen mij: daarna gaan we ze vermoorden. (…) het was X's idee. Y zei het tegen mij.”

(p. 1306)

“ Het is wel lang geleden, misschien 2 maanden geleden. Dat ik het weet, zeiden ze

alleen maar zo tegen mij face to face, van Y gaat naar daar toe, met X,

als ik erbij ben of niet. Zouden ze gaan praten praten praten en dan naar die plek

gaan, dan praten, en neuken en daarna vermoorden.”

Getuige [ ] heeft tijdens verhoren bij de politie (p. 783) verklaard:

“Ik had X gesproken voordat de moord was gebeurd. Dit was denk de maandag daarvoor. X begon te giechelen. Hij zei dat het meisje veel telefoons had.

(…) X zei toen tegen mij: "He luister er is zo een meisje. Ze gaat met haar zusje komen. Ze hebben veel telefoons enzo en die ga ik stelen. Misschien ga ik haar verkrachten vermoorden." Ik dacht dat hij een grapje maakte, hij was aan het glimlachen. X had gezegd dat ze een BB en een Samsung had, dat ze [slachtoffer] heet en in Charlois woont.”

Getuige [ ] heeft tijdens verhoren bij de politie (p. 1043) - onder meer - als volgt verklaard:

“Z heeft een dag van te voren dat het meisje gevonden was verteld dat X een meisje zou gaan vermoorden. (…) Z vertelde mij een dag van te voren denk ik, dat X een meisje ging vermoorden om haar mobiele telefoon.”

De getuigen [ ] en [ ] zijn bij de rechter-commissaris nogmaals als getuigen gehoord en hebben bij die gelegenheid hun verklaringen bij de politie bevestigd.

De rechtbank acht deze verklaringen betrouwbaar en geloofwaardig, nu zij vanaf het begin consistent en ook gelijkluidend hebben verklaard.

Y heeft tijdens het verhoor bij de politie op 14 maart 2013 onder meer verklaard dat X op het idee kwam om iemand te beroven en dat hij aan Y vroeg of hij mee wilde doen. Y had ‘ja, oké’ gezegd. X had vervolgens gezegd dat hij iemand kent, [ ], de zus van het latere slachtoffer, en dat hij seks met haar had gehad. Hij had gezegd dat zij makkelijk was en dat haar zusje ook zo was. Hij zou met hen afspreken. X had op 8 augustus met de zusjes afgesproken na zes uur. De meisjes zijn toen niet komen opdagen. Y heeft voorts verklaard dat hij op 7 augustus 2012 tussen vijf en zes uur naar verdachte Z is gegaan om een mes te halen. Y was dat mes bij Z gaan halen, omdat X dat van te voren tegen hem had gezegd. X had gezegd: “ga dan en dan dat mes halen bij hem en geef het dan aan mij.”

Uit een Chatlog tussen X en Y, aangetroffen op de door de politie inbeslaggenomen laptop van Y (p. 771 e.v.) blijkt het volgende:

Op 07-08-2012 vraagt Y aan X: “die torry gaat door tog.” X antwoordt: “Ja gaat door.”

Y chat iets later: “Niet over die zaak praten op msn.”

X chat in de avond: “Het meisje komt morgen, maar op andere

tijd. 7:00 die andere en 7:30 is die andere er.”

Y vraagt daarna: “Gaan ze samen komen, gaan ze elkaar tegenkomen?”

X antwoordt iets later: “Kanker 2 uur bezig geweest voor die ander.”

Y chat vervolgens: “Ik kom jogge.”

Vervolgens chat X: “Jongen ze deed moeilijk want ze weet dat ik met haar zus ben, als wij klaar zijn met haar. Weet ze wij zijn het.”

Y vraagt: “Broer ik vraag het weer is beetje onduidelijk, wie gaat wie neuke?”

X antwoordt vervolgens: “Bij eerste [persoon 2], alle 2. En dan bij de 2e ook aller 2m.”

Y chat: “Als we worden geklaard hee zelfmoord.”

X chat: “Broer ze komen alle 2 apart.”

Y vraagt: “Weten die 2 wie je bent?”

X antwoordt: “Ja maar niet goed.”

Y chat: “lk heet [Persoon 1] he, vergeet het niet, anders ben je de klos. Komt Z? , niet same banen anders gaat vies worden”

X antwoordt: “Nee Z komt niet zei ik man. Wat vies, je weet Die tories.”

Y chat: “Die sperma erin”

X: “Nog niet.”

Y: “Wat gaan wij doen?”

X: “lk zeg het daar wel, Nee je gaat niet in der klaarkome.”

Y vraagt even later: “Als we die 1e hebbe gebaand, wat gaan we met haar doen?”

X antwoordt: “Gewoon, je begrijpt wel, we gaan doen zoals we hebben besproken. Daarna zal de ander ook komen en bij haar hetzelfde.”

X chat iets later: “Laten we niet via hier praten, Straks luistert de politie of zo af.”

Uit een Chatlog tussen Y en Z aangetroffen op de laptop van Y (p. 894 ev) blijkt het volgende chatgesprek tussen Y en Z.

9-8 00:15:

Z: “Je bent geen moordenaar”

Y: “Flink potverdorie, nog nie, ze kwame allebei nie potverdorie.”

Dit chatgesprek werd dus gevoerd in de nacht van 8 op 9 augustus, nadat gebleken was dat de meisjes op 8 augustus niet waren gekomen.

Uit het voorgaande, leidt de rechtbank af dat X en Y van te voren het plan hadden gemaakt om het slachtoffer te beroven, om seks met haar te hebben en om haar te doden. Het was de bedoeling dat de zus van het slachtoffer het zelfde lot zou ondergaan.

Y heeft voor het moordwapen gezorgd. Hij heeft het mes op 7 augustus tussen 17.00 en 18.00 uur bij Z opgehaald. De uitvoering van het plan is op 8 augustus 2012 niet doorgegaan, omdat het slachtoffer niet kwam opdagen. Y werd hiervan door X op de hoogte gesteld toen hij nog bij Z was om het mes op te halen. X en Y hebben op dat moment voldoende tijd gehad om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit. Zij hebben gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. X heeft echter het slachtoffer met een smoes gelokt om op 9 augustus 2012 om 19.00 uur bij de chillplek aan de [straat] bij het Spartastadion te komen. Blijkens het chatlog tussen hem en Y heeft hij heel veel moeite moeten doen om haar tot die afspraak te bewegen. Eenmaal ter plaatste - het slachtoffer zat op een muurtje (plaats delict 1), X, Y en Z stonden bij haar - is X op het moment dat hij het mes in bezit kreeg, meteen overgegaan tot slaan, wurgen en steken van het slachtoffer.

Nadat X het slachtoffer bij het muurtje had geslagen, gewurgd en gestoken, heeft zij kans gezien om te vluchten. Op dat moment had X kunnen afzien van verder handelen. X en Y hebben toen niet besloten om weg te gaan. Sterker nog, X en Y zijn achter het slachtoffer aangegaan. X heeft het slachtoffer vervolgens vastgegrepen en toen zij viel, heeft hij haar nog vele malen gestoken. Sectie heeft uitgewezen dat het slachtoffer in totaal 24 keer is gestoken.

De hierboven weergegeven chatsessies en gesprekken tussen de verdachten kunnen, gelet ook op het ontbreken van een aanleiding op 9 augustus om geweld te gaan gebruiken alsmede de wijze waarop het slachtoffer om het leven is gebracht - het is niet bepaald bij één enkele steek gebleven - niet worden opgevat als enkele uitingen van niet serieus bedoelde stoere (straat)taal, maar daaruit blijkt te meer dat het voornemen om het slachtoffer te gaan doden serieus is geweest.

Van betekenis voor het aannemen van voorbedachte raad is ook nog dat X naar zijn eigen verklaring tegen Y, terwijl hij het slachtoffer stak, heeft gezegd “broer ik doe dit voor jou”. Uit deze bewoordingen blijkt geenszins dat Y in paniek en onder druk van medeverdachte Y heeft gehandeld.

Gelet op het voorgaande, zijn er geen aanwijzingen waaruit volgt dat Ismail in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld.

Er is sprake van voorbedachte raad. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is van medeplegen van moord.

STRAFBAARHEID FEITEN

De onder 1 primair en 2 bewezen feiten leveren op:

de eendaadse samenloop van

medeplegen van moord

en

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING/MOTIVERING MAATREGEL

De straf en maatregel die aan X worden opge¬legd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstan¬digheden van X. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 22 januari 2013 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder door de kinderrechter is veroordeeld.

X heeft zich samen met Y schuldig gemaakt aan de moord op [slachtoffer], een meisje van 17 jaar oud. Op enig moment is bij X en Y het plan ontstaan om het slachtoffer te beroven van haar mobiele telefoons, seks met haar te hebben en haar te doden. Dit plan is dagen van tevoren beraamd. Een aantal dagen voor de moord is de plaats van het delict door X, Y en Z bekeken, want zo zeiden zij: “ Hier kan je mensen goed verstoppen”. Twee dagen voor de moord is het mes opgehaald bij Z. Het aanvankelijke plan was om [slachtoffer] op 8 augustus 2012 te ontmoeten en het plan uit te voeren, maar toen zij niet kwam opdagen heeft X haar de volgende dag, op 9 augustus 2012, onder valse voorwendselen gelokt naar de chillplek bij het Spartastadion, waarna X het slachtoffer, op gruwelijke en zeer gewelddadige wijze om het leven heeft gebracht. Hij heeft haar meermalen hard in het gezicht geslagen. Toen zij viel heeft hij haar gewurgd en gestoken. Nadat het slachtoffer, dat zeer waarschijnlijk in doodsangst verkeerde, is gevlucht, is hij haar gevolgd, heeft haar tegen de grond gewerkt en heeft toen nog vele malen in vitale delen van haar lichaam gestoken. In totaal is het slachtoffer 24 keer gestoken. Ook hebben X, Y en Z haar beroofd van haar mobiele telefoons.

X en Y hebben [slachtoffer], slechts zeventien jaar oud, alles ontnomen wat voor haar in haar prille leven nog in het verschiet lag. Het benemen van iemands leven is de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het grootste recht dat een mens heeft, het recht op leven. Daarnaast hebben X en Y de ouders, de zus en de broer van het slachtoffer en de vrienden en kennissen die haar lief hadden onbeschrijfelijk groot leed aangedaan. De pijn van het volkomen onverwachte verlies zal voor haar ouders, zus en broer hun leven lang voelbaar blijven. De broer van het slachtoffer heeft in de door zijn ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring op een heldere en krachtige wijze tot uiting gebracht welke gevolgen het overlijden van het slachtoffer voor hem, zijn ouders en zus hebben gehad en nog zullen hebben. Dit is zonder meer het grootste leed dat een mens als ouder van een kind kan overkomen. Geen enkele strafrechtelijke reactie zal als genoegdoening kunnen gelden voor de schade die X met zijn handelen heeft aangericht.

Ook de samenleving is door het feit getroffen. Uit de massale media-aandacht die aan deze zaak is besteed, blijkt wel hoezeer deze moord, waarvan [naam slachtoffer] het slachtoffer is geworden, de samenleving heeft geschokt. Niet te begrijpen en te bevatten is hoe twee jonge verdachten van nog maar 14 en 15 jaar oud met een tot dan probleemloos leven tot zo’n gruwelijke daad in staat zijn geweest.

De maximale straf die volgens de wet aan X kan worden opgelegd is, gelet op het feit dat hij 15 jaar oud was toen de feiten werden gepleegd, één jaar jeugddetentie. De rechtbank is van oordeel dat op de bewezenverklaarde feiten de maximaal toegestane jeugddetentie, een passende reactie vormt. Met deze maximale jeugddetentie hoopt de rechtbank recht te doen aan het leed dat de nabestaanden is aangedaan en aan het maatschappelijk belang dat de kans op herhaling zoveel mogelijk wordt beperkt.

X is gedurende zeven weken ter klinische observatie in ForCa geplaatst geweest.

In het rapport van ForCA van 29 maart 2013 is door [GZ-psycholoog], en

[kinder- & jeugdpsychiater], onder meer het volgende gerapporteerd.

“Er is bij X sprake van een ziekelijke stoornis die als stoornis in de adolescentie is geclassificeerd. Meer specifiek uit de beperking van X zich in een vlak gevoelsleven met een gebrek aan empathie. (…) Het disharmonische intelligentieprofiel heeft geen rol van betekenis gespeeld. Met betrekking tot de ziekelijke stoornis valt het volgende op te merken: vanuit zijn stoornis is X minder goed in staat om emoties bij zichzelf te doorleven en empathie voor anderen op te brengen. Dit heeft er voor gezorgd dat hij, in vergelijking met andere minderjarigen, minder intrinsieke remming heeft gevoeld in de aanloop naar het ten laste gelegde. Ook het feit dat X een jongeman is die zich aan zijn omgeving aanpast, heeft hier aan bijgedragen. Geadviseerd wordt om X ten aanzien van feit 1 en 2 als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Gezien het feit dat de belangrijkste elementen worden gezien in de emotionele beleving van X en zijn gebrek aan empathie, dient een behandeling hier op gericht te zijn. Het risico op recidive wordt in klinisch opzicht als matig tot hoog ingeschat en er is ernstige problematiek bij verdachte gediagnosticeerd. Om eerder genoemde behandeldoelen te realiseren, wordt geadviseerd om een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen.

Ter terechtzitting heeft X verklaard dat hij sinds hij vast is komen te zitten niet meer in staat is om gevoelens te uiten, maar dat hij dat voor het gebeurde op 9 augustus 2012 wel goed kon. In dit verband hebben de getuigen-deskundigen [GZ-psycholoog] en [kinder- en jeugdpsychiater] ter terechtzitting hun rapport verduidelijkt. Er is volgens hen uitgebreid onderzoek gedaan naar de persoon van X. De testresultaten hebben geen enkele aanwijzing gegeven voor een door X doorgemaakt trauma. De combinatie van de diagnostiek en de ernst van het feit (mits bewezen) geven grote risico’s als niet wordt ingegrepen met een behandeling, aldus de deskundigen.

De Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg delen het advies van de gedragsdeskundigen en herkennen het beeld dat door de gedragsdeskundigen wordt geschetst.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat een voorwaardelijke PIJ-maatregel de voorkeur verdient boven een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel in het jeugdstrafrecht, nu X nog niet eerder hulpverlening heeft gehad. De raadsvrouw is van mening dat een PIJ- maatregel een ultimum remedium is.

De rechtbank kan zich echter vinden in de inhoud en conclusies van het rapport van de gedragsdeskundigen en in de door hen gegeven toelichting op zitting. De rechtbank neemt die conclusies over.

Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen in dit geval noodzakelijk is.

Naar het oordeel van de rechtbank is het van belang dat er behandeling komt die zich in het bijzonder richt op de individuele risicofactoren van X, te weten dat X meer voeling krijgt met de eigen emotie en dat zijn empatisch vermogen wordt vergroot. Ook dient de behandeling erop gericht te zijn hem minder afhankelijk te maken van zijn omgeving. De rechtbank is van oordeel dat op het moment dat behandeling uitblijft, het recidiverisico op de lange termijn zal toenemen. Bij X zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook alle waarborgen nodig om de thans door de deskundigen groot geachte kans op recidive van gelijksoortige misdrijven als de onderhavige, zeer ernstige misdrijven, te beperken, maar ook de vele vragen rondom het delict en de drijfveren van X zullen een punt van aandacht in de behandeling moeten zijn.

De rechtbank heeft bij het oordeel dat aan X een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel moet worden opgelegd mede in aanmerking genomen dat:

- er bij X ten tijde van het begaan van de onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde feiten sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens;

- de onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde feiten misdrijven betreffen waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;

- de onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde feiten misdrijven betreffen, die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen;

- de veiligheid van anderen danwel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist en

- de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van Ismail.

Tenslotte overweegt de rechtbank dat nu de PIJ-maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en dat door onder andere een psychiater is vastgesteld, dat bij X tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, verlenging van de PIJ- maatregel in dit geval mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat, waarbij geldt dat de maatregel een jaar daarvoor voorwaardelijk eindigt.

Alles afwegend wordt na te noemen straf en maatregel passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 47, 55, 77a, 77g, 77h, 77i, 77s, 77gg, 289 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hier¬voor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de tijd van 12 (twaalf) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuit¬voerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorge¬bracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheids¬straf in mindering is gebracht;

legt de verdachte op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Leinarts, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. Van der Laan-Kuijt en Hes-Bakkeren, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Mathoera, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze recht¬bank op 25 april 2013.

Bijlage bij vonnis van 25 april 2013:

TEKST TENLASTELEGGING.

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 09 augustus 2012 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [ ] van het

leven heeft beroofd,

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg,

- voornoemde [ ] gewurgd, althans omsnoerend en/of samendrukkend geweld op

de hals van die [ ] uitgeoefend en/of

- meermalen met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp in de borst en/of

de hals en/of de rug, in elk geval het lichaam van die [ ] gestoken,

althans meermalen uitwendig inwerkend scherprandig perforend geweld op de

borst en/of hals en/of rug, althans het lichaam van die [ ] uitgeoefend,

tengevolge waarvan die [ ] massaal bloedverlies en/of functieverlies van

de beide longen en/of zuurstofgebrek op weefselniveau heeft bekomen,

tengevolge waarvan voornoemde [ ] is overleden;

(artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht);

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 09 augustus 2012 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een persoon genaamd [ ] van het leven heeft beroofd,

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

opzettelijk

- voornoemde [ ] gewurgd, althans omsnoerend en/of samendrukkend geweld op

de hals van die [ ] uitgeoefend en/of

- meermalen met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp in de borst en/of

de hals en/of de rug, in elk geval het lichaam van die [ ] gestoken,

althans meermalen uitwendig inwerkend scherprandig perforend geweld op de

borst en/of hals en/of rug, althans het lichaam van die [ ] uitgeoefend,

(tengevolge waarvan die [ ] massaal bloedverlies en/of functieverlies van

de beide longen en/of zuurstofgebrek op weefselniveau heeft bekomen),

tengevolge waarvan voornoemde [ ] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van

enig strafbaar feit, te weten diefstal (in vereniging) met geweld en welke

doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te

bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan

zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van

het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

(artikelen 288/287 van het Wetboek van Strafrecht);

2.

hij op of omstreeks 09 augustus 2012 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

twee, althans een mobiele telefoon(s) (te weten een BlackBerry (Curve) en/of

een Samsung), in elk geval enig(e) goed(eren),

geheel of ten dele toebehorende aan [ ], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [ ],

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- meermalen, althans éénmaal (met kracht) slaan en/of stompen en/of stoten

tegen het hoofd en/of het lichaam van die [ en/of

- die [ ] wurgen, althans omsnoerend en/of samendrukkend geweld uitoefenen

op de hals van die [ ] en/of

- meermalen met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp in de borst en/of

de hals en/of de rug, in elk geval het lichaam van die [ ] steken,

althans uitwendig inwerkend scherprandig perforerend geweld op de borst en/of

hals en/of rug, althans het lichaam van die [ ] uitoefenen,

tengevolge waarvan voornoemde [ ] is overleden;

(artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht)