Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:BZ8134

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
22-04-2013
Zaaknummer
C-11-95306 - HA ZA 11-2543
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hoofdzaak, geen bijzonderheden (alle eindbeslissingen al in tussenvonnis genomen).

Vrijwaring, schadeposten. Vermogensschade als gevolg van beroepsfout notaris berekend aan de hand van tabel Uitvoeringsbesluit bij art. 21. leden 6 en 8 van de Successiewet (berekening waarde vruchtgebruik).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring, tevens herstelvonnis, van 17 april 2013

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/11/95306 / HA ZA 11-2543 van

1. [Eiseres 1],

wonende te Pijnacker,

2. [Eiseres 2]

wonende te Berkel en Rodenrijs,

eiseressen,

advocaat mr. P.A.M. Perquin,

tegen

[Gedaagde]

wonende te Zuid-Beijerland, gemeente Korendijk,

gedaagde,

advocaat mr. A. Schep,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/11/97406 / HA ZA 12-2078 van

[Eiseres]

wonende te Zuid-Beijerland, gemeente Korendijk,

eiseres,

advocaat mr. A. Schep,

tegen

[gedaagde]

wonende te Oud-Beijerland,

gedaagde,

advocaat mr. H.J. Delhaas.

Partijen zullen hierna [eiseressen in hoofdzaak] [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] en [gedaagde in vrijwaring] genoemd worden.

1. De procedure in de hoofdzaak

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 21 november 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De procedure in de vrijwaringszaak

2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 november 2012;

- de akte na tussenvonnis van [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring], tevens tevens verzoek ex artikel 31 Rv., tevens vermeerdering van eis;

- de akte houdende rectificatie van [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring];

- de antwoordakte van [gedaagde in vrijwaring].

2.2. De rechtbank maakt uit de akte na tussenvonnis van [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] op, dat zij bedoelt haar eis te vermeerderen als bedoeld in artikel 130 Rv. [gedaagde in vrijwaring] heeft tegen deze eisvermeerdering geen bezwaren aangevoerd. Zij heeft in haar antwoordakte gereageerd op de verschillende posten van de schadeopstelling die aan de eisvermeerdering ten grondslag ligt. De door [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] verzochte eisvermeerdering wordt toegestaan.

2.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

3. Het geschil in de vrijwaringszaak

3.1. Na eisvermeerdering vordert [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] - samengevat - dat [gedaagde in vrijwaring] wordt veroordeeld om aan haar te betalen al hetgeen waartoe [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] in de hoofdzaak zal worden veroordeeld, met inbegrip van rente en van de proceskosten van de hoofdzaak, alsmede tot betaling van een schadevergoeding van € 442.100,42, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend over de diverse schadeposten en vanaf de dag dat [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] de betreffende schade heeft geleden en met veroordeling van [gedaagde in vrijwaring] in de kosten van de vrijwaring, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente daarover.

3.2. De vordering van [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] is gebaseerd op onderstaande schadeopstelling:

A. de vordering van [Eiseressen in hoofdzaak] € 107.255,00 + P.M.;

B. de extra notariskosten € 2.232,44;

C. de extra notariskosten € 3.148,74;

D. het Vendu Notarishuis € 290,00;

E. Boertje en Schelling € 507,74;

F. betaalde successierechten € 7.624,00;

G. rente op een (hypothecaire) geldlening ivm

voldoening vordering [Eiseressen in hoofdzaak] over 28

jaar incl. kosten hypotheek € 150.157,00;

H. gederfd rendement over 28 jaar, berekend op

basis van 3% per jaar € 90.094,20;

I. kosten juridische bijstand € 73.934,95;

J. expertisekosten prof. Schols € 3.048,05;

K. expertisekosten mr. Schonewille € 1.125,00;

L. persoonlijke kosten € 868,30;

M. wettelijke rente over bovenstaande kosten P.M.

3.3. [gedaagde in vrijwaring] voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt, voor zover van belang, hierna nader ingegaan.

4. De verdere beoordeling

in de hoofdzaak

4.1. Bij akte na tussenvonnis is namens [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] de rechtbank verzocht om verbetering van het vonnis op 21 november 2013 in deze zaak gewezen. Het vonnis bevat een kennelijke schrijffout, in die zin dat de laatste volzin onder 5.16 (“Aan bewijslevering en/of omkering van de bewijslast wordt derhalve wordt toegekomen”) wordt gewijzigd in: “Aan bewijslevering en/of omkering van de bewijslast wordt derhalve niet toegekomen.”

4.2. Uit de antwoordakte is namens [gedaagde in vrijwaring] geen bezwaar aangevoerd tegen inwilliging van het herstelverzoek. In het vonnis van 21 november 2012 is sprake van een kennelijke fout, die zich voor eenvoudig herstel leent. De rechtbank zal het verzoek dan ook toewijzen.

in de vrijwaringszaak

4.3. In het vonnis van 21 november 2012 is overwogen dat [gedaagde in vrijwaring] jegens [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] toerekenbaar tekort geschoten is in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen en mitsdien aansprakelijk is voor de schade die [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] dientengevolge heeft geleden. Voorts is overwogen dat de schade voor [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] het nadeel betreft dat zij lijdt doordat de legitimaire vorderingen tijdens haar leven uitgekeerd moeten worden. Dit nadeel betreft niet het bedrag van de legitimaire vorderingen zelf. [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] heeft in haar akte na tussenvonnis stelling genomen tegen deze overweging. De rechtbank ziet in hetgeen [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] heeft aangevoerd echter geen aanleiding om op haar eerdere oordeel terug te komen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.4. De legitimaire vorderingen van [Eiseressen in hoofdzaak] zijn schulden van de nalatenschap. De omstandigheid dat zij gedurende zekere tijd niet-opeisbaar zijn, maakt dit niet anders. Als gevolg van de beroepsfout is er in het saldo van de nalatenschap feitelijk geen wijziging opgetreden: ook als het bepaalde in artikel 4:82 BW in het testament van erflater was opgenomen, was de schuld van de nalatenschap aan [Eiseressen in hoofdzaak] ontstaan zodra zij aanspraak zouden maken op hun legitieme porties. Dat [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] thans tot betaling aan [Eiseressen in hoofdzaak] dient over te gaan, daar waar zij in geval van een niet-opeisbare vordering daar gedurende haar leven niet toe gehouden zou zijn, heeft derhalve geen gevolgen voor haar vermogenspositie. Zij ondervindt slechts nadeel in de omstandigheid dat zij na voldoening van de legitimaire vorderingen minder vermogensbestanddelen tot haar beschikking heeft om aan te wenden ter voldoening van haar kosten van levensonderhoud. Haar vermogen is evenwel per saldo echter gelijk aan de situatie waarin de legitimaire vorderingen pas opeisbaar waren geweest na haar overlijden. Daarmee vormt het bedrag dat [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] thans aan [Eiseressen in hoofdzaak] dient te voldoen, geen vermogensschade in de zin van de artikelen 6:95 en 6:96 lid 1 BW. Dat deel van de door [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] gevorderde schadevergoeding (letter A in de schadeopstelling, met uitzondering van de proceskosten) komt niet voor toewijzing in aanmerking.

4.5. Zoals reeds in het vonnis van 21 november 2012 onder 5.20 is overwogen, wordt de schade die [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] lijdt, omdat zij thans tot uitkering van de legitimaire vorderingen aan [Eiseressen in hoofdzaak] dient over te gaan, gelijk gesteld aan het gemiste (fictief) vruchtgebruik van de legitimaire vorderingen gedurende haar leven. Ter bepaling van de waarde van dat vruchtgebruik wordt aansluiting gezocht bij de artikelen 5 en 10 van het Besluit van 20 juli 1956 ter uitvoering van artikel 21, zesde en achtste lid van de Successiewet 1956, met dien verstande dat in de huidige hoogte van rente op spaargelden, aanleiding wordt gezien uit te gaan van afwijkend rentepercentage van 3%. Uitgaande van de leeftijd van [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] op 13 augustus 2011, 55 jaar, betekent dit dat de waarde van het (gemiste) vruchtgebruik van [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] gelijk is aan factor 11 maal 3% = 33% van de legitimaire vorderingen. Daarbij wordt opgemerkt dat de factor 11 een kapitalisatiefactor betreft, die niet gelijk staat aan de levensverwachting van [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] op 55-jarige leeftijd, maar dat de levensverwachting daarin is verdisconteerd. Uitgaande van legitimaire vorderingen van afgerond € 102.919,00 komt dit neer op een bedrag van € 33.963,00. Dit bedrag komt als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking. Hetgeen overigens door [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] in verband met gederfd rendement is gevorderd (letter H in de schadeopstelling) wordt afgewezen.

4.6. [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] heeft aangevoerd dat zij over onvoldoende liquide middelen beschikt om de legitimaire vorderingen thans te kunnen voldoen, zodat zij als schadepost opvoert de rente en kosten die zijn gemoeid met een hypothecaire geldlening (letter G in de schadeopstelling). Zij heeft echter nagelaten haar standpunt ter zake te onderbouwen. Hoewel in het vonnis van 21 november 2012 de eindbeslissing omtrent de vordering in conventie reeds is gegeven, blijkt niet dat [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] naar aanleiding daarvan reeds een (hypothecaire) geldlening is aangegaan of daartoe de noodzakelijke voorbereidingen heeft getroffen. De gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen.

4.7. Als schadepost heeft [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] de door haar gemaakte notariskosten opgevoerd, met aftrek van een bedrag van € 595,00 inclusief btw, zijnde de notariële kosten die volgens [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] geen verband houden met de beroepsfout (letters B en C van de schadeopstelling). De stelling van [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] dat de werkzaamheden van de notaris verband houdende met het inroepen van de legitieme portie, causaal verband houden met de beroepsfout, wordt niet gevolgd. Gelet op de omvang van de nalatenschap wordt er vanuit gegaan dat ook indien de bepaling van artikel 4:82 BW in het testament van erflater opgenomen was geweest, [Eiseressen in hoofdzaak] aanspraak zouden hebben gemaakt op de legitieme portie, zodat de omvang daarvan berekend had moeten worden. Het causale verband tussen de beroepsfout van [gedaagde in vrijwaring] en de in de factuur van 18 augustus 2011 (productie 3 bij de akte na tussenvonnis) genoemde werkzaamheden is derhalve niet komen vast te staan. [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] heeft nagelaten inzichtelijk te maken op welke notariële werkzaamheden de factuur van 10 augustus 2011 (productie 4 bij de akte na tussenvonnis) betrekking heeft, zodat ook ten aanzien daarvan het causaal verband met de beroepsfout niet is komen vast te staan. Deze posten uit de schadeopstelling van [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] komen derhalve niet voor vergoeding door [gedaagde in vrijwaring] in aanmerking.

4.8. Ook ten aanzien van de door [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] aan het Vendu Notarishuis en Boertje en Schelling betaalde facturen (letters D en E uit de schadeopstelling), heeft [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] verzuimd te onderbouwen waarom de betreffende kosten volgens haar verband houden met de toerekenbare tekortkoming van [gedaagde in vrijwaring]. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan niet ingezien worden dat de kosten voor de taxatie van de in de nalatenschap betrokken woning en de kosten voor belastingadvies aan [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] in causaal verband staan met de gemaakte beroepsfout. Deze schadeposten komen daarom evenmin voor vergoeding in aanmerking.

4.9. [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] heeft vergoeding gevorderd van de door haar voor [Eiseressen in hoofdzaak] betaalde erfbelasting ad € 7.624,00 (letter F uit de schadeopstelling). Omdat [Eiseressen in hoofdzaak] hun vordering reeds hebben verminderd met de door [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] betaalde erfbelasting en de rechtbank in conventie heeft beslist op de verminderde eis, vormt deze post geen schade (meer) voor [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] en komt deze niet voor vergoeding in aanmerking.

4.10. Voorts heeft [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] aanspraak gemaakt op vergoeding van de door haar gemaakte juridische kosten (letters I, J en K uit de schadeopstelling). [gedaagde in vrijwaring] heeft daartegen ingebracht dat de kosten van de vrijwaringsprocedure geacht worden gedekt te zijn door de proceskostenveroordeling, dat de kosten in verband met de tuchtklacht niet voor vergoeding in aanmerking komen en dat de door de advocaat van [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] in rekening gebrachte kantoorkosten, in de vorm van een opslag van 7% op het uurtarief, ongebruikelijk hoog zijn.

4.11. Voor zover de juridische werkzaamheden betrekking hebben op de vaststelling van schade en aansprakelijkheid, worden zij beheerst door het bepaalde in artikel 6:96 lid 2 sub b BW. Op grond van voornoemd artikel komen de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid voor vergoeding in aanmerking, behoudens voor zover in het gegeven geval krachtens artikel 241 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de regels betreffende proceskosten van toepassing zijn. Hieruit volgt dat de kosten voor juridische bijstand in deze vrijwaringsprocedure beperkt zijn tot de vergoeding uit hoofde van de proceskostenveroordeling, zodat geen plaats is voor integrale schadevergoeding. De kosten van de juridische advisering van prof. Schols (letter J in de schadeopstelling) komen derhalve evenmin voor vergoeding in aanmerking.

4.12. Ten aanzien van de kosten die verband houden met de tuchtrechtelijke procedure, wordt het volgende overwogen. Een tuchtrechtelijke procedure heeft niet ten doel om de civielrechtelijke aansprakelijkheid van een beroepsbeoefenaar vast te stellen. Daarom geldt als uitgangspunt dat een tuchtrechtelijke procedure niet kan worden aangemerkt als een redelijke maatregel ter vaststelling van aansprakelijkheid, zodat niet gezegd kan worden dat de kosten daarvan redelijke kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid zijn als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onder b BW (zie HR 10 januari 2003, NJ 2003, 537). Gesteld noch gebleken is dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot een afwijking van dit uitgangspunt. De juridische kosten in verband met de tuchtrechtelijke procedure, komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.

4.13. Als gevolg van de beroepsfout van de notaris is een juridisch geschil ontstaan tussen [Eiseressen in hoofdzaak] en [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring], uitmondende in de hoofdzaak. Daarom komen de kosten die [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] heeft gemaakt voor juridische bijstand in deze procedure, als schade voor vergoeding in aanmerking. Aan de hand van de urenspecificaties bij de declaraties die [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] ter onderbouwing van de gevorderde vergoeding van de juridische kosten in het geding heeft gebracht, kan de rechtbank niet vaststellen welk deel van de kosten, waarvan [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] vergoeding heeft gevorderd, betrekking heeft op de juridische bijstand in de hoofdzaak. De rechtbank begroot de kosten van juridische bijstand daarom ex aequo et bono op een bedrag van € 15.000,00. De kosten voor de juridische opinie van mr. Schonewille worden geacht in deze vergoeding te zijn begrepen. Tevens komen voor vergoeding in aanmerking het in de hoofdzaak betaalde griffierecht ad € 1.400,00 en de proceskosten van [Eiseressen in hoofdzaak] waarin [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] in de hoofdzaak is veroordeeld, zijnde een bedrag van € 4.336,32, (begrepen in de letter A in de schadeopstelling).

4.14. Ten slotte heeft [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] vergoeding gevorderd van persoonlijke kosten, zoals kosten van telecommunicatie, vervoerskosten en portokosten (letter L uit de schadeopstelling). Ten aanzien van deze kosten geldt dat zij uitsluitend voor vergoeding in aanmerking kunnen komen indien zij aan de “dubbele redelijkheidstoets” van artikel 6:96 lid 2 sub b BW voldoen. Aan de hand van de door [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] zelf opgestelde en ondertekende kostenspecificaties, zonder onderliggende bewijsstukken als facturen, kan niet worden vastgesteld dat de kosten redelijk zijn en dat deze redelijkerwijs noodzakelijk waren om schadevergoeding te verkrijgen. Ook heeft [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] onvoldoende gesteld op basis waarvan het door [gedaagde in vrijwaring] betwiste causale verband tussen de tekortkoming van [gedaagde in vrijwaring] en de betreffende kosten, kan worden vastgesteld. De persoonlijke kosten komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.

4.15. Van de door [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] gevorderde schadevergoeding komen derhalve de volgende bedragen voor vergoeding in aanmerking:

- schade wegens gederfd rendement € 33.963,00

- kosten juridische bijstand in hoofdzaak € 15.000,00

- griffierecht hoofdzaak € 1.400,00

- proceskostenveroordeling hoofdzaak € 4.336,32

totaal € 54.699,32

vermeerderd met de niet weersproken wettelijke rente. De rente over het gederfd rendement is verschuldigd vanaf de dag dat [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] de vordering van [Eiseressen in hoofdzaak] heeft c.q. zal hebben voldaan. De rente over de kosten van juridische bijstand, het griffierecht en de proceskostenveroordeling in de hoofdzaak is verschuldigd vanaf de dag dat [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] de betreffende kosten heeft voldaan.

4.16. [gedaagde in vrijwaring] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 98,98

- salaris advocaat € 2.235,00 (2,5 punten × tarief IV € 894,00)

Totaal € 2.333,98,

vermeerderd met de gevorderde, niet weersproken, nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten. De wettelijke rente is toewijsbaar na verloop van een redelijke termijn na betekenis van dit vonnis, welke termijn wordt vastgesteld op 14 dagen.

5. De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

5.1. bepaalt dat nr. 5.16 van het op 21 november 2012 tussen [Eiseressen in hoofdzaak] en [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] gewezen vonnis, waar staat

“5.16 Gelet op het vorenstaande heeft [gedaagde in vrijwaring] de stelling van [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] dat het testament van erflater vanwege het ontbreken daarin van het bepaalde in artikel 4:82 BW niet zijn uiterste wil bevat, onvoldoende gemotiveerd betwist. Aan bewijslevering en/of omkering van de bewijslast wordt derhalve wordt toegekomen.”

wordt verbeterd in

“5.16 Gelet op het vorenstaande heeft [gedaagde in vrijwaring] de stelling van [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] dat het testament van erflater vanwege het ontbreken daarin van het bepaalde in artikel 4:82 BW niet zijn uiterste wil bevat, onvoldoende gemotiveerd betwist. Aan bewijslevering en/of omkering van de bewijslast wordt derhalve niet toegekomen.”;

5.2. bepaalt dat deze verbetering onder de vermelding van de datum 10 april 2013 wordt vermeld op de minuut van het vonnis van 21 november 2012;

5.3. gelast elk van partijen, voor zover zij dit niet reeds hebben gedaan, het ontvangen afschrift van het vonnis van 21 november 2012 na ontvangst van dit vonnis aan de griffie van de rechtbank te retourneren;

5.4. veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] om aan [eiseres 1] te betalen een bedrag van € 51.959,34 (zegge: éénenvijftig duizendnegenhonderdnegenenvijftig en vierendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 13 augustus 2011 tot de dag van volledige betaling;

5.5. veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] om aan [eiseres 2] te betalen een bedrag van € 50.959,34 (zeggen vijftig duizendnegenhonderdnegenenvijftig euro en vierendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 13 augustus 2011 tot de dag van volledige betaling;

5.6. veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] in de kosten van de hoofdzaak aan de zijde van [Eiseressen in hoofdzaak] tot op heden begroot op € 4.336,32, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

in de zaak in vrijwaring

5.7. veroordeelt [gedaagde in vrijwaring] tot betaling aan [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] van een schadevergoeding van € 54.699,32 (zegge: vierenvijftigduizend zeshonderdnegenennegentig euro en tweeëndertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over € 33.963,00 met ingang van de dag dat [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] de vordering van [Eiseressen in hoofdzaak] heeft voldaan, tot de dag der volledige betaling en vermeerderd met de wettelijke rente over het resterende bedrag met ingang van de dag dat [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] de respectievelijke kosten heeft voldaan, tot de dag der volledige voldoening;

5.8. veroordeelt [gedaagde in vrijwaring] in de kosten van de vrijwaringszaak, aan de zijde van [gedaagde in hoofdzaak/eiseres in vrijwaring] tot op heden begroot op € 2.333,98, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.9. veroordeelt [gedaagde in vrijwaring] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde in vrijwaring] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

5.10. verklaart dit vonnis in deze zaak tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.11. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Eerdhuijzen en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2013.?