Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:BZ7809

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
18-04-2013
Zaaknummer
10/750185-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gewapende overval op een internet- en belwinkel. Bewezenverklaring van (onder meer) medeplegen doodslag, poging doodslag (eendaadse samenloop) en diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbend.

De opgelegde straffen liggen lager dan de eis gelet op de rol die elk van de 4 verdachten heeft gehad in de overval en het uitgeoefende geweld. Hierbij is in het bijzonder meegewogen dat de veroordeelde overvallers zelf niet hebben geschoten, maar een overleden vierde dader en dat er sprake is geweest van een afgeketste kogel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team straf 2

Parketnummer: 10/750185-11

Datum uitspraak: 3 april 2013

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte/dader 3/persoon C],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

niet ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de [naam Penitentiaire Inrichting],

raadsman mr. R.T.A.G. Keller, advocaat te Tilburg.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 20 maart 2013.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. Kort gezegd wordt hij verdacht van een gewapende overval waarbij een dodelijke slachtoffer is gevallen en een ander slachtoffer is beschoten en mishandeld, en van verboden wapenbezit.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Haan heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde, voor zover het de gekwalificeerde doodslag en poging doodslag betreft;

- bewezenverklaring van het onder 1 (ongekwalificeerde doodslag en poging doodslag), 2 en 3 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaar met aftrek van voorarrest.

MOTIVERING PARTIELE VRIJSPRAAK

Feit 1 - gekwalificeerde doodslag c.q. gekwalificeerde poging doodslag

Op basis van de inhoud van het dossier kunnen de onder 1 (impliciet primair) ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag en gekwalificeerde poging doodslag niet worden bewezen verklaard zodat de verdachte van dit deel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken. Om misverstanden te voorkomen, dit betreft niet de doodslag en de poging doodslag als zodanig maar alleen de strafverzwarende omstandigheid van het in artikel 288 Wetboek van Strafrecht bedoelde oogmerk. Nu de officier van justitie en de raadsman zich eveneens op dit standpunt hebben gesteld, zal dit niet nader worden gemotiveerd.

WAARDERING VAN HET BEWIJS

1. VASTSTELLING FEITEN EN OMSTANDIGHEDEN

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting gaat de rechtbank uit van de navolgende niet betwiste feiten en omstandigheden.

1.1. Plaats delict en gepleegde geweldshandelingen.

Op 3 december 2011 omstreeks 23.21 uur vond in een bel & internetwinkel, genaamd “ [naam winkel]", gevestigd aan de [vestigingsadres] te Vlaardingen (hierna: de winkel), een gewapende overval plaats. Vier overvallers hebben onder bedreiging van twee vuurwapens dan wel van één vuurwapen en één op een vuurwapen gelijkend voorwerp verschillende goederen weggenomen, waarbij de eigenaar van de winkel, [naam slachtoffer] (hierna: [naam slachtoffer]), door de overvallers onder andere met deze wapens op zijn hoofd werd geslagen. Nadat [naam slachtoffer], in reactie op het handelen van de overvallers, zich verzette en een stoel in de richting van de overvallers had gegooid, zijn de overvallers in paniek geraakt en op de vlucht geslagen. Door getuigen is gezien dat de vier daders van de overval daarna in een roodkleurige personenauto zijn gestapt. Vóór de overval heeft een getuige gezien dat zich vier mannen nabij de winkel hebben opgehouden.

Bij de vlucht van de overvallers is, nog in de winkel, een schot afgegaan in de richting van [naam slachtoffer]. De afgeschoten kogel heeft [naam slachtoffer] niet geraakt. Wel heeft de kogel de ten tijde van de overval achter in de winkel aanwezige klant [naam dodelijk slachtoffer] (hierna: [naam dodelijk slachtoffer]) geraakt. Hij werd in zijn hoofd getroffen en hij is in kritieke toestand overgebracht naar het Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam.

[naam dodelijk slachtoffer] zat ten tijde van de overval via het internet te skypen - beeld en geluid - met zijn vriendin, [naam vriendin dodelijk slachtoffer] in Macedonië. Hij zat achter een computer, links achterin in de winkel (vanaf de ingang gezien). Links van hem bevond zich een houten tussenschot. In dat schot is een gat aangetroffen dat uiterlijke kenmerken vertoonde die passen bij het door¬schieten van een houten plaat met een projectiel uit een vuurwapen. Op de vloer in de winkel is een ricochet schotbeschadiging aangetroffen die in lijn is met de doorschot beschadiging in de houten plaat waarachter [naam dodelijk slachtoffer] zich bevond. Uit een door de politie uitgevoerde schotbaanonderzoek blijkt (1) dat de kogel die [naam dodelijk slachtoffer] heeft geraakt afkomstig is van het vuurwapen van één van de overvallers - de hierna te noemen dader 1 -, (2) dat de kogel de grond van de winkel heeft geraakt tussen [naam slachtoffer] en [naam dodelijk slachtoffer] in, (3) dat de kogel daar is afgeketst en (4) dat de kogel door voornoemd houten schot is gegaan en vervolgens [naam dodelijk slachtoffer] heeft getroffen.

Op 6 december 2011 werd [naam dodelijk slachtoffer] geopereerd, waarbij de kogel uit zijn hoofd is verwijderd. Volgens de door het Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam verstrekte medische informatie heeft het slachtoffer onder andere hersenletsel opgelopen door zuurstoftekort. Verder kwam naar voren dat het ruggenmerg beschadigd was en dat het slachtoffer bijna een totale dwarslaesie had opgelopen. Op vrijdag 30 december 2011 is [naam dodelijk slachtoffer] in het Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam overleden.

Blijkens de letselinformatie heeft [naam slachtoffer], als gevolg van het tegen hem gepleegde geweld letsel opgelopen, te weten meerdere kleine zwellingen op het behaarde hoofd, enkele oppervlakkige schaafwondjes. De genezingsduur werd geschat op één à twee weken.

1.2. beeldmateriaal van de bel & internetwinkel " [naam winkel]"

De winkel is uitgerust met meerdere camera’s. Op de camerabeelden is te zien dat vier personen de belwinkel binnenkwamen. Deze personen worden hierna aangeduid als dader 1, dader 2, dader 3 en dader 4, in volgorde van binnenkomst in de winkel. Op de beelden is te zien dat dader 1 een lichtgekleurde hoodie droeg met lange mouwen en een capuchon met op de voorzijde ter hoogte van de borst een applicatie. Op zijn hoofd had deze dader een donker gekleurde zogenaamde vliegeniersmuts met flappen aan de zijkanten. Deze dader had, naar later is gebleken, een vuurwapen bij zich. Dader 2 droeg donkere schoenen, een donker gekleurde broek en een donker gekleurde hoodie met capuchon. Deze dader had een vuurwapen dan wel een op een daarop lijkend voorwerp. Dader 3 droeg een rode hoodie met een lijnen motief op de capuchon. Dader 4 droeg een spijkerbroek met een donker gekleurde riem (ruime broek zogenaamde baggy) en een donkergrijze hoodie met capuchon.

Op de camerabeelden is te zien dat dader 1 en 2, nadat zij de winkel zijn binnengekomen, een wapen in de hand namen. Ter hoogte van de tweede computer¬plek aan de linkerzijde van de winkel is een klant [[naam dodelijk slachtoffer]] aanwezig die op enig moment onder schot gehouden werd door dader 2. Deze dader trok op een gegeven moment de hoofdtelefoon, die de klant op zijn hoofd had, af. Dader 3 haalde een vuilniszak onder zijn jas vandaan en ging naar de kluis en startte met het leeghalen van de kluis. Vervolgens ging deze dader naar de kassa. Dader 4 nam de vuilniszak over en ging verder met het leeghalen van de kluis. De handen van deze daders waren onbedekt. Dader 1 en dader 2 hielden [naam slachtoffer] in bedwang, maar er ontstond een worsteling. Daarbij pakte dader 1 [naam slachtoffer] op verschillende plaatsen vast bij zijn kleding, waaronder de kraag. Dader 2 pakte op zijn beurt [naam slachtoffer] vast bij de linker en de rechter broekzak. Op enig moment zag [naam slachtoffer] kans zich te ontdoen van deze twee daders en pakte een nabij hem staande bureaustoel en gooide deze, al rennend in de richting van de uitgang, naar de toen vluchtende daders toe. Op dat moment sprong dader 3 over de glazen kassa¬balie heen waarbij hij met onbedekte handen zichtbaar steunde op deze balie. Dader 4 kwam ten val waarbij een groene onderbroek zichtbaar werd.

Gedurende de vlucht van de daders is de, door hen met de inhoud van de kluis gevulde, grijze vuilniszak achtergebleven in de belwinkel. De daders hebben simkaarten, beltegoedkaarten, internatrionale buitenlandkaarten uit de kluis meegenomen alsmede geld uit de kassa en batterijen.

1.3. doorzoeking woning verdachte; vuurwapen (feit 3)

Op dinsdag 31 januari 2012 werd tijdens de doorzoeking in de woning aan de [gba-adres dader 3/persoon C], zijnde de verblijfplaats van verdachte [naam dader 3/persoon C], een vuurwapen, een houder met daarin patronen en een losse patroon aangetroffen. Het vuurwapen van het merk Colt (caliber .45) en de houder met daarin patronen waren in een zwartgekleurde sok verpakt. De verdachte heeft bekend dat dit vuurwapen en deze munitie van hem zijn.

2. BEOORDELING DOOR DE RECHTBANK

2.1. Identificatie van de daders

2.1.1. Analyse van sporen aangetroffen in de winkel en op de kleding van [naam slachtoffer] in samenhang met camerabeelden van de winkel

Dader 3

Zoals hiervoor is weergegeven, is op de camerabeelden van de winkel onder meer te zien dat dader 3 tijdens de overval een vuilniszak onder zijn kleding vandaan haalde en deze vuilniszak vervolgens opende. Verder was te zien dat dader 3 handelingen pleegde achter de toonbank bij de kluis en dat hij geld uit de kassa van de winkel haalde. Dader 3 sprong op een bepaald moment over de toonbank en raakte daarmee tot twee keer toe met zijn rechter¬hand de glazen plaat van de toonbank. In de winkel zijn dactyloscopische sporen gevonden die aansluiten bij deze camera¬beelden en wel op de glazen balie, op de buitenzijde van de achtergelaten vuilniszak en op zich in die vuilniszak bevindende hoesjes van Vodafone. Deze sporen zijn ingevoerd in het landelijke geautomatiseerde vingerafdrukkensysteem en bleken overeen te komen met een vingerafdruk van [naam dader 3/persoon C], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], de verdachte.

Dader 4

Op het beeldmateriaal is te zien dat dader 4 goederen uit de kluis haalde en dat deze dader

(een) vuilniszak(ken) in zijn handen had. Op de buitenzijde en de binnenzijde van de in de winkel aangetroffen grijze vuilniszak zijn aan de binnenzijde drie bruikbare dactylo¬scopische sporen en aan de buitenzijde is één bruikbaar dactyloscopisch spoor aangetroffen. Deze sporen zijn ingevoerd in het landelijke geautomatiseerde vingerafdrukkensysteem en bleken overeen te komen met een vingerafdruk van [naam dader 4/persoon A], geboren op [geboortedatum], te [geboorteplaats] (hierna: [naam dader 4/persoon A]).

De rechtbank vindt het verweer van deze medeverdachte dat de vingerafdrukken op een andere wijze bij de verdachte thuis op de vuilniszak terecht moeten zijn gekomen ongeloof¬waardig gelet op de volgende omstandigheden in onderlinge samenhang beschouwd: (1) het aantal bruikbare dactyloscopische sporen dat is aangetroffen, (2) de plaats waarop deze sporen zijn aangetroffen op de achtergelaten vuilniszak en (3) het tevens aantreffen van vingersporen van dader 3 op de vuilniszak, van wie op grond van het genoemde beeldmateriaal van de winkel en diens verklaring tegenover de politie vaststaat dat hij was betrokken bij de overval en daarbij de vuilniszak in afwisseling met verdachte heeft gehanteerd.

Dader 1

Zoals hiervoor is overwogen, is op de camerabeelden zichtbaar dat dader 1 [naam slachtoffer] bij de kraag van zijn trui heeft vastpakt. Onder andere op deze plek is door het NFI een onderzoek gedaan naar humane biologische sporen. Hieruit is een DNA-mengprofiel bepaald. Nadat uit CIE-informatie was gebleken dat [naam dader 1/persoon D], geboren op [geboortedatum] (hierna: [naam dader 1/persoon D]), mogelijk betrokken zou zijn bij de overval, is zijn DNA-profiel vergeleken met het op de trui van [naam slachtoffer] aangetroffen mengprofiel. Deze vergelijking heeft geleid tot een match. Dit betekent dat [naam dader 1/persoon D] één van de donoren van het cel¬materiaal in de bemonstering kan zijn. De berekende frequentie van de combinatie van afgeleide DNA-kenmerken is kleiner dan één op één miljard. Ofwel, de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met de combinatie van afgeleide DNA kenmerken is kleiner dan één op één miljard.

Dader 2

Op het beeldmateriaal van de winkel is te zien dat dader 2 op een bepaald moment de broek van [naam slachtoffer] vastpakte, eerst bij de linkerbroekzak en dan bij de rechterbroekzak. Ook deze broek is onderzocht op sporen. Uit sporenonderzoek, uitgevoerd door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) blijkt dat na bemonstering van de binnenzijde van de rechterbroekzak, een DNA-mengprofiel was aangetroffen, waarbij [naam dader 2/persoon B], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna: [naam dader 2/persoon B]), niet als celmateriaal-donor kan worden uitgesloten. Nu deze conclusie geen statistisch oordeel bevat, staat hiermee (nog) niet vast dat deze verdachte als dader 2 is te beschouwen.

2.1.2. Analyse van de camerabeelden van de [gba-adres dader 3/persoon C].

Camerabeelden bij het GBA-adres van [naam dader 3/persoon C]

Gelet op de vingerafdrukken van [naam dader 3/persoon C] die zijn aangetroffen in de winkel, zoals hier¬voor beschreven, is hij door de politie in een zeer vroeg stadium van het onderzoek als verdachte aangemerkt. Uit onderzoek bleek dat op zijn GBA-adres (de [gba-adres dader 3/persoon C]), in de portiek en de lift van het flatgebouw, camera’s hangen en dat de beelden daarvan werden opgenomen en opgeslagen. Dit beeldmateriaal is opgevraagd en onderzocht.

Op het beeldmateriaal van de flat is te zien dat op zaterdag 3 december 2011 omstreeks 19.58 uur vier personen vanaf het trappenhuis via het portiek de flat verlieten en dat deze genoemde vier personen naar een rode vierdeurs personenauto liepen. Op de beelden van 20.01 uur is te zien dat de rode personenauto is verdwenen van de parkeerplaats. Deze mannen zijn in het kader van het onderzoek (en worden hierna) aangeduid met de letters A tot en met D. Opvallend is dat persoon D een vliegeniersmuts droeg over de capuchon van zijn lichte, bijna witte trui. Deze persoon droeg tevens een zwart tasje om zijn nek. Op de beelden van de beveiligings¬camera’s van de winkel is te zien dat één van de daders tijdens de overval een zogenaamde "pilotenmuts" op had, voorzien van bruin bont.

Op de beelden is te zien dat, nog steeds op 3 december 2011, vanaf 23.52 uur vier personen tezamen de entree van de [gba-adres dader 3/persoon C] binnenkwamen, van buitenaf. Het zijn dezelfde vier personen A tot en met D die om 19.58 uur zijn vertrokken. Eén van hen – persoon D – droeg een zwart tasje om zijn nek, alsmede een voorwerp waarvan niet kan worden uitgesloten dat het een vliegeniersmuts is en hij had onder zijn arm een lichtkleurig kledingstuk. Bij persoon A is op de beelden ter hoogte van zijn middel een streep van een groene onderbroek zichtbaar. Persoon B had een pakketje donkerkleurige kleding onder zijn linkerarm.

Tussen de genoemde tijdstippen zijn er geen camerabeelden van de personen A tot en met D aangetroffen.

Persoon C en A

Op basis van voornoemd beeldmateriaal is een onderzoek ingesteld naar de identiteiten van de personen A - D. Gelet op de in de winkel aangetroffen sporen van [naam dader 3/persoon C] en [naam dader 4/persoon A] zijn politie¬foto’s van deze verdachten vergeleken met de hiervoor genoemde vier personen op de camerabeelden van de [gba-adres dader 3/persoon C]. Uit dit onderzoek bleek [naam dader 3/persoon C] ‘persoon C’ te zijn. [naam dader 4/persoon A] bleek ‘persoon A’ te zijn. Bij de identificatie van [naam dader 4/persoon A] is meegenomen, dat op facebook.com een foto van [naam dader 4/persoon A] is aangetroffen, (grotendeels) gekleed in dezelfde kleding als op de camerabeelden uit de flat. Op de zitting is door de rechtbank vastgesteld dat [naam dader 4/persoon A] inderdaad een sterke gelijkenis heeft met persoon A. Verder wordt op de beelden een rode personenauto waargenomen, waarvan is te zien dat in ieder geval twee van de vier personen een deur aan de bestuurderszijde openen. De passagierszijde van de auto is aan het zicht onttrokken. Uit het bedrijfsprocessysteem, genaamd NSIS, bleek voorts dat [naam dader 4/persoon A] een personenauto op zijn naam geregistreerd had staan.

Dit betrof een roodkleurige personenauto van het merk [automerk], voorzien van het kenteken [kentekennummer]. Deze auto past voorts in de omschrijving van de vluchtauto.

Persoon B

Op 7 december 2011 werd een observatie uitgevoerd op het pand aan de [gba-adres dader 3/persoon C] om [naam dader 3/persoon C] te observeren. Tijdens deze observatie bleek dat er een op dat moment onbekende man in de woning aan de [gba-adres dader 3/persoon C] was geweest en dezelfde man werd later op de avond gezien in een woning aan de [adresgegevens]. Uit nader onderzoek bleek dat op dit adres medeverdachte [naam dader 2/persoon B] stond ingeschreven. Vervolgens werd een politiefoto van [naam dader 2/persoon B] vergeleken met het beeldmateriaal van de bewakingscamera van de flat aan de [gba-adres dader 3/persoon C]. Uit dit onderzoek bleek dat [naam dader 2/persoon B] persoon B te zijn.

Persoon D

Op het beeldmateriaal van de winkel was onder andere te zien dat dader 1 op een bepaald moment [naam slachtoffer] bij zijn kraag vastpakte. Tijdens een worsteling raakte dader 1 op ver¬schillende plekken de kleding van de eigenaar van de winkel aan, waaronder de broekzak van deze. Deze dader had een vliegersmuts op zijn hoofd. Via de Criminele Inlichtingen Eenheid is informatie binnengekomen bij het onderzoeksteam dat één van de vier personen, die te zien was op de camerabeelden van de flat aan de [gba-adres dader 3/persoon C], [naam dader 1/persoon D] zou moeten zijn. Vervolgens is een politiefoto van [naam dader 1/persoon D] vergeleken met het beeld¬materiaal van de bewakingscamera van de flat waaruit vervolgens bleek dat [naam dader 1/persoon D] één van de eerder genoemde vier personen was.

2.1.3. Verklaringen [naam dader 3/persoon C] d.d. 1 februari 2012 en ter terechtzitting

Inhoud

Op 1 februari 2012 heeft de verdachte bij de politie een bekennende en voor zijn medever¬dach¬ten belastende verklaring afgelegd. In dit verhoor heeft hij aangegeven dat hij de overval heeft gepleegd met zijn broer [naam dader 2/persoon B], [naam dader 4/persoon A] en [naam dader 1/persoon D] (de rechtbank begrijpt: [naam dader 1/persoon D]) en wat hun individuele rol is geweest bij de overval. Tijdens een later verhoor, op 9 februari 2012, heeft hij aangegeven deze verklaring te willen intrekken zonder verdere opgave van reden, waarna hij zich telkens op zijn zwijgrecht c.q. verschoningsrecht heeft beroepen.

Ter terechtzitting op 20 maart 2013 heeft de verdachte verklaard dat hij op 3 december 2011 in de winkel bij de overval aanwezig is geweest, aan de overval heeft deelgenomen en dat de dactyloscopische sporen die op de glazen balie in de belwinkel zijn aangetroffen van hem zijn. Ook heeft hij verklaard dat hij de persoon is die op de beelden te zien is en wordt aangeduid als persoon C.

Betrouwbaarheid van de verklaring van [naam dader 3/persoon C] d.d. 1 februari 2012 (algemeen)

De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan de geloofwaardigheid en de betrouw¬baarheid van de belastende verklaring van de verdachte ten aanzien van de betrokkenheid van zijn medeverdachten [naam dader 2/persoon B], [naam dader 1/persoon D] en [naam dader 4/persoon A] en ook ten aanzien zijn eigen betrokken¬heid. Er zijn geen aanwijzingen dat hij in bedoelde verklaring de medeverdachten onnodig belast of uit de wind houdt. De verklaring van de verdachte aangaande de overval wordt op enkele details na ondersteund door de camerabeelden, de aangifte en de verklaringen van getuigen alsmede door het technisch bewijs. De samenstelling van de groep vindt bovendien bevestiging in de camerabeelden van de flat aan de [gba-adres dader 3/persoon C].

De verdachte heeft aangegeven dat hij zijn verklaring op 9 februari 2011 wil intrekken, en heeft daarvoor geen reden kunnen of willen geven. Tijdens de zitting heeft hij zijn aanwezigheid bij de overval bekend, zonder een verklaring te willen afleggen over zijn mededaders.

De rechtbank heeft geen enkele aanknopingspunt ervoor gevonden dat [naam dader 3/persoon C] wegens een jarenlange ziekelijke jaloezie belastend heeft verklaard over zijn broer, [naam dader 2/persoon B], zoals door en namens zijn broer ter terechtzitting is aangevoerd. Alles wijst op een normale relatie tussen deze twee broers hetgeen ook wordt bevestigd door hun zus die heeft verklaard dat als één van haar broers bij haar op visite kwam, de andere broer er altijd bij was en door het feit dat [naam dader 2/persoon B] zijn broer, de verdachte, thuis bezocht.

Betrouwbaarheid van de verklaring van [naam dader 3/persoon C] d.d. 1 februari 2012 (op onderdelen)

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de verklaring van [naam dader 3/persoon C] betrouwbaar acht ten aanzien van de samenstelling van de groep, de rol van de medeverdachten bij de overval en de wijze waarop die overval is verlopen. De rechtbank acht de verklaring echter niet op alle onderdelen betrouwbaar. [naam dader 3/persoon C] heeft verklaard dat hij pas vlak voor de roofoverval te horen kreeg dat [naam dader 1/persoon D] de winkel wilde gaan “pakken”. Verder heeft hij ook verklaard dat hij niet heeft gezien dat [naam dader 2/persoon B] een wapen in zijn hand heeft gehad. Dit onderdeel van de verklaring wordt ongeloofwaardig geacht. Uit de getuigenverklaringen en de camerabeelden van hetgeen zich ten tijde van de roofoverval heeft afgespeeld blijkt namelijk duidelijk dat er sprake is van een rolverdeling en een vooropgezette beroving. Voorts kan het niet anders zijn dan dat verdachte moet hebben geconstateerd dat ook dader 2, zijn broer, een vuur¬wapen had (of een daarop gelijkend voorwerp). Uit de beelden blijkt dat de medeverdachten [naam dader 1/persoon D] en [naam dader 2/persoon B] waren bewapend. Zij kwamen als eersten de zaak binnen en [naam dader 1/persoon D] haalde toen direct zijn wapen tevoorschijn. Medeverdachte [naam dader 1/persoon D] ontfermde zich direct over de eigenaar, en [naam dader 2/persoon B] werd door middel van een tikje op of nabij de schouder door de verdachte op de in de zaak aanwezige klant geattendeerd. [naam dader 2/persoon B] haalde toen zijn (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) te voorschijn en liep met getrokken wapen naar de achterkant van de zaak waar een klant aanwezig is, direct voor de verdachte langs, wat de laatste moet hebben gezien.

2.1.4. Geen aannemelijk alternatief scenario

Op grond van de vorenstaande bewijsmiddelen in onderlinge samenhang gaat de rechtbank ervan uit dat de vier verdachten hiervoor genoemd kennelijk gezamenlijk rond 20.00 uur bij de flat [gba-adres dader 3/persoon C] zijn vertrokken en tegen middernacht daar weer zijn aangekomen, en tussen die tijdstippen de overval op de belwinkel hebben gepleegd. De rechtbank overweegt hierbij nog nader dat de verdachten geen alternatief scenario hebben genoemd op grond waarvan zou kunnen worden verondersteld dat in de tussentijd – ter gelegenheid van de overval - een wisseling in de samenstelling dan wel uitbreiding van de groep heeft plaatsgevonden. Voor zover [naam dader 2/persoon B] en [naam dader 4/persoon A] hebben verklaard dat zij niet bij de overval waren, volgt hieruit tenminste dat een ander dan wel twee anderen waren betrokken bij de overval door [naam dader 1/persoon D] en [naam dader 3/persoon C], waarvan reeds op grond van technisch bewijs in combinatie met de eigen belastende verklaring (van [naam dader 3/persoon C]) immers vast staat dat zij deelnemer waren. Aan dit scenario hebben [naam dader 2/persoon B] of [naam dader 4/persoon A] – anders de suggestie van de verdediging dat er mogelijk ook een derde (de voorverkenner) betrokken was bij de overval – verder geen inhoud gegeven door een indicatie wie deze perso(o)n(en) zouden moeten zijn geweest, dan wel wanneer de wisseling in de groep heeft plaatsgevonden en hoe en onder welke omstandigheden de hergroepering voor het gezamenlijk aankomen bij de flat rond middernacht heeft plaatsgevonden.

[naam dader 2/persoon B] heeft tijdens zijn verhoor ter terechtzitting op 11 mei 2012 verklaard dat hij op de avond van 3 december 2011 bij zijn zus is geweest om Sinterklaas te vieren. Dit wordt niet door zijn zus bevestigd. Deze verklaring ten aanzien van een eventueel alibi wordt verder ook niet ondersteund door ander bewijs. De verdachte heeft zich steeds op zijn zwijgrecht beroepen en hij heeft geen uitleg willen geven omtrent zijn connectie met de groep met wie hij, op een tijdstip kort na de roofoverval in de belwinkel, terugkomt in de hal van de woning van zijn broer [naam dader 3/persoon C].

De rechtbank is dan ook van oordeel dat een alternatief scenario zoals hiervoor genoemd, moet worden verworpen.

2.1.5. Conclusies ten aanzien van de identificatie van de daders.

De rechtbank concludeert op grond van de in dit vonnis opgenomen bewijsmiddelen en de overwegingen hiervoor onder 2.1.1, 2.1.2., 2.1.3 en 2.1.4. genoemd, in onderling verband bezien, dat de verdachte gezamenlijk met [naam dader 1/persoon D], [naam dader 2/persoon B] en [naam dader 4/persoon A] op 3 december 2011 de winkel heeft overvallen, waarbij een schot is afgevuurd als gevolg waarvan [naam dodelijk slachtoffer] is overleden.

[naam dader 1/persoon D] is volgens de verstrekte informatie op 3 januari 2012 op [plaatsnaam] dood¬geschoten en kan derhalve niet meer in rechte ter verantwoording worden geroepen.

2.2. Nadere beoordeling ten aanzien van het bewijs – de verweren

2.2.1. Standpunt verdediging

a. Opzet en medeplegen

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte geen opzet op de dood van [naam dodelijk slachtoffer] en/of [naam slachtoffer] heeft gehad en dat evenmin vaststaat dat [naam dader 1/persoon D], de daadwerkelijke schutter, die opzet zou hebben gehad. Op de camerabeelden te zien is dat op het moment van het schot de schutter zijn armen naar beneden had. De dood van [naam dodelijk slachtoffer] was een ongelukkig toeval, als gevolg van een ricochetschot, dat heel wel per ongeluk kan zijn afgegaan. Uit het dossier blijkt bovendien niet dat sprake was van een duidelijk plan. Uit het dossier blijkt niet dat de andere drie overvallers wisten of hadden kunnen weten dat [naam dader 1/persoon D] een geladen vuurwapen had of dat dit gebruikt zou worden, zodat de verdachte deze kans niet op de koop toe heeft kunnen nemen. Uit de gedragingen van de verdachte blijkt dat hij zich aan de situatie heeft willen onttrekken toen deze uit de hand liep. Van medeplegen kan geen sprake zijn.

b. Geen causaal verband tussen het schieten en de dood van [naam dodelijk slachtoffer]

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de dood van [naam dodelijk slachtoffer] redelijkerwijs niet toe te rekenen is aan de verdachte, doordat er onvoldoende rechtstreeks verband bestaat tussen de opgelopen verwonding op 3 december 2011 en de dood op 30 december 2011.

2.2.2. Beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt.

Ad. a. Opzet en medeplegen.

Hiervoor is reeds vastgesteld dat de kogel die [naam slachtoffer] heeft gemist en die [naam dodelijk slachtoffer] heeft geraakt, afkomstig is van het vuurwapen dat door [naam dader 1/persoon D] werd vastgehouden tijdens de overval. Dit maakt [naam dader 1/persoon D] tot (vermoedelijke) hoofddader en de verdachte (hooguit) tot mededader. De rechtbank zal eerst vaststellen of [naam dader 1/persoon D] opzet op de dood van [naam dodelijk slachtoffer] en/of [naam slachtoffer] heeft gehad en zal daarna ingaan op het verweer dat - kort gezegd - de verdachte ten aanzien van het schot niet als mededader van [naam dader 1/persoon D] zou moeten worden aangemerkt.

Opzet van [naam dader 1/persoon D]

Voor een veroordeling voor doodslag op [naam dodelijk slachtoffer] en voor een poging tot doodslag op [naam slachtoffer] is allereerst van belang of [naam dader 1/persoon D] als hoofddader opzet op de dood van [naam dodelijk slachtoffer] en [naam slachtoffer] had. Er is geen bewijs dat [naam dader 1/persoon D] rechtstreekse opzet had, in de zin dat hij het oogmerk had één van hen te doden. De kogel heeft [naam slachtoffer] gemist en slechts als gevolg van het afketsen van de kogel tegen de grond is [naam dodelijk slachtoffer] geraakt. Dit laat de mogelijkheid open dat [naam dader 1/persoon D] niet het oogmerk had [naam slachtoffer] en/of [naam dodelijk slachtoffer] te raken.

De volgende vraag is of [naam dader 1/persoon D] voorwaardelijke opzet had. Voorwaardelijke opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood van [naam dodelijk slachtoffer] of van [naam slachtoffer] - is aanwezig indien de dader zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Dit vereist enerzijds een aanmerkelijke kans op de dodelijke afloop en anderzijds een bewuste aanvaarding van die kans door [naam dader 1/persoon D].

De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekening toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringen aanmerkelijk is te achten.

Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiter¬lijke verschijnings¬vorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het behoudens contra-indicaties niet anders kan zijn dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Toepassing van dit juridische kader over voorwaardelijke opzet, leidt tot de volgende beoor¬deling. [naam dader 1/persoon D] heeft, samen met de verdachte, [naam dader 2/persoon B] en [naam dader 4/persoon A], op 3 december 2011 een gewapende overval gepleegd op een winkel in Vlaardingen. Direct na binnenkomst in de winkel heeft [naam dader 1/persoon D] een vuurwapen tevoorschijn gehaald en [naam slachtoffer] met dat vuurwapen bedreigd, terwijl [naam dader 2/persoon B] direct daarna [naam dodelijk slachtoffer] met een (vuur)wapen heeft bedreigd. Toen die dreiging kennelijk niet genoeg was, en [naam slachtoffer] zich begon te verzetten, hebben [naam dader 1/persoon D] en [naam dader 2/persoon B] gezamenlijk [naam slachtoffer] met hun (vuur)wapens op het hoofd geslagen. Op de camerabeelden van de winkel is duidelijk te zien dat [naam dader 1/persoon D] het wapen bewust gebruikte: hij dirigeerde [naam slachtoffer] door de winkel, eerst door dreigend met het wapen te wenken en daarna door het wapen in de rug van [naam slachtoffer] te duwen en hem voort te duwen. Hij hield hem daarna onder schot, door het wapen op zijn hoofd te richten. Uiteindelijk, zoals hiervoor al beschreven, sloeg hij [naam slachtoffer] met het wapen op het hoofd. Vervolgens - in een tijdbestek van luttele seconden - sloeg de stemming in de winkel om: [naam slachtoffer] verzette zich en gooide een bureaustoel in de richting van de overvallers, in het bijzonder de overvallers [naam dader 1/persoon D] en [naam dader 2/persoon B], en hij slaagde erin hen weg te jagen. Tijdens die vlucht ging het vuurwapen af. Gelet op de snelheid waarmee alles is gebeurd en gelet op de camerabeelden, kan het niet anders dan dat het wapen in de hand van [naam dader 1/persoon D] was ten tijde van het schot en zijn vinger aan de trekker.

Het hiervoor geschetste gebruik van het wapen door [naam dader 1/persoon D] maakt dat geoordeeld moet worden dat er een kans was op dodelijk letsel, juist ook omdat op voorhand niet duidelijk was welke weerstand de aanwezigen zouden bieden en wat er precies ging gebeuren. Wanneer deze kans wordt bezien binnen de omstandigheden van dit geval dan groeit deze kans uit tot een aanmerkelijke kans op dat dodelijke letsel. Hierbij is van belang is de plaats waar en de richting waarin de kogel is afgevuurd. Het schot is afgegaan in de richting van de eigenaar van het belhuis en derhalve ook in de richting van de achter die eigenaar zittende klant in een zaak die kan worden omschreven als een pijpenla, een smalle ruimte derhalve. Onder deze omstandigheden bestond niet alleen de aanmerkelijke kans dat de eigenaar dodelijk wordt getroffen, doch ook de zich achter hem bevindende klant. In het geval het wapen doorgeladen was, dan heeft de gebruiker door de haan te spannen de aanmerkelijke kans aanvaard dat het wapen door een geringe beweging – al dan niet geraakt door de stoel of in aanraking gekomen met de achterwand – zou afgaan in de hectiek van de overval. Indien het wapen niet doorgeladen en/of de haan niet gespannen was, dan volgt de rechtbank de officier van justitie in diens betoog dat voor het schieten een krachtsinspanning en doelbewuste handeling nodig is die zich niet verdraagt met een per ongeluk afgaan van het wapen. In beide gevallen valt het handelen van de schutter naar uiterlijke verschijningsvorm onder het voorwaardelijk opzet.

Medeplegen

Uit de camerabeelden blijkt dat er sprake is van een gecoördineerde actie met een duidelijke rolverdeling. Tijdens de bedreiging van de eigenaar en de klant door [naam dader 1/persoon D] en [naam dader 2/persoon B] hebben de verdachte en [naam dader 4/persoon A] zich ontfermd over de inhoud van de kluis en de kassa. Dit kennelijk zonder zich een moment te bekommeren om de vraag of de eigenaar van de zaak of een klant een probleem zouden vormen voor hun acties. Kennelijk vertrouwden zij op het handelen van [naam dader 1/persoon D] en [naam dader 2/persoon B] waarbij dezen de eigenaar en eventuele andere aanwezigen in bedwang moesten houden. [naam dader 1/persoon D] vervulde deze rol, terwijl hij een vuurwapen hanteerde. Er is dus in ieder geval sprake van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op de overval, hetgeen door de verdachte ook niet is betwist. De vraag is of dit ook geldt voor het uitgeoefende geweld en bedreiging met geweld. De verdachte heeft op 1 februari 2012 verklaard dat hij wist dat er één wapen was, maar zoals hiervoor overwogen, acht de rechtbank dit niet geloofwaardig en gaat zij ervan uit dat de verwachte zich bewust was van de aanwezigheid van twee wapens (althans één vuurwapen en één op een vuurwapen gelijkend voorwerp). Dat sluit ook aan bij de camerabeelden. De verdachte heeft op geen enkel moment verklaard dat (en waarom) hij zou hebben gedacht dat er sprake was van een of meerdere nepwapens, zoals door zijn raadsman als mogelijkheid is geopperd. Er wordt daarom vanuit gegaan dat de verdachte zich ervan bewust was dat (in ieder geval) het wapen van [naam dader 1/persoon D] echt was. Hij moet zich bewust zijn geweest van de risico’s die dat wapen met zich zou brengen. Dit maakt dat er sprake is van een zodanig nauwe samenwerking op de overval, inclusief het te gebruiken geweld, dat de deelnemers ook delen in het voorwaardelijke opzet van [naam dader 1/persoon D], zodat er sprake is van medeplegen, ook ten aanzien van de doodslag en de poging doodslag. Het verweer dat van medeplegerschap niet gesproken kan worden, slaagt daarom niet.

Ad b. Causaal verband

De verdediging heeft gesteld dat onvoldoende causaal verband bestaat tussen het afvuren van het vuurwapen en de dood van [naam dodelijk slachtoffer]. Dit verweer slaagt niet.

Er is sectie verricht op het lichaam van [naam dodelijk slachtoffer]. In het door forensisch deskundige, [naam deskundige], arts en patholoog, opgemaakte rapport d.d. 6 juli 2012 is – kort samengevat en voor zover hier van belang - het volgende vermeld:

“Bij sectie op het lichaam van [naam dodelijk slachtoffer], geboren op 3 november 1983, wordt het intreden van de dood zondermeer verklaard door een dubbelzijdige long- en luchtwegontsteking bij een situatie met zeer ernstige, niet verbeterende hersenbeschadiging ten gevolge van een inschot aan de kaak en de hals.”

Op 17 oktober 2012 heeft [naam deskundige], voornoemd, naar aanleiding van nadere vragen, kort samengevat geconcludeerd:

“Het overlijden [van [naam dodelijk slachtoffer]] is te wijten aan de ontsteking [rechtbank: de longontsteking], welke te wijten is aan een langdurige en ernstig ziekelijke verblijfstoestand in het ziekenhuis, welke te wijten is aan het incident buiten het ziekenhuis.”

[naam dodelijk slachtoffer] is op¬genomen in het ziekenhuis in kritieke toestand nadat hij in zijn nek en hoofd was geraakt. Hij lag in coma, had hersenletsel en was vrijwel geheel verlamd. Uit het aanvullende rapport van [naam deskundige] d.d. 17 oktober 2012 leidt de rechtbank af dat [naam dodelijk slachtoffer] is overleden als gevolg van complicaties die het gevolg zijn van de verwondingen van het schot dat hij heeft opgelopen tijdens de overval.

Geconcludeerd moet daarom worden dat de dood van het slachtoffer door het stoppen van levensondersteunende apparatuur in het ziekenhuis, de uiterste consequentie is geweest van het handelen van verdachten en derhalve redelijkerwijs aan hen valt toe te rekenen.

2.2.3. Conclusie

De conclusie uit het hiervoor overwogene is dat de verdachte als medepleger voorwaardelijk opzet heeft gehad op zowel de doodslag van [naam dodelijk slachtoffer] als op de poging doodslag van [naam slachtoffer]. Voorts heeft hij een vuurwapen en munitie voorhanden gehad.

Al het vorenstaande leidt tot de volgende bewezenverklaring.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 (impliciet subsidiair), 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 03 december 2011 te Vlaardingen, tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk een persoon genaamd [naam dodelijk slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft één van zijn mededaders opzettelijk met een vuurwapen (pistool) een kogel afgevuurd in de richting van die [naam dodelijk slachtoffer] (welke kogel die [naam dodelijk slachtoffer] in het hoofd heeft geraakt), tengevolge waarvan voornoemde [naam dodelijk slachtoffer] is overleden,

en

hij op 03 december 2011 te Vlaardingen, tezamen en in vereniging met anderen,

ter uitvoering van het door verdachte en een of meer van zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven te beroven,

met een vuurwapen (pistool) een kogel heeft afgevuurd in de richting en in de onmiddellijke nabijheid van die [naam slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

2.

hij op 03 december 2011 te Vlaardingen,

tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen in een (bel)winkel gelegen op de [adres belwinkel] geld en sim-kaarten en beltegoed kaarten en batterijen toebehorende aan [naam slachtoffer]

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer] en [naam dodelijk slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan andere deelnemers van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het met een panty over hun hoofd en gezicht, althans met bedekt gelaat, en met een capuchon op hun hoofd

- onder schot houden van die [naam slachtoffer] en [naam dodelijk slachtoffer] door het richten en gericht houden van een (vuur)wapen op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die

[naam slachtoffer] en [naam dodelijk slachtoffer], en daarbij

- (dreigend) aan die [naam slachtoffer] toevoegen van de woorden: "mattie ga liggen"

en "open de kluis", althans woorden van gelijke dreigende aard

- trekken aan en duwen van die [naam slachtoffer] (richting een kluis) en

- (met een vuurwapen) slaan op het hoofd van die [naam slachtoffer] en

- (stevig) vastpakken en vasthouden van die [naam slachtoffer] en

- slaan/stompen tegen het lichaam en in het gezicht en tegen hoofd van die [naam slachtoffer] en

- met een vuurwapen afvuren van een kogel in de richting en/of in de onmiddellijke nabijheid van die [naam dodelijk slachtoffer] en die [naam slachtoffer],

ten gevolge van welk geweld voornoemde [naam dodelijk slachtoffer] is overleden.

3.

dat hij op 31 januari 2012 te Delft een wapen, als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Colt, model 1911, kaliber .45

voorhanden heeft gehad;

en

dat hij op 31 januari 2012 te Delft munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet Wapens en Munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III te weten 8 kogelpatronen, kaliber .45 voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

Feit 1: eendaadse samenloop van doodslag en poging doodslag;

feit 2: diefstal voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

feit 3: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan een roofoverval op een bel- en internetwinkel. Verdachte en één van zijn medeverdachten hebben goederen uit de kluis gepakt en die in een door hen meegebrachte vuilniszak gestopt. Een andere medeverdachte hield [naam slachtoffer], de eigenaar van de winkel, met een vuurwapen onder schot terwijl een andere medeverdachte zijn (op een vuur)wapen (lijkend voorwerp) op een toevallig aanwezige klant, [naam dodelijk slachtoffer] gericht hield. Tijdens deze roofoverval is er een vuurwapen afgevuurd door een medeverdachte. De kogel is [naam slachtoffer] rakelings gepasseerd, waarna het via een ricochetschot door een houten schot is gegaan waarachter [naam dodelijk slachtoffer] met zijn vriendin zat te skypen. [naam dodelijk slachtoffer] is door die kogel in zijn nek en hoofd getroffen. Hij is enkele weken later als gevolg van de opgelopen schotwond en opgetreden complicaties overleden.

Verdachte is aldus mede verantwoordelijk voor de gewelddadige en zinloze dood van een jonge volwassene, die op het punt stond zich te verloven en die nog een kansrijke toekomst voor zich had. Door de dood van het slachtoffer is onherstelbaar leed en verlies veroorzaakt aan zijn familieleden, zijn vriendin en naaste omgeving, hetgeen blijkt uit de slachtoffer¬verklaringen. Het overlijden van [naam dodelijk slachtoffer] moet voor zijn vriendin des te schokkender zijn geweest omdat zij de overval en het dodelijk gewond raken en ineenzakken van haar vriend via de internetverbinding heeft kunnen volgen. De gewelddadige en zinloze dood van [naam dodelijk slachtoffer] heeft de rechtsorde zeer ernstig geschokt en in de maatschappij hevige gevoelens van verontwaardiging, onrust en onveiligheid veroorzaakt.

[naam slachtoffer] is niet alleen het slachtoffer geworden van deze brutale roofoverval waarbij hij is geslagen en met een vuurwapen is bedreigd. Hij heeft ook getracht het zwaar gewonde slachtoffer te helpen en hem in zijn armen gehad. Daarnaast is hij geconfronteerd met het feit dat de afgeschoten kogel hem had kunnen raken, met alle risico’s die daaraan verbonden zijn. Daarnaast gaat dit slachtoffer, naar uit zijn slachtofferverklaring is gebleken, gebukt onder schuldgevoelens omdat zijn klant is overleden. Objectief zijn die schuldgevoelens niet terecht omdat niet [naam slachtoffer], maar de verdachte en zijn medeverdachten verantwoordelijk zijn voor de dood van [naam dodelijk slachtoffer], maar dat maakt die schuldgevoelens niet minder invoelbaar of ernstig.

Slachtoffers en nabestaanden van slachtoffers van dit soort ernstige delicten ondervinden als gevolg daarvan - vaak langdurig - nadelige psychische gevolgen, zoals regelmatig terug¬kerende gevoelens van angst en onveiligheid.

Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen met de bijbehorende munitie. De gevaarzetting die in het algemeen van vuurwapens uitgaat zoals blijkt op de afloop in de onderhavige zaak in het bijzonder, maakt eens te meer duidelijk waarom tegen het ongecontroleerde bezit van vuurwapens streng opgetreden dient te worden.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van lange duur. Wel is in het voordeel van verdachte meegewogen dat de rechtbank heeft geconstateerd dat er sprake is van voorwaardelijke opzet op de dood van [naam dodelijk slachtoffer]: [naam dodelijk slachtoffer] is het slachtoffer geworden van een kogel die niet voor hem bedoeld was en niet van een bewust op hem gericht schot. Dat maakt het leed voor de nabestaanden niet minder maar vermindert wel het strafrechtelijke verwijt dat de verdachte gemaakt kan worden en daarmee de hoogte van een passende straf.

Verder is in belangrijke mate meegewogen in het voordeel van deze verdachte dat niet hij maar [naam dader 1/persoon D] het dodelijke schot heeft gelost en dat hij zelf in de winkel geen geweld heeft gebruikt. Anders dan de officier van justitie heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat de straf van ieder van de verdachten toegesneden moet worden op hun aandeel in de verrichtte handelingen. Dit maakt dat voor de verdachte een beduidend minder zware straf passend is dan (abstraherend van eventuele persoonlijke omstandigheden) het geval zou zijn geweest voor [naam dader 1/persoon D], indien deze nog had geleefd en deze gelijktijdig met de verdachte was berecht.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht. Deze valt beduidend lager uit dan door de officier van justitie is geëist. Dit komt in overwegende mate doordat de rechtbank, anders dan de officier, uitgaat van een strafbepaling per individuele dader en niet van de groep als geheel.

VORDERINGEN BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Inleiding

In deze strafzaak hebben zich vijf partijen gevoegd als benadeelde partij terzake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Het betreft de navolgende personen:

- [naam benadeelde partij 1], wonende te Macedonië;

- [naam benadeelde partij 2], wonende te Macedonië;

- [naam benadeelde partij 3], wonende te Macedonië;

- [naam benadeelde partij 4], wonende te Macedonië;

- [naam slachtoffer, tevens benadeelde partij 5], althans diens echtgenote namens hem.

De vorderingen van [namen benadeelde partij 1, 2, 3 en 4]

[namen benadeelde partij 1, 2, 3 en 4] vorderen, ieder voor zich, reiskosten gemaakt om in Nederland aanwezig te zijn bij [naam dodelijk slachtoffer], alsmede immateriële schadevergoeding vanwege shockschade. [naam benadeelde partij 3] vordert daarnaast de kosten van de uitvaart van [naam dodelijk slachtoffer].

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van deze vorderingen in volle om¬vang als voorschot en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering van [naam benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk ver¬klaard dient te worden omdat zij niet behoort tot de groep van personen die namens [naam dodelijk slachtoffer] zich kunnen voegen, terwijl zij ook niet rechtstreeks is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd.

De rechtbank oordeelt als volgt.

De gevorderde reiskosten (3 x € 150,00 + € 660,00) en de kosten van lijkbezorging (€ 3.800,00) zullen worden toegewezen nu deze niet, althans niet voldoende gemotiveerd, door de verdachte zijn betwist. De kosten zijn voldoende onderbouwd en de kosten van lijkbezorging zijn niet bovenmatig. Voor dit deel van de vorderingen geldt voorts dat de vorderingen weliswaar laat zijn ingediend, maar niet zodanig dat de verdachte ten aanzien van deze overzichtelijke posten in zijn verdediging is geschaad. Anders dan door de raadsman bepleit, komen ook de reiskosten van [naam benadeelde partij 1] voor vergoeding in aanmerking.

Voor de gevorderde vergoeding voor shockschade geldt het volgende. Weliswaar heeft de civiele kamer van de Hoge Raad HR in 2002 (LJN AD5356) vastgesteld dat onder bijzondere omstandigheden aansprakelijkheid bestaat voor een dergelijke schade, maar de beantwoording van de vraag of de verdachte aansprakelijk is voor de door de benadeelde partijen gestelde "shockschade" is een niet eenvoudig te beoordelen rechtsvraag. Daar komt bij dat de vorderingen pas zeer kort voor de zitting zijn ingediend, waardoor de verdediging (te) weinig tijd heeft gehad om zich op dit niet-eenvoudige punt adequaat te kunnen voorbereiden. Dit alles maakt dat beoordeling van dit deel van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafding zou vergen. De benadeelde partijen zullen daarom in dit deel van hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vorderingen kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de vorderingen van de hiervoor bedoelde benadeelde partijen gedeeltelijk zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerleg¬ging nog te maken.

Voor het toegewezen deel van de schade wordt oplegging van de hierna te noemen maat¬regel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

[naam slachtoffer, tevens benadeelde partij 5]

Op naam van [naam slachtoffer, tevens benadeelde partij 5], wonende te [woonplaats benadeelde partij 5], is ter zake van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten een schadeonderbouwingsformulier en een voegingsformulier in het dossier gevoegd. In die formulieren wordt een bedrag van € 11.329,00 aan materiële schade en een bedrag van € 6.000,00 aan immateriële schade gevorderd. Beide formulieren zijn getekend door de echtgenote van [naam slachtoffer, tevens benadeelde partij 5].

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot afwijzing van deze vordering om redenen van proceseconomie, nu de volmachtverlening van [naam slachtoffer, tevens benadeelde partij 5] aan zijn echtgenote door de verdachte ter zitting werd betwist. Wel heeft hij oplegging van een kale schadevergoedings¬maatregel gevorderd terzake van de gevorderde bedragen.

De raadsman heeft primair aangevoerd dat de vordering dient te worden afgewezen nu deze niet op correcte wijze is ingediend, namelijk ondertekend door de echtgenote; subsidiair dat deze niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van het materiële deel. De materiële schade is onvoldoende te herleiden.

De rechtbank oordeelt als volgt. De hiervoor genoemde formulieren zijn inderdaad niet ondertekend door [naam slachtoffer, tevens benadeelde partij 5] maar door diens echtgenote, ook op de plaats op het voegingsformulier waar de volmacht¬verlening van [naam slachtoffer, tevens benadeelde partij 5] aan zijn echtgenote geregeld zou moeten zijn. De ondertekening van het voegingsformulier heeft plaatsgevonden tijdens een schorsing van de zitting, naar een medewerker van Slachtoffer¬hulp heeft bevestigd, door de echtgenote van [naam slachtoffer, tevens benadeelde partij 5] die de zitting in een afzonderlijke ruimte heeft bijgewoond.

Op basis van de inhoud van deze twee formulieren valt niet vast te stellen dat [naam slachtoffer, tevens benadeelde partij 5] volmacht heeft verleend aan zijn echtgenote om de vordering benadeelde partij in te stellen. Echter, de officier van justitie heeft op de zitting verklaard dat hij een week voor de zitting een gesprek heeft gevoerd met [naam slachtoffer, tevens benadeelde partij 5] en diens echtgenote en dat [naam slachtoffer, tevens benadeelde partij 5] daarbij had aangegeven dat zijn echtgenote de vordering zou regelen. Nu volmachtverlening vormvrij is, gaat de rechtbank er daarom vanuit dat de vordering zoals vermeld in voornoemde formulieren is ingesteld namens [naam slachtoffer, tevens benadeelde partij 5].

De gevorderde materiële schadevergoeding betreft € 8.500,00 wegens gestolen goederen, € 2.439,00 aan verlies arbeidsvermogen en € 390,00 aan medische kosten (verlies eigen risico). Ten aanzien van de post gestolen goederen zal de rechtbank een - in goede justitie geschat - voorschot van € 2.500,00 toewijzen; voor toewijzing van het meerdere voor deze post is in dit strafgeding geen ruimte. Vaststaat immers dat een deel van de gestolen goederen direct zijn teruggevonden, in de hiervoor besproken vuilniszak, en het is de rechtbank niet duidelijk is of en zo ja, welk deel, van de teruggevonden goederen (in verkoopbare toestand) is geretourneerd aan [naam slachtoffer, tevens benadeelde partij 5]. De gevorderde vergoeding van verlies arbeidsvermogen ad € 2.439,00 zal in zijn geheel worden toegewezen. Niet, althans niet gemotiveerd, betwist is immers dat de winkel in december 2011 gesloten is geweest naar aanleiding van de overval en dat [naam slachtoffer] na 1 januari 2012 minder heeft kunnen werken. De omvang van deze post komt de rechtbank niet onredelijk voor en is voldoende onderbouwd. De medische kosten ad. € 390,00 (verlies eigen risico 2011 en 2012) komen integraal voor vergoeding in aanmerking (LJN AY4897).

De gevorderde immateriële schade zal eveneens worden toegewezen, en wel tot het gevorderde bedrag van € 6.000,00.

In totaal zal daarom een bedrag van (€ 2.500,00 + 2.439,00 + 390.00 + 6.000,00 =) € 11.329,00 aan schadevergoeding worden toegekend.

De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de vonnisdatum nu weliswaar is aangegeven dat deze rente wordt gevorderd maar niet met ingang van welke (concrete) datum.

Voor zover de vordering van [naam slachtoffer, tevens benadeelde partij 5] niet wordt toegewezen, wordt deze niet ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht

Nu de vordering van de hiervoor bedoelde benadeelde partij gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerleg¬ging nog te maken.

Voor het toegewezen deel van de schade, inclusief wettelijke rente, wordt oplegging van de hierna te noemen maat¬regel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Behalve op de reeds genoemde artikelen, is gelet op de artikelen 45, 47, 55, 57, 287 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

De rechtbank:

ten aanzien van de tenlastelegging en bestraffing

a. verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 (impliciet primair) ten laste gelegde gekwalificeerde dood¬slag en gekwalificeerde poging doodslag heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

b. verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 (impliciet subsidiair), 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

c. verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

d. stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

e. verklaart de verdachte strafbaar;

f. veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaar;

g. beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

ten aanzien van de vorderingen benadeelde partij

h. wijst toe:

(i) de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1] tot een bedrag van € 150,00;

(ii) de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2] tot een bedrag van € 150,00;

(iii) de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 3] tot een bedrag van € 3.950,00;

(iv) de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 4] tot een bedrag van € 660,00;

(v) de vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer, tevens benadeelde partij 5] tot een bedrag van € 11.329,00;

i. bepaalt dat het onder h.(v) bedoelde bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;

j. verklaart ieder van de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat dit deel van de vorderingen slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

k. veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door ieder van de bena¬deelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoer¬legging nog te maken;

l. legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van ieder van de benadeelde partijen te betalen de hiervoor onder h bedoelde bedragen, vermeerderd (in het geval van [naam slachtoffer]) met de onder i bedoelde wettelijke rente;

m. beveelt, voor elk van de vorderingen benadeelde partij, dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hiervoor bedoelde bedragen bedrag vervangende hechtenis zal worden toegepast:

(i) terzake van de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1]: drie dagen;

(ii) terzake van de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2]: drie dagen;

(iii) terzake van de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 3]: 49 dagen;

(iv) terzake van de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 4]: dertien dagen;

(v) terzake van de vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer,tevens benadeelde partij 5]: 91 dagen,

toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

n. verstaat, voor ieder van de vorderingen benadeelde partij, dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader/mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Bade, voorzitter,

en mrs. De Vreede en Doorduijn, rechters,

in tegenwoordigheid van Wongsokerto, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 april 2013.

Bijlage bij vonnis van 3 april 2013:

TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING.

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

op of omstreeks 03 december 2011 te Vlaardingen, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een persoon genaamd [naam dodelijk slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

opzettelijk met een vuurwapen (pistool) een kogel afgevuurd op, althans in de

richting van die [naam dodelijk slachtoffer] (welke kogel die [naam dodelijk slachtoffer] in het hoofd heeft geraakt),

tengevolge waarvan voornoemde [naam dodelijk slachtoffer] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal met geweld van SIM-kaarten en/of beltegoed kaarten en/of geld en/of batterijen en/of een cover voor een mobiele telefoon, toebehorende aan [naam slachtoffer] en/of [naam echtgenote slachtoffer],

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

en/of

hij

op of omstreeks 03 december 2011 te Vlaardingen, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of (een of meer van) zijn

mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd

[naam slachtoffer] van het leven te beroven,

met een vuurwapen (pistool) een kogel heeft afgevuurd op/in de richting en/of

in de onmiddellijke nabijheid van die [naam slachtoffer],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

welke vorenomschreven poging tot doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of

voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal met geweld van SIM-kaarten en/of beltegoed kaarten en/of geld en/of batterijen en/of een cover voor een mobiele telefoon, toebehorende aan [naam slachtoffer] en/of [naam echtgenote slachtoffer],

en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

2.

hij

op of omstreeks 03 december 2011 te Vlaardingen, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen in/uit een (bel)winkel gelegen op/aan de [vestigingsadres] geld en/of sim-kaarten en/of beltegoed kaarten en/of batterijen en/of een cover voor een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer] en/of [naam echtgenote slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer] en/of [naam dodelijk slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld die [naam slachtoffer] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van geld en/of sim-kaarten en/of beltegoed kaarten en/of batterijen en/of een cover voor een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer] en/of [naam echtgenote slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het (met een panty over zijn/hun hoofd en/of gezicht, althans met bedekt gelaat, en/of met een capuchon en/of een vliegeniersmuts op/over zijn/hun hoofd)

- onder schot houden van die [naam slachtoffer] en/of [naam dodelijk slachtoffer] door het richten en/of gericht houden van een vuurwapen op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [naam slachtoffer] en/of [naam dodelijk slachtoffer], en/of (daarbij)

- (dreigend) aan die [naam slachtoffer] toevoegen van de woorden: "mattie ga liggen" en/of "open de kluis", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- trekken aan en/of duwen van die [naam slachtoffer] (richting een kluis) en/of

- (met een vuurwapen) slaan op/in het gezicht en/of op/tegen het hoofd van die [naam slachtoffer] en/of

- (stevig) vastpakken en/of vasthouden van die [naam slachtoffer] en/of

- slaan/stompen op/tegen het lichaam en/of in het gezicht en/of het op/tegen hoofd van die [naam slachtoffer] en/of

- met een vuurwapen/pistool afvuren van een kogel op/in de richting en/of in de onmiddellijke nabijheid van die [naam dodelijk slachtoffer] en/of die [naam slachtoffer],

ten gevolge van welk geweld voornoemde [naam dodelijk slachtoffer] is overleden, althans zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen;

3.

hij op of omstreeks 31 januari 2012 te Delft tezamen en in vereniging, althans alleen, een wapen, als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Colt, model 1911, kaliber .45 voorhanden heeft gehad;

en/of

dat hij op of omstreeks 31 januari 2012 te Delft tezamen en in vereniging, althans alleen, munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet Wapens en Munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III te weten 8 kogelpatronen, kaliber .45 voorhanden heeft gehad.