Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:BZ7312

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-04-2013
Datum publicatie
16-04-2013
Zaaknummer
10/700328-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Slachtoffer is in haar eigen woning door messteken om het leven gebracht.

De verklaring die de verdachte - haar levenspartner - eerst ter terechtzitting heeft afgelegd wordt door de rechtbank niet geloofwaardig geacht.

Doodslag, gevangenisstraf van 10 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team straf 2

Parketnummer: 10/700328-12

Datum uitspraak: 16 april 2013

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[NAAM VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

laatstelijk ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [gba-adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting “De IJssel” te Krimpen aan den IJssel,

raadsman mr. J.M.J.H. Coumans, advocaat te Amsterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 2 april 2013.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. M. Luijpen heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het impliciet primair ten laste gelegde (moord);

- bewezenverklaring van het impliciet subsidiair ten laste gelegde (doodslag);

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar met aftrek van voorarrest.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Op basis van de inhoud van het dossier kan niet worden bewezen verklaard dat de verdachte het slachtoffer met voorbedachten rade om het leven heeft gebracht zodat hij van het impliciet primair ten laste gelegde (moord) dient te worden vrijgesproken. Nu de officier van justitie en de raadsman zich eveneens op dit standpunt hebben gesteld, zal dit oordeel niet nader worden gemotiveerd.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 22 juni 2012 te Hoogvliet, gemeente Rotterdam, opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk meermalen, met één of meer scherpe en/of puntig(e) voorwerp(en), in de hals/nek en het hoofd en de buik en een been en handen, van die [naam slachtoffer] gestoken en gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

NADERE BEWIJSOVERWEGINGEN

Inleiding

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aantreffen slachtoffer

Op 25 juni 2012 wordt [naam slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) aan het begin van de middag levenloos in haar woning aan de [adres slachtoffer] te Hoogvliet aangetroffen.

Zij droeg nachtkleding en die was doorweekt van het bloed. Bij een schouw van het lichaam van het slachtoffer is door een lijkschouwer de dood geconstateerd.

Sectie en sporen in de woning

Bij sectie werden door de pathologen op het lichaam van het slachtoffer zes scherprandige huidperforaties vastgesteld en wel in de hals/nek, de wangen, de buik en het rechter bovenbeen. De diepte van de steekkanalen varieerde van 5 tot 11 centimeter. De linker halsslagader en een aftakking van de onderste holle ader in de romp waren geperforeerd.

Op beide handen zijn ongeveer 14 snijletsels waargenomen. De laatste letsels kunnen volgens de patholoog goed passen bij afweerletsel. Voorts concluderen zij dat de dood van het slachtoffer wordt verklaard door fors bloedverlies met algehele weefselschade tot gevolg, opgelopen door het herhaaldelijk inwerken van uitwendig mechanisch scherprandig klievend/snijdend en perforerend geweld. De postmortale bevindingen passen goed bij een postmortale tijd van naar schatting meer dan 36 uur en minder dan 7 dagen, aldus de pathologen.

De rechtbank merkt op dat de sectie op 27 juni 2012 plaatsvond, zodat op basis van even genoemde conclusie kan worden aangenomen dat het slachtoffer tussen 20 juni 2012 en 25 juni 2012 is overleden. Verder komt zij op grond van de bevindingen van de pathologen tot het oordeel dat hoogst onwaarschijnlijk is dat het slachtoffer is omgekomen door een ongeluk of door zelfdoding en dat derhalve iemand anders haar om het leven moet hebben gebracht.

De resultaten van het forensisch onderzoek duiden erop dat het slachtoffer zich in haar woning heeft bevonden toen haar de steekverwondingen zijn toegebracht.

Auto slachtoffer en haar laatste (telefoon)contacten

Op moment dat het slachtoffer - door haar dochter en kleindochter - werd gevonden bleek de auto van het slachtoffer niet op de parkeerplaats voor haar (flat)woning te staan, hetgeen ongebruikelijk was. De auto van het slachtoffer is op 22 juni 2012 te 22:29 uur in Tilburg gesignaleerd. Daarna zijn er tot en met 29 juni 2012 geen reisbewegingen meer geregistreerd.

Het slachtoffer heeft op 22 juni 2012 een bezoek gebracht aan haar danspartner in Rotterdam en is daar tussen 18.30 en 19.00 uur met haar auto vertrokken. Met de vaste lijn van het slachtoffer is vervolgens om 18.58 uur uitgebeld naar het nummer van een bevriende buurman. Met haar mobiele nummer is om 19.31 uur uitgebeld naar het nummer van de dochter van een vriendin van het slachtoffer. Omdat het niet in de rede ligt dat een ander dan het slachtoffer naar deze personen heeft gebeld, gaat de rechtbank ervan uit dat het slachtoffer op die twee laatste tijdstippen nog in leven was en dus in ieder geval vanaf 18.58 uur thuis is geweest. Een op haar mobiele nummer inkomende oproep werd op 23 juni 2012 te 14.28 uur niet meer beantwoord. Na de hiervoor genoemde uitgaande oproep op de vaste lijn met de buurman om 18.58 uur zijn er tot 25 juni 2012, 12.23 uur geen inkomende of uitgaande oproepen meer geweest. Laatstgenoemde inkomende oproep van 25 juni 2012 was afkomstig van de dochter van het slachtoffer en werd niet beantwoord.

De verdachte

De verdachte had een relatie met het slachtoffer. Hij overnachtte gewoonlijk in haar woning. Met het mobiele nummer van de verdachte is op 22 juni 2012 om 16.49 uur voor het laatst telefonisch contact geweest met het mobiele nummer van het slachtoffer, waarbij zijn telefoon de zendpaal aan de [plaats zendpaal] heeft aangestraald. De rechtbank maakt hieruit op dat de verdachte zich op dat moment in of in de onmiddellijke omgeving van de woning van het slachtoffer bevond.

Ook buurtbewoners [buurtbewoner 1] en [buurtbewoner 2] hebben de verdachte, die zij kenden als “de neef” van het slachtoffer, op 22 juni 2012 in de eerste helft van de middag respectievelijk rond 15.30 uur bij en in de flat waarin het slachtoffer woonde gezien.

Verder staat vast dat de verdachte hierna nog een bezoek heeft gebracht aan een shoarmazaak aan de [adres shoarmazaak] in Hoogvliet.

Vanaf dat moment tot aan het tijdstip waarop hij zich vrijwillig bij de politie in Tilburg meldde, te weten op 10 juli 2012 te 9.30 uur, lijkt de verdachte voor de buitenwereld van de aardbodem te zijn verdwenen. Diverse kennissen die normaal gesproken regelmatig contact met de verdachte hadden, konden hem niet telefonisch bereiken. Ook op de plaatsen waar verdachte normaal gesproken en vrijwel dagelijks te vinden was (horeca-gelegenheden in Hoogvliet), is hij na 22 juni 2012 niet meer gezien. Voorts was de verdachte op zaterdag 23 juni 2012 niet aanwezig op de begrafenis van een bekende, terwijl hij daar wel werd verwacht. De verdachte heeft na 22 juni 2012 te 16.49 uur zijn mobiele nummer [telefoonnummer] niet meer gebruikt.

De verdachte heeft (in ieder geval) van 1 juli tot en met 3 juli 2012 bij een kennis in Tilburg verbleven. Op 10 juli 2012 bleek de auto van het slachtoffer te staan op een parkeerplaats naast de flat waarin die kennis woont. In de auto werd op de veiligheidsgordel, aan de binnenzijde van het linker voorportier en net onder het raam bloed van het slachtoffer aangetroffen.

In de fouillering van de verdachte is een sleutelbos van het slachtoffer aangetroffen, met daaraan niet alleen haar huissleutel, maar ook een kluissleutel die paste op de kluis in de woning van het slachtoffer.

De verklaring van de verdachte

De verdachte heeft op de zitting van 2 april 2013 verklaard dat het slachtoffer hem op 22 juni 2012 heeft gezegd dat zij hem een tijdje niet meer wilde zien. Zij heeft hem gemaand weg te gaan en gaf daarbij de sleutels van haar auto mee.

Toen hij hierop uit de woning vertrok was het slachtoffer nog in leven en gezond. Vervolgens heeft hij een bezoek gebracht aan de shoarmazaak waar hij rond 18:00 uur - later verklaarde hij 19:00 uur - is vertrokken. Hierna is hij in de auto van het slachtoffer eerst naar kennissen in Breda gereden en toen deze niet thuis bleken te zijn, is hij naar Tilburg gereden. Daar heeft hij bij een kennis onderdak gevonden. Het slachtoffer heeft niet met hem afgesproken wanneer zij weer contact met elkaar zouden hebben of wanneer hij de sleutels en de auto aan haar zou moeten terug brengen. De verdachte heeft het slachtoffer ook niet meer gebeld, want hij wachtte een telefoontje van haar kant af.

Oordeel van de rechtbank

Datum toepassing geweld en overlijden

Zoals hiervoor is overwogen, is aannemelijk dat het slachtoffer op 22 juni 2012 om 19.31 uur nog in leven was. Op 23 juni 2012 te 14.38 uur beantwoordde zij haar mobiele telefoon niet meer en om 17.00 uur is zij niet op een afspraak met haar danspartner verschenen. Waar voorts de auto van het slachtoffer op 22 juni 2012 om 22.29 uur in Tilburg is gesignaleerd, gaat de rechtbank ervan uit dat het op het slachtoffer toegepaste geweld heeft plaatsgevonden in de avond van 22 juni 2012 na 19.31 uur. Immers, in de auto is bloed aangetroffen afkomstig van het slachtoffer en zoals de rechtbank hieronder nader zal toelichten, gaat zij ervan uit dat dit bloed daar terecht is gekomen, nadat het slachtoffer de haar fataal geworden letsels zijn toegebracht.

Gezien de ernst van de toegebracht letsels (met name de perforatie/klieving van de linker halsslagader en van een aftakking van de onderste holle ader in de romp) gaat de rechtbank ervan uit dat het slachtoffer ook diezelfde dag nog is overleden.

Een nicht van het slachtoffer heeft verklaard dat zij op zaterdagochtend 23 juni 2012 om ongeveer 9.00 uur nog telefonisch contact heeft gehad met het slachtoffer. Zeer aannemelijk is echter dat de nicht zich heeft vergist in de datum nu uit de historische gegevens van de bij het slachtoffer in gebruik zijnde telefoonnummers van een dergelijk contact niet is gebleken.

Geloofwaardigheid verklaring verdachte

De rechtbank acht de lezing van de verdachte ongeloofwaardig. Daartoe is het volgende redengevend.

Allereerst wordt aanzienlijk belang toegekend aan het feit dat de verklaring van de verdachte geen aannemelijke uitleg biedt voor de aanwezigheid van de diverse bloedsporen die in de auto van het slachtoffer zijn aangetroffen en die matchen met het DNA van het slachtoffer. Dat, zoals door de verdediging is gesuggereerd, het slachtoffer deze sporen zelf ooit in de auto heeft achtergelaten, kan nooit geheel worden uitgesloten, maar die gang van zaken is in ieder geval niet aannemelijk geworden. Daarbij wordt het slachtoffer door haar omgeving beschreven als een dame die zuinig en netjes is op haar spullen, zodat het niet voor de hand ligt dat zij in een dergelijk geval de auto niet zou hebben schoongemaakt.

Daarnaast geldt dat de verdachte zijn verklaring pas op de zitting van 2 april 2013 - bijna 9 maanden na zijn aanhouding - heeft willen afleggen. Er is dan ook alle gelegenheid geweest om die verklaring af te stemmen op de inhoud van het dossier, hetgeen afdoet aan de geloofwaardigheid daarvan. Daarnaast komt het de rechtbank voor dat het danig in het belang van de verdachte zou zijn geweest om die verklaring (met name waar het betreft de route via Breda), indien deze overeenkomstig de waarheid zou zijn geweest, onmiddellijk of kort na zijn aanhouding op tafel te leggen. Immers, die verklaring, die hem een alibi zou kunnen verschaffen, zou op dat moment nog nader te onderbouwen en te toetsen zijn geweest. Bij de huidige stand van zaken biedt de lezing van de verdachte voor de tijdspanne vanaf het moment dat de verdachte is vertrokken bij de shoarmazaak tot aan het moment dat hij met de auto van het slachtoffer omstreeks 22.29 uur door Tilburg reed, geen enkel concreet en tastbaar aanknopingspunt voor verificatie.

De door de verdachte gegeven lezing is te minder geloofwaardig, omdat de verdachte geen plausibele verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij zich na 22 juni 2012 voor de buitenwereld heeft afgesloten. De verdachte had voorheen veelvuldig telefonisch contact met het slachtoffer. Na die datum houdt dit contact plotsklaps op. Ook nadat de verdachte, zoals hij beweert, via de televisie ter ore was geworden dat de auto van het slachtoffer werd gezocht (de rechtbank begrijpt via Opsporing Verzocht, waarin toch ook de dodelijke afloop van het incident vermeld is), maar naar zijn zeggen nog niet wist dat zij het leven had gelaten, heeft hij geen contact gezocht met het slachtoffer, noch met haar familie of zijn kennissenkring in Hoogvliet en omgeving. Dergelijk gedrag is buitengewoon atypisch te noemen voor een levensgezel van een door geweld omgekomen partner.

Ook ligt het niet voor de hand dat het slachtoffer de verdachte, nadat zij te kennen had gegeven dat zij de verdachte een tijd niet wilde zien, de door haar zelf regelmatig gebruikte auto, alsmede de sleutels van haar woning en kennelijk ook die van haar kluis heeft meegegeven, zonder enige afspraak te maken omtrent de teruggave daarvan. Dit terwijl blijkens verklaringen van familieleden het slachtoffer na een eerder incident met verdachte (waarvoor verdachte ook is veroordeeld) het slot van de voordeur had vervangen en de verdachte geen sleutel meer had gegeven.

De lezing van de verdachte zou voorts impliceren dat een ander dan de verdachte de hand heeft gehad in de dood van het slachtoffer. De rechtbank heeft de vraag of voor dat laatste aanwijzingen zijn onder ogen gezien en zij beantwoordt die vraag ontkennend.

Allereerst duidt niets erop dat een voor het slachtoffer onbekende dader in de woning is geweest. In de woning zijn geen sporen aangetroffen die duiden op braak of op een vechtpartij. Dit rechtvaardigt de conclusie dat de dader naar alle waarschijnlijkheid, hetzij door het slachtoffer is binnen gelaten, hetzij de beschikking had over de sleutel van de woning van het slachtoffer. Uit de verklaringen van de familieleden blijkt dat het slachtoffer de sleutel van haar woning ook niet zomaar aan anderen gaf. De sporen die tijdens het forensische onderzoek in de woning zijn veiliggesteld, zijn nagenoeg allemaal te herleiden tot de verdachte of het slachtoffer. Alleen op een in de keuken aangetroffen bierflesje bevond zich DNA-materiaal van een bevriende buurman, maar bepaald niet uit te sluiten is dat dit blikje met het DNA-spoor reeds op de avond van 22 juni 2012 in de keuken aanwezig was, zeker nu het flesje is aangetroffen op de vloer naast een vrieskast en bekend is dat deze buurman frequent bij het slachtoffer over de vloer kwam. Overigens is er geen enkele tastbare indicatie dat deze - bejaarde - buurman verantwoordelijk is voor de fatale verwondingen van het slachtoffer. Voorts zijn er geen concrete aanwijzingen dat een ander de bewuste avond nog een afspraak had met of een bezoek heeft gebracht aan het slachtoffer.

Daarnaast laat het ter zitting door de verdachte voorgespiegelde scenario zich slecht rijmen met de inhoud van een door hem op 23 juli 2012 met zijn vriend [naam vriend] gevoerd telefoongesprek. Daarin zegt de verdachte: “Ach je weet zelf man, een fout, maar ja. Ik zeg. iedereen kan een fout maken. Snap je, maar ja. Nu is het een kwestie van hiermee leren leven dan maar”.

Ditzelfde geldt voor een door de verdachte op 31 juli 2012 met zijn broer [naam broer] en vriend [naam vriend] in het huis van bewaring gevoerd gesprek, waarin hij zijn broer uitlegt dat zijn advocaat hem - de verdachte - heeft gemaand niets te zeggen:

Verdachte: (…) morgen komt mijn advocaat, dan gaan we kijken wat we moeten doen.

Hij gaat tegen mij zeggen hoe en wat, want hij zei tegen mij, om niets te zeggen, want de zaak, want als ik praat dan kunnen zij mij, dan kunnen zij iets van poging tot doodslag geven of zo iets.

[naam broer]: nee, poging niet, maar moord

Verdachte: moord, moord, moord en als ik niet praat dan maak ik kans op

[naam vriend]: dan wordt doodslag,

Verdachte: of zware, zware

[naam broer]: zware mishandeling

Verdachte: zware mishandeling

[naam vriend]: ja met de dood ten gevolge of iets dergelijks

[naam broer]: hij zei niets praten en hij gaat iets in elkaar zetten.

Die uitlatingen in beide gesprekken zijn hoogst merkwaardig voor iemand die - zoals de verdachte stelt - ten onrechte wordt beschuldigd van het doden van de vrouw met wie hij al vijf jaar een relatie had. Bovendien geven deze uitlatingen op z’n minst genomen geen aanleiding om de verklaring die de verdachte vervolgens ter zitting aflegt zonder meer geloofwaardig te achten.

Slotsom

Gelet op alle hiervoor vermelde feiten en omstandigheden staat voor de rechtbank buiten redelijke twijfel vast dat het de verdachte is geweest die het slachtoffer op 22 juni 2012 de dodelijke messteken heeft toegebracht. Aangezien de verdachte het slachtoffer tot zes keer toe in de wangen, de hals en de buik heeft gestoken met, zoals hiervoor al bleek, steekkanalen van 5 tot 11 centimeter diepte tot gevolg, kan het niet anders zijn dan dat hij het volle opzet op haar dood heeft gehad.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zijn vriendin, in haar eigen woning, op gruwelijke wijze met messteken om het leven gebracht. Het slachtoffer lijkt te hebben geprobeerd om de messteken af te weren en moet de gewelddadige aanval ten minste enige tijd bewust hebben ondergaan. Zij zal in haar laatste momenten in doodsangst hebben verkeerd.

Aldus heeft de verdachte het slachtoffer, een levenslustige vrouw, haar recht op leven bruut ontnomen, terwijl zij juist degene is geweest die ondanks zijn bovenmatige drankgebruik voor hem is blijven zorgen, ook nog nadat hij op 15 augustus 2011 was veroordeeld ter zake van haar mishandeling.

Daarnaast heeft de handelwijze van de verdachte ertoe geleid dat de dochter en een kleindochter van het slachtoffer hun moeder respectievelijk grootmoeder in een mensonterende toestand hebben aangetroffen. Dit moet voor hen een schokkende en zeer traumatische ervaring zijn geweest waardoor zij, naast het grote verdriet van het verlies van hun dierbare, vermoedelijk ook levenslang met psychisch nadelige gevolgen zullen kampen. Bovendien veroorzaken feiten als het onderhavige grote gevoelens van angst, onveiligheid en afschuw in de samenleving.

Na de dood van het slachtoffer heeft de verdachte geen enkele verantwoording genomen voor zijn daad. Ondanks een daartoe strekkende oproep van de nabestaanden, heeft de verdachte geen openheid van zaken willen geven over hetgeen zich in de avond van

22 juni 2012 precies heeft afgespeeld. Ook dit wordt in het nadeel van de verdachte gewogen.

Op een dergelijk feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 maart 2013 is de verdachte eerder veroordeeld, waaronder ter zake van mishandeling van het slachtoffer. Daarvoor is hem een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Hieruit heeft hij kennelijk geen enkele lering getrokken.

De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, d.d. 1 maart 2013, opgesteld door D.J. Vinkers, psychiater, en A.H. Bouwman, psycholoog (onder supervisie van B.H. Boer, klinisch psycholoog).

Uit het rapport volgt - kort gezegd - dat vanwege de consequente weigering van de verdachte om aan het onderzoek mee te werken, geen onderbouwde uitspraak kan worden gedaan over het bestaan of afwezig zijn van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bij de verdachte Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte volledig toerekeningsvatbaar is voor het bewezen geachte feit.

De rechtbank realiseert zich dat geen enkele straf een genoegdoening kan zijn voor het leed dat de nabestaanden is aangedaan. De straf die aan de verdachte zal worden opgelegd komt wel wat lager uit dan de door de officier van justitie is gevorderd, omdat door de rechtbank ook is gekeken naar straffen die eerder in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde feit (moord) heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit (doodslag), zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.L. van der Bijl-de Jong, voorzitter,

en mrs. C. Laukens en J.J.I. de Jong, rechters,

in tegenwoordigheid van S. Wongsokerto, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 april 2013.

Bijlage bij vonnis van 16 april 2013:

TEKST TENLASTELEGGING.

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 22 juni 2012 tot en met 25 juni 2012 te

Hoogvliet, gemeente Rotterdam,

opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [naam slachtoffer]

van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm

beraad en rustig overleg, (meermalen, althans éénmaal) met één of meer

mes(sen), althans met één of meer scherpe en/of puntig(e) voorwerp(en), in de

hals/nek en/of het hoofd en/of de buik en/of een been en/of een/de hand(en),

althans in het lichaam, van die [naam slachtoffer] gestoken en/of geprikt en/of gesneden,

tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden;

(artikel 289/287 van het Wetboek van Strafrecht)