Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:BZ7047

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-03-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
1378056
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WAHV; verzet tegen verhaal; zonder dwangbevel; bewering betrokkene dat initiele beschikking en aanmaningen niet heeft ontvangen niet ongeloofwaardig, anders dan i.p. uitgereikte stukken; evenmin sprake van fictie artikel 4, tweede lid, laatste volzin WAHV dat betrokkene geacht wordt bekend te zijn met initiele beschikkinbg, omdat brieven CJIB niet onbestelbaar retour zijn gekomen; betrokkene dus niet in verzuim met betaling sanctiebedrag en verhaal daarom ten onrechte toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2013/62

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

beschikking van de kantonrechter, zittinghoudende te Rotterdam, ingevolge artikel 27, zesde lid juncto artikel 26, zesde lid van de Wet Administratiefrechtelijke Handhaving Verkeersvoorschriften (WAHV).

Deze beschikking wordt gegeven op het verzetschrift van: [betrokkene], wonende te [adres], geboren op [geboortedatum], hierna te noemen: betrokkene.

Procedure

Het verzetschrift met bijlage is op 13 augustus 2012 ter griffie van deze rechtbank binnengekomen. Het richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie te Leeuwarden om ten laste van betrokkene verhaal (zonder dwangbevel) toe te passen ter zake van het aan betrokkene bij initiële beschikking van 24 januari 2012 opgelegde sanctiebedrag van € 380,00, de daarop toegepaste verhoging en verdere verhoging van respectievelijk € 190,00 en € 570,00 en de verschuldigde incassokosten van

€ 19,26.

De officier van justitie heeft zijn commentaar op het verzetschrift overgelegd, gedateerd

1 november 2012. Daarbij is als bijlage een zaakoverzicht gevoegd.

De mondelinge behandeling van het verzetschrift heeft plaatsgehad op de terechtzitting van 1 maart 2013. De betrokkene is op de terechtzitting gehoord.

Feiten

Bij initiële beschikking van 24 augustus 2012 is aan betrokkene ter zake van “het niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden voor een motorrijtuig”, begaan op

9 december 2011 met een motorrijtuig waarvan het kenteken op naam van betrokkene stond, een sanctie opgelegd van € 380,00, vermeerderd met € 6,00 aan administratiekosten. De beschikking is gezonden naar het adres van betrokkene, zoals vermeld in het kentekenregister, tevens zijnde het adres waar betrokkene staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens. Tegen de beschikking heeft betrokkene geen beroep ingesteld. De opgelegde sanctie en de verschuldigde administratiekosten zijn niet tijdig voldaan.

In verband met het uitblijven van betaling is naar het adres van betrokkene op 10 april 2012 een eerste aanmaning, gedateerd 5 april 2012, verzonden tot betaling van € 576,00, zijnde de totaalsom van het sanctiebedrag van € 380,00, de administratiekosten van € 6,00 en de toegepaste verhoging van € 190,00. Het bedrag van € 576,00 is niet voldaan.

In verband met het (opnieuw) uitblijven van betaling is naar het adres van betrokkene op

26 mei 2012 een tweede aanmaning, gedateerd 21 mei 2012, verzonden. Bij die aanmaning is aan betrokkene meegedeeld dat de sanctie verder is verhoogd met een bedrag van

€ 570,00 en dat derhalve door hem dient te worden voldaan een bedrag van € 1.140,00, zijnde de totaalsom van het sanctiebedrag van € 380,00, de toegepaste verhoging van

€ 190,00 en de verdere verhoging van € 570,00. Er is wederom niet betaald.

Bij kennisgeving van verhaal, gedateerd 7 augustus 2012, is vervolgens door de officier van justitie aan betrokkene meegedeeld dat ter zake van het openstaande bedrag van € 1.140,00 vermeerderd met € 19,26 aan incassokosten, derhalve voor in totaal € 1.159,26, verhaal (zonder dwangbevel) zal worden toegepast op de door betrokkene van de Belastingdienst te ontvangen voorlopige teruggave inkomstenbelasting. Deze kennisgeving is op 23 augustus 2012 aan betrokkene uitgereikt. Hij heeft daarvoor “voor ontvangst” getekend.

Standpunt betrokkene

Betrokkene heeft aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat de onderhavige sanctie ten onrechte aan hem is opgelegd, aangezien hij niet wist dat zijn motorvoertuig gedurende enige tijd niet verzekerd was. Hij is er door zijn tussenpersoon niet van op de hoogte gesteld dat zijn toenmalige verzekeraar de verzekering in augustus 2011 met terugwerkende kracht per 31 juli 2011 had beëindigd. Volgens betrokkene heeft hij voor eenzelfde overtreding, geconstateerd op 16 augustus 2011, ook een sanctie gekregen. Toen er in maart 2012 ter zake van die overtreding een kennisgeving van verhaal aan zijn vrouw was uitgereikt en hij meteen daarna met zijn assurantietussenpersoon belde, was hem eerst bekend dat hij al geruime tijd niet verzekerd was.

Betrokkene heeft gesteld dat hij met betrekking tot de onderhavige sanctie, behalve de op 23 augustus 2012 voor ontvangst getekende kennisgeving van verhaal, geen post van de officier van justitie of het CJIB heeft ontvangen; betrokkene heeft verklaard dat hij de initiële beschikking en ook de beide aanmaningen niet heeft ontvangen. Hetzelfde geldt voor de sanctie die is opgelegd voor de eerder geconstateerde gedraging van 16 augustus 2011. Ook in die zaak heeft hij uitsluitend de (aan zijn vrouw) uitgereikte kennisgeving van verhaal ontvangen. Volgens betrokkene woont hij sinds omstreeks 1 oktober 2008 op zijn huidige adres aan [adres]. Sindsdien zijn er problemen met de postbezorging op dit adres. Zijn woning betreft een koopwoning. De papieren van de notaris betreffende de aankoop en eigendom van de woning heeft hij ook nooit ontvangen, hoewel deze volgens de notaris wel naar zijn adres zijn toegezonden. Ook de stukken van de eerder opgelegde sanctie heeft hij niet ontvangen. Bovendien ontvangt hij vaak post van anderen.

Betrokkene heeft ook nog aangevoerd dat de totaalsom van de sanctie en toegepaste verhogingen een heel hoog bedrag betreft, zeker gezien het feit dat hij de zorg heeft voor een vrouw en twee kinderen en hij alleenverdiener is.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat artikel 26, derde lid van de WAHV bepaalt dat het verzet niet gericht kan zijn tegen de beslissing waarbij de onderhavige administratieve sanctie werd opgelegd. De financiële en andere door betrokkene genoemde omstandigheden had hij in een eerder stadium, tijdens de beroepsprocedure bij de officier van justitie, naar voren kunnen brengen. Betrokkene heeft dit nagelaten en de gevolgen daarvan dienen daarom voor zijn rekening te komen.

Volgens de officier van justitie bestaat er geen aanleiding om aan te nemen dat, zoals betrokkene beweert, de initiële beschikking en de daarop volgende twee aanmaningen de betrokkene niet hebben bereikt. De stukken zijn verzonden naar het [adres], op welk adres betrokkene sinds 1 september 2008 staat ingeschreven. Er zijn door het CJIB, die de stukken heeft verzonden, geen voor betrokkene bestemde onbestelbaar poststukken retour ontvangen.

Beoordeling

1. Volgens vaste administratiefrechtelijke jurisprudentie dient een bestuursorgaan (in dit geval: de officer van justitie) bij de verzending van besluiten of rechtens van belang zijnde documenten, aannemelijk te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. Indien het bestuursorgaan de verzending van het desbetreffende stuk aannemelijk heeft gemaakt, maar de geadresseerde de ontvangst ontkent dient beoordeeld te worden of die ontkenning niet ongeloofwaardig is. In dat geval is het aan het bestuursorgaan dat het stuk heeft verzonden om de ontvangst daarvan aannemelijk te maken. (vgl. Hof Leeuwarden d.d. 28 januari 2013, LJN BZ 1110)

2. Aannemelijk is dat de initiële beschikking van 24 januari 2012, alsmede de twee aanmaningen van respectievelijk 5 april 2012 en 21 mei 2012 door het CJIB zijn verzonden naar het adres waar betrokkene woonachtig is. Betrokkene heeft dit ook niet weersproken. Dit oordeel is tevens gebaseerd op de ambtshalve aan de kantonrechter bekende wijze waarop door het CJIB brieven e.d. worden verzonden en het niet weersproken feit dat de aan betrokkene gerichte beschikking en aanmaningen niet onbestelbaar retour zijn gekomen bij het CJIB.

3. Betrokkene heeft ontkend de initiële beschikking en de twee aanmaningen te hebben ontvangen. Deze ontkenning komt niet ongeloofwaardig voor, gelet op de niet onaannemelijke verklaring van betrokkene dat er een al langer bestaand probleem is met de postbezorging op zijn adres, waardoor hij ook andere belangrijke post, zoals post van de notaris, niet heeft ontvangen.

4. Hiervan uitgaand en gegeven het onder 1 genoemde uitgangspunt dient de officier van justitie de ontvangst door betrokkene van de initiële beschikking van 24 januari 2012 en de twee daaropvolgende aanmaningen van 5 april 2012 en 21 mei 2012 aannemelijk te maken. Daar is de officier van justitie niet in geslaagd. Evenmin is sprake van de voor de bekendmaking van de initiële beschikking geldende fictie van artikel 4, tweede lid, laatste volzin WAHV dat deze geacht wordt aan de betrokkene bekend te zijn, indien de brief of brieven waarbij die beschikking is verzonden onbestelbaar blijken te zijn. Daarvan is in dit geval geen sprake, aangezien het CJIB heeft gesteld geen aan betrokkene gerichte brieven onbestelbaar retour te hebben ontvangen. Het wordt er daarom voor gehouden Het wordt er daarom voor gehouden dat betrokkene deze stukken niet heeft ontvangen.

5. Uit het bepaalde in de artikelen 23 en 25 van de WAHV volgt dat verhaal van een sanctiebedrag en de daarop toegepaste verhogingen mogelijk is indien degene aan wie het sanctiebedrag is opgelegd heeft verzuimd dit bedrag en de daarop toegepaste verhogingen tijdig te betalen. Nu het er voor wordt gehouden dat betrokkene de initiële beschikking en de twee eerdergenoemde aanmaningen waarin kennis wordt gegeven van de toegepaste verhogingen, niet heeft ontvangen is er van een dergelijk verzuim geen sprake.

6. Het verhaal heeft daarom ten onrechte plaatsgevonden. Het verzet daartegen zal dan ook gegrond worden verklaard, met bepaling dat het door middel van het verhaal geïncasseerde bedrag door de officier van justitie aan betrokkene zal worden gerestitueerd. Tevens zal worden bepaald dat het door betrokkene op de voet van artikel 26 WAHV betaalde griffierecht, te weten een bedrag van € 73,00, door de griffier van deze rechtbank aan betrokkene zal worden gerestitueerd.

7. Met betrekking tot de omvang van het bedrag dat op betrokkene is verhaald en op welke tegoeden van betrokkene dat verhaal heeft plaatsgevonden zijn de stukken niet duidelijk.

De kennisgeving van verhaal van 7 augustus 2012 houdt in dat ter zake van het bedrag van

€ 1.159,26, hiervoor genoemd, bij de Belastingdienst verhaal zal worden toegepast op de voorlopige teruggave inkomstenbelasting van betrokkene. Het zaakoverzicht van het CJIB van 9 oktober 2012 houdt daarentegen in dat er op 28 augustus 2012 € 239,00 is verhaald “via incasso bank/giro” en dat, na aftrek van dit bedrag, de nog openstaande vordering

€ 920,26 bedraagt -hetgeen er op zou kunnen duiden dat het verhaal van dit bedrag nog niet heeft plaatsgevonden- , terwijl het commentaar van de officier van justitie van 1 november 2012 weer vermeldt dat het “openstaande bedrag” is verhaald op de bankrekening van betrokkene. Vanwege deze onduidelijkheid zal met betrekking tot de teruggave aan betrokkene van het op hem verhaalde bedrag worden beslist zoals hierna in het dictum van deze beslissing is vermeld.

8. Gelet op de op bovenstaande gronden (in voor betrokkene gunstige zin) te nemen beslissing zullen de overige verweren van betrokkene, wat daar ook van zij, buiten bespreking worden gelaten.

Beslissing

De kantonrechter

verklaart het verzet gegrond;

bepaalt dat door de officier van justitie aan betrokkene wordt gerestitueerd het bedrag ter zake waarvan in de onderhavige zaak jegens betrokkene verhaal is toegepast op zijn voorlopige teruggave inkomstenbelasting en/of het tegoed op zijn bank- of girorekening;

bepaalt dat het door betrokkene aan griffierecht betaalde bedrag van € 73,00 aan betrokkene wordt gerestitueerd;

Deze beschikking is gegeven door mr. M.K. Asscheman-Versluis, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting