Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:BZ6602

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-04-2013
Datum publicatie
09-04-2013
Zaaknummer
419555 / HA RK 13-135
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking strafkamer toegewezen. Onbegrijpelijke invulling van taak om procesorde te bewaken en regie te voeren door niet te willen wachten op raadsman die enkele minuten is vertraagd en voorafgaande aan de zitting daaromtrent zowel de bode als zijn cliënt heeft geinformeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-1003
NJFS 2013/133

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer / rekestnummer: 419555 / HA RK 13-135

Beslissing van 5 april 2013

op het verzoek van

[naam verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat mr. Y. Moszkowicz,

strekkende tot wraking van mr. A. Hello, mr. M.A.C. Prins en mr. M. van Kuilenburg, rechters in de rechtbank Rotterdam, team straf 3 (hierna: de rechters).

1. Het procesverloop en de processtukken

Ter terechtzitting van 21 februari 2013 is door de meervoudige kamer van deze rechtbank, van welke kamer de rechters deel uitmaken, behandeld de tegen verzoeker aanhangig gemaakte vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De zitting was een regiezitting.

Bij faxbericht van 21 februari 2013 heeft de raadsman van verzoeker de rechters gewraakt.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- het proces-verbaal van de hiervoor bedoelde zitting;

- het verzoek tot wraking bij faxbericht van 21 februari 2013.

Verzoeker alsmede de rechters zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechters zijn in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. Zij hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt.

Ter zitting van 22 maart 2013, alwaar de gedane wraking is behandeld, zijn verschenen verzoeker, zijn raadsman en de officier van justitie mr. M.L.B. Wille. Verzoeker heeft bij monde van zijn raadsman aan de hand van een pleitnota zijn standpunt nader toegelicht.

2. Het verzoek en het verweer daartegen

2.1 Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

Op 21 februari 2013 was de raadsman enkele minuten te laat voor de zitting die om 09.00 uur zou aanvangen. Kort voor de aanvang van de zitting had de bode de rechters laten weten dat de raadsman enkele minuten zou zijn verlaat. Ondanks deze mededeling is de zitting om 09.00 uur aangevangen. Bij aanvang van de terechtzitting heeft ook verzoeker aangegeven dat zijn raadsman enkele minuten was verlaat. De voorzitter liet hierop weten "daar gaan we niet op wachten" en zij verzocht de officier van justitie de zaak voor te dragen. Vervolgens hebben de rechters zonder de komst van de raadsman af te wachten de zitting, waarvoor een uur was gepland, binnen 5 minuten gesloten. Ondanks een herhaald verzoek van de raadsman (om 09.07 uur en om 09.10 uur) hebben de rechters geweigerd de zitting te hervatten om hem daarmee de gelegenheid te geven alsnog zijn aan de hand van de door de raadsman opgestelde pleitnotitie onderzoekswensen in te dienen. Hierdoor hebben de rechters verzoeker belemmerd in zijn recht op een adequate verdediging en is bij hem de vrees gewekt dat zij jegens hem een vooringenomenheid koesteren, welke vrees objectief gerechtvaardigd is.

2.2 De rechters hebben niet in de wraking berust.

De rechters stellen dat het verzoek zich ten onrechte tot mr. Prins en mr. Van Kuilenburg uitstrekt, aangezien het de voorzitter is die op de voet van artikel 270 jo. 511c Sv het onderzoek begint door het doen uitroepen van de zaak tegen de veroordeelde. Voorts bestrijden zij deels de feitelijke grondslag van het verzoek en hebben zij overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechters kan opleveren. In dat kader is het volgende door de rechters aangevoerd:

Verzoeker heeft niet ter terechtzitting verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van zijn raadsman, zodat de rechters niet afwijzend hebben beslist op een dergelijk verzoek.

Het Wetboek van Strafvordering biedt geen mogelijkheden voor de pogingen van de raadsman om de geschorste zitting hervat te krijgen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden waaruit de rechters hadden behoren af te leiden dat aanhouding van de zaak tot het verschijnen van de raadsman van verzoeker noodzakelijk was omdat namens verzoeker onderzoekswensen kenbaar gemaakt zouden worden bij de behandeling ter terechtzitting.

Door op het aangekondigde tijdstip van 09.00 uur het onderzoek ter terechtzitting aan te doen vangen is gehandeld in overeenstemming met de beginselen van een goede procesorde.

De rechters hebben geen beslissing genomen op onderzoekswensen van de verdediging en de verdediging heeft nog alle gelegenheid om naar voren te brengen wat zij geboden acht. De raadsman moet in staat worden geacht die omstandigheid aan zijn cliënt mee te geven.

2.3 De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Er is geen schijn van vooringenomenheid of partijdigheid gewekt; het middel van wraking is oneigenlijk gebruikt.

3. De beoordeling

3.1 Wraking is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3.2 Het standpunt van de rechters dat het wrakingsverzoek zich ten onrechte ook tot mr. Prins en mr. Van Kuilenburg uitstrekt, wordt niet gevolgd. Het is immers niet de voorzitter, maar de rechtbank geweest die het onderzoek ter terechtzitting heeft geschorst en het verzoek is mede gebaseerd op het moment waarop en de omstandigheden waaronder dat is geschied.

3.3 Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechters door hun persoonlijke, daadwerkelijke instelling en overtuiging (subjectief) niet onpartijdig waren. Ook overigens is voor zodanig oordeel bij het onderzoek ter terechtzitting geen houvast gevonden. Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde of overigens naar voren gekomen omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees dat de rechters jegens hem een vooringenomenheid koesteren - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoeker van belang, maar is deze niet doorslaggevend.

3.4 De rechters bestrijden niet dat hun is meegedeeld dat de raadsman van verzoeker enkele minuten verlaat zou zijn noch dat verzoeker dat ter terechtzitting heeft herhaald. Ook al heeft verzoeker daarbij niet expliciet verzocht om te wachten totdat zijn raadsman zou zijn verschenen lag het zo zeer voor de hand dat verzoeker de komst van zijn raadsman wilde afwachten dat de rechters dat hadden behoren te begrijpen danwel zich hadden dienen te vergewissen van het tegendeel. De taak van de rechters om ter terechtzitting de goede procesorde te bewaken en de regie te voeren, brengt mee dat zij het belang bij een tijdige aanvang van de zitting en een voortvarend verloop daarvan dienden af te wegen tegen het recht op en belang van verzoeker bij bijstand van zijn raadsman. Van die afweging is onvoldoende gebleken. Dat de procesorde zich er op dat moment tegen verzette dat de komst van de raadsman enkele minuten zou worden afgewacht is gesteld noch gebleken. Zelfs indien de raadsman van verzoeker eerder wel vaker te laat is gekomen - zoals blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting door de voorzitter ter zitting is opgemerkt maar door de raadsman tegenover de wrakingskamer is bestreden - betekent dat niet dat zonder meer kon worden voorbij gegaan aan het belang van verzoeker bij bijstand van zijn raadsman. Hetzelfde geldt voor de door de rechters aangevoerde omstandigheid dat de raadsman voorafgaand aan de behandeling niet kenbaar had gemaakt dat hij verzoeken wenste te doen, verweren naar voren wilde brengen of het dossier wenste in te zien, omdat die wensen, zoals ook in de oproep was aangegeven, nog ter zitting konden worden geformuleerd, hetgeen niet ongebruikelijk is. Gesteld noch gebleken is dat de rechters bij verzoeker hebben geverifieerd of hem bekend was of zijn raadsman ter zitting verzoeken wilde doen.

3.5 Rechters hebben een grote vrijheid bij de invulling van hun taak om de procesorde te bewaken en de regie te voeren. Onder de voormelde zeer bijzondere omstandigheden, met name het niet enkele minuten willen wachten op de raadsman die zowel de bode van de rechtbank als de verzoeker hieromtrent voorafgaande aan de zitting heeft verwittigd, komt de wijze waarop de rechters die taak hebben ingevuld echter zo onbegrijpelijk voor dat het een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees dat de rechters, niet zozeer jegens verzoeker zelf of zijn zijn zaak, maar in elk geval wel jegens zijn raadsman een vooringenomenheid koesteren - objectief - gerechtvaardigd is. De opmerking van de rechters in hun schriftelijke reactie dat de zitting geen inloopspreekuur is draagt aan die conclusie bij. Dat de verdediging niet is benadeeld omdat zij nog gelegenheid heeft om haar onderzoekswensen naar voren te brengen, maakt dat niet anders. Het criterium is immers niet of de verzoeker in zijn belangen is geschaad.

3.6 Op grond van het vorenstaande is het verzoek gegrond.

4. De beslissing

wijst toe het verzoek tot wraking van mr. A. Hello, mr. M.A.C. Prins en mr. M. van Kuilenburg.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.P. Hameete, mr. A. Eerdhuijzen en mr. J.A.M.J. Janssen en door mr. A. Eerdhuijzen uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 april 2013.