Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:BZ6384

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
05-04-2013
Zaaknummer
405145 / HA ZA 12-600
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burengeschil; onrechtmatig handelen over en weer; inbreuk op eigendomsrecht; rechtvaardigingsgrond (erfdienstbaarheid); belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/405145 / HA ZA 12-600

Vonnis van 3 april 2013

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats 1],

2. [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats 1],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. D.D. Senders,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. R.J. Michielsen.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 5 september 2012 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

- het namens [gedaagde] op 8 februari 2013 ingediende B8-formulier, met productie;

- de brief van 12 februari 2013 van mr. Senders, met bijlagen;

- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties;

- het proces-verbaal van comparitie van 15 februari 2013.

1.2. Naar aanleiding van de brief van 4 maart 2013 van mr. Senders wordt het proces-verbaal van comparitie als volgt gewijzigd gelezen.

Onder de verklaring van mr. Senders wordt de zin “Het perceel kadastraal bekend (…)” vervangen door “het perceel kadastraal bekend nummer [nummer 1] is in 1994 gesplitst (…).”

Onder de verklaring van mr. Senders wordt na de zin “De CV-leidingen (…)” ingevoegd “De erfdienstbaarheid is door de aangebrachte wijzigingen zonder toestemming en onrechtmatig bezwaard geworden doordat er thans meer leidingen doorheen lopen”.

Na de verklaring van mr. Senders wordt ingevoegd “De rechter constateert aan de hand van zich in het dossier bevindende foto’s dat de doorvoer van de mantelbuis vanuit de binnenzijde van de woning van [eisers] is aangesmeerd met cement”.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

2.1. Het perceel kadastraal bekend [plaats] sectie B nummer [nummer 1] is op 26 januari 1996 gesplitst in nummer [nummer 2] en in nummer [nummer 3]

2.2. [eisers] is eigenaar van de woning met ondergrond en verdere opstallen, staande en gelegen te [plaats] aan het adres [adres 1] (nummer [nummer 3]).

2.3. [gedaagde] is eigenaresse van de woning met ondergrond en verdere opstallen, staande en gelegen te [plaats] aan het adres [adres 2] (nummer [nummer 2]).

2.4. Tot 1993 waren beide woningen eigendom van de [familie]. In 1993 is de eigendom van beide woningen door vererving terecht gekomen bij [persoon 1], gehuwd met [persoon 2].

2.5. De woning aan het adres [adres 2] is halverwege 1994 verkocht en geleverd aan [gedaagde]. In diezelfde periode is de woning aan het adres [adres 1] verkocht en geleverd aan [persoon 3]. Eind november 1994 is de woning aan het adres [adres 1] verkocht en geleverd aan [eisers] In de tussentijd heeft de woning aan het adres [adres 1] enige tijd leeg gestaan.

2.6. Op de beide percelen is bij notariële akte van 15 juli 1994 over en weer een erfdienstbaarheid gevestigd. De omschrijving van deze erfdienstbaarheid luidt:

“A. Ten nutte en ten laste van het bij deze akte verkochte perceel plaatselijk bekend [adres 2] te [plaats] en ten nutte en ten laste van het bij eigenaar (nog) in eigendom verblijvende perceel plaatselijk bekend [adres 1] te [plaats], eveneens deel uitmakende van het kadastrale perceel [plaats] sectie B nummer [nummer 1], en voorzover betreft de voor openbare werken bestemde grond, worden hierbij over en weer gevestigd en aangenomen al zodanige erfdienstbaarheden waardoor de toestand waarin de percelen zich ten opzichte van elkander in strijd met het burenrecht mochten bevinden, blijft gehandhaafd, speciaal wat betreft de aanwezigheid van ondergrondse en bovengrondse leidingen, alsmede de kabels met toebehoren ten behoeve van telefoonaansluiting en aansluiting van het centraal antennesysteem, de afvoer van hemelwater, gootwater, faecalien door rioleringswerken als anderszins, zijnde hieronder evenwel niet begrepen een verbod om te verbouwen of te bouwen; deze en de hierna te vestigen erfdienstbaarheden zullen niet geacht worden te zijn verzwaard door bebouwing meerdere verbouwing of verandering van aard of bestemming van de heersende erven, terwijl bij gemeenschappelijke muren geacht wordt dat de kadastrale grens door het hart van deze muren loopt.”

2.7. Een brief van 30 december 2010 van [eisers] aan [gedaagde] houdt – voor zover hier van belang – in:

“In de afgelopen jaren is gebleken dat u bij werkzaamheden aan uw tuin of huis meerdere malen de erfgrens tussen uw huis en de onze hebt overschreden. Zodanig dat dit geen toeval meer is. Als voorbeelden hiervan kunnen wij o.a. aandragen:

? Alle grondankers van de tuinafscheiding staan in onze tuin.

? Uw rolluik aan de achterzijde was over de erfgrens bevestigd.

? De bevestigingsschroeven van de regenpijp waren over de erfgrens in onze kozijnen geschroefd.

? Uw ontluchtingspijp in uw schuur is over de erfgrens bevestigd.

En zo zouden wij nog meer voorbeelden kunnen noemen. (…)

Wij hebben veelal deze zaken gedoogd uit het oogpunt van het bewaren van een normale burenrelatie.

Echter: uw tegenwerkende opstelling en houding ten tijde van de recente geluidsisolerende verbouwing van ons huis, waarbij u geen middel onbenut heeft gelaten om de voortgang van deze werkzaamheden te vertragen en te frustreren heeft ons doen realiseren dat u allen maar uit bent op eigen gewin. (…)

Wij betreuren het dat u zich op deze manier meent te moeten opstellen terwijl wij altijd open gestaan hebben voor een normale verstandhouding, maar u heeft duidelijk alleen oog voor uw eigen belangen. U heeft dan ook van ons geen medewerking meer te verwachten op bepaalde gebieden en zoals reeds mondeling medegedeeld zullen wij ook geen enkele overschrijding van de erfgrens meer tolereren.”

2.8. Een brief van 4 april 2011 van [eisers] aan [gedaagde] houdt – voor zover hier van belang – in:

“Wij hebben geconstateerd dat u volkomen illegaal en zonder onze toestemming in het verleden elektrische leidingen en waterleidingen heeft getrokken door onze woning. (…)

Bij deze laten wij u weten dat u binnen 3 weken na dagtekening van dit schrijven bewuste leidingen afgekoppeld en omgelegd dient te hebben via uw eigen woning cq via uw erf.

Indien dit niet het geval is zullen wij per maandag 25 april zelf overgaan tot het afsluiten en verwijderen van deze illegale leidingen. Voor alle kosten die hieruit voortvloeien zullen wij u tevens aansprakelijk stellen.

Reeds in december 2010 hebben wij middels het schrijven dd 30 december 2010 gewaarschuwd dat wij geen overtredingen van u over onze erfgrens meer zullen accepteren. Door middel van dit schrijven bevestigen wij dit nogmaals.”

2.9. Een brief van 11 april 2011 van [gedaagde] aan [eisers] houdt – voor zover hier van belang – in:

“Bij deze reageer ik op uw brief d.d. 4 april 2011 (…). (…)

Ik attendeer u erop dat uw stelling name in deze nergens op slaat en geen recht doet aan de feitelijke gebeurtenissen die aan voornoemde werkzaamheden vooraf gingen. Voorafgaande aan de aanleg van die leidingen is er overleg en overeenstemming bereikt met alle toen betrokken partijen dus ook met de toen zijnde woningeigenaar. U was toen nog niet in beeld en dus ook geen partij en er kon en hoefde toen dan ook geen toestemming aan u gevraagd te worden. Dus was er mijnerzijds sprake van een rechtmatige integere fatsoenlijke en correcte handelswijze waarbij ik na aanleg van die bewuste leidingen het gebruiksrecht heb verkregen om via die leidingen elektriciteitsaanvoer en water aan en/of afvoer te regelen. Pas maanden na realisatie van die leidingen heeft u uw huidige woning gekocht. Er was ten tijde van die koop sprake van een bestaande situatie en u heeft daar toen geen bezwaar tegen aangetekend en daarmee is de toen bestaande situatie stilzwijgend door u geaccepteerd. (…)

Realisatie van uw dreigement om zonder mijn toestemming op 25 april aanstaande zelf over te gaan tot het afsluiten en verwijderen van die leidingen is dan ook een onrechtmatige daad en indien dat gebeurt stel ik u aansprakelijk voor alle overlast, direct en indirecte kosten die ik ten gevolge hiervan zal ondervinden.”

2.10. Een brief van 9 mei 2011 van (de gemachtigde van) [gedaagde] aan [eisers] houdt – voor zover hier van belang – in:

“Ten tijde van de koop liepen er reeds elektriciteits- en waterleidingen door de schuur, behorende bij de woning.

Omdat de woningen uiteindelijk over zouden gaan op twee verschillende eigenaren (waar de vorige eigenaar van het pand beide woningen in eigendom had), diende er een regeling te worden getroffen, zodat cliënte ook na de koop gebruik kon maken van (bijvoorbeeld) een wasmachine in haar deel van de schuur.

Daartoe is in de koopovereenkomst opgenomen dat er over en weer erfdienstbaarheden zouden worden gevestigd, waardoor de op dat moment aanwezige strijdigheden met het burenrecht voor dat moment en de toekomst getolereerd dienden te worden. (…)

Gelet op het vorenstaande moge duidelijk zijn dat u de huidige situatie dient te dulden. Cliënte heeft op grond van voornoemde erfdienstbaarheid het recht haar elektriciteits- en waterleidingen welke door uw schuur lopen, te handhaven. (…)

Er is ernstige waterschade aan de luifel en de deurpost van cliënte ontstaan, waardoor herstelwerkzaamheden noodzakelijk zullen zijn. Cliënte had u er meerdere malen op gewezen dat er door achterstallig onderhoud uwerzijds waterschade aan uw luifel aan de voorzijde van de woning was ontstaan.

Aangezien er bij cliënte schade is ontstaan door gebrekkig onderhoud aan uw opstal, is deze schade aan u toe te rekenen. Op grond hiervan bent u dan ook aansprakelijk voor de door cliënte geleden en nog te lijden schade.”

2.11. Een verklaring van [persoon 3] houdt – voor zover hier van belang – in:

“Als laatstelijk eigenaar van het pand [adres 1] te [plaats], verklaar ik dat ik dit pand in 1994 verkocht heb aan [eiser sub 1].

Ten tijde van de verkoop van mijn toenmalige huis aan [eiser sub 1] liepen er geen leidingen door de was/doucheruimte van mijn woning die toebehoorden aan de eigenaren van het aangrenzende pand, [adres 2].

Gebleken is echter dat tussen het moment van aankoop door mij en verkoop aan [eiser sub 1] leidingen zijn gelegd door anderen waar ik als toenmalige eigenaar van het pand geen toestemming voor heb gegeven.

Dit heeft vermoedelijk plaats gevonden in de maanden dat mijn woning op [adres 1] te koop heeft gestaan.

[eiser sub 1] trof deze (nieuwe) leidingen aan bij koop van de woning in 1994.”

2.12. Een verklaring van 16 januari 2012 van [persoon 1] en [Persoon 2] houdt – voor zover hier van belang – in:

“[gedaagde] heeft op 10 juni 2011 telefonisch kontakt met ons gezocht met de vraag of wij haar wilden bevestigen dat de leidingen voor elektriciteit en water sinds 1965 door een buis van pand [adres 2] via vliering bijkeuken (thans badkamer) pand [adres 1] naar de schuur van pand [adres 2] liepen. Wij wilden daarover onze gedachten laten gaan, omdat het nogal ver terug in de tijd was, en hebben verzocht ons na enkele dagen terug te bellen.

Wij zijn teruggebeld door [gedaagde] op 14 juni 2011 en wij hebben haar toen medegedeeld dat het afgeven van deze bevestiging voor ons onmogelijk was. Destijds waren wij zelf geen opdrachtgever, dat waren nl. onze ouders (…), zodat wij zelf niet exact op de hoogte waren.

Voor ons was het belangrijk dat er elektriciteit en water aanwezig was, en hoe dat aangelegd zou worden, daarop hadden wij geen invloed. Wij waren slechts huurders van pand [adres 2] en hebben het pand betrokken na ons huwelijk in augustus 1965 tot aan onze verhuizing naar [plaats 2] in zomer 1981.

Wel hebben wij [gedaagde] bevestigd dat er water en elektriciteit in schuur pand [adres 2] aanwezig was. (…)

Er is een heel andere situatie ontstaan na ons vertrek, want naast elektriciteit en water is er nu ook gas aanwezig in schuur pand [adres 2]. (…)

Wij hebben nooit een grote buis in pand [adres 2] noch in schuur pand [adres 2] ontdekt. (…)

Wij hebben begrepen dat de betreffende buis moet lopen vanuit pand [adres 2] en moet uitmonden in schuur pand [adres 2] via vliering bijkeuken (thans badkamer) pand [adres 1].

Bij het zien van deze foto kunnen wij ons niet indenken dat wij deze buis, gezien de omvang, tijdens onze bewoning van pand [adres 2] over het hoofd hebben gezien. O.i. zouden onze ouders het aanbrengen van deze “bijzondere buis” ongetwijfeld ter sprake hebben gebracht, dit vooral m.b.t. het veiligheidsaspekt. Dit is niet gebeurd. (…)

In onze herinnering was er “iets” aangebracht onder de dakgoot tuinzijde pand [adres 2] ri. schuur pand [adres 2]. Waarschijnlijk zou het heel goed mogelijk kunnen zijn dat de elektriciteit vanuit de doucheruimte pand [adres 2] via klossen onder de dakgoot tuinzijde pand [adres 2] naar schuur pand [adres 2] is aangebracht.”

2.13. Een in opdracht van [eisers] door [persoon 4], werkzaam bij Midland Bouwkundig Expertisebureau, opgemaakt rapport van 27 oktober 2011 houdt

– voor zover hier van belang – in:

“Concluderend kunnen wij stellen, dat het ons aannemelijk voorkomt, dat de kunststofbuis inclusief de leidingen die daarin lopen is aangebracht tussen verkoop begin oktober 1994 en de aankoop op 30 november 1994. De buren dienen de aangebrachte kunststofbuis en het leidingensysteem te verwijderen.”

2.14. Een verklaring van 5 augustus van [persoon 5] houdt – voor zover hier van belang – in:

“Ik, [persoon 5], verklaar hierbij in 1965 in opdracht van de [bedrijf 1] voor [persoon 1] Sr. een doorvoer over de zolder van [adres 1] te hebben gemaakt met een pijp, waarin onder andere water- en elektrische leidingen zijn aangebracht ten behoeve van [adres 2].”

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eisers] vordert - samengevat - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair

I. te verklaren voor recht dat de aanwezigheid van de leidingen in kwestie die zich in de woning/bergruimte van [eisers] bevinden onrechtmatig is jegens [eisers];

II. [gedaagde] te verplichten tot verwijdering van die leidingen over te gaan, alsmede de daardoor ontstane schade te (laten) verhelpen, zulks voor haar rekening en risico, een en ander onder verbeurte van een dwangsom;

III. te verklaren voor recht dat de aanwezigheid van de CV-afvoer die zich aan de buitenzijde van de woning van [eisers] bevindt onrechtmatig is jegens [eisers] voor zover deze de erfgrens overschrijdt;

IV. [gedaagde] te verplichten tot verwijdering van dat deel van de CV-afvoer over te gaan, alsmede de daardoor ontstane schade te (laten) verhelpen, zulks voor haar rekening en risico, een en ander onder verbeurte van een dwangsom;

subsidiair

V. die beslissing te nemen die de rechtbank in goede justitie rechtvaardig acht;

primair en subsidiair

VI. een en ander vermeerderd met rente en kosten.

3.2. [gedaagde] voert verweer, dat strekt tot afwijzing van de vordering, kosten rechtens.

in reconventie

3.3. [gedaagde] vordert samengevat - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

A. [eisers] te veroordelen tot vergoeding van de kosten van herstel van de mantelbuis en vernieuwing van de luifel, een en ander in opdracht van [gedaagde] aan een derde verstrekt;

B. [eisers] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 350,00 als schadevergoeding voor de afdekplaat van de CV-afvoer en herstel van het verfwerk;

C. [eisers] te verbieden om binnen 2 dagen na betekening van dit vonnis het badkamerraam naar buiten toe open te slaan, een en ander onder verbeurte van een dwangsom;

D. [eisers] te veroordelen tot betalen van een immateriële schadevergoeding ten bedrage van € 5.000,00;

E. een en ander vermeerderd met kosten.

3.4. [eisers] voert verweer, dat strekt tot afwijzing van de vordering, kosten rechtens.

in conventie en in reconventie

3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

De rechtbank zal hierna de onderdelen van de respectieve vorderingen van [eisers] en [gedaagde] achtereenvolgens behandelen.

in conventie

mantelbuis met leidingen

4.1. Uit de in het geding gebrachte foto’s en het verhandelde ter comparitie is gebleken dat er een mantelbuis met leidingen van de woning aan de [adres 2] over de zolder van de woning aan de [adres 1] naar de schuur van de woning aan de [adres 2] loopt. Zulks is tussen partijen ook niet in geschil.

4.2. [eisers] heeft aan zijn vordering ter zake een onrechtmatige daad zijdens [gedaagde] ten grondslag gelegd. In verband daarmee heeft [eisers] aangevoerd, dat voor de aanwezigheid van de mantelbuis met leidingen in zijn woning geen rechtens te respecteren rechtvaardiging is. Mitsdien maakt [gedaagde] inbreuk op het eigendomsrecht van [eisers], aldus [eisers]

4.3. [gedaagde] heeft betwist dat er sprake zou zijn van een inbreuk op het eigendomrecht van [eisers] De aanwezigheid van de mantelbuis met leidingen wordt gedekt door de met het oog op de splitsing van de eigendom van de woningen aan de [adres 2] en 36 bij notariële akte van 15 juli 1994 gevestigde erfdienstbaarheid, aldus [gedaagde].

4.4. De rechtbank overweegt het volgende. Ingevolge artikel 6:162 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) levert een inbreuk op een recht van een ander zonder meer een onrechtmatige daad op, behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond. Van een inbreuk op een recht is onder meer sprake wanneer inbreuk wordt gemaakt op de eigendom van een ander. Niet in geschil is dat de mantelbuis met leidingen inbreuk maakt op het eigendomsrecht van [eisers] In geschil is of het beroep op de gevestigde erfdienstbaarheid deze inbreuk rechtvaardigt. Gelet op de wederzijdse standpunten van partijen op dit punt dient te worden beoordeeld of de mantelbuis met leidingen op 15 juni 1994 reeds aanwezig was in de woning aan de [adres 1].

4.5. Tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door [eisers] dient [gedaagde], nu zij zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept, bewijs te leveren van haar stelling dat de mantelbuis met leidingen op 15 juni 1994 reeds aanwezig was in de woning aan de [adres 1].

Ter onderbouwing van haar stelling heeft [gedaagde] een schriftelijke verklaring (zie onder 2.14) overgelegd, volgens welke de mantelbuis met leidingen in 1965 is aangelegd. Op grond van deze verklaring, bezien in samenhang met de ter gelegenheid van de comparitie daarop gegeven toelichting, acht de rechtbank het bewijs voorshands geleverd. De zijdens [eisers] in het geding gebrachte stukken (zie onder 2.11 t/m 2.13) zijn voorshands onvoldoende voor een ander oordeel. Daarbij heeft de rechtbank onder meer in aanmerking genomen dat de verklaring van de heer en mevrouw Noordzij (2.12) slechts ziet op de feitelijke situatie tot 1981 en dat de conclusie van (partij)deskundige van [persoon 4] (2.13), zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet logisch volgt uit zijn bevindingen.

4.6. [eisers] zal worden toegelaten tegenbewijs te leveren. Als [eisers] niet slaagt in dat bewijs (of afziet van bewijslevering), staat vast dat de mantelbuis met leidingen op 15 juni 1994 reeds aanwezig was in de woning aan de [adres 1] en dat de aanwezigheid daarvan wordt gedekt door de gevestigde erfdienstbaarheid. In dat geval zal de gevorderde verklaring voor recht (vordering onder I) worden afgewezen. In dat verband is van belang dat de stelling van [eisers], dat de gevestigde erfdienstbaarheid niet ziet op alle leidingen in kwestie, in het bijzonder niet op de leiding ten behoeve van de centrale verwarming omdat deze later zou zijn aangebracht, zodat sprake is van verzwaring van het gebruik van de gevestigde erfdienstbaarheid, niet, althans onvoldoende is onderbouwd en om die reden wordt gepasseerd.

4.7. Als [eisers] wel slaagt in dat bewijs, staat niet vast dat de mantelbuis met leidingen op 15 juni 1994 reeds aanwezig was in de woning aan de [adres 1] en rechtvaardigt het beroep op de gevestigde erfdienstbaarheid de inbreuk op de eigendom van [eisers] niet. In dat geval zal de gevorderde verklaring voor recht (vordering onder I) worden toegewezen. In dat verband is van belang dat het beroep van [gedaagde] op -kort gezegd- erfdienstbaarheid door verkrijgende verjaring, althans zo begrijpt de rechtbank haar stellingen op dit punt, niet, althans onvoldoende onderbouwd is en om die reden wordt gepasseerd.

4.8. Indien de gevestigde erfdienstbaarheid de inbreuk op het eigendomsrecht van [eisers] niet rechtvaardigt, dan geldt ten aanzien van de vordering die strekt tot verwijdering van de mantelbuis met leidingen (vordering onder II) het volgende. De rechtbank begrijpt het verweer van [gedaagde] op dit punt aldus, dat zij aanvoert dat haar belang zwaarder weegt dan het belang van [eisers] zodat [eisers] zijn bevoegdheden op grond van het eigendomsrecht niet kan inroepen, omdat zij –in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad– naar redelijkheid niet tot die uitoefening kan komen.

4.9. [gedaagde] stelt in dit verband dat zij belang heeft bij handhaving van de mantelbuis met leidingen in verband met -kort gezegd- de aanwezigheid van apparatuur in haar schuur. [eisers] stelt in dit verband dat hij de ruimte waar de mantelbuis met leidingen doorheen loopt nodig heeft in verband met verbouwingswerkzaamheden en dat er daarnaast een verzekeringsrechtelijk aspect en het aspect van gevaarzetting in het algemeen speelt. Het partijdebat is tot nu toe niet of nauwelijks in de sleutel van een belangenafweging gevoerd. Voor zover het debat is gevoerd over de mantelbuis met leidingen, is dat debat vooral gekleurd door de discussie over de vraag of de mantelbuis met leidingen op 15 juni 1994 reeds aanwezig was in de woning aan de [adres 1]. De rechtbank zal partijen daarom gelegenheid geven hun stellingen met betrekking tot hun belang bij handhaving dan wel verwijdering van de mantelbuis met leidingen nader te onderbouwen. Partijen kunnen dit doen bij conclusiewisseling na enquête, [eisers] als eerste. Vervolgens zal [gedaagde] kunnen reageren.

CV-afvoer

4.10. Ter gelegenheid van de comparitie is namens [gedaagde] erkend -en mitsdien staat vast- dat bij het plaatsen van de CV-afvoer de erfgrens niet is gerespecteerd. Dit levert op een inbreuk op het eigendomsrecht van [eisers] De stelling van [gedaagde] dat [eisers] heeft ingestemd met het plaatsen van een gedeelte van de CV-afvoer op zijn eigendom is niet, althans onvoldoende onderbouwd en wordt om die reden gepasseerd.

Overige feiten en omstandigheden die de inbreuk op de eigendom van [eisers] zouden kunnen rechtvaardigen, zijn gesteld noch gebleken. Mitsdien zal de gevorderde verklaring voor recht (vordering onder III) worden toegewezen.

4.11. De vordering tot verwijdering van de CV-afvoer voor zover deze de erfgrens overschrijdt (vordering sub IV) zal evenwel als niet, althans onvoldoende onderbouwd worden afgewezen. Gesteld noch gebleken is welk belang [eisers] daarbij zouden kunnen hebben.

4.12. In afwachting van de bewijslevering en nadere conclusiewisseling houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.

in reconventie

herstel mantelbuis

4.13. [gedaagde] vordert herstel van de mantelbuis (vordering onder A). Vast staat dat [eisers] een gat heeft gemaakt in de mantelbuis. Als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken staat eveneens vast dat [eisers] eigenaar is van de mantelbuis met leidingen.

Bovendien is gesteld noch gebleken dat het openen van de mantelbuis een inbreuk op de erfdienstbaarheid heeft gemaakt. Gelet hierop moet de vordering tot herstel van de mantelbuis bij gebreke van een wettelijke grondslag worden afgewezen.

vernieuwing luifel

4.14. De gevorderde vernieuwing van de luifel zal eveneens worden afgewezen. Van enig onrechtmatig handelen jegens [gedaagde] door [eisers] is niet gebleken. Door [gedaagde] wordt weliswaar gesteld dat sprake is van een losse naad in het zink/bitumen van de luifel aan de zijde van [eisers], maar deze stelling is op geen enkele wijze onderbouwd.

vernieuwing afdekplaat CV-afvoer / herstel verfwerk

4.15. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de gevorderde vernieuwing van de afdekplaat van de CV-afvoer en het gevorderde herstel van het verfwerk (vordering onder B). De stelling dat de afdekplaat is beschadigd is niet, althans onvoldoende onderbouwd en wordt om die reden gepasseerd. Gesteld noch gebleken is welk verfwerk door [eisers] beschadigd zou zijn en hersteld zou dienen te worden.

verbod gebruik badkamerraam

4.16. Van enig onrechtmatig handelen jegens [gedaagde] door [eisers] is niet gebleken. Door [gedaagde] wordt weliswaar gesteld dat er sprake is van een inbreuk op haar privacy, maar deze stelling is op geen enkele wijze onderbouwd. Het gevorderde verbod tot gebruik van het badkamerraam (vordering onder C) zal dan ook worden afgewezen.

immateriële schadevergoeding

4.17. De vordering tot vergoeding van immateriële schade is niet toewijsbaar gezien het bepaalde in de artikelen 6:95 jo 6:106 BW. Immers, er is geen sprake van een wettelijk toegekend recht op immateriële schadevergoeding en evenmin is voldaan aan één van de in artikel 6:106 BW genoemde gevallen van aantasting van de persoon van [gedaagde]. Bovendien is gesteld noch gebleken dat er sprake is van het oogmerk van toebrengen van enig nadeel door [eisers] aan [gedaagde].

4.18. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. laat [eisers] toe tot tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling van [gedaagde] dat de mantelbuis met leidingen op 15 juni 1994 reeds aanwezig was in de woning aan de [adres 1];

5.2. bepaalt dat getuigen kunnen worden gehoord door het lid van deze rechtbank

mr. J.W. van den Hurk;

5.3. verwijst de zaak naar de rol van 8 mei 2013, opdat [eisers] te kennen kan geven of hij gebruik maakt van de gelegenheid tot bewijslevering door middel van getuigen, en zo ja, hoeveel getuigen hij wil voorbrengen, onder opgave door [eisers] van de verhinderdata van alle betrokkenen in de eerstvolgende zes maanden, waarna een dag voor getuigenverhoor zal worden bepaald dan wel zal worden voortgeprocedeerd;

in conventie en in reconventie

5.4. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. van den Hurk en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2013.?