Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:BZ6323

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-04-2013
Datum publicatie
04-04-2013
Zaaknummer
10/661260-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op 26 augustus 2012 heeft op de Burgemeester van Dijklaan te Capelle aan den IJssel een fatale botsing plaatsgevonden tussen de door verdachte bestuurde auto en een tegemoetkomende auto. Beide auto’s zijn frontaal met elkaar in botsing gekomen. De verdachte is met een zeer hoge snelheid van 114 km/u, terwijl ter plaatse een toegestane snelheid van 50 km/u gold, op de linker rijbaan terecht gekomen en heeft de controle over de door hem bestuurde auto verloren. Verdachte heeft daarbij vanaf (en ten gevolge van) een inhaalmanoeuvre tot aan het moment van het ongeval op de voor het tegemoetkomende verkeer bestemde rijstrook gereden. Tengevolge van het rijgedrag van de verdachte zijn twee personen overleden en hebben vier personen (zwaar) lichamelijk letsel bekomen. Ten aanzien van de vraag of de verdachte zodanig heeft gereden dat sprake is van roekeloos rijgedrag in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet, overweegt de rechtbank – onder verwijzing naar HR 22 mei 2012, LJN BU2016 – dat deze roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als ‘de zwaarste vorm van het culpose delict’ wordt aangemerkt die tot onder meer een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid. Hoewel het rijgedrag van de verdachte in het dagelijks spraakgebruik zonder meer als roekeloos zal worden aangemerkt, wordt in de memorie van toelichting roekeloosheid in verband gebracht met “zeer onvoorzichtig gedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s worden genomen” (Kamerstukken II 2001/02, 28 484, nr. 3, p. 10). Deze omschrijving wijst op zogenaamde bewuste schuld, waarbij de verdachte wel de risico’s onder ogen heeft gezien, maar deze op een zeer lichtzinnige wijze heeft genegeerd. De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat bij de verdachte sprake is geweest van 'bewuste schuld'. De rechtbank komt hiertoe op grond van het volgende. Verdachte was pas sinds één maand in het bezit van zijn rijbewijs en dus een beginnend bestuurder. Van een beginnend bestuurder mag vanwege zijn evident gebrek aan rijervaring een grote mate van voorzichtigheid in het verkeer worden verwacht. Anderzijds: juist dat gebrek aan rijervaring maakt dat bij een beginnend bestuurder eerder dan bij een ervaren bestuurder sprake zal zijn van inschattingsfouten, zeker als het potentieel gevaarlijke verkeersmanoeuvres betreft zoals (in het onderhavige geval) het inhalen van een ander voertuig. Het is dan ook naar het oordeel van de rechtbank aannemelijker dat verdachte zijn eigen kunnen als bestuurder op dat moment en in die situatie verkeerd heeft ingeschat dan dat hij zich bewust is geweest van de risico’s, welke risico’s hij op lichtzinnige wijze naast zich neer heeft gelegd. Verdachtes rijgedrag dient naar het oordeel van de rechtbank te worden gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet. Aan de verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 5 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team straf 2

Parketnummer: 10/661260-12

Datum uitspraak: 4 april 2013

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats en -datum],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de

Penitentiaire Inrichting [plaats detentie],

raadsman mr. M.A. van de Weerd, advocaat te Den Haag.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2013.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Kardol heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar, met aftrek van voorarrest;

- veroordeling van de verdachte tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 10 jaar.

TER ZITTING INGENOMEN STANDPUNTEN VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE EN VAN DE VERDEDIGING

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat een aan de verdachte te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, tengevolge waarvan twee personen om het leven zijn gekomen en aan vier personen (zwaar) lichamelijk letsel werd toegebracht.

Samenvattende onderbouwt de officier van justitie haar standpunt door vast te stellen dat de verdachte met een Fiat 500 met een snelheid van circa 114 kilometer per uur (of sneller) op de linkerweghelft heeft gereden, waarop zich de tegemoetkomende Fiat Punto bevond, en daarmee frontaal in botsing is gekomen. De verklaring van de verdachte over de toedracht van het ongeval wordt weersproken door de bevindingen vermeld in rapportages van de Technische- en Ongevallendienst (TOD) die worden onderschreven door de bevindingen en conclusies van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) in het rapport van 14 maart 2013. Gelet op de door het ongeval ontstane schade is een snelheid van 70 kilometer per uur niet voorstelbaar. Bovendien blijkt uit NFI onderzoek dat het loskomen van een Fiat 500 door een oneffenheid in de weg ter hoogte van de Dwarsfluit wijst op een zeer hoge snelheid. Uit het onderzoek ter plaatse is gebleken dat de aanrijding volledig op de linker weghelft heeft plaatsgevonden.

De bevindingen en conclusies van de onderzoeken van TOD en NFI vinden steun in de verklaringen van de [getuige A, tevens zijnde slachtoffer E], die als inzittende van de Fiat Punto heeft verklaard dat zij een hoop licht op zich af ziet komen en dat het licht zich op hun weghelft bevond. Het licht was heel hoog en het leek alsof de auto die het licht verspreidde aan het vliegen was om daarna heel hard terecht te komen.

De [getuige B] heeft verklaard dat zij 55 kilometer per uur reed op de Burgemeester van Dijklaan toen zij de auto waarin verdachte reed van achteren snel zag naderen. Op het moment dat zij af wil gaan slaan naar de Herenburg - kort voor de fietstunnel Dwarsfluit- en terwijl zij nog rijdt op de Burgemeester van Dijklaan hoort zij dat wordt ingehaald door de auto. De [getuige B] verklaart nog dat zij heeft gezien dat de auto op de linker rijstrook reed en dat zij niet heeft gezien, dat de auto weer naar rechts ging naar de rechter rijstrook.

Naar de mening van de officier van justitie blijkt dat de inhaalmanoeuvre de oorzaak is van het op de verkeerde rijstrook rijden van de verdachte, waarna hij op de linker rijbaan is blijven rijden en de Fiat 500 door de veel te hoge snelheid vanaf de ophoging in de weg van de fietstunnel van de Dwarsfluit is gelanceerd. De verdachte heeft aldus de macht over het stuur verloren, omdat door het NFI is geconstateerd dat als daar met een Fiat 500 met een hoge snelheid overheen wordt gereden (in ieder geval 93 kilometer per uur of harder) deze los komt van de grond. Op ongeveer 75 meter na de fietstunnel heeft het verkeersongeluk plaatsgevonden.

Samenvattend komt de officier van justitie tot het oordeel dat het verkeersgedrag van de verdachte op een hoogst onverantwoorde en roekeloze wijze heeft plaatsgevonden door een ernstige overschrijding van de maximum snelheid, door met die snelheid een zeer gevaarlijke inhaalmanoeuvre uit te voeren, waardoor hij op de verkeerde weghelft is terechtgekomen en op die weghelft is blijven rijden met die veel te hoge snelheid om vervolgens met 114 kilometer per uur frontaal in botsing te komen met de hem tegemoetkomende Fiat Punto van de familie [familienaam slachtoffers].

Standpunt van de verdachte/de verdediging

De verdachte heeft verklaard dat hij te Capelle aan den IJssel in de nacht van 26 augustus 2012 in de door hem bestuurde Fiat 500 heeft gereden over de Burgemeester van Dijklaan komende van de Hoofdweg en rijdend in de richting van de Burgemeester Bakkerlaan en daar goed bekend is met de daar geldende verkeerssituatie en maximumsnelheid van 50 kilometer per uur. De verdachte heeft verklaard over de Burgemeester van Dijklaan te hebben gereden met een snelheid die niet hoger was dan 70 of hooguit 80 kilometer per uur en dat hij deze snelheid ook heeft vastgehouden toen hij een auto van [getuige B] inhaalde, die zich op de weg voor hem bevond, en die hij rechtsaf zag slaan naar de Herenburg. De verdachte heeft aangegeven dat hij om de naar rechts afslaande auto te kunnen passeren deels naar de linkerhelft van de weg is uitgeweken en vervolgens naar rechts heeft gestuurd om weer volledig op de eigen weghelft verder te rijden. De inhaalmanoeuvre heeft hij uitgevoerd omdat hij vond dat de auto te langzaam afsloeg. De verdachte stelt ook na het inhalen met nagenoeg gelijke snelheid te zijn doorgereden over de Burgemeester van Dijklaan. Op het moment dat de Fiat 500 bovenop een verhoging in de weg reed, zijnde de duiker van de fietstunnel van de daar gelegen Dwarsfluit, zag de verdachte een dier op de weg. Het dier kwam van de rechterzijde de weg op lopen. De verdachte zegt uit schrik een ongecontroleerde stuurbeweging naar links te hebben gemaakt en de macht over het stuur te zijn verloren, waardoor de auto is gaan slingeren en op de andere weghelft is terechtgekomen. Om de auto weer in zijn macht te krijgen heeft de verdachte vol gas gegeven en voelde hij de auto versnellen. De verdachte heeft verklaard dat hij op dat moment naar zijn beleving niet harder dan 80 kilometer per uur heeft gereden, in elk geval geen 114 kilometer per uur. Terwijl hij bezig was met het corrigeren van de Fiat 500 heeft hij gas bij gegeven en hij heeft pas op het allerlaatste moment voor de botsing de koplampen van de hem tegemoetkomende Fiat Punto waargenomen.

Namens de verdachte is aangevoerd dat de verdachte vanuit een reflex handelde toen hij een dier voor zich zag en naar links de rijbaan van het tegemoetkomende verkeer op stuurde waardoor hij de controle en de macht over het stuur verloor en om deze controle en macht weer terug te krijgen gas gaf, remde en de auto daarna pas versnelde. Het is voorstelbaar dat de verdachte langzamer reed dan de 114 kilometer per uur omdat hij naar zijn zeggen pas op het laatste moment gas heeft bijgegeven.

Het is niet aannemelijk dat er een andere reden is geweest waarom de verdachte de macht over het stuur heeft verloren. De verklaring van de verdachte vindt steun in de verklaring van de [getuige C] die de verdachte direct na het ongeval heeft horen verklaren dat hij voor een dier heeft moeten uitwijken. Voorts heeft de [getuige B] niet meer kunnen zien wat er zich verder op de Burgemeester van Dijklaan heeft afgespeeld nadat zij rechtsaf was geslagen. Bepleit is de verdachte vrij te spreken van de kwalificatie roekeloos rijgedrag. Voorts is bepleit om de verdachte ook van de naast hogere kwalificatie zeer onvoorzichtig rijgedrag vrij te spreken. De mate van verwijtbaarheid moet in een minder zware schuldvorm moet worden gezocht, aldus de raadsman.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 26 augustus 2012 te Capelle aan den IJssel als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer onvoorzichtig, te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Burgemeester van

Dijklaan, welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

terwijl ter plaatse een maximumsnelheid voor motorvoertuigen gold van 50 km/uur,

- (met een zeer hoge snelheid) een andere personenauto is gaan inhalen en op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer is gaan rijden en (vervolgens) op die weghelft is blijven rijden en/of aldus tegen het verkeer/de rijrichting in is blijven rijden en met een veel hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid heeft gereden en

- op die weghelft frontaal in botsing is gekomen met een tegemoetkomende personenauto,

waardoor

-de bestuurder van die tegemoetkomende personenauto, genaamd [slachtoffer A], en de naast die [slachtoffer A] zittende passagier, genaamd [slachtoffer B], werden gedood, en

-de achterin evengenoemde personenauto gezeten passagiers, genaamd [slachtoffers C, D en E], zwaar lichamelijk letsel (te weten botbreuken) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,en

-de naast verdachte gezeten passagier, genaamd [slachtoffer F], zwaar lichamelijk letsel (te weten botbreuken en ribbreuken) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening

van de normale bezigheden is ontstaan;

zulks terwijl het feit (mede) werd veroorzaakt doordat hij, verdachte, een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde feit heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

BEWIJSOVERWEGINGEN

Beoordeling door de rechtbank van de feiten

Op 26 augustus 2012 heeft op de Burgemeester van Dijklaan te Capelle aan den IJssel een fatale botsing tussen de door verdachte bestuurde Fiat 500 en de Fiat Punto van de familie [familienaam slachtoffers] plaatsgevonden. Niet is betwist – en de rechtbank neem dit als vaststaand aan - dat de beide auto’s frontaal met elkaar in botsing zijn gekomen. Evenmin is betwist – en de rechtbank neemt dit ook als vaststaand aan - dat uit de processen-verbaal van de Technische- en Ongevallendienst (TOD) van de politie Rotterdam Rijnmond van 26 en 27 augustus 2012 blijkt dat de botsing op de voor de Fiat 500 tegenovergestelde rijstrook heeft plaatsgevonden.

Bij de beoordeling van deze zaak staan naar het oordeel van de rechtbank de volgende vragen centraal: wat was de snelheid van de door verdachte bestuurde Fiat 500 voorafgaand en op het moment van het ongeval en op welk moment en ten gevolge van welke oorzaak is verdachte op de tegenovergestelde rijstrook terecht gekomen?

Snelheid op het moment van het ongeval

Uit het technisch onderzoek blijkt dat tijdens de botsing de inertieschakelaar van de Fiat 500 in werking is getreden en een rijsnelheid van 114,81 kilometer per uur heeft geregistreerd. Voorts wordt in het rapport uitgegaan van een indicatieve rijsnelheid van de Fiat Punto tussen 45 en 50 kilometer per uur.

Uit het TOD rapport van 14 september 2012 dat betrekking heeft op een computersimulatie van het ongeval met het programma PC-crash bleek dat de indicatieve snelheid van de Fiat 500 nauwelijks afwijkt van de uitgelezen 114 kilometer per uur.

Het NFI rapport van 14 maart 2013 opgemaakt in opdracht van de rechter-commissaris betreffende de snelheidsbepaling voor de Fiat 500 en de Fiat Punto geeft antwoord op de vraag of een afwijking denkbaar is, door welke oorzaak dan ook, die maakt dat bij een voertuigsnelheid van niet meer dan 70 kilometer per uur, 114 kilometer per uur wordt geregistreerd of opgeslagen. In antwoord daarop wordt door de deskundige ir. A.C.E. Spek gemeld dat met de kennis die bij het onderzoek is opgedaan over de wijze waarop de registratie van de rijsnelheid tot stand komt, geen situatie voorzien is, waarin een dergelijke afwijking zou kunnen voorkomen. Hierbij dient – aldus de deskundige - te worden opgemerkt dat bij de voor de casus gehouden botsproef een dergelijk fenomeen niet is opgetreden. Mede gelet op de bij het ongeval ontstane deformatie en de beweging die de auto's na de botsing ondergingen (en die grotendeels overeenkomen met de resultaten van de botsproef) is een gereden snelheid van niet meer dan 70 kilometer per uur op het moment van het ongeval ook niet voorstelbaar.

Eerste conclusie:

De rechtbank neemt op grond hiervan als vaststaand aan dat op het moment van het ongeval de door verdachte bestuurde Fiat 500 een snelheid had van ongeveer 114 km/u.

Snelheid voorafgaand aan het ongeval

Verdachte stelt dat hij voorafgaand aan het ongeval heeft gereden met een snelheid van 70 a 80 km/u.

Indien het door de verdachte geschetste scenario gevolgd zou worden en zou worden uitgegaan van het moment dat en de plaats waarop de verdachte een dier naast de weg zag, daarvan schrok en de macht over het voertuig verloor, te weten op de verhoging in het wegdek ter hoogte van de Dwarsfluit, dan bedroeg de afstand tot de plaats van het ongeval circa 75 meter.

Als verdachte op dat moment en op die plaats zou hebben gereden met een snelheid van omstreeks 70 km/u dan heeft hij zich per seconde verplaatst over een afstand van 19,44 meter, wat betekent dat op dat moment nog 3,8 seconden zaten tot het moment van de botsing.

De rechtbank heeft via internet een testverslag van de ANWB geraadpleegd van een vrijwel soortgelijke Fiat 500 met een identiek motorvermogen van 63 kw, vermeld in aflevering 22 van de Autokampioen 2010. De rechtbank heeft dit stuk tijdens het onderzoek ter terechtzitting overgelegd aan de procespartijen. Blijkens de in dat testverslag vermelde metingen betreffen de tussenacceleraties van een dergelijke Fiat 500 van 60 naar 100 km/u 10,7 seconde over een afstand van 242 meter en van 60 naar 120 km/u 18 seconden over een afstand van 467 meter. Op grond van dit testverslag is de rechtbank van oordeel dat verdachte voorafgaand aan het ongeval veel harder moet hebben gereden dan hij zelf verklaart.

Uit de verklaringen van de [getuigen B en A] blijkt eveneens dat verdachte veel harder dan de door hem gestelde 70 km/u moet hebben gereden. Zoals hiervoor al weergegeven (zie standpunt van de officier van justitie) heeft de [getuige B] verklaard dat zij 55 kilometer per uur reed op de Burgemeester van Dijklaan toen zij de auto waarin verdachte reed van achteren snel zag naderen.

De [getuige A] heeft verklaard dat zij een hoop licht op zich af zag komen en dat het licht zich op hun weghelft bevond. Het licht was –volgens deze getuige- heel hoog en het leek alsof de auto die het licht verspreidde aan het vliegen was om daarna heel hard terecht te komen. Uit de verklaring van de getuige kan worden afgeleid dat de door verdachte bestuurde Fiat 500 met de wielen los van het wegdek is gekomen. Uit het onderzoek van het NFI blijkt op grond van de rijproeven over de Burgemeester van Dijklaan dat een Fiat 500 pas los komt van het wegdek als over de verhoging in het wegdek ter hoogte van de fietstunnel van de Dwarsfluit wordt gereden met een snelheid van 93 kilometer per uur of harder.

Tweede conclusie:

Het is naar het oordeel van de rechtbank onmogelijk dat verdachte over een afstand van 75 meter een versnelling van 70 naar 114 km/u heeft kunnen bereiken. Hieruit volgt ook dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte op een eerder moment dan ter hoogte van de fietstunnel van de Dwarsfluit al aanzienlijk harder moet hebben gereden dan de door hem opgegeven 70 a 80 kilometer per uur.

Derde conclusie:

De rechtbank neemt als vaststaand aan dat verdachte op het moment dat hij de verhoging in het wegdek ter hoogte van de fietstunnel van de Dwarsfluit passeerde ten minste 93 km/u moet hebben gereden.

Op welk moment en ten gevolge van welke oorzaak is verdachte op de voor het tegenovergestelde verkeer bestemde rijstrook gekomen?

Verdachte heeft verklaard dat hij voorafgaand aan het ongeval op de voor hem bestemde rijstrook heeft gereden. Naar eigen zeggen is hij pas op de voor het tegemoetkomende verkeer bestemde rijstrook terecht gekomen na het passeren van de verhoging in het wegdek ter hoogte van de Dwarsfluit en ten gevolge van een door hem ingezette ongecontroleerde stuurbeweging.

De rechtbank is van oordeel dat deze door verdachte geschetste gang van zaken onaannemelijk en zelfs ongeloofwaardig is. Zij komt hiertoe op grond van het volgende. In de eerste plaats verwijst de rechtbank naar de hiervoor reeds vermelde verklaring van de [getuige A]. De verklaring van deze getuige acht de rechtbank betrouwbaar gelet op de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan de tweede en derde conclusie. De [getuige A] heeft onder andere verklaard dat zij een hoop licht op zich af zag komen en dat het licht zich op hun weghelft bevond. Hieruit blijkt dat de door verdachte bestuurde Fiat 500 zich bij het passeren van de verhoging in het wegdek ter hoogte van de Dwarsfluit al op de voor het tegemoetkomende verkeer bestemde rijstrook moet hebben bevonden.

Steunbewijs voor de verklaring van de [getuige A] is te vinden in de verklaring van de [getuige B], die heeft verklaard dat zij 55 kilometer per uur reed op de Burgemeester van Dijklaan toen zij de auto waarin verdachte reed van achteren snel zag naderen. Op het moment dat zij af wil gaan slaan naar de Herenburg - kort voor de fietstunnel Dwarsfluit - en terwijl zij nog rijdt op de Burgemeester van Dijklaan hoort zij dat ze wordt ingehaald door de auto. [getuige B] verklaart nog dat zij heeft gezien dat de auto een klein wit autootje was dat op de linker rijstrook reed en dat zij niet heeft gezien dat de auto na het passeren weer naar de rechter rijstrook is gegaan. Uit het onderzoek ter zitting is gebleken dat de afstand vanaf de afslag Herenburg tot de verhoging in het wegdek ter hoogte van de Dwarsfluit maximaal 100 meter bedraagt.

Vierde conclusie

Gelet op de verklaringen van de [getuigen A en B] neemt de rechtbank als vaststaand aan dat verdachte vanaf (en ten gevolge van) de inhaalmanoeuvre ter hoogte van de afslag met de Herenburg tot aan het moment van het ongeval op de voor het tegemoetkomende verkeer bestemde rijstrook heeft gereden.

Beoordeling door de rechtbank van de mate van schuld van verdachte

Ten aanzien van de vraag of de verdachte zodanig heeft gereden dat sprake is van roekeloos rijgedrag in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet, overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge vaste rechtspraak (HR 1 juni 2004, LJN AO5822) zijn voor de bewezenverklaring van 'schuld' in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet verschillende factoren van belang. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte zoals de aard en de concrete ernst van de overtreding en de omstandigheden waaronder die is begaan. Daarbij kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Voor de schuldvorm 'roekeloosheid' geldt op zichzelf hetzelfde, zij het dat daarbij moet worden betrokken dat deze roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als ‘de zwaarste vorm van het culpose delict’ wordt aangemerkt die tot onder meer een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid. Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moeten daarom aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, dus de zwaarste vorm van schuld, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven (HR 22 mei 2012, LJN BU2016).

Hoewel het rijgedrag van de verdachte in het dagelijks spraakgebruik zonder meer als roekeloos zal worden aangemerkt, wordt in de memorie van toelichting roekeloosheid in verband gebracht met “zeer onvoorzichtig gedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s worden genomen” (Kamerstukken II 2001/02, 28 484, nr. 3, p. 10). Deze omschrijving wijst op zogenaamde bewuste schuld, waarbij de verdachte wel risico’s onder ogen heeft gezien, maar deze op een zeer lichtzinnige wijze heeft genegeerd. Zoals door de raadsman van verdachte terecht naar voren is gebracht heeft de Hoge Raad recentelijk in een aantal belangrijke uitspraken (HR 22 mei 2012, LJN BU2016, HR 3 juli 2012, LJN BW4254 en HR 4 december 2012, LJN BY2823) uitgemaakt dat de artikel 6 Wegenverkeerswet bedoelde roekeloosheid (‘bewuste schuld’) dicht aan zit tegen het begrip voorwaardelijk opzet en (dus) gereserveerd is voor de zwaarste gevallen van schuld in het verkeer.

De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat bij de verdachte sprake is geweest van 'bewuste schuld'. De rechtbank komt hiertoe op grond van het volgende. Verdachte was pas sinds één maand in het bezit van zijn rijbewijs. Hij was dus een beginnend bestuurder. Van een beginnend bestuurder mag vanwege zijn evident gebrek aan rijervaring een grote mate van voorzichtigheid in het verkeer worden verwacht. Anderzijds: juist dat gebrek aan rijervaring maakt dat bij een beginnend bestuurder eerder dan bij een ervaren bestuurder sprake zal zijn van inschattingsfouten, zeker als het potentieel gevaarlijke verkeersmanoeuvres betreft zoals (in het onderhavige geval) het inhalen van een ander voertuig. Het is dan ook naar het oordeel van de rechtbank aannemelijker dat verdachte zijn eigen kunnen als bestuurder op dat moment en in die situatie verkeerd heeft ingeschat dan dat hij zich bewust is geweest van de risico’s, welke risico’s hij op lichtzinnige wijze naast zich neer heeft gelegd.

Verdachtes rijgedrag dient naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het voorgaande, te worden gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet.

Ten overvloede wordt nog opgemerkt dat het niveauverschil in de weg ter hoogte van de fietstunnel van de Dwarsfluit niet af doet aan de mate van verwijtbaarheid van het feit omdat bij normaal weggebruik bij de daar toegestane rijsnelheid van 50 kilometer per uur dit geen enkele invloed op de bestuurbaarheid van de auto zou hebben gehad.

Naar het oordeel van de rechtbank kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem impliciet subsidiair ten laste is gelegd.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waarbij een ander wordt gedood en waarbij een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht en zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijk ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat

Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Door verdachtes rijgedrag is een zeer ernstig verkeersongeval veroorzaakt. De verdachte is met een zeer hoge snelheid, terwijl ter plaatse een toegestane snelheid van 50 kilometer per uur gold, op de linker rijbaan terecht gekomen en heeft de controle over de door hem bestuurde auto verloren. Tengevolge van het rijgedrag van de verdachte zijn twee personen overleden en hebben hun drie dochters diverse botbreuken opgelopen, waarvoor zij operaties moesten ondergaan. Ook de bijrijder van de verdachte is gewond geraakt.

Bij de nabestaanden is sprake van groot en onherstelbaar leed, hetgeen ook ter terechtzitting is gebleken uit de verklaringen van de slachtoffers en hun familieleden. Sinds het ongeval is hun leven ingrijpend veranderd. Het zo plotselinge verlies van beide ouders heeft hen onbeschrijflijk en intens veel pijn gedaan en doet dat nog steeds. Ook in fysieke zin zijn zij nog herstellende. Het op een dergelijke abrupte wijze ontvallen van ouders zal zoals zij hebben aangegeven levenslang een groot gemis blijven. Geen enkele aan de verdachte op te leggen straf zal het leed van de nabestaanden kunnen verzachten. Ook voor de overige familieleden en bekenden moet het verlies hard zijn aangekomen.

Op een dergelijk feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Tevens dient de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd te worden. Het belang van de algemene verkeersveiligheid wordt er mee gediend als de verdachte gedurende een aanzienlijke periode niet als bestuurder van een motorvoertuig aan het verkeer deelneemt.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 februari 2013 reeds eerder is veroordeeld voor verkeersdelicten, waaronder zgn. joyriding en rijden onder invloed. Bovendien was de verdachte ten tijde van het ongeval op 26 augustus 2012 slechts één maand in het bezit van een rijbewijs, terwijl juist van een beginnend c.q. niet ervaren bestuurder extra behoedzaamheid mag worden verwacht.

De rechtbank heeft kennis genomen van het reclasseringsadvies d.d. 27 september 2012.

Anders dan door de reclassering geadviseerd en betoogd door de raadsman acht de rechtbank de oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf onontkoombaar gelet op de ernst van het feit en de gevolgen daarvan.

Aangezien de verdachte is vrijgesproken van de ten laste gelegde kwalificatie schuld in de vorm van roekeloosheid wordt hem een lagere straf opgelegd dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegend worden na te noemen straffen passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 5 (vijf) jaar;

bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Stemker Köster, voorzitter,

en mrs. Poppe-Gielesen en Hattinga Verschure, rechters,

in tegenwoordigheid van Nederlof, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 april 2013.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 26 augustus 2012 te Capelle aan den IJssel als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Burgemeester van Dijklaan, welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

terwijl ter plaatse een maximumsnelheid voor motorvoertuigen gold van 50 km/uur,

- (met een zeer hoge snelheid) een andere personenauto is gaan inhalen en/of een stuurbeweging heeft gemaakt waardoor hij op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer is gaan rijden en/of

- (vervolgens) op die weghelft is blijven rijden en/of aldus tegen het verkeer/de rijrichting in is blijven rijden en/of

- met een snelheid van ongeveer 114 km/uur, in elk geval met een veel hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid heeft gereden en/of

- op die weghelft frontaal in botsing is gekomen met een tegemoetkomende personenauto,

waardoor

-de bestuurder van die tegemoetkomende personenauto, genaamd [slachtoffer A], en

de naast die [slachtoffer A] zittende passagier, genaamd [slachtoffer B], werden gedood, en

-de achterin evengenoemde personenauto gezeten passagiers, genaamd [slachtoffers C, D en E], zwaar lichamelijk letsel (te weten botbreuken) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,en

-de naast verdachte gezeten passagier, genaamd [slachtoffer F], zwaar lichamelijk letsel (te weten botbreuken en ribbreuken) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening

van de normale bezigheden is ontstaan;

zulks terwijl het feit (mede) werd veroorzaakt doordat hij, verdachte, een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

(artikel 6 jo artikel 175, 3e lid, van de Wegenverkeerswet 1994)