Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:BZ6074

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
02-04-2013
Zaaknummer
388353 / HA ZA 11-1988
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gezonken binnenschip. Verzekering. Vaststellingsovereenkomst. Total loss.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Afdeling privaatrecht

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/388353 / HA ZA 11-1988

Vonnis van 30 januari 2013

in de zaak van

1. naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. [VOF],

gevestigd te Gronsveld,

3. [Eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

4. [Eiseres sub 4],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. J. Blussé van Oud -Alblas

tegen

de onderlinge waarborgmaatschappij

ONDERLINGE VERZEKERING VAN SCHEPEN "NOORD NEDERLAND"U.A.,

gevestigd te Heerenveen,

gedaagde,

advocaat mr. B.S. Janssen.

Partijen zullen hierna eisers (dan wel, eisers afzonderlijk, de bank, de vof, [Eiser sub 3] en [Eiseres sub 3]) en Onderlinge genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- de conclusie van repliek, met producties;

- de conclusie van dupliek

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken;

- de brieven van mr. Blussé van Oud Alblas d.d. 29 november 2012 (met bijlage) en 12 december 2012 en de brief van mr. Van der Kuil d.d. 11 december 2012. Ingevolge ter zitting gemaakte afspraak was het eisers toegestaan om correspondentie tussen de expert en de destijds voor eisers optredende advocaat aangaande de inhoud van de opdracht over te leggen. Voor zover meer of andere stukken zijn overgelegd worden die buiten beschouwing gelaten in dit vonnis, zodat deze correspondentie geen verdere bespreking behoeft.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast:

2.1

De vof heeft in 2008 een binnenschip, later [het schip] genoemd, (hierna: het schip) gekocht. De bank heeft de vof een geldlening verstrekt en ter zekerheid een recht van eerste hypotheek op het schip verkregen.

2.2

Het schip is op 19 februari 2009 te Rotterdam gezonken. Het is inmiddels geborgen en ligt bij een werf.

2.3

Met het oog op een af te sluiten verzekeringsovereenkomst heeft een expert in opdracht van Onderlinge het schip in 2008 bezichtigd en [Eiser sub 3] en [Eiseres sub 3] gesproken.

2.4

Op 23 oktober 2008 is een verzekeringsovereenkomst gesloten tussen de vof en Onderlinge; deze is neergelegd in een akte van aandeel nr. 31239. Op deze verzekering zijn van toepassing de verzekeringsvoorwaarden en bepalingen zoals opgenomen in de statuten en het reglement van de Vereniging Noord Nederland U.A. Dit geheel wordt hierna ook de verzekering of de polis genoemd. De vof is verzekeringnemer en verzekerde en de bank moet worden aangemerkt als medeverzekerde onder deze verzekering.

2.5

Het onder 2.2. bedoelde zinken is onder deze verzekering een gedekt evenement. De akte van aandeel vermeldt als “totaal verzekerde waarde” € 825.000,=; voorts is vermeld

€ 30.000,= als “verzekerde waarde inboedel” (over de vergoeding van de inboedel bestaat tussen partijen geen geschil).

2.6

De op de verzekering toepasselijke voorwaarden vervat in het verzekeringsreglement Beroepsvaart (hierna ook: de (polis)voorwaarden of het reglement) luiden voor zover thans van belang als volgt (de deelgenoot is de vof):

“(…)

9. verzekerde som

1 De verzekerde som waarvoor de verzekering van het vaartuig geschiedt, wordt door de directie en de deelgenoot met wederzijds goedvinden vastgesteld. (…)

(…)

13. totaal verlies

1 Wanneer een vaartuig verloren is gegaan, zal de deelgenoot daarvan ten genoegen van de directie het bewijs moeten leveren.

2 Het vaartuig zal als totaal verloren worden beschouwd, indien blijkt dat de herstelkosten meer dan 75% van de verzekerde waarde bedraagt.

3. Aan de deelgenoot, wiens vaartuig verloren is gegaan of geacht wordt verloren te zijn, zal de verzekerde som van het vaartuig worden vergoed, verminderd met de waarde, c.q. de opbrengst, van de restanten, het eigen risico en eventuele (sloop)uitkeringen.

(…)

14. vergoeding machineschade

(…)

29. vaststelling schade

1 Een gemelde schade zal zo spoedig mogelijk door een door de directie te benoemen expert of expertisebureau worden opgenomen.

(…)

3 Bij de vaststelling van de schade zal rekening worden gehouden met de toestand waarin het beschadigde zich voor de beschadiging bevond.

4 Kan de deelgenoot zich met de schadevaststelling van de expert niet verenigen dan zal een tweede taxatie geschieden door twee wederzijds te benoemen experts. Elke partij draagt de kosten van haar eigen expert.

5 Worden de in lid 4 bedoelde experts het niet eens, dan zal de vereniging een bevoegde rechter te Rotterdam verzoeken een expert te benoemen om een bindende taxatie uit te brengen. De kosten worden door de vereniging en de deelgenoot, ieder voor de heift, gedragen.

(…)”

2.7

Een rapport d.d. 13 april 2010, opgesteld en getekend door [Persoon 1] (een door de vof aangewezen expert) aan de ene zijde en [Persoon 2], verbonden aan JP Survey BV (een door Onderlinge aangewezen expert) aan de andere zijde luidt voor zover thans van belang als volgt :

”(…)

2. Aard van opdracht

Het vaststellen van de totale reparatiekosten, welke nodig zijn de schade aan het motorvrachtschip “[het schip]”als gevolg van zinken te herstellen in de staat zoals het verkeerde voor het evenement, teneinde te kunnen vaststellen of er, uitgaande van het verzekeringsreglement Beroepsvaart van (…)sprake is van een totaal verlies.

3. Geconstateerde schade

Als gevolg van zinken zijn alle aan boord aanwezige mechanische en elektrische installaties, de betimmeringen in de woningen op het voor- en achterschip, de gehele inventaris en inboedel aangetast en beschadigd door zout water. (…)

(…)

7. Reparatiekosten direct na evenement

Uitgaande van bovengenoemde feiten zouden de reparatiekosten van het motorvrachtschip "[het schip]” direct na het evenement, als volgt zijn geweest:

(…)

Totaal € 566.358.--,

(…)

8. Reparatiekosten, incl. revisie hoofdmotor, keerkoppeling en boegschroefmotor

(uitgaande van de op 03 december 2009 uitgebrachte offerte, naar aanleiding van de op 18 juni 2009 gevoerde bespreking)

Op 26 maart 2009 werd geconcludeerd dat de conservering niet afdoende zou zijn geweest en dat de motoren en de keerkoppeling niet meer zonder extra werkzaamheden in bedrijf konden worden gesteld. Uit de correspondentie over dit feit en de mededelingen die door betrokken partijen zijn gedaan, blijkt dat hierover een duidelijk verschil van mening bestaat. In verband met de verstreken tijd is door ondergetekenden niet meer in te schatten wat op eerder genoemde datum de werkelijke situatie was.(…)Gezien de inmiddels verstreken tijd en de op 18 december 2009 aangetroffen situatie zijn ondergetekenden van mening dat de motoren nu niet meer “gewoon”’ in bedrijf kunnen worden gesteld en dat een revisie van de hoofdmotor, de keerkoppeling en boegschroefmotor noodzakelijk is.

(…)

Uitgaande van bovengenoemde feiten zouden de reparatiekosten van het motorschip “[het schip]” als volgt zijn

(…)

Totaal € 632.495,--

(…)

9. Inachtneming van het verzekeringsreglement

(uitgaande van de op 03 december 2009 uitgebrachte offerte, naar aanleiding van de op 18 juni 2009 gevoerde bespreking)

Volgens het verzekeringsreglement Beroepsvaart van Vereniging Noord Nederland U.A., onderlinge verzekering van schepen te Heerenveen, heeft verzekerde recht op uitkering op basis van de herstelkosten van de geleden schade, minus omschreven eigenrisico en een aftrek op basis van ouderdom.

Volgens het verzekeringsrecht is tevens het indemniteitsbeginsel van toepassing (art. 7:960 BW). (…) Dit zou betekenen, dat wanneer de reparatiekosten van de motoren en de keerkoppeling de dagwaarde juist voor het evenement overschrijden, de dagwaarde zou moeten worden gehanteerd bij het afhandelen van de schade.

De dagwaarde van de hoofdmotor, de keerkoppeling, de boegschroefmotor en de generatormotoren werd door ons berekend volgens de richtlijnen voor motordagwaarde van de VEKRB, versie 2.1.33. Voor bijtelling van revisiewerkzaamheden werden de aan ons overgelegde revisienota's gehanteerd (…). Tevens geldt dan voor de overige componenten dat er een aftrek nieuw voor oud zal worden toegepast overeenkomstig het verzekeringsreglement Beroepsvaart (…).

Uitgaande van bovengenoemde feiten zouden de reparatiekosten van het motorschip “[het schip]” als volgt zijn:

(…)

Totaal € 471.341,=.

(…)

12. Conclusie

De verzekerde waarde van het schip bedraagt € 825.000,--.

Dit betekent dat wanneer de herstelkosten meer dan € 618.750,-- bedragen, het schip verzekeringstechnisch totaal verloren zou zijn.

Nadat het schip is geborgen zijn alle motoren en de keerkoppeling direct geconserveerd.

Er van uitgaande dat de conservering van de motoren en de keerkoppeling op de juiste wijze was uitgevoerd, zouden de reparatiekosten volgens de offerte van Admiraal jacht & scheepsbetimmeringen te Hasselt, d.d. 06 maart 2009 van toepassing zouden zij geweest (zie schadeopstelling onder punt 7 van dit rapport). In dit geval is er geen sprake van een totaal verlies.

Volgens artikel 13, lid 2 van het verzekeringsreglement Beroepsvaart van Vereniging Noord Nederland U.A., onderlinge verzekering van schepen te Heerenveen is er sprake van een totaal verlies, wanneer de herstelkosten meer dan 75% van de verzekerde waarde bedragen.

Of er sprake is van een totaal verlies, nadat werd geconstateerd dat de motoren en keerkoppeling niet meer zonder extra kosten in bedrijf zouden kunnen worden gesteld is afhankelijk van de navolgende vraag.

Valt de verzekerde waarde aan te merken als een voortaxatie?

(…)

Indien dit het geval is, zou na het ontdekken van de problemen met de motoren en keerkoppeling de schadeopstelling onder punt 8 van dit rapport van toepassing zijn, en zou er sprake zijn van een totaal verlies.

Wanneer er geen sprake is van een voortaxatie overeenkomstig het verzekeringsrecht, is het indemniteitsbeginsel wél van toepassing en zal de schadeopstelling onder punt 9 van dit rapport moeten worden gehanteerd. In deze situatie geen sprake van een totaal verlies.

De in dit rapport genoemde bedragen zijn exclusief BTW. (…)”

3. Het geschil

3.1.

Eisers vorderen bij dagvaarding samengevat - onder a. een verklaring voor recht dat de schade aan de [het schip] een totaalverlies in de zin van de polis oplevert en Onderlinge gehouden is tot betaling van € 770.000,=, met rente vanaf 19 mei 2009, alsmede onder b. respectievelijk c. Onderlinge te veroordelen een bedrag ad € 464.273,28 te betalen aan de bank, vermeerderd met bedragen van € 17.547,16 en € 6.363,53 aan expertise- en € 5.355,= aan buitengerechtelijke kosten en een bedrag van € 305.726,72 te betalen aan de vof, te vermeerderen met € 3.500,= aan buitengerechtelijke kosten, een en ander vermeerderd met rente, en Onderlinge te veroordelen in de proceskosten.

Na wijziging van eis vorderen eisers tevens, voor het geval de rechtbank zou menen dat sprake is van een vaststellingsovereenkomst, vernietiging.

3.2.

Onderlinge voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van eisers in de kosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Wijziging van eis

4.1

Onderlinge heeft bezwaar gemaakt tegen de wijziging van eis. Eerst bij pleidooi is duidelijk geworden wat eisers daarmee beogen, te weten vernietiging van het rapport als geciteerd onder 2.7 op grond van bedrog voor het geval de rechtbank mocht menen dat dit rapport aangemerkt moet worden als een (vaststelling ingevolge een) vaststellingsovereenkomst . Beoordeling van de zaak op die grondslag zou een geheel nieuw onderzoek naar de feiten, in het bijzonder het gestelde bedrog, noodzakelijk maken. Mede gelet op het stadium waarin dit naar voren is gekomen -bij pleidooi, na de eerste termijn- acht de rechtbank deze wijziging in strijd met de goede procesorde en zal zij de zaak dus op de oorspronkelijke vordering met de bijbehorende grondslag beoordelen.

inhoudelijk

4.2

Tussen partijen is in geschil of het schip tengevolge van het onder 2.2. bedoelde zinken een totaal verlies in de zin van de verzekering is; daarmee samenhangend twisten zij over de vraag hoe het onder 2.7 bedoelde rapport moet worden geduid.

4.3

De rechtbank is van oordeel dat het rapport heeft te gelden als een partijen bindende vaststelling van de schade op basis van de vaststellingsovereenkomst die besloten ligt in art. 29 van de polisvoorwaarden.

De rechtbank komt tot dat oordeel op grond van de volgende overwegingen.

In confesso is, dat het partijen vrij stond om een vaststellingsovereenkomst te sluiten omtrent de wijze waarop de omvang van de schade in geval van een gedekt evenement zou worden vastgesteld.

Artikel 29, in het bijzonder de leden 1, 4 en 5 daarvan, van de polisvoorwaarden bevatten onmiskenbaar de methode waarmee de omvang van de schade in zodanig geval wordt bepaald. Weliswaar vermeldt het artikel niet expliciet dat de bepaling als bedoeld in lid 4 partijen bindt, maar de tekst laat daartoe wel ruimte en uit de systematiek van de polis blijkt dat bedoeld is te komen tot een partijen bindende schadebepaling. Bepaald is immers in lid 4 dat, als verzekerde niet aanstonds instemt met de door de expert van Onderlinge bepaalde schade (lid 1), partijen elk een expert benoemen. Uit de formulering blijkt dat dit geschiedt met het oog op de vaststelling van de omvang van de schade. Niet alleen draagt het artikel het kopje “vaststelling schade”, maar ook de aanvang van lid 4 noemt expliciet de schadevaststelling; het is dan ook duidelijk -en partijen twisten daarover op zichzelf ook niet- dat die benoeming geschiedt om te komen tot een taxatie met het oog op het vaststellen van de schade. Als deze experts het niet eens mochten worden voorziet lid 5 in het aanwijzen van een derde, die dan -naar dit lid expliciet vermeldt- een bindende taxatie zal uitbrengen.

Uit deze gehele opbouw vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort dat als de beide experts het wel eens worden, hun gezamenlijke standpunt partijen bindt. Niet in te zien valt immers dat de status van een reeds aanstonds bereikte overeenstemming van de door beide zijden benoemde experts van minder gewicht zou zijn dan de beslissing van de derde die bij onenigheid de knoop doorhakt. In tegendeel, als beide partijen een expert hebben geïnstrueerd die het met de expert aan andere zijde eens wordt, zou daaraan groot gewicht dienen toe te komen. Er is dan geen enkele reden om nog de mogelijkheid open te laten voor een afwijkende vaststelling. Zowel de vof als Onderlinge heeft dat redelijkerwijs ook moeten begrijpen. Deze benadering is voorts geheel in overeenstemming met hetgeen gebruikelijk is, zoals beide, professionele, partijen ook geacht worden te weten, en bevordert een vlotte en adequate schadeafwikkeling. Dit leidt tot de slotsom dat sprake is van een vaststellingsovereenkomst.

4.4

Voormeld oordeel brengt mee, dat partijen gebonden zijn aan de vaststelling van de schade in het rapport als geciteerd onder 2.7, doch alleen voor zover dat is opgesteld ter uitvoering van art. 29 lid 4 van de polisbepalingen (zie 2.6).

Zoals eisers echter terecht hebben aangevoerd geldt dat slechts voor een deel van het rapport.

Daargelaten hoe of waarom dat zo is gelopen, uit de tekst van het rapport blijkt duidelijk dat de experts hun opdracht ruimer hebben opgevat dan louter de vaststelling van de schade ex art. 29 lid 4 van de polisbepalingen. Voor het gedeelte dat deze opdracht te buiten gaat is geen sprake van een vaststellingsovereenkomst; het reglement voorziet niet in een ruimere opdracht dan die van art. 29 lid 4 en voor zover Onderlinge heeft bedoeld te stellen dat daarover separaat overeenstemming is bereikt heeft zij dat standpunt onvoldoende onderbouwd.

Vastgesteld moet dus worden welk gedeelte van het rapport betrekking heeft op de schadevaststelling ex art. 29 lid 4 van de polisbepalingen.

4.5

De rechtbank is van oordeel dat uit het rapport zelf blijkt, dat slechts het deel tot en met hoofdstuk 8 die schadevaststelling inhoudt. Het gedeelte dat daarna volgt ziet op de vraag welke bedragen in aanmerking komen voor vergoeding onder de polis, met inachtneming van de polisbepalingen die daarop zien, zoals de bepalingen aangaande de berekening van de dagwaarde van de motor; voorts hebben de experts zich gewaagd aan beschouwingen omtrent het verzekeringsrecht en de gevolgen daarvan voor deze casus. Dat alles staat echter los van de vaststelling van de schade op basis van art. 29 lid 4 van de polisbepalingen. Of, wanneer en van wie beide experts voor dat laatste deel al dan niet opdracht hebben gekregen en hoe een en ander is verlopen is niet duidelijk geworden, maar kan, gelet op het vorenstaande, als irrelevant voor de thans te nemen beslissing in het midden blijven.

4.6

Het rapport is zo opgesteld dat de experts eerst onder ogen hebben gezien de -hypothetische- situatie dat onmiddellijk na het evenement de juiste (conserverings)maatregelen zouden zijn genomen; die situatie bespreken zij in hoofdstuk 7. Vervolgens komen zij in hoofdstuk 8 tot de vaststelling van de daadwerkelijk opgetreden schade.

Nu partijen de kennelijk buiten rechte wel gevoerde discussie over het verschil tussen de hypothetische en de werkelijke situatie niet tot onderwerp van het geschil zoals dat aan de rechtbank is voorgelegd hebben gemaakt, zal de rechtbank zich daarover niet buigen. Als Onderlinge van mening zou zijn dat de -mogelijk, na de initiële berging, tengevolge van onjuiste conservering- opgetreden verergering van de schade en/of gevolgschade aan met name de motoren op basis van enige bepaling in de verzekering niet gedekt is, had het op haar weg gelegen dat in deze procedure als verweer aan te voeren. Dat heeft zij nagelaten, zodat de rechtbank ervan uit gaat dat de totale schade in beginsel gedekt is. Uitgegaan dient dus te worden van de schade in de situatie zoals die feitelijk door de experts is aangetroffen, derhalve die beschreven in hoofdstuk 8.

4.7.1

Van het aldus in hoofdstuk 8 bindend vastgestelde bedrag moet vervolgens worden uitgegaan voor de beantwoording van de vraag of is voldaan aan de eis die de polis stelt aan het begrip totaal verlies. Dat bindende karakter brengt mee dat (behoudens zeer uitzonderlijke omstandigheden, waaromtrent in casu niets is gesteld of gebleken) dient te worden daargelaten of de vaststelling van het bedrag juist is en/of dat met inachtneming van de daaraan te stellen eisen is geschied; art. 7:900 BW brengt mee, dat partijen ook in het geval dat die vaststelling niet juist en/of niet conform de eisen is geschied, toch gebonden zijn aan die vaststelling.

4.7.2

De eis die op dat punt is neergelegd in art. 13 polisbepalingen is zeer duidelijk verwoord en eenvoudig toe te passen; de schade dient tenminste 75% van de verzekerde waarde te bedragen. Tussen partijen is echter in geschil hoe in dit verband met het begrip verzekerde waarde dient te worden omgegaan.

4.7.3

In beginsel dient in de hier door de polisbepalingen voorgeschreven berekening de verzekerde waarde zoals die in de akte van aandeel expliciet als zodanig is vermeld zonder nader onderzoek tot uitgangspunt te worden genomen. Dat vloeit voort uit de structuur van de verzekering, waar dezelfde term zowel in de akte van aandeel als in het reglement wordt gebruikt; deze moet dan ook behoudens zeer duidelijke aanwijzingen voor het tegendeel op beide plaatsen hetzelfde worden uitgelegd. Er is geen enkele aanleiding om in dit geval een uitzondering op dat beginsel aan te nemen of daarover anders te oordelen. Partijen hebben blijkbaar ten tijde van het sluiten van de verzekering overeenstemming bereikt over de hoogte van de verzekerde waarde. Of deze toen is vastgesteld door een expert of niet en of sprake is geweest van een voortaxatie in de zin van art. 7:960 BW doet daarbij in dit verband niet ter zake. Het begrip voortaxatie of taxatiepolis komt in de verzekeringsstukken in het geheel niet terug. Het stond partijen op het moment van het sluiten van de verzekering echter in beginsel vrij om de verzekerde waarde in onderling overleg op dat bedrag te bepalen, en dat hebben zij kennelijk ook gedaan (al dan niet ingevolge art. 9). Uit die bepaling van de waarde vloeit dan voort, dat (eisers er vanuit mogen gaan dat) deze voor de toepassing van het door Onderlinge zelf opgestelde reglement wordt gehanteerd op de punten waar dat begrip in dat reglement met zoveel woorden terugkomt.

4.8

Nu de verzekerde waarde volgens de akte € 825.000,= bedroeg en omdat

€ 632.495,= meer is dan 75% van € 832.000,= is voldaan aan de poliseisen voor totaal verlies.

Op zichzelf is denkbaar dat, zoals Onderlinge betoogt, de werkelijke waarde van het schip ten tijde van het evenement lager lag; dat doet echter, gelet op art. 13 lid 2, niet ter zake. Dit artikellid, dat speciaal geschreven is met het oog op de vraag of sprake is van totaal verlies, gaat voor op andere artikelen van het reglement.

De werkelijke waarde van het schip voor het evenement hoeft dus niet vastgesteld te worden en het debat op dat punt kan buiten beschouwing blijven als irrelevant voor de te nemen beslissing.

4.9

Nu op basis van het voorgaande sprake is van totaal verlies zal Onderlinge volgens de voor die situatie geldende bepalingen dienen uit te keren, zonder dat van eisers verlangd kan worden dat zij tot reparatie overgaan. Ook het debat op het punt van de reparatiekosten en hetgeen wederzijds is aangevoerd omtrent de verdere gang van zaken kan dus als irrelevant terzijde blijven.

4.10

Art. 13 lid 3 vermeldt voor de omvang van de uitkering het begrip verzekerde som. Dat is een door Onderlinge en eisers conform art. 9 vastgesteld bedrag. Op de akte van aandeel en in de verzekeringsstukken komt geen aparte omschrijving of bepaling van de verzekerde som voor. Nu Onderlinge zich op het standpunt heeft gesteld dat de verzekerde som gelijk is aan de verzekerde waarde, € 825.000,=, en eisers daaromtrent geen ander standpunt hebben ingenomen terwijl dat standpunt van Onderlinge past in het systeem van de verzekering, gaat de rechtbank daarvan ook uit.

Tussen partijen is in confesso dat het toepasselijke eigen risico al is afgerekend. Verder moet nog de waarde van de restanten in aftrek worden gebracht. Eisers stellen die waarde op € 55.000,=, gebaseerd op de oudijzerprijs, als in een eerder expertiserapport vastgesteld. Onderlinge heeft daartegen wel verweer gevoerd, maar dat verweer niet nader onderbouwd. Met name heeft zij niet toegelicht welke meerwaarde, ten opzichte van de schrootprijs, aan het wrak toekomt en waarom, terwijl dat wel op haar weg had gelegen. De rechtbank verwerpt dat verweer dan ook.

4.11

Dat de bank jegens haar zelfstandig vorderingsgerechtigd is wordt door Onderlinge niet betwist. De vorderingen onder zijn b en c zijn, gelet op het voorgaande, in hoofdsom dus toewijsbaar.

Welk belang eisers in die situatie bij de onder a gevraagde verklaring voor recht zouden (kunnen) hebben is onduidelijk; nu eisers daarover ook niets stellen zal die vordering dan ook worden afgewezen.

4.12

Voor de bijvorderingen geldt, dat tegen de ingangsdatum van de wettelijke rente geen verweer is gevoerd; dat deel is dus toewijsbaar.

Dat geldt niet voor de diverse vorderingen in verband met gemaakte kosten. De kosten voor de door eisers ingeschakelde expert Middelkoop voor de opstelling van het onder 2.5 bedoelde rapport blijven ingevolge art. 29 lid 4 van de polisvoorwaarden voor hun rekening. Er is geen reden om op dit punt af te wijken van deze expliciete, in de voorwaarden neergelegde, afspraak.

De kosten van de deskundigen in het kader van het gerechtelijk voorlopig deskundigenbericht worden door de rechtbank aangemerkt als nodeloos gemaakt. De polisvoorwaarden -art. 29 lid 5- voorzagen niet in benoeming van experts door de rechtbank als de partij-experts het eens waren. De onderhavige procedure was ten tijde van het entameren van die verzoekschriftprocedure al aanhangig; het schip lag bij de werf, er was al geruime tijd verstreken na het evenement en er was in feitelijke zin geen haast. Er was dan ook geen reden om niet de uitkomst van deze procedure af te wachten. Deze kosten komen dus niet voor toewijzing in aanmerking. Dat de rechtbank in het kader van een verzoek tot een voorlopig deskundigenonderzoek en het daarbij behorende strakke kader heeft beslist tot toewijzing van dat verzoek doet aan het voorgaande niet af. Eisers hebben die procedure op eigen initiatief en risico aanhangig gemaakt en de kosten dienen voor hun rekening te blijven.

Van de overige buitengerechtelijke kosten is onvoldoende gesteld en onderbouwd dat deze daadwerkelijk zijn gemaakt, betrekking hadden op buitengerechtelijke werkzaamheden (waarvoor de proceskostenveroordeling geen bedrag inhoudt) en voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets. Ook deze post wordt dus afgewezen.

4.13

Onderlinge zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

De rechtbank

veroordeelt Onderlinge om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de bank te betalen

€ 464.273,28, (vierhonderd vierenzestigduizend tweehonderd drieënzeventig Euro en achtentwintig cent) vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 mei 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Onderlinge om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vof te betalen

€ 305.726,72, (driehonderd vijfduizend zevenhonderd zesentwintig Euro en tweeënzeventig cent) vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 mei 2009 tot aan de

dag der algehele voldoening;

veroordeelt Onderlinge in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van eisers bepaald op € 3.529,= aan vast recht, op € 76,31 aan overige verschotten en op € 10.320,= aan salaris voor de advocaat;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. J.W. van den Hurk en mr. R. Verschuur en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2013.?

106/427/e