Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:BZ2713

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-02-2013
Datum publicatie
28-02-2013
Zaaknummer
C/10/366994 / HA ZA 10-3402
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opzettelijk rammen van voorliggende auto. Onrechtmatige daad van inzittenden van de geramde auto als gevolg van eerdere mishandeling van bestuurder achteropkomende auto. Eigen schuld van die bestuurder door confrontatie niet uit de weg te gaan? Billijkheidscorrectie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/366994 / HA ZA 10-3402

Vonnis van 13 februari 2013

in de zaak van

de naamloze vennootschap

REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

eiseres,

advocaat mr. W.A.M. Rupert,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te Schiedam,

gedaagde,

advocaat mr. P.H.A. de Boer,

2. [gedaagde 2],

wonende te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. M.F. van Immerseel.

Partijen zullen hierna Reaal en [gedaagden] genoemd worden. Waar nodig worden gedaagden afzonderlijk met hun achternaam aangeduid.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- tussenvonnis van 17 oktober 2012 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

- akte van [gedaagde 1];

- antwoordakte.

1.2. [gedaagde 2] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid een akte te nemen.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald, aanvankelijk op 30 januari 2013.

2. De verdere beoordeling

2.1. Bij eerder tussenvonnis van 29 februari 2012 heeft de rechtbank overwogen dat de tot dan toe door Reaal ingenomen stellingen niet kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is van een rechtsverhouding tussen haar en [gedaagden] op grond waarvan laatstgenoemden gehouden zijn Reaal schadeloos te stellen voor hetgeen waartoe Reaal in de hoofdzaak wordt veroordeeld. Die hoofdzaak speelt tussen [vader] (hierna: [vader], de vader van [gedaagde 1]) als eiser en Reaal als gedaagde ter zake de schade die aan de Seat van [vader] is aangericht door een WAM-verzekerde van Reaal, te weten [X]. Inmiddels heeft de rechtbank in de hoofdzaak eindvonnis gewezen. Daarbij is Reaal veroordeeld tot betaling aan [geda[vader] van € 1.000,-- met rente.

2.2. Bij antwoordconclusie na dat tussenvonnis heeft Reaal gesteld dat inmiddels wel degelijk een rechtsverhouding tussen haar en [gedaagden] is ontstaan. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij inmiddels de in 2.1 bedoelde betaling aan [geda[vader] heeft voldaan, zodat zij, omdat die betaling plaatsvond ten behoeve van haar WAM-verzekerde [X], in diens rechten is getreden. De rechtbank begrijpt dit betoog aldus dat Reaal zich op het standpunt stelt dat de vordering uit onrechtmatige daad die [X] op [gedaagden] heeft als gevolg van die subrogatie op haar is overgegaan. Reaal heeft in dat verband betoogd dat de rechtbank aanleiding moet zien om op de eerdere beslissing ten aanzien van het ontbreken van een rechtsverhouding terug te komen.

2.3. De rechtbank heeft [gedaagden] gelegenheid gegeven op dit verzoek te reageren. [gedaagde 2] heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. [gedaagde 1] heeft de gestelde subrogatie als zodanig niet betwist. Wel heeft hij gesteld dat de eisen van een goede procesorde meebrengen dat de rechtbank niet op de eerdere beslissing terugkomt, nu het daartoe strekkende verzoek van Reaal in wezen een verkapt hoger beroep behelst.

2.4. De rechtbank zal op de in 2.1 bedoelde beslissing terugkomen. Waar de subrogatie van Reaal in de rechten van [X] als vaststaand moet worden aangenomen, is ook gegeven dat de eventuele vorderingen van [X] op [gedaagden] ook op Reaal zijn overgegaan. Voorts is van belang dat de rechtbank al bij tussenvonnis van 29 februari 2012 heeft geoordeeld dat [gedaagden] onrechtmatig jegens [X] hebben gehandeld en ter zake schadeplichtig zijn. Dat onrechtmatige handelen heeft betrekking op de wijze waarop [gedaagden] zich als bestuurders van de Seat van [vader] jegens [X] hebben gedragen. Er is dus daadwerkelijk op Reaal een vordering van [X] jegens [gedaagden] overgegaan. Daarmee staat ook vast dat inmiddels toch sprake is van een rechtsverhouding tussen Reaal en [gedaagden] op grond waarvan laatstgenoemden in beginsel gehouden zijn Reaal te vrijwaren voor de gevolgen van het vonnis in de hoofdzaak. Tegen die achtergrond zou een handhaving van de in 2.1 bedoelde beslissing meebrengen dat de rechtbank uitspraak doet op een grondslag die onjuist is gebleken. Dat is reden om op die beslissing terug te komen.

2.5. Met het al in het vonnis van 29 februari 2012 gegeven oordeel dat [gedaagden] onrechtmatig jegens [X] (en dus thans jegens Reaal) hebben gehandeld en ter zake schadeplichtig zijn, is in beginsel gegeven dat zij Reaal schadeloos dienen te stellen voor al datgene waartoe Reaal in de hoofdzaak is veroordeeld. Die veroordeling in de hoofdzaak heeft immers betrekking op de door [X] veroorzaakte schade aan de Seat van [vader], welke schade het gevolg is van het daaraan voorafgegane onrechtmatige handelen van [gedaagden]

2.6. De subrogatie laat de verweermiddelen van [gedaagden] echter onverlet (artikel 6:145 BW). [gedaagden] hebben stellingen ingenomen die de rechtbank heeft begrepen als een beroep op eigen schuld van [X]. Daarover heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 29 februari 2012 enkele beslissingen genomen die ook gelden voor de vordering in vrijwaring. Ten aanzien van enkele specifieke punten heeft de rechtbank partijen gelegenheid gegeven het debat voort te zetten. Dat debat zal in het navolgende worden beoordeeld, waarbij de rechtbank opmerkt dat die beoordeling gelijkelijk geldt voor de vordering in vrijwaring (dat wil zeggen ten aanzien van de aan [vader] vergoede schade aan de Seat) als voor de zelfstandige vordering van Reaal (ten aanzien van de door haar aan [X] vergoede schade aan de Audi, waarmee [X] de Seat van [vader] heeft aangereden).

2.7. Naar aanleiding van de nadere stellingen van partijen inzake het beroep van [gedaagden] op eigen schuld van [X] overweegt de rechtbank het volgende.

2.8. Vast staat dat [X], nadat hij bij het kruispunt van de Maasboulevard en de Honingerdijk door [gedaagden] in elkaar was geslagen, in plaats van zijn vrouw achter het stuur van zijn Audi is gaan zitten en bij de stoplichten is weggereden, in dezelfde richting als waarin [gedaagden] met de Seat inmiddels waren vertrokken. Tussen partijen is, in het kader van het beroep van [gedaagden] op eigen schuld van [X], in geschil of het een redelijkerwijs verantwoorde beslissing van [X] was om te gaan rijden. De rechtbank is van oordeel dat op dit punt geen sprake is van eigen schuld van [X] aan de uiteindelijk ontstane schade. Zoals al in het tussenvonnis van 29 februari 2012 overwogen, is weliswaar aannemelijk dat [X] op dat moment nog zeer door de vechtpartij was aangeslagen en dat die toestand op zichzelf niet bevorderlijk is voor het besturen van een auto, maar in de gegeven omstandigheden kan niet worden gezegd dat hij om die reden anders heeft gehandeld dan een redelijk mens zou hebben gedaan. [X] bevond zich in de situatie dat het stoplicht inmiddels op groen was gesprongen en dat achter hem verschillende auto’s stonden die wilden doorrijden. Alleen al gelet daarop is het een normale beslissing geweest om van het kruispunt te vertrekken. In theorie had [X] de, op zichzelf abnormale, beslissing kunnen nemen de auto in de middenberm te parkeren om op adem te komen, maar dat hij dat niet heeft gedaan valt hem niet toe te rekenen, te minder nu hij er niet op bedacht hoefde te zijn dat hij enkele honderden meters verder opnieuw met [gedaagden] geconfronteerd zou worden. Dat niet zijn vrouw maar [X] achter het stuur is gaan zitten, is evenmin onredelijk. Weliswaar had zijn vrouw geen klappen gekregen, maar voor het overige moet worden aangenomen dat (zoals Reaal ook onbetwist heeft gesteld) zijn vrouw door de mishandeling evenzeer van slag was als [X].

2.9. [gedaagden] hebben zich op het standpunt gesteld dat [X], toen hij enkele honderden meters na het kruispunt met de Honingerdijk opnieuw met de auto van [gedaagden] te maken kreeg, in plaats van de Seat te rammen andere opties had om een confrontatie te vermijden. In navolging van hetgeen de rechtbank heeft overwogen in het eindvonnis in de hoofdzaak, dat [gedaagde 1] als productie bij zijn conclusie na tussenvonnis heeft gevoegd, menen [gedaagden] dat [X] snelheid had kunnen minderen en zodoende de ruimte tussen de Audi en de Seat had kunnen vergroten, dat [X] tegelijkertijd via 112 de politie had kunnen bellen en dat hij zich zo nodig in de Audi had kunnen opsluiten in afwachting van de komst van de politie. Door niet aldus te handelen heeft hij eigen schuld aan de schade, zo menen [gedaagden]

2.10. De desbetreffende overwegingen uit het eindvonnis in de hoofdzaak van 29 februari 2012 luiden als volgt (in deze overwegingen wordt [vader] aangeduid als [gedaagde 1]):

2.2. Bij de verdere beoordeling stelt de rechtbank het volgende voorop. Op zichzelf voert Reaal terecht aan dat het moment waarop [X] besloot de auto van [gedaagde 1] te rammen niet los kan worden gezien van het feit dat [X] kort tevoren door de inzittenden van die auto (de zoon van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]) was mishandeld. Juist dat verband tussen beide momenten heeft de rechtbank tot het oordeel gebracht dat [X] redelijkerwijs kon menen in een noodtoestand te verkeren. Dit betekent dat niet al te hoge eisen mogen worden gesteld aan de van [X] gevraagde afweging tussen de verschillende opties om uit die noodtoestand te geraken. Aannemelijk is immers dat die afweging zich voltrok binnen een tijdspanne van enkele seconden.

2.3. Dit uitgangspunt betekent echter niet dat een onderzoek naar alternatieve uitwegen uit de noodtoestand geheel buiten beschouwing kan blijven. Van een deelnemer aan het gemotoriseerde verkeer mag immers, gelet op de aan dat verkeer inherente gevaren, ook in noodsituaties verwacht worden te beslissen op basis van een afweging van de verschillende mogelijkheden, ook als voor die afweging slechts heel korte tijd beschikbaar is. Dat zou wellicht anders zijn als [X] in een reflex zou hebben gehandeld, maar dat is gesteld noch gebleken, en ligt bij een gedraging als deze ook niet voor de hand. De rechtbank wijst er in dit verband op dat hier gaat om het rammen door een Audi Q7 ([X]) van een Seat Leon ([gedaagde 1]) en dat eerstgenoemde auto, naar algemeen bekend mag worden verondersteld, beduidend groter en zwaarder is dan de andere. Aangenomen mag worden dat [X] niet voor het rammen zou hebben gekozen als de auto voor hem een Audi Q7 was geweest en hijzelf in een Seat Leon reed. Dat illustreert al dat aan de beslissing om te rammen een zekere afweging vooraf heeft kunnen gaan.

2.4. In het debat tussen partijen is als mogelijk alternatief voor het rammen onder meer ter sprake gekomen het oprijden van de andere weghelft richting het aan de overzijde van de weg gelegen Shell-station. Reaal heeft gesteld dat dit niet kon, omdat er tegemoet komend verkeer op die andere weghelft was. [gedaagde 1] heeft dit betwist, maar die betwisting is onvoldoende eenduidig. Hij heeft ter onderbouwing van die betwisting verwezen naar de verklaringen die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tegenover de politie hebben afgelegd. Die verklaringen zijn op dit punt echter tegengesteld. [gedaagde 1] heeft verklaard dat de automobilisten op de andere weghelft seinden met hun lichten en stopten, terwijl [gedaagde 2] heeft verklaard dat het “nog een geluk” was dat er geen tegemoetkomend verkeer was. [gedaagde 1] heeft niet gesteld dat de verklaring van [gedaagde 2] onjuist is. Als onvoldoende betwist moet daarom worden aangenomen dat op het moment van het rammen sprake was van tegemoetkomend verkeer op de andere weghelft. Daaruit volgt dat [X], in de luttele seconden die hem ter beschikking stonden, redelijkerwijs niet valt te verwijten dat hij niet die andere weghelft is opgereden. Uitwijking naar het Shell-station was dus geen reëel alternatief.

2.5. Het feit dat sprake was van tegemoetkomend verkeer op de andere weghelft is ook anderszins van belang. Vast staat dat [X] de Seat naar links heeft geduwd, in de richting van de weghelft voor het tegemoetkomend verkeer. Vast staat ook dat de twee weghelften op dat punt van de Maasboulevard slechts zijn gescheiden door een doorgetrokken streep, en dus niet door een fysieke belemmering zoals een middenberm. Juist omdat er tegemoetkomend verkeer was, betekent dit dat [X] door het wegduwen van de Seat een zeer groot risico heeft genomen dat de Seat met tegemoetkomende auto’s in botsing zou komen, met alle gevolgen voor de inzittenden van dien. Onverminderd het overwogene onder 2.2, heeft dit tot gevolg dat van [X] eerder verwacht had mogen worden te kiezen voor (eventuele) andere opties. Dat het risico op letsel van derden zich niet heeft verwezenlijkt doet daar niet aan af.

2.6. Wat die andere opties betreft geldt het volgende. Partijen hebben zich bij conclusies na tussenvonnis nader uitgelaten over de vraag of [X] de mogelijkheid had afstand te creëren tussen hem en de Seat, of hij wellicht 112 had kunnen bellen en of hij zichzelf in de Audi had kunnen opsluiten. Volgens Reaal kon [X] geen afstand creëren omdat er achter hem auto’s zaten die hem, bij het kruispunt met de Honingerdijk waar de mishandeling had plaatsgevonden, met claxonneren opjoegen, terwijl [X] bovendien pas in een bocht van de Maasboulevard met de Seat en (dit keer ook) de zwarte BMW naast hem werd geconfronteerd. Voorts waren [X] en Cornelisse volgens Reaal in de paniek van het moment niet in staat 112 te bellen. Opsluiten in de Audi had volgens Reaal geen zin, omdat de inzittenden van de Seat en de BMW dan eenvoudig een ruit van de Audi zouden hebben kunnen inslaan. [gedaagde 1] heeft het betoog van Reaal bestreden. De rechtbank overweegt het volgende.

2.7. Niet overtuigend acht de rechtbank de stelling van Reaal dat [X] geen mogelijkheid had afstand tussen de Audi en de Seat te laten vallen. Dat er bij het kruispunt met de Honingerdijk ongeduldige automobilisten achter hem zaten, laat immers onverlet dat hij enkele honderden meters verderop had kunnen afremmen, ook als hij pas in een bocht weer met de Seat (en de BMW) werd geconfronteerd. De hinder die hij daarmee wellicht de achteropkomende automobilisten zou hebben berokkend is niet van enig relevant gewicht. In combinatie hiermee had van [X] ook verwacht mogen worden zich, zo nodig, in zijn afgesloten Audi schuil te houden en intussen 112 te bellen. Het moge zo zijn dat een auto geen absolute bescherming biedt, maar anderzijds is het ook niet zo dat een autoruit van een (relatief jonge) auto als hier aan de orde zonder enige moeite kan worden ingeslagen, laat staan dat zonder meer aannemelijk is dat de inzittenden van de Seat (en de BMW) daartoe zouden zijn overgegaan. De rechtbank wijst er op dat de voorafgegane vechtpartij ontstond toen [X] uit zijn auto was gestapt. Het is dus niet zo dat hij, bijvoorbeeld, uit zijn auto was getrokken.

2.8. De rechtbank is van oordeel dat van [X] redelijkerwijs verwacht had mogen worden voor deze combinatie van alternatieve opties te kiezen. Op zichzelf geldt al dat deze alternatieven een minder verstrekkend middel vormden om uit de noodsituatie te geraken dan het rammen van de Seat. Daarbij komt dan nog het grote risico op letsel bij derden die de gekozen uitweg impliceerde en die bij de alternatieve opties afwezig waren, hetgeen te meer maakt dat van [X] verwacht mocht worden voor die minder verstrekkende opties te kiezen. Ook wijst de rechtbank er op dat die alternatieve opties op zichzelf normaler zijn dan het opzettelijk rammen van een voorligger. In het licht van het overwogene in 2.2 en 2.3, kan daarom niet gezegd worden dat [X] in de enkele seconden die hij had aan die opties redelijkerwijs niet heeft kunnen of hoeven denken.

2.11. De rechtbank deelt het in 2.9 weergegeven standpunt van [gedaagden], in verband waarmee zij verwijst naar de zojuist weergegeven overwegingen in het eindvonnis in de hoofdzaak. Die overwegingen staan in de sleutel van de beoordeling van de onrechtmatigheid van het handelen van [X]. In de onderhavige vrijwaringszaak is het spiegelbeeld aan de orde, namelijk de vraag of, gegeven de onrechtmatigheid van het handelen van [gedaagden], niettemin sprake is van eigen schuld van [X]. In de hoofdzaak hebben die overwegingen geleid tot het oordeel dat [X] onrechtmatig heeft gehandeld, in de onderhavige vrijwaringszaak moeten die overwegingen leiden tot de conclusie dat sprake is van eigen schuld. De in dit verband door Reaal in haar laatste processtukken ingenomen stellingen, onder verwijzing naar een recente verklaring van [X], doen aan die beoordeling niet af.

2.12. Bij tussenvonnis van 29 februari 2012 (in deze vrijwaringszaak) heeft de rechtbank al geoordeeld dat de beslissing van [X] om bij het kruispunt met de Honingerdijk niet linksaf te slaan maar de weg richting de Maasboulevard te vervolgen geen eigen schuld oplevert (zie 4.19). Bij conclusie na tussenvonnis heeft [gedaagde 2] dat oordeel opnieuw ter discussie gesteld, maar de rechtbank ziet geen aanleiding daarop terug te komen. De door [gedaagde 2] in dit verband aangevoerde argumenten zijn niet overtuigend en ook niet concludent.

2.13. [gedaagden] hebben in hun processtukken keer op keer gesteld dat [X] tijdens de onderhavige gebeurtenissen onder invloed van alcohol of drugs verkeerde. Behalve de door [gedaagden] bij de politie afgelegde verklaringen, bevat het dossier echter geen enkel aanknopingspunt voor het gestelde alcohol- of drugsgebruik. Wel staat vast dat de Officier van Justitie kennelijk geen aanleiding heeft gezien [X] te vervolgen, terwijl [gedaagden] wel zijn vervolgd en veroordeeld. Uit de door [gedaagden] bij de politie afgelegde verklaringen ten slotte volgt niet veel meer dan dat zij de indruk hadden dat [X] gedronken had, omdat hij oververhit reageerde en grote ogen had. Dat is onvoldoende. Niet vergeten moet worden dat [X] op dat moment door [gedaagden] in elkaar geslagen werd, zodat enige opwinding niet verwonderlijk is. Gelet op dit alles hebben [gedaagden] het gestelde alcohol- en drugsgebruik van [X] onvoldoende onderbouwd, zodat op dit punt van eigen schuld geen sprake is.

2.14. Uit het voorgaande volgt dat op een enkel punt sprake is van eigen schuld. Gelet op de aard van die eigen schuld, moet op zichzelf uitgangspunt zijn dat de desbetreffende gedraging van [X] in overwegende mate aan de schade heeft bijgedragen. In plaats van de opties te benutten om de confrontatie uit de weg te gaan, heeft hij immers de Seat opzettelijk geramd en aldus de schade aan beide auto’s veroorzaakt.

2.15. Niettemin bestaat naar het oordeel van de rechtbank aanleiding, met toepassing van de billijkheidscorrectie, de schadevergoedingsplicht van [gedaagden] slechts in geringe mate te verminderen. Bepalend daarvoor is in de eerste plaats de aard en ernst van de eerdere gedragingen van [gedaagden], te weten de ernstige mishandeling van [X]. De rechtbank heeft al bij tussenvonnis van 29 februari 2012 geoordeeld dat die eerdere gedragingen niet los gezien kunnen worden van de latere aanrijding. Dit gedrag is dermate verwijtbaar en heeft de latere gebeurtenissen zozeer uitgelokt dat de billijkheid slechts een zeer geringe vermindering van de schadevergoedingsplicht eist. Dat geldt te meer nu aannemelijk is dat het aan [X] toe te rekenen gedrag, te weten de beslissing om geen gebruik te maken van de opties om de confrontatie te vermijden, zich voltrok binnen een tijdspanne van enkele seconden, en bovendien in een (aan [gedaagden] toe te rekenen) situatie die [X] redelijkerwijs als zeer bedreigend heeft kunnen beschouwen. Al met al is de rechtbank van oordeel dat de schadevergoedingsplicht van [gedaagden] vanwege eigen schuld van [X] met 10% dient te worden verminderd.

2.16. De rechtbank zal [gedaagden] gelet hierop in vrijwaring veroordelen aan Reaal te voldoen 90% van hetgeen waartoe Reaal in de hoofdzaak is veroordeeld.

2.17. Van de zelfstandige schadevordering van Reaal, die betrekking heeft op de schade aan de Audi, staat een bedrag van € 1.500,-- niet ter discussie. Ten aanzien van het resterende bedrag van € 5.048,74 heeft Reaal bij antwoordconclusie na tussenvonnis nadere stukken ter onderbouwing overgelegd. [gedaagden] hebben beiden te kennen gegeven naar aanleiding van die stukken geen opmerkingen te hebben. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit die stukken genoegzaam dat Reaal via de tussenpersoon Kruit het genoemde bedrag aan [X] heeft uitgekeerd. Niet ter discussie staat dat Reaal ter zake in de rechten van [X] is gesubrogeerd. Rekening houdend met de vermindering van 10% wegens eigen schuld, komt daarmee in totaal een bedrag van € 5.893,87 voor toewijzing in aanmerking.

2.18. De wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dit bedrag is als onbetwist toewijsbaar met ingang van 12 april 2007.

2.19. [gedaagden] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, waaronder de kosten van de hoofdzaak. Die kosten worden als volgt begroot:

- griffierecht hoofdzaak € 313,--

- explootkosten vrijwaring € 73,89

- advocaatsalaris hoofdzaak € 960,-- (2,5 punt, tarief I)

- advocaatsalaris vrijwaring € 960,-- (2,5 punt, tarief I)

TOTAAL € 2.306,89

2.20. De nakosten zijn toewijsbaar zoals in het dictum omschreven.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt [gedaagden] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Reaal te voldoen 90% van datgene waartoe Reaal in de procedure in de hoofdzaak jegens [vader] wordt veroordeeld;

3.2. veroordeelt [gedaagden] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Reaal te betalen € 5.893,87, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 12 april 2007 tot aan de dag der voldoening;

3.3. veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van Reaal, zowel van de hoofdzaak als van de vrijwaringszaak, tot aan deze dag begroot op € 2.306,89 en vermeerderd met de nakosten van € 131,--, vermeerderd met € 68,-- als betekening van dit vonnis plaatsvindt;

3.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.5. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2013.

1980/2148