Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:BZ2427

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
27-02-2013
Zaaknummer
C/10/382577 / HA ZA 11-1635
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers vorderen verklaring voor recht dat het op hun perceel gelegen kantoor en het boven hun garage/poort gelegen plat hun eigendom zijn. Zij vorderen verder de ontruiming van zowel het kantoor als het plat door gedaagde. In reconventie vordert gedaagde verklaring voor recht dat hij eigenaar van het kantoor en het plat is. In het tussenvonnis van 12 september heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat de rechtsvordering van eiseres tot beëindiging van het onrechtmatige gebruik van het kantoor is verjaard, zodat gedaagde zich ten aanzien van het kantoor met recht beroept op verkrijgende verjaring (artikel 3:105 BW). In het eindvonnis wordt met betrekking tot het plat overwogen dat dit plat, zijnde het vlakke bovengedeelte van het dak van de poort, naar verkeersopvatting onderdeel uitmaakt van de garage/poort en daarvan dus bestanddeel is. Aangezien eisers eigenaar van de garage/poort zijn, zijn zij tevens eigenaar van het daarboven gelegen plat. Het beroep van gedaagde op verkrijgende verjaring met betrekking tot het plat kan niet slagen, omdat daarvoor inbezitname van het aan eisers toebehorende plat is vereist en inbezitname van een afzonderlijk bestanddeel van een zaak niet mogelijk is. De rechtbank verklaart voor recht dat het kantoor aan gedaagde en het plat aan eisers toebehoort, en wijst de overige vorderingen af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Rotterdam

zaaknummer / rolnummer: C/10/382577 / HA ZA 11-1635

Vonnis van 23 januari 2013

in de zaak van

1. [eiser 1],

wonende te Verona,

2. [eiser 2],

wonende te Rotterdam,

3. [eiser 3],

wonende te Maassluis,

4. [eiser 4],

wonende te Rotterdam,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. A. Kouwenaar-de Coninck,

tegen

[gedaagde],

wonende te Elburg,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. J.G.M. Roijers.

Partijen zullen hierna de [eisers] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 12 september 2012;

- de nadere akte van de [eisers];

- de antwoordakte van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Naast de feiten vermeld in het tussenvonnis van 29 februari 2012 staat tussen partijen – voor zover van belang – het navolgende vast.

2.2. In een verklaring van [gedaagde] van 27 april 2012 staat, voor zover relevant, het volgende:

‘Ik kan u uit eigen ervaring vertellen dat het dakterras zoals dat er nu is er altijd zo is geweest. Ik ben met mijn ouders in 1936 hier komen wonen en toen was het al zo. Er is nooit iets aangebouwd of uitgebreid, zoals de [eisers] lijken te denken. Ik heb een paar oude fotootjes opgesnord, waarop goed te zien is dat ook in 1945 het dakterras was zoals nu. Daar zitten fotootjes bij van mijn familie uit mei 1945 en ook een foto waarop mijn vader staat, samen met de [A], toenmalig conrector van het Marnix Gymnasium. Die foto’s zijn uit mei 1945. De heer [A] heeft in 1944-1945 bijna een jaar lang bij ons in huis gewoond en is meteen na de oorlog samen met mijn vader belast geweest met de arrestatieploegen in Hillegersberg.

Er zit ook een foto bij van mijn moeder van 3 september 1945.

U begrijpt, ik weet niet beter dan dat het dakterras er al ten minste sinds 1936 zo ongewijzigd is en dat dat altijd van ons is geweest.’

2.3. In een verklaring van mevrouw [B] van 27 april 2012 staat, voor zover van belang:

‘Mijn naam is [B]. Ik ben een dochter van de heer [gedaagde]. Ik ben opgegroeid in de woning van mijn ouders aan [adres]. Ik ben in 1959 geboren en kan mij niet anders heugen dan dat het dakterras van mijn ouders altijd zo is geweest, zoals het nu is.’

3. De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie

3.1. Bij tussenvonnis van 12 september 2012 heeft de rechtbank de [eisers] in de gelegenheid gesteld bij akte te reageren op de verweren die [gedaagde] in zijn akte van 2 mei 2012 naar voren heeft gebracht. De [eisers] hebben van de geboden mogelijkheid gebruik gemaakt, waarna [gedaagde] bij antwoordakte heeft gereageerd.

De rechtbank overweegt thans als volgt.

3.2. De [eisers] verwijten [gedaagde] dat hij op het plat boven de hen toebehorende poort voor zichzelf een dakterras heeft gecreëerd. Het gebruik van dit plat achten zij onrechtmatig omdat het inbreuk maakt op hun eigendoms¬recht.

3.3. [gedaagde] heeft primair betwist dat het gebruik van het plat onrechtmatig is en gesteld dat hijzelf eigenaar van het plat is. Hiertoe heeft hij in de eerste plaats aangevoerd dat uit de huurovereenkomst uit 1945 volgt dat [gedaagde] toen al eigenaar was van het dakterras. In de tweede plaats heeft [gedaagde] betoogd dat het dakterras door horizontale natrekking zijn eigendom is geworden. Ten derde heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat hij de eigendom door verjaring heeft verkregen.

Subsidiair heeft [gedaagde] tot zijn verweer aangevoerd dat de rechtsvordering van de [eisers] tot beëindiging van de onrechtmatige toestand is verjaard.

3.4. Naar het oordeel van de rechtbank kan [gedaagde] niet als eigenaar van het boven de poort gelegen plat worden aangemerkt.

Wat het eerste punt betreft, de huurovereenkomst uit 1945, wordt als volgt overwogen. In die huurovereenkomst staat:

‘‘De ondergeteekende, Mevrouw de Weduwe [C]- geb.Slootweg, (…) verklaart bij deze, handelende als eigenaresse, te hebben verhuurd aan mede-ondergeteekende [gedaagde] (…), die ook bij deze verklaart van eerstgemelde in huur genomen te hebben de poort, toeganggevende tot de garage, bekent onder den naam T.O.D. met het daaraan grenzende kantoor aan [adres], - het gedeelte aangewezen op de kaart “ plan voor het uitbreiden van een garage ”, zooals dit door het gemeentebestuur van Hillegersberg is goedgekeurd en waarvan huurder geen nadere beschrijving begeert, en geen groter gedeelte zal uitmaken dan het boven het kantoor gelegen plat, in eigendom toebehoorende aan huurder, en waarvan huurder geen nadere omschrijving begeert.’

Nog afgezien van de vraag of (mede gelet op het bepaalde in artikel 5:3 BW) hetgeen in deze overeenkomst is opgeschreven – anders dan in bewijsrechtelijke zin – van invloed kan zijn op de vraag wie eigenaar is van het plat boven de poort, volgt uit deze tekst niet dat het hier om dit plat gaat. Hierbij is van belang dat (zoals hierna nog aan de orde zal komen) zich zowel boven de poort als boven het kantoor een plat bevindt en bovengenoemde tekst naar de feitelijke bewoordingen ervan alleen betrekking heeft op het plat boven het kantoor.

3.5. Wat het tweede punt betreft is het volgende van belang. Krachtens artikel 5:20 sub e BW is de eigenaar van de grond (in casu de grond onder de poort) eigenaar van de zich daarop bevindende gebouwen. Het gaat hierbij om de zogenoemde verticale natrekking op basis waarvan in beginsel de [eisers] moeten worden aangemerkt als eigenaar van zowel de poort als het zich daarop bevindende dak. Artikel 5:20 sub e BW maakt op dit beginsel evenwel een uitzondering voor zover het dak moet worden aangemerkt als bestanddeel van (in dit geval) het plat boven het kantoor, waarvan vaststaat dat [gedaagde] daar eigenaar van is. Aldus moet op grond van de verkeersopvatting worden uitgemaakt of het plat bestanddeel is van het plat boven het kantoor dat wel bestanddeel van het dak van de poort. Naar het oordeel van de rechtbank maakt het boven de poort gelegen plat, zijnde het vlakke bovengedeelte van het dak van de poort, volgens verkeersopvatting onderdeel uit van het dak van de poort. Het dak van de poort maakt als geheel, volgens verkeersopvatting, onderdeel uit van de poort zelf. De poort is zonder (een volledig) dak immers niet compleet. Hieruit volgt dat het plat onderdeel is van de poort, zodat het als bestanddeel (in de zin van artikel 3:4 BW) van de poort moet worden aangemerkt. Dit impliceert dat het plat niet als bestanddeel van het plat boven het kantoor kan worden aangemerkt, zodat het verweer van [gedaagde] dat hij door horizontale natrekking eigenaar van het plat boven de poort is geworden niet slaagt. De omstan¬dig¬heid dat, zoals [gedaagde] heeft gesteld en de [eisers] niet (voldoende gemotiveerd) hebben betwist, de binten¬constructie van de platten boven de poort en boven het kantoor één geheel vormt, legt onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen. Het zaaksdeel waarvan het plat onderdeel uitmaakt, dient immers primair als dak voor de poort.

3.6. Daarmee komt de rechtbank toe aan het derde punt uit het primaire verweer van [gedaagde], namelijk dat hij de eigendom van het boven de poort gelegen plat door verjaring zou hebben verkregen. Volgens zijn stellingen heeft [gedaagde] het plat boven de poort al meer dan twintig jaren in bezit, zodat de rechtsvordering van de [eisers] tot beëindiging van het bezit is verjaard. Gelet op deze verjaring heeft [gedaagde] op grond van artikel 3:105 BW de eigendom van het plat verkregen, zo heeft [gedaagde] aangevoerd. De rechtbank volgt [gedaagde] hierin niet. Gelet op het in artikel 5:3 BW bepaalde, en daaraan ten grondslag liggende eenheidsbeginsel, is inbezitname van een afzonderlijk bestanddeel van een zaak niet mogelijk. Van de door [gedaagde] gestelde verkrijging van de eigendom van het plat door verjaring kan daarom geen sprake zijn.

3.7. De rechtbank zal, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en zoals door de [eisers] gevorderd, voor recht verklaren dat de [eisers] eigenaar zijn van het boven de poort gelegen plat. De vordering van [gedaagde] tot verkrijging van een verklaring voor recht dat dit plat zijn eigendom is, zal worden afgewezen.

3.8. Dat betekent evenwel niet dat [gedaagde] het gebruik van dit plat moet staken. Op zichzelf hebben de [eisers] op basis van hun eigendomsrecht het exclusieve gebruiksrecht van de poort en het daarop gelegen plat (artikel 5:21 BW). Zij kunnen op die grond in beginsel optreden tegen onrechtmatige inbreuken hierop. Dat kunnen zij echter niet voor zover de vordering tot opheffing van deze onrechtmatige inbreuk is verjaard. Hierop ziet het subsidiaire betoog van [gedaagde]. Ter onderbouwing van zijn beroep op verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van de onrechtmatige toestand heeft [gedaagde] onder meer aangevoerd dat hij, althans zijn rechtsvoorganger(s), het plat boven de poort reeds sinds 1936 in gebruik heeft (hebben) als dakterras en daarover al die jaren exclusief en vrijelijk heeft (hebben) kunnen beschikken. [gedaagde] heeft ter zake twee verklaringen, één van hemzelf en één van zijn dochter, alsmede een aantal foto’s overgelegd.

De [eisers] hebben in reactie hierop verklaard dat zij pas ten tijde van de descente van 17 februari 2012 hebben ontdekt dat [gedaagde] het boven de poort gelegen plat als dakterras gebruikt en dat eerdere ontdekking vanwege de ligging van het plat ook niet in redelijkheid van hen kon worden verwacht. Volgens de [eisers] kunnen de verklaringen van [gedaagde], als partijgetuige, en zijn dochter, die ook geen onafhankelijke partij is, op zichzelf niet als voldoende bewijs voor de stellingen van [gedaagde] worden aangemerkt. Over de door [gedaagde] overgelegde foto’s hebben de [eisers] onder meer opgemerkt dat niet duidelijk is of deze daadwerkelijk het plat boven de poort betreffen. De [eisers] hebben het gebruik van het boven de poort gelegen plat door (de rechtsvoorganger(s) van) [gedaagde] tot de datum van de descente betwist.

3.9. De rechtbank acht op basis van de stellingen van [gedaagde], onder meer vervat in zijn verklaring van 27 april 2012 (van een optreden als partijgetuige in de zin van artikel 164 Rv is hier geen sprake), de verklaring van de dochter van [gedaagde] van dezelfde datum en de overgelegde foto’s aannemelijk dat (de rechtsvoorganger(s) van) [gedaagde] het plat boven de poort in ieder geval sinds 1945, mogelijk al sinds 1936, in gebruik heeft (hebben) als dakterras. Dat de [eisers] – bij gebrek aan wetenschap – het gebruik van het plat boven de poort tot de datum van de descente in algemene termen hebben betwist, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. De rechtbank ziet in hetgeen de [eisers] hebben aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van [gedaagde] en zijn dochter of aan de juistheid van de stelling dat de foto’s het plat boven de poort betreffen.

3.10. De [eisers] hebben in reactie op het verjaringsberoep van [gedaagde] verder gewezen op de ratio van de regeling betreffende verjaring. Zij hebben betoogd dat het doel van verjaring is het dienen van de rechtszekerheid en, in het verlengde daarvan, het algemeen belang. Volgens de [eisers] spelen, gelet op het feit dat het dakterras grotendeels van de buitenwereld is afgeschermd, in dit specifieke geval alleen de belangen van de betrokken partijen een rol en moet het belang van de oorspronkelijke rechthebbende dan het zwaarst wegen. De [eisers] miskennen hiermee dat aan de regeling van de verjaring van een rechtsvordering tot beëindiging van een onrechtmatige toestand mede de gedachte ten grondslag ligt dat het recht zich op een gegeven moment aan de feitelijke situatie dient aan te passen. Op grond van artikel 3:306 BW jo. artikel 3: 314 BW is dit moment aangebroken na verloop van twintig jaren, te rekenen vanaf de dag, volgende op die waarop de onmiddellijke opheffing van de onrechtmatige toestand kan worden gevorderd. Ten tijde van het hier aan de orde zijnde beroep op verjaring was de genoemde termijn al ruimschoots verstreken. Het beroep op verjaring slaagt derhalve. De vorderingen van de [eisers] die strekken tot beëindiging van de onrechtmatige toestand zullen worden afgewezen.

3.11. Hetgeen in het tussenvonnis van 12 september 2012 en hiervoor in dit vonnis is overwogen leidt tot de conclusie dat in conventie voor recht zal worden verklaard dat de [eisers] eigenaar zijn van het plat boven de poort en dat in reconventie de gevorderde verklaring voor recht betreffende het kantoor zal worden afgegeven, terwijl de overige vorderingen die partijen over en weer hebben ingesteld zullen worden afgewezen. Dat geldt ook voor de zowel in conventie als in reconventie gevorderde uitvoerbaar bij voorraad¬verklaring, nu uit het voorgaande en hetgeen hierna over de proceskosten wordt overwogen volgt dat zowel in conventie als in reconventie sprake is van (slechts) een declaratoir vonnis. Het vonnis is derhalve naar haar aard niet voor executie vatbaar en kan dus ook niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

3.12. Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten – zowel in conventie als in reconventie – worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

4. De beslissing

De rechtbank

in conventie

4.1. verklaart voor recht dat de [eisers] eigenaar zijn van het gedeelte boven het poortgebouw, dat onderdeel uitmaakt van het perceel bekend als [adres],

4.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

4.3. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

4.4. verklaart voor recht dat [gedaagde] eigenaar is van het door hem in bezit genomen afgescheiden gedeelte (‘het kantoortje’) van het perceel kadastraal bekend [adres 2],

4.5. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

4.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Damsteegt-Molier en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2013.

2171/2148