Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:BZ2365

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
26-02-2013
Zaaknummer
C/10/390394 / HA ZA 11-2065
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres sub 4 heeft in een Belgische kliniek een borstoperatie laten uitvoeren door een in die kliniek werkzame Nederlandse arts. Belgisch recht op het gestelde onrechtmatig handelen van toepassing.

De andere drie eiseressen hebben door dezelfde arts een borstoperatie laten uitvoeren in een Nederlandse kliniek.

Gedaagde heeft zich jegens eiseressen als chirurg gepresenteerd terwijl hij in werkelijkheid gynaecoloog was. Door deze onjuiste indruk te wekken, heeft gedaagde in strijd gehandeld met de van een redelijk handelend en redelijk bekwaam arts te verwachten en te betrachten zorgvuldigheid.

Gedaagde is aansprakelijk voor de schade die eiseressen hebben geleden als gevolg van het feit dat zij door hem niet correct zijn geinformeerd.

Van belang hierbij is of voldoende aannemelijk is dat de gestelde klachten zich ook hadden voorgedaan in de hypothetische situatie dat zij zich door een plastisch chirurg hadden laten opereren. Deskundigenonderzoek.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg
Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg 17
Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg 36
Wet conflictenrecht onrechtmatige daad
Wet conflictenrecht onrechtmatige daad 5
Wet conflictenrecht onrechtmatige daad 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2013/40
JA 2013/66 met annotatie van prof. dr. R.W.M. Giard
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Afdeling privaat

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/390394 / HA ZA 11-2065

Vonnis van 23 januari 2013

in de zaak van

1. [eiser 1],

wonende te Amsterdam,

2. [eiser 2],

wonende te Rotterdam,

3. [eiser 3],

wonende te Almere,

4. [eiser 4],

wonende te Schiedam,

eiseressen,

advocaat mr. C.R. Jansma,

tegen

[gedaagde],

wonende te Vlaardingen,

gedaagde,

advocaat mr. I.H.M. Baas.

Eiseressen zullen hierna gezamenlijk [eisers] en ieder afzonderlijk [eiser 1], [eiser 2], [eiser 3] en [eiser 4] genoemd worden.

Gedaagde zal hierna [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 15 februari 2012 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

- het proces-verbaal van de op 23 april 2012 gehouden comparitie van partijen;

- de akte na comparitie van partijen van [eisers], met producties;

- de antwoordakte na comparitie van partijen van [gedaagde], met producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast:

Ten aanzien van [eisers]

2.1. [gedaagde] is gynaecoloog. Vanaf 2000 is [gedaagde] zich gaan toeleggen op de esthetische chirurgie. Van april 2005 tot juni 2009 was [gedaagde] als zelfstandig chirurg werkzaam in de [Kliniek] (hierna: [Kliniek]), waar hij cosmetische en gynaecologische ingrepen verrichtte. In het voorjaar van 2008 heeft [gedaagde] de [Kliniek 2] (hierna: [Kliniek 2]) geopend alwaar hij tot juni 2009 cosmetische behandelingen, waaronder met name borstvergrotingen, heeft uitgevoerd.

[gedaagde] heeft bij [eisers] borstvergrotende operaties uitgevoerd. [eisers] hebben voorafgaand aan de borstvergrotende operaties een informed consent formulier ondertekend, dat voor zover van belang inhield: "Op verzoek van de behandelende chir[gedaagde] […] geeft […] uitdrukkelijke toestemming voor de geplande ingreep […]."

2.2. [eisers] hadden na die borstoperaties aanhoudende klachten. Zij hebben zich ter zake van die klachten (na enige tijd) onder behandeling van een medisch specialist gesteld.

2.3. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna: de Inspectie) heeft bij brief d.d.

28 juni 2009 het volgende aan [Kliniek 2] bericht:

"Tevens heeft de inspectie tijdens het inspectiebezoek vastgesteld dat de in de instelling werkzame beroepsbeoefenaar, de heer [gedaagde], gynaecoloog, onvoldoende blijk heeft gegeven te beschikken over actuele kennis van de geldende normen, bijvoorbeeld ten aanzien van hygiëne en infectiepreventie. Daarnaast gaf hij aan bepaalde ingrepen, bijvoorbeeld borstvergrotende operaties, niet uit te voeren volgens de in Nederland gebruikelijke technieken."

2.4. In verband met een door de Inspectie ingediende klacht over een aantal door [gedaagde] uitgevoerde borstvergrotingen, heeft het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te ’s-Gravenhage bij beslissing van 11 mei 2010 de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het register ex artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg aan [gedaagde] opgelegd en zijn inschrijving in het BIG-register met onmiddellijke ingang geschorst. [gedaagde] heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezond¬heids¬zorg te ’s-Gravenhage. Het Centraal Tuchtcollege heeft bij beslissing van 23 juni 2011 het hoger beroep verworpen. Tegen deze beslissing heeft [gedaagde] beroep ingesteld bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) te Straatsburg.

2.5. [eisers] hebben [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade tengevolge van de door hem uitgevoerde borstoperaties. Na daartoe op 14 oktober 2011 verkregen verlof hebben [eisers] conservatoir beslag doen leggen op de eigendommen van [gedaagde].

Ten aanzien van [eiser 4]

2.6. Op 18 januari 2007 heeft [gedaagde] bij [eiser 4] een borstvergrotende operatie aan beide borsten uitgevoerd welke operatie in [Kliniek] heeft plaatsgevonden. Voorafgaand aan de operatie heeft [eiser 4] een "Verklaring geïnformeerde toestemming" ondertekend, die voor zover van belang inhield: "Op verzoek van de behandelende chirurg, dr. [gedaagde] […] geeft […] [eiser 4], [eiser 4] […] uitdrukkelijke toestemming voor de geplande ingreep […]."

Na de behandeling ontstonden klachten aan de linkerborst. Nadat [eiser 4] in verband met deze klachten een aantal keren bij [gedaagde] is geweest, heeft zij zich onder behandeling gesteld van dr. [A], plastisch chirurg, van de Kliniek [X] (hierna: [A]).

2.7. [A] heeft bij brief van 24 september 2009 aan de raadsman van [eiser 4] het volgende bericht:

"Op 26-08-2009 zag ik mevrouw [eiser 4] op onze polikliniek voor een eerste consult i.v.m. pijnlijke borsten en kapselvorming, status na mamma-augmentatie in 2007 in [Kliniek] […] door Dr. [gedaagde].

[…]

Postoperatief ontwikkelde zich een nabloeding in de linkerborst. Hier volgde geen actie op. Door de hematoomvorming vervormde de pocket, uiteindelijk werd in november 2007 een pocketrevisie links verricht. Het litteken aan de linkertepel is na deze ingreep breder geworden. In september 2008 bezocht patiënte [Kliniek] nogmaals i.v.m. bobbels in de borsten, m.n. aan de linkerborst onder de tepel. Correctie hiervan heeft nooit plaatsgevonden.

Bij onderzoek zag ik asymmetrie van de mammae, links groter dan rechts.

Het litteken van de tepelincisie loopt dwars door de tepelhof. De sensibiliteit van de tepel is verstoord. Bij palpatie constateerde ik dat de prothese zich links deels onder de borstspier bevindt en rechts geheel boven de spier. Er is sprake van forse kapselvorming en er is krachtsverlies van de pectoralis major."

Bij brief d.d. 16 februari 2010 heeft [A] het volgende aan de raadsman van [eiser 4] bericht:

"Op 9-12-2009 zag ik mevrouw [eiser 4] op onze polikliniek i.v.m. steeds meer pijnklachten links, ze kon bijna niets meer doen met haar linkerarm.

Op 16-12-2009 werd in overleg met patiënte besloten om de beide prothesen te verwijderen om de pijn te verminderen. Hiertoe werd op 18-12-2009 een machtiging aangevraagd bij de verzekering, waarvoor goedkeuring werd verleend.

Op 18-01-2010 werd patiënte geopereerd in ZBC Kliniek [X], de prothesen werden verwijderd […].

De linkerprothese was gedeeltelijk tussen de spier geplaatst, hetgeen de pijnklachten veroorzaakt heeft. De rechterprothese was geheel onder de pectoralis major geplaatst in een te kleine pocket.

[…]

Op de foto’s van de prothesen […] is te zien dat de linkerprothese duidelijk inkepingen vertoont in de circumferentie van de prothese t.g.v. inklemming tussen de vezels van de m.pectoralis major links. De rechterprothese vertoont een diepe plooi doordat de pocket rechts niet groot genoeg is gemaakt. […]

Bij controle op 10-02-2010 waren er geen pijnklachten meer en patiënte kan de linkerarm weer gewoon gebruiken."

Ten aanzien van [eiser 3]

2.8. Op 12 juli 2008 heeft [gedaagde] bij [eiser 3] een borstvergrotende operatie aan beide borsten uitgevoerd welke operatie in [Kliniek 2] heeft plaatsgevonden. [eiser 3] heeft voorafgaand aan deze operatie een "INFORMED CONSENT FORMULIER – GEÏNFORMEERDE TOESTEMMING" ondertekend, dat voor zover van belang inhield:

"Op verzoek van de behandelende chirurg, [gedaagde] […] geeft […] [eiser 3] [eiser 3] […] uitdrukkelijke toestemming voor de geplande ingreep […]."

[eiser 3] is op 18 juli 2008 en 18 oktober 2008 voor controle naar [gedaagde] geweest. De huisarts van [eiser 3], [B], heeft bij brief d.d. 25 mei 2010 het volgende aan een collega bericht:

"betreft: Mw. [eiser 3]

[…]

Over de ingreep zelf […] kan ik u dus ook niks vertellen.

Wel komt mijn patiënt ruim een jaar later op mijn spreekuur omdat de ingreep moeizaam is verlopen en het herstel niet naar wens is gegaan.

Ik onderzoek inderdaad haar borsten en merk de asymmetrie op en de lelijke littekenvorming. zie mijn onderstaande journaalregels.

10-05-10 S houdt last van borsten. hangende borsten en

S lelijke littekens.

O bdz re>li keloid vorming van littekens. ook rond

O tepels.

O assymetrisch en hangende borsten.

E last borsten

P gaat naar plastisch chirurg ivm vraag of hier nog

P iets aan te doen is."

2.9. Bij brief d.d. 25 mei 2010 heeft [C], plastisch chirurg, het volgende aan de medisch adviseur van de raadsman van [eiser 3] bericht:

"Op 11 mei 2010 zag ik mevrouw [eiser 3] […]. Zij was verwezen door haar huisarts voor beoordeling van haar borsten na een eerdere operatie in juli 2008. Patiënte vertelde dat zij was geopereerd door dokter [gedaagde] in de [Kliniek 2]. De reden van de operatie was het feit dat zij slappe borsten had overgehouden na een eerdere zwangerschap. Voor de operatie, vertelde patiënte, had zij een B cup en zij had aangegeven dat zij alleen een borstlift wenste te ondergaan zonder dat de omvang zou toenemen. Echter adviseerde de behandelend arts om toch een prothese te plaatsen. Thans heeft zij een C/D cup. Patiënte gaf aan dat drie maanden na de operatie al weer sprake was van enige ptosis van de borsten.

lichamelijk onderzoek: beiderzijds ptotische borsten. Waarbij moet worden aangetekend dat de rechter prothese hoger staat dan links. Beiderzijds is er sprake van hypertrofische littekens om de tepelhof. Tevens zijn er brede littekens in de vorm van een Wise-patroon. Waarbij opvalt dat het horizontale litteken ruim boven de IMF staat.

Ik heb met patiënte besproken dat er een mogelijkheid is tot een heroperatie waarbij er wederom een borstlift zal worden verricht met het corrigeren van de littekens. Tevens zullen de huidige borstprothesen moet worden vervangen cq. worden herplaatst."

Ten aanzien van [eiser 1]

2.10. Op 6 februari 2009 heeft [gedaagde] bij [eiser 1] een borstvergrotende operatie aan beide borsten uitgevoerd welke operatie in [Kliniek 2] heeft plaatsgevonden.

[eiser 1] heeft voorafgaand aan deze operatie een "INFORMED CONSENT FORMULIER – GEÏNFORMEERDE TOESTEMMING" ondertekend dat voor zover van belang inhield:

"Op verzoek van de behandelende chirurg, [gedaagde] […] geeft […] [eiser 1] […] uitdrukkelijke toestemming voor de geplande ingreep […]."

Na de behandeling ontstonden klachten aan de linkerborst van [eiser 1]. [eiser 1] is hiervoor een aantal keren naar [gedaagde] geweest. Na doorverwijzing door de huisarts heeft [eiser 1] zich op 30 juni 2009 gewend tot de afdeling plastische chirurgie van het [gasthuis] te Amsterdam (hierna: het OLVG).

2.11. Dr. [D], plastisch chirurg, van het OLVG heeft bij brief d.d. 6 mei 2010 het volgende aan de raadsman van [eiser 1] bericht:

"Patiënte is door de huisarts naar ons toegestuurd in verband met een wondje aan haar rechter borst welke was ontstaan na een operatie 06-02-2009 in verband met de wens tot mamma-augmentatie door de [Kliniek 2]. […] waarbij er een transareolaire incisie was gebruikt beiderzijds.

Patiënte gaf aan dat er een tweetal problemen waren ten eerste een wondje aan de linker borst waaruit sereus vocht afkomstig was, tevens had patiënte harde borsten waarvoor zij op de lijst stond voor een capsulectomie in de [Kliniek 2] […]

Wij zagen patiënte met een transareolaire incisie met pre prepectorale augmentatie, met aan de linker borst een klein wondje. Gezien onze diagnose over welke infectie het betrof in verband met het wondje werd bij patiënte op korte termijn een MRI gemaakt welke geschiedde op 01-07-2009 waarbij er een intracapsulaire ruptuur gezien werd met toename in omvang van de linker prothese en een duidelijke lymfadenopathie van de linker oksel welke onze diagnose ondersteunde.

Patiënte werd op 09-07-2009 geopereerd waarbij de protheses beiderzijds werden verwijderd door een inframammaire incisie en tevens werd de linker mamma welke per operatief sereus vocht en pus bevatte gespoeld en er werden penrose-drains achter gelaten.

Het post-operatief beloop was ongecompliceerd waarbij de mamma goed genas.

Op 31-07-2009 zagen wij patiënte retour waarbij er geen tekenen van infectie waren, de linker tepel was ingetrokken en het litteken was evident zichtbaar.

[…]

Patiënte is op 19-01-2010 opnieuw gezien door mijn collega drs. [E] waarbij er een aanvraag is gedaan voor een littekencorrectie van de eerdere operatie."

Ten aanzien van [eiser 2]

2.12. Op 14 maart 2009 heeft [gedaagde] bij [eiser 2] een borstvergrotende operatie aan beide borsten uitgevoerd welke operatie in [Kliniek 2] heeft plaatsgevonden.

[eiser 2] heeft voorafgaand aan deze operatie een "INFORMED CONSENT FORMULIER – GEÏNFORMEERDE TOESTEMMING" ondertekend dat voor zover van belang inhield:

"Op verzoek van de behandelende chirurg, [gedaagde] […] geeft […] [eiser 2] […] uitdrukkelijke toestemming voor de geplande ingreep […]."

Na de behandeling ontstonden klachten aan de rechterborst van [eiser 2]. In mei 2009 is [eiser 2] hiervoor twee keer naar [gedaagde] geweest. Na doorverwijzing door de huisarts heeft [eiser 2] zich op 13 juli 2009 gewend tot dr. [F], plastisch chirurg, van de [Y] (hierna: dr. [F]).

2.13. Dr. [F] heeft bij brief d.d. 6 november 2009 het volgende aan zijn collega

drs. [G] (huisarts van [eiser 2]) bericht:

"Betreft: [eiser 2] […]

Op 13 juli 2009 zag ik voor de eerste keer op mijn spreekuur bovenvermelde patiënte met een probleem met de rechter borst prothese."

[…]

ANAMNESE/KLACHT:

Al vanaf het begin zou de rechter borst niet goed zijn genezen, met veel pijnklachten, roodheid en hard aanvoelen.

[…]

ONDERZOEK/DIAGNOSE:

Transareolaire huid incisie met duidelijk een dreigende perforatie van de vliesdunne tepelhof aan de rechter zijde, met pijnklachten en duidelijk hard aanvoelend van de rechter borstprothese.

De linker borst voelt soepel aan.

Verder zijn er geen bijzonderheden.

[…]

OPERATIE/BEHANDELING:

Beiderzijds prothesewissel met capsulectomie van de rechter borst prothese, via een nieuw te kiezen inframamaire incisie, patiënte accepteert deze litteken.

De operatie zal worden aangevraagd bij de ziektekostenverzekeraar.

VERDER BELOOP:

Patiënte heeft zich op 21 augustus 2009 opnieuw met spoed gemeld, met toenemende klachten van de rechter borst. Bij onderzoek is er nu sprake van een perforatie door de tepelhof heen rechts. Zodoende is diezelfde dag de prothese verwijderd onder algehele narcose.

De pocketholte is gespoeld met betadine jodium.

De patiënte is 1 nacht in de kliniek gebleven. […]

Bij controle op 30 oktober 2009 geeft patiënte aan dat de pijnklachten nu duidelijk minder zijn, alleen af en toe steken van de rechter borst.

De huid is volledig tot rust gekomen. Wel is het zo dat de tepel en de tepelhof volledig vervormd zijn, met intrekkingen van de tepel, vastzittend op de onderliggende securen. Met de linker borst gaat het nog steeds goed."

2.14. Bij brief d.d. 15 november 2010 heeft dr. [F] het volgende aan drs. [G] bericht:

"Betreft: [eiser 2] […]

Kort samengevat betreft het een patiënte die een augmentatie heeft ondergaan die gecompliceerd is verlopen met ontstekingen rond de tepels, met name aan de rechterzijde. Bij onderzoek is er nog steeds sprake van een chronisch cysteus ontstekingsproces rond de rechtertepel met intrekking van de tepelhof, zeer waarschijnlijk op basis van retentiecysten ten gevolge van littekenweefsel. Ik zal onder antibiotica profylaxe het littekenweefsel excideren en de tepelhof corrigeren voor zover mogelijk."

2.15. Bij e-mailbericht d.d. 1 maart 2012 heeft dr. [F] het volgende aan [eiser 2] bericht:

"Kapselvorming treedt in beginsel pas na jaren op (vanaf 5e jaar).

Indien al binnen 1 jaar kapselvorming optreedt, is dit vaak een gevolg van een complicatie.

In dit geval als gevolg van een infectie van de rechter borstprothese. Dit geeft versneld kapselvorming.

Maar het belangrijkste in uw geval was niet zo zeer het kapsel maar de dreigende perforatie van de prothese door de tepel heen.

Dit mag normaliter niet gebeuren en is het gevolg van de infectie, […] en ongebruikelijke locatie van het litteken."

3. De vordering

3.1. [eisers] vorderen, na eiswijziging, dat de rechtbank, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht verklaart dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [eisers] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van de onjuiste uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst die zij met [gedaagde] gesloten hebben en de daaruit volgende handelingen die [gedaagde] uitgevoerd en/of nagelaten heeft, zoals omschreven in de dagvaarding, althans, subsidiair voor wat betreft [eiser 4], de onrechtmatige daad van [gedaagde];

2. [gedaagde] veroordeelt om aan [eisers] te betalen de door hen geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met wettelijke rente;

3. [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser 1] € 13.344,93, aan [eiser 2] € 13.756,66, aan [eiser 3] € 15.112,50 en aan [eiser 4] € 15.201,28 te betalen als voorschot op de door hen geleden en nog te lijden schadevergoeding;

4. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, daaronder begrepen de nakosten,

althans

5. een beslissing neemt die de rechtbank redelijk acht.

3.2. [eisers] voeren daartoe het volgende aan:

Voorfase (informed consent)

3.2.1. [gedaagde] is jegens [eisers] toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van de met hen gesloten overeenkomsten inzake geneeskundige behandeling. [gedaagde] heeft bij de uitvoering van de behandelingsovereenkomsten in strijd gehandeld met de artikelen 7:448 BW (informatieplicht), 7:450 BW (toestemmings¬vereiste) en 7:453 BW (goed hulpverlener¬schap) waardoor [eisers] schade hebben geleden en nog zullen lijden.

[gedaagde] heeft [eisers] niet volledig en niet juist geïnformeerd over (i) zijn specialisatie, (ii) de door hem gehanteerde snijtechniek en (iii) de door hem gehanteerde operatie¬techniek. Indien [eisers] de juiste informatie hadden gekregen, zouden zij geen toestemming aan [gedaagde] hebben gegeven voor het uitvoeren van de borstvergrotende operaties.

Doordat [gedaagde] niet heeft voldaan aan de vereisten van hygiëne en infectie¬preventie is de kans op de problemen die zich bij [eisers] hebben voorgedaan vergroot dan wel verwezenlijkt.

3.2.2. Op de behandelingsovereenkomst met [eiser 4] is Nederlands recht van toepassing. Indien ten aanzien van [eiser 4] wordt geoor¬deeld dat de behandelings¬overeen¬¬komst niet met [gedaagde] maar met [Kliniek] is gesloten, geldt dat [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser 4] heeft gehandeld en hij de daaruit voortvloeiende schade dient te vergoeden. Ook in dat geval is Nederlands recht van toepassing.

Hoofdfase (ingreep) en nafase (nabehandeling)

Ten aanzien van [eiser 4]

3.2.3. De ingreep is niet uitgevoerd zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend arts mag worden verwacht. Er was sprake van asymmetrische borsten, de pocket was te klein gemaakt en er was littekenvorming dwars door de tepelhof. [gedaagde] heeft niet ingegrepen nadat [eiser 4] hem confronteerde met een aanzienlijk grotere linkerborst. Ondanks, ook na de op 2 mei 2007 door [gedaagde] uitgevoerde pocketrevisie, aanhoudende klachten aan haar linkerborst heeft [gedaagde] niet dan wel onjuist ingegrepen. De in september 2008 geplande tweede pocketrevisie is niet uitgevoerd aangezien [eiser 4], op het moment dat zij voor die behandeling in de operatiekamer was en [gedaagde] binnenkwam, daarvan heeft afgezien.

Ten aanzien van [eiser 3]

3.2.4. De ingreep is niet uitgevoerd zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend arts mag worden verwacht. Er is sprake van asymmetrische, hangende, borsten en lelijke littekens. [gedaagde] had naar aanleiding van de klachten van [eiser 3] na de operatie direct een hersteloperatie moeten uitvoeren en niet eerst een jaar moeten wachten. [gedaagde] heeft ten onrechte een afwachtende houding ingenomen. Hij heeft [eiser 3] meegedeeld dat het normaal is dat de borsten binnen korte tijd weer zijn gaan hangen, dat de grote en lelijke littekens bij de ingreep horen, en dat hij pas over één jaar een hersteloperatie bij [eiser 3] zou gaan uitvoeren.

Ten aanzien van [eiser 1]

3.2.5. [gedaagde] heeft niet de zorg van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot betracht. [gedaagde] heeft, ondanks dat [eiser 1] last bleef houden van haar linkerborst, niet ingegrepen en derhalve niet voldaan aan zijn zorgplicht ex artikel 7:453 BW. Ondanks dat er vocht uit de wond aan de linkerborst bleef vloeien en [gedaagde] aan [eiser 1] had meegedeeld dat haar lichaam de protheses aan het afstoten was, heeft hij niet ingegrepen.

Ten aanzien van [eiser 2]

3.2.6. [gedaagde] heeft niet gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend arts mag worden verwacht. Hij heeft de pockets niet ruim genoeg gemaakt, de tepels zijn door de operatie vergroot en hierdoor naar binnen gevallen. Er is een infectie ontstaan.

[eiser 2] is vanwege aanhoudende (pijn)klachten aan haar rechterborst meerdere keren teruggegaan naar [gedaagde]. [gedaagde] weigerde echter (tijdig) in te grijpen.

Schade

3.3. Als gevolg van bovengenoemde tekortkomingen van [gedaagde] jegens [eisers] hebben [eisers] schade geleden en lijden zij nog steeds schade. De schade tot dusver van [eiser 4] bedraagt in totaal € 15.201,28, die van [eiser 3] € 15.112,50, die van [eiser 1]

€ 13.344,93 en die van [eiser 2] € 13.756,66.

4. Het verweer

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [eisers] in de kosten van de procedure.

Ten aanzien van [eisers]

4.1. De door [eisers] aangehaalde tuchtrechtelijke veroordelingen (bedoeld onder 2.4) betreffen volstrekt andere feitencomplexen dan de onderhavige en hebben geen relevantie voor de onderhavige vorderingen. Bovendien is de tuchtrechtelijke kwestie door [gedaagde] voorgelegd aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens omdat in zijn optiek geen sprake is geweest van een eerlijk proces.

4.2. De bevindingen van de Inspectie zijn niet maatgevend voor de beoordeling van de onderhavige vorderingen te meer omdat de door [eisers] gestelde infecties zich in casu

– voor zover bekend – niet bij hen hebben voorgedaan. Zowel de opgetreden kapselvorming als de overige gestelde complicaties houden geen enkel verband met het gestelde verzuim ten aanzien van de hygiëne- en infectiepreventie. Mitsdien dient de omkeringsregel buiten toepassing te blijven.

Voor de beoordeling van de aanspraken van [eiser 4] heeft het rapport van de Inspectie sowieso geen relevantie aangezien die operatie niet in de [Kliniek 2] is uitgevoerd maar in [Kliniek], die aan alle daaraan – naar Belgisch recht – te stellen eisen voldeed.

4.3. De door [eisers] gevorderde schadeposten worden betwist.

Ten aanzien van [eiser 4]

4.4. Niet [gedaagde] maar de naamloze vennootschap [Z] te Genk (België), waarvan [Kliniek] een handelsnaam is, is partij bij de overeenkomst met

[eiser 4]. Op die overeenkomst is Belgisch recht van toepassing. Van onrechtmatig handelen van [gedaagde] is geen sprake geweest. Op de verhouding tussen [eiser 4] en [gedaagde] is Belgisch recht van toepassing.

4.5. [gedaagde] heeft [eiser 4] tijdens de intake op 30 oktober 2006, gelet ook op haar rookgedrag, gewezen op de (verhoogde) risico’s van afstoting en kapselvorming.

Bij [eiser 4] was na de ingreep sprake van kapselvorming. [gedaagde] heeft naar aanleiding van de klachten van [eiser 4] op 2 mei 2007 een pocketrevisie uitgevoerd.

Op 24 septem¬ber 2008 stond geen tweede pocketrevisie gepland. Op die dag is aan [eiser 4], die toen zonder afspraak de operatiekamer binnenkwam, meegedeeld dat haar alleen een litteken¬correctie was toegezegd en dat de resterende bobbel in haar linker borst niet goed weg te werken is.

De bevindingen van [A] zijn niet maatgevend aangezien deze dateren van twee jaar na de laatste ingreep. Betwist wordt dat dwars door de tepelhof een incisie is gemaakt. Derhalve kan van sensibiliteitsverlies geen sprake zijn geweest. Van de door [A] gestelde postoperatieve nabloeding is geen sprake geweest, daarvan is in het medisch dossier geen aantekening gemaakt. De overige bevindingen worden bij gebrek aan weten¬schap betwist.

Ten aanzien van [eiser 3]

4.6. [eiser 3] heeft eerst twee jaar na de ingreep kenbaar gemaakt dat zij niet tevreden was over het resultaat. Gelet op artikel 6:89 BW heeft zij niet tijdig geprotesteerd waardoor haar vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt.

4.7. [gedaagde] betwist dat hij niet lege artis zou hebben gehandeld. De overgelegde medische informatie van de huisarts en drs. [H] dateert van twee jaar na de ingreep waardoor zeker niet denkbeeldig is dat de borsten, mogelijk door tijdsverloop, toen al weer enigszins zijn gaan hangen. Littekenvorming is onvermijdelijk waarbij de zichtbaarheid afhangt van persoonsgebonden factoren. De aanwezigheid van asymmetrie betekent niet dat de kwaliteit van de behandeling onvoldoende is doch is mede afhankelijk van persoons¬gebonden factoren zoals de stand van de borsten voor de ingreep.

Ten aanzien van [eiser 1]

4.8. [gedaagde] heeft aan zijn informatieplicht jegens [eiser 1] voldaan. Betwist wordt dat hij [eiser 1] niet of onvoldoende heeft gewezen op de risico’s van de borstvergrotende operatie, waaronder het (verhoogde) risico van kapselvorming en ontsteking bij roken.

Er is bij [eiser 1] geen sprake geweest van een infectie of ontstekingsverschijnselen. Om die reden is geen scan gemaakt. Omdat wel sprake was van kapselvorming is met [eiser 1] een afspraak gemaakt voor een pocketrevisie, waarbij het littekenweefsel wordt verruimd en de spanning aldus wordt weggenomen. [eiser 1] is op die afspraak echter niet verschenen. Indien die ingreep bij [eiser 1] zou zijn verricht, zouden dezelfde bevindingen zijn gedaan als later in het OLVG.

Ten aanzien van [eiser 2]

4.9. Betwist wordt dat [gedaagde] de pockets niet ruim genoeg gemaakt heeft en dat de tepels door de operatie zijn vergroot en naar binnen zijn gevallen. [gedaagde] heeft niet geweigerd om naar aanleiding van de klachten van [eiser 2] in te grijpen. De hersteloperatie was immers al gepland. Van een infectie is geen sprake geweest.

5. De beoordeling

Ten aanzien van [eiser 4]

5.1. [eiser 4] heeft primair wanprestatie en subsidiair onrechtmatig handelen aan haar vordering ten grondslag gelegd. De rechtbank is van oordeel dat de primaire grondslag geen doel treft omdat [gedaagde] geen partij is bij de met [eiser 4] gesloten behandelings¬overeen¬komst. Daartoe wordt het volgende overwogen.

De behandelingsovereenkomst

5.2. In de als productie 29 bij dagvaarding overgelegde pagina’s van de patiënten informatie¬brochure "BORSTVERGROTING" wordt door [Kliniek] (medische) informatie aan de patiënt verstrekt over de risico’s van een borstvergroting, de keuze en de kwaliteit van de implantaten, de narcose en het postopera¬tieve herstel.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser 4] ter zake de bij haar uitgevoerde borst¬operatie van [Kliniek] een factuur heeft ontvangen. Aangenomen moet worden dat zij het betrokken bedrag ook aan die kliniek heeft betaald. Niet gesteld of gebleken is dat [eiser 4] het bedrag voor de operatie aan [gedaagde] heeft betaald en/of dat betaling achterwege is gebleven.

Uit de door [eiser 4] als productie 90 overgelegde e-mail van [Kliniek] blijkt dat het medisch dossier van [eiser 4] op haar verzoek en tegen betaling van een bedrag van € 50,-- door [Kliniek] aan [eiser 4] is verstrekt. De rechtbank leidt hieruit af dat [Kliniek] de medische dossiers, waaronder dat van [eiser 4], ter bewaring onder zich houdt. Dat wijst erop dat zij meent dat deze dossiers aan haar

toebe¬horen.

5.3. [eiser 4] heeft ter onderbouwing van haar stelling dat de behandelingsovereen¬komst met [gedaagde] is gesloten, verwezen naar de als productie 1 bij conclusie van antwoord overge¬leg¬de verklaring van mevrouw [I], bestuurder van [Z] (Wellness Kliniek), waarin is vermeld: "[gedaagde] is als zelfstandig chirurg werkzaam binnen [Kliniek]". Naar het oordeel van de rechtbank staat het feit dat [Kliniek] voor de uitvoering van de operaties gebruik maakt van op zelfstandige basis opererende artsen en chirurgen er niet aan in de weg dat de behandelings¬overeenkomst met [Kliniek] kan zijn gesloten. Immers, indien een rechts¬persoon zich in de uitoefening van een genees¬kundig bedrijf verbindt tot het verrichten van handelingen op het gebied van de geneeskunst, ligt het in de rede dat een natuurlijk persoon met de uitvoering daarvan wordt belast en het contact met de patiënt onderhoudt. Daarbij is niet van belang of de natuurlijk persoon al dan niet in dienst is van de rechtspersoon.

5.4. [eiser 4] heeft nog gesteld dat de bij haar verrichte operatie niet heeft plaats¬gevon¬den in een ziekenhuis als bedoeld in artikel 7:462 BW maar in een privé¬kliniek zodat, aldus [eiser 4], geconclu¬deerd moet worden dat de behandelings¬over¬eenkomst met [gedaagde] is gesloten. Genoemd artikel is met name bedoeld om te voorzien in een "centraal adres" voor de patiënt die zijn schade wil verhalen. Om die reden is in het artikel de aansprake¬lijkheid van het ziekenhuis als een contractuele geconstrueerd: het ziekenhuis wordt – als het zelf geen partij is bij de overeen¬komst – ter zake van tekortkomingen bij de uitvoering van de behandelings¬overeen¬komst, voor zover die binnen zijn muren plaatsvinden, aanspra¬ke¬¬lijk gesteld als ware het zelf bij die overeenkomst partij.

Dit artikel geldt derhalve in de situatie dat sprake is van een tekortkoming van de arts die partij is bij de behandelings¬overeenkomst en die tekortkoming binnen het ziekenhuis plaatsvindt. Dit is een oplossing voor een ander probleem, dat niet vergelijkbaar is met dat in het onderhavige geval waar [eiser 4] niet de kliniek aansprakelijk stelt voor fouten van [gedaagde], maar juist [gedaagde] zelf aanspreekt en in dat verband ter discussie staat of [gedaagde] dan wel [Kliniek] partij bij de behandelingsovereenkomst is. Daarnaast volgt uit het enkele feit dat de bij [eiser 4] uitgevoerde operatie niet heeft plaats¬gevon¬den in een ziekenhuis als bedoeld in voornoemd artikel, indien al juist, niet dat de behan¬delings¬overeenkomst met [gedaagde] is gesloten.

5.5. [eiser 4] heeft nog verwezen naar rechtsover¬we¬ging 4.2 van het vonnis van deze rechtbank van 24 novem¬ber 2010 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN nummer BO7879). De rechtbank heeft in dat vonnis als vaststaand aangenomen dat tussen [gedaagde] en eiseres sub 2, die in [Kliniek] door [gedaagde] is geopereerd, een behandelings¬overeenkomst tot stand is gekomen. Daarbij achtte de rechtbank doorslag¬gevend de omstandigheid dat [gedaagde] (aanvankelijk) in rechte had erkend dat tussen hem en eiseres sub 2 een behande¬lings¬overeenkomst is geslo¬ten en de rechtbank, mede vanwege die gerechtelijke erkentenis, het (eerst bij conclusie van dupliek gevoerde) verweer van [gedaagde] dat hij geen partij is bij de met eiseres sub 2 gesloten behandelings¬overeenkomst, gepasseerd heeft. Aangezien [gedaagde] in de onderhavige zaak bij conclusie van antwoord gemotiveerd heeft betwist dat hij partij bij de behandelings¬overeen¬komst is, is de onderhavige casus op dit punt niet vergelijkbaar met die in het vonnis van 24 november 2010.

5.6. De vorenstaande feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, gaat de rechtbank er vanuit dat [gedaagde] geen partij is bij de met [eiser 4] gesloten behandelingsovereenkomst. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan de (primaire) stelling van [eiser 4] dat [gedaagde] jegens haar toereken¬baar tekortgeschoten is in de nakoming van de behandelingsovereenkomst. Daarmee komt de rechtbank toe aan hetgeen [eiser 4] subsidiair aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, te weten onrechtmatig handelen van [gedaagde]. Alvorens daarop in te gaan, dient eerst het toepasselijke recht te worden bepaald. Er is immers sprake van een internationaal kader nu [eiser 4] in een in België gevestigde kliniek is geopereerd door [gedaagde] die in die kliniek als Nederlandse arts werkzaam was.

Toepasselijk recht

5.7. Volgens [eiser 4] heeft het gestelde onrechtmatige handelen zich voor, tijdens en na de borstoperatie op 18 januari 2007 voorgedaan. Vaststaat dat [gedaagde] op 2 mei 2007 een pocketrevisie bij [eiser 4] heeft uitgevoerd. Uit het als productie 44 bij dagvaar¬ding overge¬leg¬de medische dossier blijkt dat [eiser 4] vervolgens in juli 2007 voor controle bij [gedaagde] is geweest en dat zij voor het laatst in september 2008 bij hem is geweest. Dit betekent dat het gestelde onrechtmatige handelen zich heeft voorgedaan in de periode van januari 2007 tot en met september 2008.

De vraag naar het toepasselijk recht ten aanzien van vorderingen die gegrond zijn op een onrechtmatige daad dient te worden beantwoord aan de hand van de Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet contractuele verbintenissen (Rome II Verordening). De Rome II Verordening vervangt de Wet conflicten¬recht onrechtmatige daad (hierna: Wcod).

Artikel 32 van de Rome II Verordening bepaalt dat de verordening (met uitzondering van artikel 29) toepasselijk is vanaf 11 januari 2009. Gelet op artikel 31 van de Rome II Verordening ziet deze verordening op schadeveroorzakende gebeurte¬nissen die zich voordoen na de inwerkingtreding daarvan. Bij gebreke van een datum in artikel 31 geldt dat de Rome II Verordening, conform artikel 254 EG-verdrag, in beginsel in werking is getreden 20 dagen na publicatie in de "Official Journal", derhalve op 20 augustus 2007. Dit betekent dat de conflictregels uit deze verordening al gelden vanaf 20 augustus 2007 doch eerst vanaf 11 januari 2009 worden toegepast door de gerechten. Aangezien onduidelijk is hoe hiermee om te gaan bij schadeveroorzakende gebeurtenissen die zich in de tussentijd hebben voorgedaan, zoals in casu het geval is, wordt in de literatuur bepleit de conflictregels in dergelijke gevallen niet toe te passen indien dit ten opzichte van de oude regeling (Wcod) tot andere uitkomsten leidt (Dr. [J], The Rome II Regulation on the Law Applicable to Non-Contractual Obligations: The European private international law tradition continued, NIPR nr. 4, Themanummer Rome II verordening 2008, p. 414-424).

Naar het oordeel van de rechtbank leidt de toepassing van de conflictregels van de Rome II Verordening en die van de Wcod in het onderhavige geval tot dezelfde uitkomst, namelijk de toepasselijkheid van Belgisch recht. Daartoe wordt het volgende overwogen.

5.7.1. Ingevolge de hoofdregel van artikel 3 lid 1 Wcod wordt een verbintenis uit onrechtmatige daad, behoudens rechtskeuze, in beginsel beheerst door het recht van de staat waar de daad plaats¬vond. Een rechtskeuze is gesteld noch gebleken. Artikel 3 lid 3 Wcod bepaalt dat indien dader en benadeelde in dezelfde staat hun gewone verblijf¬plaats onder¬scheidenlijk plaats van vestiging hebben, in afwijking van het eerste en tweede lid het recht van die staat van toepassing is (in casu: Nederlands recht).

Artikel 5 Wcod bepaalt dat, indien een onrechtmatige daad nauw verbonden is met een tussen dader en benadeelde bestaande of gewezen rechtsverhouding, in afwijking van artikel 3 op de verbintenis uit onrechtmatige daad het recht kan worden toegepast dat die andere rechtsverhouding beheerst.

5.7.2. Artikel 4 lid 1 Rome II bepaalt dat het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad het recht is van het land waar de schade zich voordoet. Lid 2 van dat artikel bepaalt dat indien evenwel degene wiens aansprakelijkheid in het geding is, en degene die schade lijdt, beiden hun gewone verblijfplaats in hetzelfde land hebben op het tijdstip waarop de schade zich voordoet, het recht van dat land van toepassing is (in casu: Nederlands recht).

Artikel 4 lid 3 Rome II bepaalt dat indien uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de onrechtmatige daad een kennelijk nauwere band heeft met een ander land dan het in de leden 1 en 2 bedoelde land, het recht van dat andere land van toepassing is. Een kennelijk nauwere band met een ander land zou met name kunnen berusten op een reeds eerder bestaande, nauw met de onrechtmatige daad samenhangende betrekking tussen de partijen, zoals een overeenkomst.

5.7.3. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval uit het geheel der omstandigheden kan worden afgeleid dat de gestelde onrechtmatige daad een (kennelijk) nauwere band heeft met België (Rome II) en tevens nauw verbonden is met de rechtsverhouding die voortvloeit uit de overeenkomst tussen [eiser 4] en de kliniek en in het verlengde daarvan, de rechtsverhouding van [eiser 4] met [gedaagde] (Wcod).

De voorvallen (informatie, ingrepen, nazorg) die de onrechtmatige daad vormen zijn immers in België geschied, in een kliniek, voorzien van medicijnen, apparatuur, protocollen en personeel, die, bij gebreke van stellingen of feiten die op dit punt in een andere richting wijzen, naar mag worden aangenomen, conform de in België geldende regels wordt gedreven. De omstandig¬heid dat beide partijen in Nederland wonen is louter toeval. Zo is niet gesteld of gebleken dat [eiser 4] uitsluitend of zelfs maar bij voorkeur door een Nederlandse arts behandeld wenste te worden. Uit hetgeen [eiser 4] ter comparitie heeft gesteld leidt de rechtbank af dat zij zich op het internet uitgebreid geïnformeerd heeft over de diverse aanbieders van dergelijke operaties en dat de informatie over [Kliniek], met name dat deze in vergelijking met andere klinieken goedkoop was, haar heeft doen besluiten om de borst¬vergroting daar te laten uitvoeren. [eiser 4] heeft in dat verband aangegeven dat zij toen nog niet wist dat zij bij [gedaagde] terecht zou komen. [eiser 4] had dus even¬goed door een Belgische arts of een arts van een andere nationaliteit geopereerd kunnen worden. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de gestelde onrechtmatige daad nauw verbonden is met de tussen [Kliniek] en [eiser 4] gesloten overeenkomst. Weliswaar betreft dit niet een reeds eerder bestaande overeenkomst tussen [eiser 4] en [gedaagde], maar dit gegeven ligt in dezelfde lijn als de, slechts bij wijze van voorbeeld, in de wet genoemde situatie dat een eerdere overeenkomst tussen partijen bestaat.

5.7.4. Nu op het gestelde onrechtmatige handelen Belgisch recht van toepassing is, heeft de rechtbank behoefte aan nadere inlichtingen van partijen op dit punt.

De rechtbank zal partijen dan ook in de gelegenheid stellen gespecificeerd en gemotiveerd aan te geven welke wetsarti¬ke¬len uit het Belgisch burgerlijk wetboek van toepassing zijn, wat die wetsartikelen en de op dat punt beschikbare jurisprudentie inhouden, op welke relevante punten het Belgische recht afwijkt/verschilt van het Nederlandse recht en welke rechtsgevolgen zij daaraan verbinden, een en ander zoveel mogelijk onderbouwd aan de hand van relevante bescheiden. De rechtbank denkt daarbij aan legal opinions en/of relevante jurisprudentie/litera¬tuur.

In het navolgende gaat de rechtbank er – voorlopig – van uit dat het Belgische recht op de relevante punten in grote lijnen overeenkomt met het Nederlandse recht.

Onrechtmatig handelen

5.8. [eiser 4] heeft diverse stellingen aan haar vordering ten grondslag gelegd zonder daarbij verschil te maken tussen de primaire en de subsidiaire grondslag. De rechtbank leidt hieruit af dat de gronden die zijn aangevoerd voor wanprestatie dezelfde zijn als die voor onrecht¬matig handelen. Dit betekent dat beoordeeld dient te worden of [gedaagde] – naar Belgisch recht – onrechtmatig jegens [eiser 4] heeft gehandeld door haar niet volledig en niet juist te informeren over zijn specialisatie, over de door hem gehanteerde operatie¬technieken en doordat hij bij de uitvoering van de borstoperaties en de nazorg niet heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam arts had mogen worden verwacht.

5.9. Eén van de verwijten van [eiser 4] aan [gedaagde] luidt dat [gedaagde] zich heeft gepresenteerd als plastisch chirurg terwijl hij in werkelijkheid gynaecoloog was.

Volgens [eiser 4] heeft [gedaagde] tijdens het intakegesprek de indruk gewekt dat hij (plastisch) chirurg was. Zij stelt dat zij meende dat hij chirurg was. Ter comparitie heeft [eiser 4] gesteld dat destijds op de website van [Kliniek] "plastisch chirurg" was vermeld en dat volgens die website alle behandelende artsen chirurg waren. Dat blijkt volgens haar ook uit de informatiebrochure van [Kliniek]. [eiser 4] stelt verder dat [gedaagde] ten tijde van het intakegesprek niet heeft aangegeven dat hij geen chirurg was. [gedaagde] heeft aldus [eiser 4] tenminste in de waan gelaten dat hij (plastisch) chirurg was. Dit blijkt onder andere uit het door haar getekende informed consent formulier, aldus nog steeds [eiser 4].

[gedaagde] betwist dat hij zich heeft gepresenteerd als plastisch chirurg. Hij heeft aangevoerd dat de overgelegde informatiefolder van [Kliniek] niet maatgevend is, dat uit de op de website van [Kliniek] over hem vermelde informatie niet blijkt dat hij plastisch chirurg zou zijn, dat op het door hem in [Kliniek] gebruikte visite¬kaartje de term plastisch chirurg niet wordt gebruikt, en dat hij bevoegd is tot het verrichten van esthetisch chirurgische ingrepen.

5.10. De rechtbank stelt het volgende voorop.

[eiser 4] heeft zich tot [gedaagde] gewend omdat zij een borstcorrectie wenste. Dit vereiste een cosmetische operatie die niet door zorgverzekeraars pleegt te worden vergoed.

Er bestond voor [eiser 4] geen medische noodzaak om een dergelijke operatie te onder¬gaan. Zij had, na correct te zijn geïnformeerd over de voorgestel¬de behandeling, zonder risico voor haar gezondheid kunnen besluiten om daarvan af te zien dan wel om de behan¬de¬ling voor onbepaalde tijd uit te stellen. Juist bij dit type behande¬lingen rust naar het oordeel van de rechtbank op de arts die een dergelijke behandeling uitvoert, een zwaarwegende informatieplicht.

5.11. Vaststaat dat [gedaagde] gynaecoloog is. Niet in geschil is dat [gedaagde] in Nederland nimmer gerechtigd is geweest de afzonderlijk door de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) erkende specialistentitel "chirurg" of een daarvan afgeleide gelijkende benaming – plastisch chirurg – te (laten) voeren. De door [gedaagde] bij [eiser 4] uitgevoerde cosmetische operaties hebben in de kliniek in België plaatsgevonden. In België geldt dat de bijzondere beroepstitels "geneesheer specialist in de heelkunde" (chirurg) en "geneesheer specialist in de plastische, reconstructieve en esthetische heelkunde" (plastisch chirurg) zijn voor¬be¬hou¬den aan artsen met de betreffende opleiding en dat een arts die beroepstitels alleen kan voeren na door de Minister van Volksgezond¬heid hiertoe te zijn erkend (Koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de lijst van bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de beoefenaars van de geneeskunde en Koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheids¬beroepen).

Niet gemotiveerd (door bescheiden onderbouwd) gesteld en evenmin gebleken is dat [gedaagde] in België gerechtigd is geweest de beroepstitels "chirurg" en "plastisch chirurg" te voeren.

5.12. In de door [eiser 4] getekende "Verklaring geïnformeerde toestemming" is vermeld:

"Op verzoek van de behandelend chirurg, dr. [gedaagde]".

In de door [eiser 4] als productie 29 bij dagvaarding overgelegde kopieën van de patiënten informatiebrochure "Borstvergroting" van [Kliniek] is vermeld:

"In [Kliniek] wordt elke borstvergrotende operatie uitgevoerd door een ervaren plastisch chirurg".

Als door [gedaagde] niet betwist, staat voorts vast dat destijds op de website van [Kliniek] stond vermeld dat alle behandelende artsen (plastisch) chirurg zijn.

De bij conclusie van antwoord als productie 18 overgelegde e-mail d.d. 3 september 2009 bevat als bijlage de Nederlandse versie van het curriculum vitae van [gedaagde] zoals dat destijds op de website van [Kliniek] was geplaatst. In dit curriculum vitae is vermeld:

"In dit kader is hij (rechtbank: [gedaagde]) lid van de gerenommeerde American Academy of Cosmetic Surgery, alwaar hij jaarlijks participeert in onderwijs en up to date nascholing."

[…]

"Dr. [gedaagde] is een deskundig borstchirurg met zeer ruime ervaring in dit esthetisch vakgebied."

[…]

"Dr. [gedaagde] speelt een actieve rol als klinisch specialist voor chirurgen in opleiding".

Deze informatie die zijdens de kliniek aan patiënten als [eiser 4] ter beschikking werd gesteld was [gedaagde] bekend en hij heeft niet gesteld dat hij met die vermeldingen niet heeft ingestemd. Dat betekent, dat deze situatie ten opzichte van [eiser 4] gelijk gesteld moet worden met het door [gedaagde] zelf hanteren van deze informatie jegens [eiser 4].

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] zich met de benaming "borstchirurg", mede gelet op het feit dat daaraan is toegevoegd dat hij een actieve rol als klinisch specialist voor chirurgen in opleiding speelt, bediend van de aanduiding "chirurg". Minst genomen heeft hij zich van een op (plastisch) chirurg gelijkende, en bij patiënten verwarring wekkende, benaming bediend.

Door in het informed consent formulier, de patiënten informatie¬brochure en op de website van [Kliniek] de titel van (borst)chirurg te vermelden, werd bij patiënten, en dus ook bij [eiser 4], in strijd met de waarheid de indruk gewekt dat de arts die de cosmetische operatie uitvoert (plastisch) chirurg was.

5.13. Nu [gedaagde], hoewel daartoe niet gerechtigd, de titel "chirurg" heeft gevoerd en zich op de website van de kliniek van de benaming "borstchirurg" heeft bediend, stelt de rechtbank vast dat [gedaagde] zich aldus tegenover [eiser 4] als (plastisch) chirurg heeft gepresenteerd terwijl hij in werkelijkheid gynaecoloog was. Hieraan doet niet af dat, zoals [gedaagde] heeft betoogd, een gynaeco¬loog bevoegd is en bekwaam kan zijn om de betreffende chirur¬gische ingreep te verrichten. Het gaat erom dat [gedaagde] bij [eiser 4] de onjuiste indruk heeft gewekt dat hij gerechtigd was de specialistentitel (plastisch) chirurg te voeren. Waar het gaat om zoiets wezenlijks als het aan een arts toestem¬ming verlenen voor een te verrichten operatie, is essentieel dat die arts geen onjuist beeld creëert of laat bestaan omtrent zijn kwalificaties. Juist gelet op het feit dat bij [eiser 4] een chirurgische ingreep zou worden verricht, heeft [gedaagde], door deze onjuiste indruk te (laten) wekken en te laten bestaan, in strijd gehandeld met de van een redelijk handelend en redelijk bekwaam arts te verwachten en jegens [eiser 4] te betrachten zorgvuldigheid.

5.14. [gedaagde] is jegens [eiser 4] aansprakelijk voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van het feit dat zij door hem niet correct is geïnformeerd.

[eiser 4] heeft ter comparitie gesteld dat indien zij had geweten dat [gedaagde] geen (plastisch) chirurg was, zij niet voor hem had gekozen. Zij had in dat geval gewacht, doorgespaard en de operatie door een ander laten verrichten.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat het zeer de vraag is of [eiser 4] de ingreep niet had laten doen als zij geweten had dat hij geen plastisch chirurg was.

5.15. De rechtbank acht aannemelijk dat [eiser 4] aan [gedaagde] geen toestemming voor de borstvergroting zou hebben gegeven indien hij haar correct zou hebben geïnformeerd over het feit dat hij geen (plastisch) chirurg maar gynaecoloog was. [eiser 4] heeft immers ter comparitie gesteld dat zij op basis van de website van [Kliniek], waarop vermeld stond dat alle behandelende artsen chirurg waren, voor die kliniek had gekozen. Weliswaar heeft zij op de prijs gelet, maar ook op de overige aspecten, zoals dit.

Gelet hierop acht de rechtbank het niet aannemelijk dat [eiser 4] ook toestemming voor de borst¬operatie zou hebben verleend indien [gedaagde] haar correct omtrent zijn kwalificaties zou hebben geïnformeerd. Het had dan ook op de weg van [gedaagde] gelegen concrete feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit kan worden afgeleid dat [eiser 4] niettemin aan hem toestemming voor de borstvergroting zou hebben verleend indien hij haar juist had geïnformeerd. Nu dergelijke feiten of omstandigheden niet door [gedaagde] zijn gesteld, komt de rechtbank aan bewijsvoe¬ring op dit punt niet toe.

5.16. [eiser 4] heeft niet gesteld dat zij van een borstvergroting zou hebben afgezien indien [gedaagde] haar correct omtrent zijn kwalificaties had geïnformeerd. Zij heeft immers enkel gesteld dat zij in dat geval de borstvergroting niet door [gedaagde] had laten doen. [eiser 4] stelt, en de rechtbank acht ook aannemelijk, dat zij zich in dat geval (enige tijd later) door een andere arts had laten opereren en dat zij zich in dat geval voor de door haar gewenste borstver¬groting onder behandeling van een plastisch chirurg zou hebben gesteld.

5.17. In de werkelijke situatie waarin [eiser 4] door [gedaagde] is behandeld, heeft zij zowel na de borstoperatie op 18 januari 2007 als na de hersteloperatie op 2 mei 2007 problemen aan haar linkerborst ondervonden waardoor verdere behandeling noodzakelijk was. [eiser 4] stelt dat vanwege de behandeling door [gedaagde] de sensibiliteit van de tepels (blijvend) is verstoord en dat sprake is van lelijke littekens op haar borsten.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat dezelfde kans op complicaties zou hebben bestaan indien de ingrepen door een plastisch chirurg zouden zijn uitgevoerd. Die kans is even groot. Hij was wel degelijk bekwaam; er is geen sprake geweest van infecties en/of kunstfouten, aldus nog steeds [gedaagde].

5.18. De rechtbank stelt voorop dat het enkele feit dat bij [eiser 4] na de borstoperaties compli¬caties zijn opgetreden, niet meebrengt dat sprake is of moet zijn geweest van (tijdens en/of na die operaties) medisch onzorgvuldig handelen.

Om te kunnen beoordelen of [eiser 4] schade heeft geleden doordat zij niet correct door [gedaagde] is geïnformeerd omtrent zijn kwalificaties, is van belang of voldoende aannemelijk is dat de door [eiser 4] gestelde klachten/complicaties zich ook hadden voorgedaan in de (hypothetische) situatie dat zij zich door een plastisch chirurg had laten opereren. Daarbij zij opgemerkt dat de verschillen tussen de werkelijke en de hypothetische situatie niet alleen de persoon van de behandelend arts en zijn specialisme betreffen, maar ook andere omstan¬dig¬heden die van grote invloed kunnen zijn op de aan een dergelijke behandeling verbonden risico's. Het gaat dan bijvoorbeeld om de (kwaliteit van de) operatieruimte, de operatie¬techniek, de bij de behandeling gebruikte apparatuur en de gebruikte implan¬taten.

In dat verband acht de rechtbank van belang dat [eiser 4] stelt en [gedaagde] betwist dat zij door [gedaagde] niet goed is geïnformeerd over (i) de door hem gehanteerde transareolaire incisietechniek, welke snijtechniek volgens haar niet gebruikelijk is en de kans op infecties en gevoelloze tepels vergroot, (ii) de door [gedaagde] toegepaste operatietechniek (het "dual plane" plaatsen van de implantaten) en (iii) de hechting van de wond door middel van staples (nietjes).

5.19. De rechtbank zal dan ook deze aspecten samen met het zich ten onrechte als chirurg voordoen beschouwen in het kader van de gestelde onrechtmatige daad in de voorfase. Indien aannemelijk is dat ter zake van de door [gedaagde] uitgevoerde operaties complicaties zijn opgetreden die ook zouden zijn opgetreden indien [eiser 4] zich door een plastisch chirurg had laten opereren, ontbreekt het causale verband tussen het feit dat [gedaagde] [eiser 4] niet correct (omtrent zijn kwalificatie en andere kwesties) heeft geïnformeerd en de gestelde schade.

Indien aannemelijk is dat de bij [eiser 4] opgetreden complicaties zich niet zouden hebben voorgedaan indien zij zich onder behandeling van een plastisch chirurg, die haar ook overigens naar behoren zou hebben geïnformeerd, had gesteld, is sprake geweest van medisch onzorgvuldig handelen en dient de daaruit voortvloeiende schade door [gedaagde] te worden vergoed.

5.20. Aangezien uit de door partijen overgelegde (medische) informatie niet kan worden afgeleid of de complicaties die zich bij [eiser 4] hebben gerealiseerd zich ook in de (hypothetische) situatie waarin zij zich onder behandeling van een plastisch chirurg had gesteld, zouden hebben gerealiseerd, behoeft de rechtbank voorlichting door een onafhan¬kelijk deskundige op dit punt. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen met elkaar in overleg te treden opdat zij vervolgens bij akte een – zoveel mogelijk eenparig – voorstel voor de modaliteiten (gegevens deskundige, vraagstelling en kosten) van het te gelasten deskun¬digen¬onderzoek kunnen doen. Hierbij ligt het in de rede dat ter zake door een Belgische deskundige (plastisch chirurg) wordt geadviseerd. Immers, gezien het feit dat de behandelingen bij [eiser 4] in een Belgische kliniek zijn uitgevoerd en Belgisch recht van toepassing is, kan mede relevant zijn of de informatieverstrekking conform de in België geldende regelgeving is uitgevoerd.

5.21. [eiser 4] verwijt [gedaagde] voorts dat hij zowel bij de eerste als bij de tweede ingreep onzorgvuldig en onrechtmatig heeft gehandeld, waardoor complicaties en infecties zijn ontstaan.

[gedaagde] betwist dit; hij stelt lege artis geopereerd te hebben, met gebruikmaking van deugdelijke technieken. Infecties zijn niet opgetreden.

Ook op dit punt zal een deskundigenbericht noodzakelijk zijn waarvoor mutatis mutandis hetzelfde geldt als onder 5.20 overwogen. De rechtbank zal dit combineren met het onder 5.20 bedoelde bericht.

5.22. De rechtbank denkt voorlopig aan de volgende vraagstelling:

1. Kunt u een beschrijving geven van de tijdens of na de operatie op 18 januari 2007 bij [eiser 4] opgetreden complicaties?

2. Heeft de betrokken arts naar uw oordeel de betreffende behandeling uitgevoerd in een voldoende steriele/gereinigde ruimte en/of met voldoende steriele/gereinigde instrumenten?

3. Waardoor zijn naar uw oordeel de complicaties bij [eiser 4] veroorzaakt?

Kunt u aangeven of en zo ja in hoeverre de oorzaak van het ontstaan van die complicaties volgens u (mede) is toe te schrijven aan:

- de door de betrokken arts gehanteerde transareolaire incisietechniek;

- de (wijze van gebruik van de) toegepaste dual plane techniek;

- de hechting van de wond door middel van staples (nietjes);

- de onjuiste techniek van de operateur.

4. Indien uw antwoord op vraag 2 ontkennend luidt, zijn naar uw oordeel (mede) als gevolg van het feit dat de betrokken arts de behandeling heeft uitgevoerd in een onvoldoende steriele/gereinigde ruimte en/of met onvoldoende steriele/gereinigde instrumenten complicaties bij [eiser 4] opgetreden, en zo ja, welke?

5. Bestond er op enig moment in de periode na 18 januari 2007 in verband met de door [eiser 4] gemelde klachten en/of de ontwikkeling van de wond een indicatie voor nader onderzoek en/of behandeling anders of frequenter dan hetgeen feitelijk is uitgevoerd?

Zo ja, welk onderzoek en/of behandeling, en op welk moment en op welke medische gronden bestond die indicatie?

6. Was de behandeling van [eiser 4] tijdens de operatie van 2 mei 2007 geïndiceerd?

Is die behandeling uitgevoerd zoals die – gezien de toenmalige opvattingen binnen uw beroepsgroep ten aanzien van de te hanteren professionele standaard bij deze behandeling en de door u gevonden oorza(a)k(en) (vraag 3 en 4) – behoorde te worden uitgevoerd?

7. Kunt u een beschrijving geven van de tijdens of na de operatie op 2 mei 2007 bij

[eiser 4] opgetreden complicaties?

8. Heeft de betrokken arts naar uw oordeel de behandeling op 2 mei 2007 uitgevoerd in een voldoende steriele/gereinigde ruimte en/of met voldoende steriele/gereinigde instrumenten?

9. Waardoor zijn naar uw oordeel de complicaties bij [eiser 4] veroorzaakt?

Wilt u aangeven of en zo ja in hoeverre de oorzaak van het ontstaan van die complicaties volgens u (mede) is toe te schrijven aan (i) de door de betrokken arts gehanteerde transareolaire incisietechniek en (ii) de hechting van de wond door middel van staples (nietjes)?

10. Indien uw antwoord op vraag 8 ontkennend luidt, zijn naar uw oordeel (mede) als gevolg daarvan complicaties bij [eiser 4] opgetreden en zo ja, welke?

11. Kunt u op grond van uw onderzoeksbevindingen en de overige beschikbare gegevens zo uitgebreid mogelijk en gemotiveerd aangeven of en zo ja welke van de bij [eiser 4] opgetreden complicaties naar uw mening op enig moment ook zouden zijn ontstaan bij een behandeling door een plastisch chirurg? Kunt u daarbij een indicatie geven op welke termijn en in welke mate dit dan het geval zou zijn geweest?

12. Is naar uw oordeel sprake geweest van medisch onzorgvuldig handelen?

13. Heeft u eventueel nog opmerkingen die anderszins voor de beoordeling van deze casus van belang kunnen zijn?

5.23. Reeds nu wordt overwogen dat [gedaagde] de aangewezen partij is om het voorschot ter zake van de kosten van het deskundigenbericht te voldoen. De rechtbank baseert zich daarbij met name op het feit dat [gedaagde] zich ten onrechte heeft gepresenteerd als (plastisch) chirurg en hij zich op het standpunt stelt dat het resultaat van de behandeling bij een andere arts niet anders zou zijn geweest.

5.24. Indien komt vast te staan dat sprake is van medisch onzorgvuldig handelen, dient [gedaagde] de dientengevolge geleden schade te vergoeden. Hetgeen hierna onder 5.38 en 5.42 in het algemeen zal worden overwogen ten aanzien van de schade van [eiser 1] geldt in beginsel ook ten aanzien van de schade van [eiser 4], met dien verstande dat de kosten voor een (vervolg)behandeling tot borstvergroting en/of litteken¬correctie in principe toewijsbaar zijn omdat [eiser 4], anders dan [eiser 1], heeft aangegeven een nieuwe borstoperatie te willen ondergaan.

5.25. De zaak zal naar de rol worden verwezen, zodat partijen, eerst [eiser 4] en daarna [gedaagde], zich kunnen uitlaten over de sub 5.7.4, 5.20, 5.21 en 5.22 genoemde onderwerpen.

Ten aanzien van [eiser 3]

5.26. Partijen zijn het erover eens dat de behandelingsovereenkomst met [gedaagde] is gesloten. Ter beoordeling ligt voor de vraag of [gedaagde] in de nakoming van die overeen¬komst toerekenbaar tekortgeschoten is. Aan een beoordeling en beantwoording van deze vraag komt de rechtbank niet toe indien het beroep dat [gedaagde] op artikel 6:89 BW heeft gedaan slaagt.

5.27. Artikel 6:89 BW bepaalt dat de schuldeiser op een gebrek in de prestatie van de schuldenaar geen beroep meer kan doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken, bij de schuldenaar ter zake heeft geprotesteerd. De ratio van deze klachtplicht berust op de gedachte dat een schulde¬naar er op moet kunnen rekenen dat de schuldeiser met bekwame spoed onderzoekt of de prestatie aan de verbintenis beantwoordt en dat deze, indien dit niet het geval blijkt te zijn, zulks – eveneens met spoed – aan de schuldenaar meedeelt.

Op zichzelf kan worden vastgesteld dat betrekkelijk veel tijd is verstreken voordat [eiser 3] geklaagd heeft. Er bestaat echter geen vaste termijn, de in acht te nemen termijn hangt van alle omstandigheden af. Duidelijk is wel, dat onmiddellijk na de ingreep klagen niet verwacht kan worden, omdat de problemen waarvan hier sprake is (onder meer in verband met het aanzicht van het litteken) gelet op hun aard eerst na enige tijd kenbaar kunnen zijn. Een zeer korte termijn is dus in ieder geval niet aan de orde. De rechtbank zal zich daarin niet nader begeven, gelet op het volgende.

Een beroep op arti¬kel 6:89 BW kan naar maatstaven van redelijkheid en billijk¬heid onaanvaardbaar zijn. Hierbij is van belang in hoeverre de belangen van de schulde¬naar al dan niet zijn geschaad doordat niet binnen bekwame tijd is geklaagd. Zijn de belangen van de schuldenaar niet geschaad, dan is er niet spoedig voldoende reden om de schuldeiser een gebrek aan voortvarendheid te verwijten (zie HR 25 maart 2011, LJN BP8991).

De rechtbank acht het betreffende beroep hier, aannemende dat op zich te laat geklaagd is, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. [gedaagde] heeft niet concreet aangegeven in welk belang hij is geschaad doordat niet binnen bekwame tijd is geklaagd. Daarbij is van belang dat [gedaagde], nadat [eiser 3] hem had meegedeeld niet tevreden te zijn over het resultaat van de bij haar uitgevoerde borstoperatie, voldoende gelegenheid heeft gehad om een hersteloperatie bij [eiser 3] uit te voeren. In dat belang – dat het meest voor de hand liggende, mogelijk geschonden belang is – is hij dus niet geschaad. De medische verslaggeving is voorts nog beschikbaar. Gelet op hetgeen hiervoor werd overwogen aangaande de klachttermijn, te weten dat die in elk geval niet zeer kort was, valt niet in te zien in welk relevant belang [gedaagde] geschaad zou zijn.

Aan [eiser 3] kan dan ook niet worden tegengeworpen dat zij niet tijdig heeft geklaagd.

De rechtbank komt toe aan de vraag of [gedaagde] in de nakoming van de behandelings¬over¬eenkomst jegens [eiser 3] toerekenbaar tekortgeschoten is.

5.28. Aangezien [eiser 3], [eiser 1] en [eiser 2] zich op het (gezamenlijke) standpunt hebben gesteld dat [gedaagde] jegens hen zijn informatieplicht zoals bedoeld in artikel 7:448 BW heeft geschonden en zij daar min of meer dezelfde feiten en/of omstandigheden aan ten grondslag hebben gelegd, wordt het navolgende ten aanzien van [eiser 3], [eiser 1] en [eiser 2] overwogen.

Ten aanzien van [eiser 3], [eiser 1] en [eiser 2]

5.29. Ten aanzien van [eiser 3], [eiser 1] en [eiser 2] geldt dat de behan¬delingsovereenkomsten met [gedaagde] zijn gesloten.

Ter beoordeling ligt voor de vraag of [gedaagde] bij de geneeskundige behandeling van [eiser 3], [eiser 1] en [eiser 2] al dan niet heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot onder gelijke omstandigheden mag worden verwacht, uitgaande van de professionele standaard in 2008 en 2009, dan wel hun rechten als patiënt op andere wijze heeft geschonden.

[eiser 3], [eiser 1] en [eiser 2] hebben onder andere gesteld dat [gedaagde] hen niet juist heeft geïnformeerd over zijn specialisatie. [gedaagde] heeft tijdens de intake¬gesprekken de indruk gewekt dat hij (plastisch) chirurg was. Hij heeft toen niet aangegeven dat hij gynae¬co¬loog was en hen in de waan gelaten dat hij (plastisch) chirurg was. Dit blijkt onder andere uit de door hen getekende informed consent formulieren en uit de informatiebrochure van [Kliniek] waarin was vermeld:

"In [Kliniek] wordt elke borstvergrotende operatie uitgevoerd door een ervaren plastisch chirurg". Weliswaar hebben [eiser 3], [eiser 1] en [eiser 2] zich niet in [Kliniek] laten behandelen, maar een soortgelijke brochure werd destijds in [Kliniek 2] gebruikt, aldus nog steeds [eiser 3], [eiser 1] en [eiser 2].

[eiser 3] en [eiser 1] hebben voorts ter comparitie aangegeven dat zij zich op internet hebben georiënteerd en dat in de informatie op het internet stond vermeld dat [gedaagde] plastisch chirurg was.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij zich nooit als plastisch chirurg heeft voorgedaan, dat de overgelegde informatiebrochure van [Kliniek] niet maatgevend is, dat een soort¬gelijke brochure destijds niet in [Kliniek 2] werd gebruikt en dat op de website van [Kliniek 2] slechts de benamingen "esthetische" en/of "cosmetische chirurgie", die volgens [gedaagde] niet beschermd zijn, werden gebruikt. Volgens [gedaagde] was hij bevoegd tot het verrichten van esthetisch chirurgische ingrepen, niet tot het voeren van de titel chirurg.

5.30. De rechtbank stelt het volgende voorop.

[eiser 3], [eiser 1] en [eiser 2] hebben zich tot [gedaagde] gewend omdat zij een borst¬correctie wensten. Dit vereiste een cosmetische operatie die doorgaans niet door zorg¬verzeke¬raars pleegt te worden vergoed. Er bestond voor hen geen medische noodzaak om een dergelijke operatie te onder¬gaan. Zij hadden na correct te zijn geïnformeerd over de voorgestel¬de behandeling zonder risico voor hun gezondheid kunnen besluiten om daarvan af te zien dan wel om de behan¬de¬ling voor onbepaalde tijd uit te stellen. Juist bij dit type behande¬lingen rust naar het oordeel van de rechtbank op de arts die een dergelijke behande¬ling uitvoert een zwaarwegende informatieplicht.

5.31. Vaststaat dat [gedaagde] gynaecoloog was. Niet in geschil is dat [gedaagde] nimmer gerechtigd is geweest de afzonderlijk door de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) erkende specialistentitel "chirurg" of een daarop gelijkende benaming te (laten) voeren.

Vaststaat dat in de door [eiser 3], [eiser 1] en [eiser 2] getekende "Verklaring geïnformeerde toestemming" is vermeld: "Op verzoek van de behandelende chirurg, [gedaagde]".

Dit formulier is afkomstig van [gedaagde] en door hem ter tekening voorgelegd. [gedaagde] heeft daarmee bij [eiser 3], [eiser 1] en [eiser 2] de indruk gewekt dan wel laten bestaan dat hij (plastisch) chirurg was. Dat [gedaagde] niet opzet¬telijk de titel van chirurg in het informed consent formulier heeft vermeld omdat het een vertaling betrof van een Amerikaanse tekst op het internet, zoals hij ter comparitie heeft betoogd, doet daaraan niet af. [gedaagde] heeft hen er destijds immers niet op gewezen dat die titel per abuis in het informed consent formulier terecht was gekomen en dat hij gynaecoloog en geen chirurg was.

5.32. [gedaagde] heeft, ter onderbouwing van zijn betwisting dat hij zich als plastisch chirurg heeft voorgedaan, verwezen naar de bij conclusie van antwoord als productie 18 overgelegde e-mail d.d. 3 september 2009. Volgens (het onderwerp van) die e-mail betreft het daaraan gehechte curriculum vitae de Nederlandse versie van het curriculum vitae van [gedaagde] zoals dat destijds op de website van [Kliniek 2] was geplaatst. In dit curriculum vitae is vermeld:

"In dit kader is hij (rechtbank: [gedaagde]) lid van de gerenommeerde American Academy of Cosmetic Surgery, alwaar hij jaarlijks participeert in onderwijs en up to date nascholing."

[…]

Dr. [gedaagde] is een deskundig borstchirurg met zeer ruime ervaring in dit esthetisch vakgebied."

[…]

Dr. [gedaagde] speelt een actieve rol als klinisch specialist voor chirurgen in opleiding".

[gedaagde] heeft zich aldus op de website van [Kliniek 2] als "borstchirurg" gepresen¬teerd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] zich met de benaming "borstchirurg", mede gelet op het feit dat hij daaraan heeft toegevoegd dat hij een actieve rol als klinisch specialist voor chirurgen in opleiding speelt, van een op (plastisch) chirurg gelijkende, althans een bij patiënten verwarring wekkende, benaming bediend.

Door in het informed consent formulier de titel van chirurg te vermelden en op de website van [Kliniek 2] de benaming "borstchirurg" te vermelden, werd bij patiënten, en dus ook bij [eiser 4], de indruk gewekt dat [gedaagde] (plastisch) chirurg was.

5.33. Gezien het vorenstaande heeft [gedaagde] zich ten onrechte van de titel "chirurg" en de benaming "borstchirurg" bediend en zich aldus tegenover [eiser 3], [eiser 1] en [eiser 2] als (plastisch) chirurg voorgedaan terwijl hij in werkelijkheid geen chirurg maar gynaecoloog was. Hieraan doet niet af dat, zoals [gedaagde] heeft betoogd, een gynaeco¬loog bevoegd is en bekwaam kan zijn om de betreffende chirur¬gische ingreep te verrichten. Het gaat erom dat [gedaagde] bij [eiser 3], [eiser 1] en [eiser 2] de onjuiste indruk heeft gewekt dat hij gerechtigd was de specialistentitel (plastisch) chirurg te voeren. Waar het gaat om zoiets wezenlijks als het aan een arts toestem¬ming verlenen voor een te verrichten operatie, is essentieel dat die arts geen onjuist beeld creëert of laat bestaan omtrent zijn kwalificaties. Juist gelet op het feit dat bij [eiser 3], [eiser 1] en [eiser 2] een chirurgische ingreep zou worden verricht, heeft [gedaagde], door deze onjuiste indruk te wekken en te laten bestaan, in strijd gehandeld met zijn informatieplicht.

5.34. Het vorenstaande brengt mee dat [gedaagde] jegens [eiser 3], [eiser 1] en [eiser 2] aansprakelijk is voor de schade die zij hebben geleden als gevolg van het feit dat zij door hem niet correct zijn geïnformeerd.

In dat kader is van belang dat [eiser 3], [eiser 1] en [eiser 2] zich op het standpunt hebben gesteld dat als zij van tevoren hadden geweten dat [gedaagde] geen (plastisch) chirurg was, zij geen toestemming aan hem zouden hebben gegeven voor het uitvoeren van de borstoperaties. In aanvulling hierop hebben [eiser 3] en [eiser 2] ter comparitie aangegeven dat zij in dat geval hadden gewacht, doorgespaard, en de operatie door een ander hadden laten verrichten. [eiser 1] heeft ter comparitie aangegeven dat zij er in dat geval helemaal niet aan begonnen was.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat het niet aannemelijk is dat [eiser 3], [eiser 1] en [eiser 2] toestemming voor de ingreep zouden hebben geweigerd indien zij waren voorgelicht over zijn opleidings¬niveau en ervaring met het verrichten van dergelijke ingrepen. Zij zouden van de behandeling als zodanig niet hebben afgezien.

5.35. De rechtbank acht aannemelijk dat [eiser 3], [eiser 1] en [eiser 2] geen toestemming voor de borstoperaties aan [gedaagde] zouden hebben gegeven indien hij hen correct zou hebben geïnformeerd over het feit dat hij geen (plastisch) chirurg maar gynaecoloog was. Ter comparitie heeft [eiser 1] immers gesteld dat zij op het internet op de term "plastische chirurgie" heeft gezocht en toen bij [gedaagde] was uitgekomen. [eiser 3] heeft gesteld dat op het internet stond vermeld dat [gedaagde] plastisch chirurg was en dat zij voor hem had gekozen omdat hij de goedkoopste was. De rechtbank leidt hieruit af dat [eiser 3] en [eiser 1] de door hen gewenste borstoperatie wilden laten uitvoeren door een plastisch chirurg.

[eiser 2] heeft ter comparitie aangegeven dat zij op het internet is gaan zoeken en, omdat [gedaagde] de goedkoopste was, met hem een afspraak heeft gemaakt. Zoals hierboven reeds aan de orde is gekomen, heeft [gedaagde] zich op de website van [Kliniek 2] van de op (plastisch) chirurg gelijkende benaming "borstchirurg" bediend. Hoewel [eiser 2] niet expliciet heeft aangegeven dat zij voor de door haar gewenste borstvergroting op zoek was naar een (plastisch) chirurg, ligt zulks (impliciet) in haar stellingen besloten. Het ligt immers niet voor de hand dat zij voor de door haar gewenste borstvergroting op zoek was naar de goedkoopste gynaecoloog en [gedaagde] heeft ook niets gesteld dat daarop wijst.

Gezien het vorenstaande acht de rechtbank niet aannemelijk dat [eiser 3], [eiser 1] en [eiser 2] ook toestemming voor de borst¬opera¬ties zouden hebben verleend indien [gedaagde] hen had geïnformeerd omtrent het feit dat hij geen (plastisch) chirurg maar gynae¬co¬loog was. Het had dan ook op de weg van [gedaagde] gelegen concrete feiten en omstan¬dig¬heden aan te voeren waaruit kan worden afgeleid dat [eiser 3], [eiser 1] en [eiser 2] niettemin aan hem toestemming voor de borstvergroting zouden hebben verleend indien hij hen juist had geïnformeerd. Nu dergelijke feiten of omstandig¬heden niet (voldoende) door [gedaagde] zijn gesteld, komt de rechtbank aan bewijsvoe¬ring op dit punt niet toe.

5.36. Aangezien [eiser 1], anders dan [eiser 3] en [eiser 2], ter comparitie heeft aangegeven dat zij (sowieso) van een borstvergrotende operatie zou hebben afgezien indien zij voorafgaand aan de borstoperatie correct was voorgelicht omtrent de kwalificaties van [gedaagde], overweegt de rechtbank ten aanzien van [eiser 1] het volgende.

Ten aanzien van [eiser 1]

5.37. De rechtbank acht aannemelijk dat [eiser 1] geen borstvergroting had laten doen indien zij destijds had geweten dat [gedaagde] geen (plastisch) chirurg maar gynaecoloog was. Kennelijk had zij al aarzelingen over de ingreep en was voor haar doorslaggevend de lage prijs die werd aangeboden in combinatie met de geruststellende zekerheid dat de ingreep door een chirurg zou plaatsvinden. [gedaagde] heeft de betreffende stellingen ter comparitie niet betwist. [eiser 1] kon ook, naar vast staat, zonder meer van de borstoperatie afzien omdat voor haar geen (medische) noodzaak bestond om een dergelijke operatie te onder¬gaan.

Het vorenstaande brengt mee dat de door [eiser 1] gevorderde schade in beginsel voor toewijzing vatbaar is. Ook als [gedaagde] geen fouten heeft gemaakt en geen wanprestatie heeft gepleegd ten aanzien van de operatie en de nazorg moet immers de ingreep en alles wat daarmee samenhangt beschouwd worden als iets waartoe [eiser 1] onder valse voor¬wendselen is gebracht. Ook de normale kosten en gevolgen van een op zichzelf volgens de regelen der kunst uitgevoerde operatie en de (eventuele) onvermijdelijke complicaties moeten in die situatie worden aangemerkt als schade waarvoor [gedaagde] aansprakelijk is.

5.38. Met betrekking tot de omvang van de door [eiser 1] gestelde schade, stelt de rechtbank het volgende voorop.

Aangezien [eiser 1] de door haar geleden schade heeft geconcretiseerd en bepaald op een totaalbedrag van € 13.067,97 acht de rechtbank het thans reeds mogelijk om de omvang van de door [eiser 1] geleden schade te begroten. Derhalve heeft [eiser 1] geen belang (meer) bij de door haar gevorderde verwijzing naar een schadestaat.

Voor [eiser 1] vloeit schade voort uit het feit dat zij na de operatie door [gedaagde] problemen heeft ondervonden die tot nader operatief ingrijpen hebben geleid. Dat daaruit zowel materiële als immateriële schade voor haar is voortge¬vloeid, is evident. [eiser 1] heeft kosten moeten maken voor vervolgbehandelingen in verband met opgetreden problemen.

5.38.1. De kosten verbonden aan een in de toekomst uit te laten voeren (vervolg)behande¬ling tot borstvergroting en/of litteken¬correctie door een andere arts, acht de rechtbank niet toewijsbaar. Daartoe wordt het volgende overwogen.

[eiser 1] heeft ter comparitie aangegeven dat zij geen borstoperatie meer wil ("De protheses zijn eruit gehaald en daar laat ik het bij") en de littekencorrectie niet meer wil laten doen. Haar advocaat heeft daaraan toegevoegd dat de vordering niettemin gehandhaafd wordt omdat de kans aanwezig is dat [eiser 1] in de toekomst toch nieuwe implantaten in haar borsten wil laten plaatsen. Nu [eiser 1] duidelijk heeft aangegeven geen borstoperaties meer te willen, ook niet in de toekomst, is voor wat betreft dit onderdeel geen sprake van reeds geleden dan wel nog te lijden schade. Een mogelijke wijziging van standpunt in de toekomst is te onzeker om meegewogen te worden. Dit betekent dat dit onderdeel van de vordering niet voor toewijzing vatbaar is.

De reeds gemaakte kosten voor vervolgbehandelingen die [eiser 1] reeds heeft ondergaan in verband met de ingreep door [gedaagde] zijn daarentegen wel toewijsbaar.

5.38.2. Voor wat betreft het gevorderde bedrag aan smartengeld stelt de rechtbank voorop dat dit een naar billijkheid vast te stellen vergoeding vormt voor het niet in vermogens¬schade bestaande nadeel dat is geleden door een persoon die als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, lichamelijk letsel heeft opgelopen, pijn heeft geleden, ontsierende littekens heeft opgelopen etcetera. Bij de begroting dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden, waaronder in het bijzonder de aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de betrokkene. Tevens dient bij de begroting te worden gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Daarbij dient de sedert de betreffende uitspraken opgetreden geld¬ontwaarding in aanmerking te worden genomen. Het smartengeld pleegt te worden begroot per datum ongeval en wordt dan vermeerderd met de wettelijke rente vanaf die datum tot de datum waarop het smartengeld wordt betaald.

5.39. De rechtbank zal tegen die achtergrond aan de hand van de als productie 50 bij dagvaarding overgelegde schadestaat ingaan op de door [eiser 1] gevorderde schade.

a. De schadepost onder 2a (€ 75,--) acht de rechtbank toewijsbaar omdat die ziet op kosten die zijn gemaakt voor een vervolgbehandeling.

b. Ter zake de onder 3 genoemde medische kosten zijn de onderdelen b en c, gelet op hetgeen hiervoor onder 5.37 is overwogen, niet toewijsbaar. De kosten verbonden aan de behandel¬periode in het OLVG ad € 106,10 zijn gemaakt voor een vervolgbehandeling en mitsdien toewijsbaar.

c. Hoewel de onder 4 en 9 gevorderde kosten niet met stukken onderbouwd zijn, acht de rechtbank het gemaakt zijn van dergelijke kosten tot die (bescheiden) bedragen zeer aannemelijk. Bij gebreke van concreet verweer worden deze dus toegewezen.

d. Ter zake de onder 7 gevorderde kosten voor huishoudelijke hulp acht de rechtbank een bedrag van € 708,-- (6 weken * € 118,-- per week) toewijsbaar. Volgens [eiser 1] heeft haar zus vanwege de pijn die zij na de borstoperatie ondervond gedurende 6 weken elke dag huishoudelijke taken verricht. Gelet op hetgeen [eiser 1] ter comparitie heeft gesteld omtrent de ernst van haar pijnklachten na de ingreep en het gedurende lange tijd niet kunnen gebruiken van haar linkerarm, en in aanmerking nemende dat [gedaagde] zulks niet voldoende gemotiveerd heeft betwist, acht de rechtbank aannemelijk dat [eiser 1] vanwege haar klachten gedurende een periode van zes weken geen huis¬houdelijke taken heeft kunnen verrichten. Volgens "De Letsel¬schade Richtlijn Huishoudelijke Hulp" is voor ongevallen die plaatsvinden in de periode van 1 oktober 2007 tot 1 juli 2009 een bedrag van € 118,-- per week toewijsbaar (categorie "zonder inwonende kind(eren)" en "niet in staat tot enige vorm van huishoudelijk werk"). Niet relevant is of [eiser 1] het bedrag van € 708,-- daadwerkelijk aan haar zus heeft betaald.

e. Ter zake de onder 8 gevorderde kosten van beslaglegging (€ 260,--) is, gelet op productie 64, een bedrag van € 178,41 toewijsbaar.

f. Voor wat betreft het onder 10 gevorderde bedrag aan smartengeld (€ 5.621,--) acht de rechtbank, in het licht van hetgeen daaromtrent onder 5.38 is overwogen en rekening¬houdende met de aard en de ernst van de klachten, een bedrag van € 750,-- toewijsbaar.

[eiser 1] heeft enkel verwezen naar nummer 727 van de als productie 65 overgelegde pagina uit de ANWB Smartengeldgids. De daarin beschreven casus is niet vergelijkbaar met die van [eiser 1]. Gesteld noch gebleken is dat [eiser 1] vanwege de door [gedaagde] uitgevoerde ingrepen (blijvende) klachten ondervindt bij het lopen, zitten en fietsen dan wel andere lichamelijke beperkingen daarvan ondervindt.

Daarnaast was in de casus waarnaar [eiser 1] heeft verwezen een rapport van een psychiater voorhanden waaruit bleek dat sprake was van ernstige psychische gevolgen. In de onderhavige zaak is niet gesteld of gebleken dat [eiser 1] zich voor haar klachten onder behandeling van een psycholoog of psychiater heeft gesteld.

Het vorenstaande brengt mee dat in totaal een bedrag van € 1.917,51 (€ 75,-- + € 106,10 +

€ 50,-- + € 50,-- + € 708,-- + € 178,41 + € 750,--) toewijsbaar is.

5.40. [eiser 1] heeft wettelijke rente gevorderd vanaf de datum van de operatie, zijnde

6 februari 2009. Vooropgesteld zij dat in het onderhavige geval wettelijke rente is verschuldigd vanaf de datum dat de schade is geleden.

Voor wat betreft de kosten voor huishoudelijke hulp (€ 708,--) en het smartengeld (€ 750,--) acht de rechtbank de wettelijke rente toewijsbaar vanaf 6 februari 2009. Hetzelfde geldt voor de reiskosten, telefoonkosten, porti en kopieerkosten.

De wettelijke rente over de kosten verbonden aan de opname in het ziekenhuis (€ 75,--) zijn toewijsbaar vanaf 9 juni 2009, de datum waarop de operatie in het OLVG heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van de kosten verbonden aan de behandel¬periode in het OLVG acht de rechtbank de wettelijke rente toewijsbaar vanaf 20 september 2010. Gelet op de bij dagvaarding als productie 49 in het geding gebrachte factuur d.d. 6 september 2010 ad 106,10 is over een bedrag van € 106,10 wettelijke rente toewijsbaar vanaf 14 dagen na de factuurdatum, dus vanaf 20 september 2010.

De wettelijke rente over de kosten van beslaglegging (€ 178,41) zijn toewijsbaar vanaf

11 november 2011. Gelet op de bij dagvaarding als productie 64 in het geding gebrachte factuur d.d. 28 oktober 2011 is over het daarin vermelde bedrag wettelijke rente toewijsbaar vanaf 14 dagen na de factuurdatum, dus vanaf 11 november 2011. In de (eveneens als productie 64) overgelegde nota van de Rechtspraak d.d. 18 oktober 2011 is vermeld dat het te betalen bedrag uiterlijk 11 november 2011 moet zijn bijgeschreven. Derhalve is ook over het daarin vermelde bedrag vanaf 11 november 2011 wettelijke rente toewijsbaar.

5.41. [eiser 1] heeft ter zake de door haar gevorderde buitengerechtelijke kosten ad

€ 4.261,40 verwezen naar de als producties 104 bij akte na comparitie van partijen overgelegde declaratie van haar advocaat.

[gedaagde] heeft die kosten betwist en aangevoerd dat geprocedeerd wordt op basis van een toevoeging, dat de betreffende kosten proceskosten zijn waarvoor de in de artikelen 237 tot en met 240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten, en dat de opgevoerde kosten niet voldoen aan de dubbele redelijk¬heid¬toets. Voorts heeft [gedaagde] aangevoerd dat in de als productie 104 overgelegde declaratie een aantal verrichtingen zijn verdisconteerd van na de aanvang van de onderhavige procedure. De daaraan verbonden kosten komen niet voor toewijzing in aanmerking, aldus [gedaagde].

5.42. De rechtbank stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of de door [eiser 1] gevorderde buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen, de zogenoem¬de dubbele redelijkheidstoets als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW dient te worden aangelegd. De verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden dienen redelijkerwijs noodzakelijk te zijn gemaakt en de omvang van de kosten moet redelijk zijn.

Met betrekking tot de door [eiser 1] gevorderde buitengerechtelijke kosten merkt de rechtbank op dat de hoogte van de gedeclareerde buitengerechtelijke kosten meer dan het dubbele beslaat van de totale schade. Voorts neemt de rechtbank in ogenschouw dat de gevorderde buitengerechtelijke werkzaamheden voor een groot deel zien op werk¬zaamheden van administratieve aard (correspondentie met [eiser 1], opvragen van medische informatie, kennelijk deels na aanvang van de procedure, e.d.). Daartegenover staat echter, dat door de gekozen aanpak – gebundelde behandeling van de zaken van de vier eiseressen – naar aannemelijk is belangrijke besparingen zijn bereikt. Tegen deze achtergrond en gelet op enerzijds de verhouding tussen de schade (€ 1.917,51) en de buitengerechtelijke kosten (€ 4.261,40) en anderzijds het ontbreken van vrijwel enig debat over de aansprakelijk¬heid en de hoogte van de schadevergoeding, acht de rechtbank een vergoeding van

€ 2.130,70 (0,5 * € 4.261,40) ter zake van buiten¬gerechte¬lijke kosten redelijk.

Ten aanzien van [eiser 3] en [eiser 2]

5.43. [eiser 3] en [eiser 2] hebben niet gesteld dat zij van een borstvergroting zouden hebben afgezien indien [gedaagde] hen correct omtrent zijn kwalificaties had geïnformeerd. Zij hebben enkel gesteld dat zij in dat geval de borstvergroting niet door [gedaagde] hadden laten doen. [eiser 3] en [eiser 2] stellen, en de rechtbank acht ook aannemelijk, dat zij zich in dat geval door een andere arts hadden laten opereren en dat zij zich in dat geval onder behandeling van een plastisch chirurg zouden hebben gesteld.

5.44. In de werkelijke situatie waarin [eiser 3] door [gedaagde] is behandeld, heeft zij na de borstoperatie op 12 juli 2008 problemen aan beide borsten ondervonden. [eiser 3] stelt dat vanwege de behandeling door [gedaagde] haar borsten na korte tijd (weer) zijn gaan hangen en sprake is van grote en lelijke littekens op haar borsten.

In de werkelijke situatie waarin [eiser 2] door [gedaagde] is behandeld, heeft zij na de borstoperatie op 14 maart 2009 problemen aan haar rechterborst ondervonden waardoor verdere behandeling noodzakelijk was.

Volgens [gedaagde] zou dezelfde kans op de gestelde complicaties hebben bestaan indien de ingrepen bij [eiser 3] en [eiser 2] door een plastisch chirurg zouden zijn uitgevoerd.

Ter comparitie heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij bekwaam was tot het verrichten van borstoperaties, er geen sprake is geweest van infecties en geen kunst¬fouten zijn gemaakt.

5.45. De rechtbank stelt voorop dat het enkele feit dat bij [eiser 3] en [eiser 2] na de door [gedaagde] verrichte operaties compli¬caties zijn opgetreden, niet meebrengt dat (tijdens en/of na de operaties) sprake is of moet zijn geweest van medisch onzorgvuldig handelen.

Om te kunnen beoordelen of [eiser 3] en [eiser 2] schade hebben geleden doordat zij niet correct door [gedaagde] zijn geïnformeerd omtrent zijn kwalificaties, is van belang of voldoende aannemelijk is dat de door hen gestelde klachten/complicaties zich ook hadden voorgedaan in de (hypothetische) situatie dat zij zich door een plastisch chirurg hadden laten opereren. Daarbij zij opgemerkt dat de verschillen tussen de werkelijke en de hypothetische situatie niet alleen de persoon van de behandelend arts en zijn specialisme betreffen, maar ook andere omstandigheden die van grote invloed kunnen zijn op de aan een dergelijke behandeling verbonden risico's. Het gaat dan bijvoorbeeld om de (kwaliteit van de) operatieruimte, de operatietechniek, de bij de behandeling gebruikte apparatuur en de gebruikte implan¬taten. In dat verband acht de rechtbank van belang dat [eiser 3] en [eiser 2] hebben gesteld dat zij door [gedaagde] niet goed zijn geïnformeerd over (i) de door hem gehanteerde transareolaire incisietechniek, (ii) de door [gedaagde] toegepaste operatietechniek (het "dual plane" plaatsen van de implantaten), en (iii) de hechting van de wond door middel van staples (nietjes), welke technieken in Nederland volgens hen niet gebruikelijk zijn en de kans op infecties en gevoelloze tepels vergroot.

5.46. De rechtbank zal dan ook deze aspecten samen met het zich ten onrechte als chirurg voordoen beschouwen in het kader van de gestelde onrechtmatige daad in de voorfase.

Indien aannemelijk is dat ter zake van de door [gedaagde] bij [eiser 3] en [eiser 2] uitgevoerde operaties complicaties zijn opgetreden die ook zouden zijn opgetreden indien zij zich door een plastisch chirurg hadden laten opereren, ontbreekt het causale verband tussen het feit dat [gedaagde] hen niet correct (omtrent zijn kwalificatie en andere kwesties) heeft geïnformeerd en de door hen gestelde schade.

Indien aannemelijk is dat de bij [eiser 3] en [eiser 2] opgetreden complicaties zich niet zouden hebben voorgedaan indien zij zich onder behandeling van een plastisch chirurg, die hen ook overigens naar behoren zou hebben geïnformeerd, hadden gesteld, is sprake geweest van medisch onzorgvuldig handelen en dient de daaruit voortvloeiende schade door [gedaagde] te worden vergoed.

5.47. Aangezien uit de door partijen overgelegde (medische) informatie niet kan worden afgeleid of de complicaties die zich bij [eiser 3] en [eiser 2] hebben gerealiseerd zich ook in de (hypothetische) situatie waarin zij zich onder behandeling van een plastisch chirurg hadden gesteld, zouden hebben gerealiseerd, behoeft de rechtbank voorlichting door een onafhan¬kelijk deskundige op dit punt. Het ligt hierbij in de rede dat de te benoemen deskundige plastisch chirurg is. De rechtbank zal [eiser 3], [eiser 2] en [gedaagde] in de gelegenheid stellen met elkaar in overleg te treden opdat zij vervolgens bij akte een – zoveel mogelijk eenparig – voorstel voor de modaliteiten (gegevens deskundige, vraagstelling en kosten) van het te gelasten deskun¬digen¬onderzoek kunnen doen.

5.48. [eiser 3] en [eiser 2] verwijten [gedaagde] voorts dat hij bij de ingreep onzorgvuldig en onrechtmatig heeft gehandeld, waardoor complicaties en infecties zijn ontstaan.

[gedaagde] betwist dit; hij stelt lege artis geopereerd te hebben, met gebruikmaking van deugdelijke technieken. Infecties zijn niet opgetreden.

Ook op dit punt zal een deskundigenbericht noodzakelijk zijn. De rechtbank zal dit combineren met het onder 5.47 bedoelde deskundigenbericht.

De rechtbank denkt voorlopig aan de vragen 1 tot en met 5 en 11 tot en met 13 zoals hiervoor onder 5.22 geformuleerd, toegespitst op de bij [eiser 3] en [eiser 2] verrichte borstoperaties. Daarbij wordt reeds thans opgemerkt dat bij [eiser 2], anders dan bij de andere eiseressen, voldoende aannemelijk is, gelet op 2.15, dat sprake is geweest van een infectie. Dat leidt ertoe, dat aanvullende vragen voor de hand liggen. De rechtbank denkt voorlopig aan de volgende vragen:

a. Kunt u ingaan op de vraag of tijdens of na de operatie een infectie of ontsteking is ontstaan?

b. Indien naar uw oordeel tijdens of na de operatie op 14 maart 2009 bij [eiser 2] een infectie of ontsteking is opgetreden en uw antwoord op vraag 2 ontkennend luidt, in hoeverre is die infectie of ontsteking dan (mede) toe te schrijven aan het feit dat de betrokken arts de behandeling heeft uitgevoerd in een onvoldoende steriele/gereinigde ruimte en/of met onvoldoende steriele/gereinigde instrumenten?

5.49. Reeds nu wordt overwogen dat [gedaagde] de aangewezen partij is om het voorschot ter zake van de kosten van het deskundigenbericht te voldoen. De rechtbank baseert dat hier op het feit dat [gedaagde] zich ten onrechte heeft gepresenteerd als (plastisch) chirurg en hij zich op het standpunt stelt dat het resultaat van de behandeling bij een andere arts niet anders zou zijn geweest.

5.50. Indien komt vast te staan dat sprake is van medisch onzorgvuldig handelen, dient [gedaagde] de dientengevolge geleden schade te vergoeden. Hetgeen hiervoor onder 5.38 en 5.42 in het algemeen overwogen is ten aanzien van de schade van [eiser 1] geldt in beginsel ook ten aanzien van de schade van [eiser 3] en [eiser 2], met dien verstande dat de kosten voor een volgende (vervolg)behandeling tot borstvergroting en/of litteken¬correctie in principe toewijsbaar zijn (omdat [eiser 3] en [eiser 2], anders dan [eiser 1], hebben aangegeven een nieuwe borstoperatie te willen ondergaan), als sprake blijkt te zijn van kunstfouten.

Ten aanzien van [eiser 4], [eiser 3] en [eiser 2]

5.51. Nu de rechtbank voor de beoordeling van de vorderingen van [eiser 4], [eiser 3] en [eiser 2] behoefte heeft aan voorlichting door een onafhankelijk deskundige, dienen partijen er rekening mee te houden dat de duur van de procedure door het gelasten van een deskundigenbericht aanzienlijk langer zal worden en de daaraan verbonden (proces)kosten (hoog) kunnen oplopen. Afhankelijk van de uitkomst van het deskundigen¬bericht zullen die kosten (gedeeltelijk) voor rekening van [eiser 4], [eiser 3] en [eiser 2] dan wel [gedaagde] komen.

Gezien de relatief beperkte omvang van het financieel belang van de vorderingen van

[eiser 4], [eiser 3] en [eiser 2], de te verwachten lange duur van de procedure en de daarmee gepaard gaande (hoge) kosten, geeft de rechtbank partijen in overweging een minnelijke regeling te treffen. Partijen kunnen zich ook hierover bij akte uitlaten.

In het geval partijen tot een minnelijke regeling komen en zij deze regeling vastgelegd wensen te zien in een vonnis, dienen zij de rechtbank daarom eensluidend, onder overlegging van de inhoud van deze regeling, te verzoeken.

Ten aanzien v[eiser 1]sers]

5.52. De rechtbank houdt iedere (verdere) beslissing aan.

6. De beslissing

De rechtbank,

verwijst de zaak naar de rol van 20 februari 2013 voor het nemen van een akte door (eerst) [eiser 4] over hetgeen is vermeld onder 5.7.4, 5.20, 5.21, 5.22 en 5.51 en voor het nemen van een akte door (eerst) [eiser 3] en [eiser 2] over hetgeen is vermeld onder 5.47, 5.48 en 5.51;

houdt iedere (verdere) beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2013.