Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:BZ0485

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
04-02-2013
Zaaknummer
387751 / HA ZA 11-1953
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepaansprakelijkheid van advocaat. Consignatiekas heeft op basis van informatie verkregen van een advocaat ten onrechte bedragen uitgekeerd uit de consignatiekas. Advocaat is hiervoor alleen aansprakelijk als hij opzettelijk een onjuiste mededeling heeft gedaan. Bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 387751 / HA ZA 11-1953

Vonnis van 23 januari 2013

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

gevestigd te 's-Gravenhage,

eiser,

advocaat mr. M. Dijkstra,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2].,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagden,

advocaat mr. B.S. Janssen.

Partijen zullen hierna de Staat, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de akte houdende producties aan de zijde van de Staat

- de conclusie van dupliek

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Tussen partijen staan onder meer de volgende feiten vast.

2.1. [gedaagde 1] is advocaat en – in ieder geval in 2009 – in dienst bij M.S. [gedaagde 2] B.V.

2.2. [gedaagde 1] heeft als advocaat de heer [persoon 1] en mevrouw [persoon 2] bijgestaan in het kader van een onteigening door de gemeente Rotterdam van een aan hen toebehorend pand. In de onteigeningsprocedure was ook betrokken de heer [persoon 3], op grond van een vermeend hypotheekrecht op het pand. Namens [persoon 1] en [persoon 2] heeft [gedaagde 1] in de onteigeningsprocedure het hypotheekrecht van [persoon 3] betwist.

2.3. Bij vonnis van 13 februari 2008 heeft de rechtbank Rotterdam ten behoeve van de gemeente Rotterdam de vervroegde onteigening van voornoemd pand uitgesproken en het voorschot op de schadeloosstelling voor [persoon 1] en [persoon 2] bepaald op € 60.000. In verband met de betwiste positie van [persoon 3] heeft de rechtbank daarbij bepaald dat dit bedrag wordt geconsigneerd overeenkomstig de Wet op de consignatie van gelden. Zulks is blijkens een bewijs van consignatie van 15 oktober 2008 geschied; erbij is vermeld dat de consignatie is geschied ten behoeve van [persoon 1] en [persoon 2].

2.4. Bij vonnis van 10 juni 2009 heeft de rechtbank Rotterdam de aan [persoon 1] en [persoon 2] toekomende schadeloosstelling vastgesteld op € 103.695, waarvan (na aftrek van het betaalde voorschot) nog aan [persoon 1] en [persoon 2] te betalen € 43.695, te vermeerderen met wettelijke rente. Ook ten aanzien van dit bedrag is bepaald dat dit wordt geconsigneerd overeenkomstig de Wet op de consignatie van gelden. Blijkens een bewijs van consignatie d.d. 5 augustus 2009 is op 5 augustus 2009 een bedrag van € 43.913,48 geconsigneerd. Ook bij dit bewijs is vermeld dat de consignatie is geschied ten behoeve van [persoon 1] en [persoon 2].

2.5. Tussen [persoon 1] en [persoon 2] aan de ene zijde en [persoon 3] aan de andere zijde is bij de rechtbank Rotterdam een procedure gevoerd over (onder meer) de vraag of [persoon 3] kan worden aangemerkt als hypotheekhouder en in dat verband aanspraak kan maken op de in de consignatiekas gestorte onteigeningsvergoeding. [gedaagde 1] heeft ook in deze procedure [persoon 1] en [persoon 2] als advocaat bijgestaan. De inleidende dagvaarding is van 17 juni 2008. Bij vonnis van 13 januari 2010 heeft de rechtbank (onder meer) bepaald dat [persoon 3] gerechtigd is tot uitkering uit de consignatiekas tot de in de onteigeningsprocedure vastgestelde waarde van het onteigende ad € 103.695 vermeerderd met rente als bedoeld in artikel 9 van de Wet op de consignatie van gelden.

2.6. Per brief van 16 september 2009 schrijft [gedaagde 1] aan mevrouw [persoon 4] (hierna: [persoon 4]) van het Ministerie van Financien:

“Naar aanleiding van ons telefoongesprek op 15 september 2009 bericht ik u als volgt.

Omdat in bovengenoemde kwestie eindvonnis gewezen is, waarvan ik u een kopie hierbij zendt, wensen mijn clienten en ik het in consignatie gegeven betracht uitbetaald te krijgen. Daarbij merk ik tevens op dat ik vernomen heb dat er geen cassatie ingesteld is tegen voormeld vonnis.

Ik verzoek u vriendelijk het bedrag over te maken op (…)”

Als onderwerp van de brief staat vermeld: “[persoon 2]/Gemeente Rotterdam en [persoon 2]/[persoon 3]”.

2.7. Bij brief van 9 oktober 2009 schrijft [gedaagde 1] aan [persoon 4]:

“Ik vernam van cliënte mevrouw [persoon 2] dat zij met u telefonisch contact had.

Namens cliënten verzoek ik u nogmaals aan het uitbetalingsverzoek te voldoen. Indien en voor zover u wenst dat een kopie van een legitimatiebewijs aan u gezonden wordt, dan zal ik alsnog daar per omgaande voor zorgdragen. (…)”

2.8. [persoon 2] heeft vervolgens op 10 oktober 2009 aan [persoon 4] geschreven:

“Vriendelijk wil ik (…) U vragen om het geld, dat in consignatie bij jullie ministerie is, over te maken (…). Volgens ons gesprek van vrijdag, 9 oktober jl., fax ik u eveneens kopieen van paspoorten van mij en dhr. R [persoon 1].”

2.9. Op 13 oktober 2009 heeft de Staat een bedrag van 104.556,09 gestort op de derdenrekening van M.S. [gedaagde 2] B.V.

2.10. Begin 2010 is namens [persoon 3] bij de consignatiekas aanspraak gemaakt op de geconsigneerde bedragen. De Staat heeft op 25 februari 2010 aan [persoon 3] een bedrag van € 103.695 vermeerderd met rente voldaan. De Staat heeft vervolgens vergeefse pogingen gedaan de aan [persoon 2] en [persoon 1] betaalde bedragen van hen terug te vorderen.

3. Het geschil

3.1. De Staat vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde 1] c.s. bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad tot betaling van € 104.556,09, vermeerderd met rente vanaf 13 oktober 2009 en met proceskosten, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.

3.2. Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van de Staat in de proceskosten, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde 1] in dienst is bij [gedaagde 2] en niet bij [gedaagde 2]. Eerstgenoemde rechtspersoon is niet in rechte betrokken. Gesteld noch gebleken is dat er (anderszins) gronden zijn [gedaagde 2] aansprakelijk te houden voor eventueel onrechtmatig handelen van [gedaagde 1]. Dat brengt mee dat de vordering zal worden afgewezen voor zover deze tegen [gedaagde 2] is ingesteld.

4.2. De Staat betoogt dat [gedaagde 1] onrechtmatig heeft gehandeld. Hij stelt in dat verband – samengevat – dat [gedaagde 1] de Staat heeft misleid door zonder ook maar melding te maken van de nog lopende procedure tussen zijn cliënten enerzijds en [persoon 3] anderzijds en zelfs expliciet te melden dat (ook) de procedure tegen [persoon 3] was afgerond, te verzoeken om uitbetaling van de geconsigneerde bedragen en de daarop ontvangen rente door te betalen aan zijn cliënten, terwijl hij wist althans behoorde te weten dat de aanspraken van [persoon 1] en [persoon 2] geenszins vaststonden.

4.3. [gedaagde 1] heeft in de eerste plaats betoogd dat de Staat onvoldoende duidelijk heeft gemaakt wat hij [gedaagde 1] verwijt, nu de Staat twee verwijten naar voren heeft gebracht die elkaar uitsluiten:

- enerzijds het verwijt dat [gedaagde 1] de Staat zou hebben misleid in de onder 4.2 bedoelde zin, en

- anderzijds het verwijt dat de Staat door een aan Dolpijn te verwijten oorzaak in de veronderstelling was dat de reden voor consignatie was gelegen in een betwisting van de omvang van de schadeloosstelling.

De rechtbank gaat aan dit betoog voorbij. Ter gelegenheid van de pleidooien heeft de Staat desgevraagd bevestigd dat het verwijt dat hij [gedaagde 1] maakt is dat [gedaagde 1] de Staat heeft misleid in de onder 4.2 bedoelde zin, en niet (ook) dat [gedaagde 1] zou hebben gesuggereerd dat de reden voor consignatie was een betwisting van de omvang van de schadeloosstelling. Eerstgenoemd verwijt is door de Staat voldoende duidelijk naar voren gebracht in de processtukken, zodat [gedaagde 1] afdoende in de gelegenheid is geweest hiertegen verweer te voeren. De rechtbank zal dan ook beoordelen of dit verwijt terecht is.

4.4. [gedaagde 1] heeft voorts het gestelde onrechtmatig handelen betwist en daarbij de volgende gang van zaken naar voren gebracht. Er was eerst sprake van dat [persoon 3], die in de onteigeningsprocedure was tussengekomen, cassatieberoep zou instellen tegen het vonnis van de rechtbank van 10 juni 2009, maar [gedaagde 1] heeft later van de advocaat van de gemeente Rotterdam begrepen dat dit niet was gebeurd. Nadat [gedaagde 1] dat zijn cliënten had bericht, heeft [persoon 2] contact opgenomen met [persoon 4] om te vragen of het in consignatie gegeven bedrag kon worden doorbetaald. Vervolgens heeft [gedaagde 1] op verzoek van zijn cliënten telefonisch contact opgenomen met [persoon 4]. In dat telefoongesprek heeft hij expliciet gezegd dat de procedure tegen [persoon 3] nog liep en dat de vraag was of zijn cliënten desondanks reeds aanspraak konden maken op de geconsigneerde bedragen. [gedaagde 1] meende hiervoor ook een grondslag te vinden in artikel 54p lid 2 van de Onteigeningswet (hierna: Ow), hetgeen hij aan [persoon 4] heeft voorgelegd. [persoon 4] heeft daarop geantwoord dat zij dat niet wist, maar dat [gedaagde 1] een schriftelijk verzoek tot uitbetaling kon doen met toezending van een kopie van het onteigeningsvonnis. Dat heeft [gedaagde 1] gedaan, waarna – na toezending van het legitimatiebewijs van zijn cliënten en na een herhaald verzoek om uitbetaling – het bedrag aan zijn cliënten is betaald.

4.5. [gedaagde 1] heeft als advocaat een zorgplicht, namelijk om te handelen zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat mag worden verwacht. Dit betreft in de eerste plaats een zorgplicht jegens de cliënt(en) van de advocaat. De cliënt mag van de advocaat onder meer verwachten dat hij zijn belangen dient en in dat kader op de hoogte is van relevante wetgeving en jurisprudentie. Wat de zorgplicht van een advocaat ten opzichte van derden betreft is van belang dat de taak van een advocaat meebrengt dat hij de belangen van zijn cliënt moet dienen. Daaraan is inherent dat belangen van derden worden geschaad. Dat is in beginsel niet onrechtmatig. De belangenbehartiging door een advocaat mag echter niet zo ver gaan, dat de advocaat derden bewust schade toebrengt door bewust relevante informatie achter te houden of bewust onjuiste mededelingen te doen. In dat geval is sprake van misleiding, hetgeen onrechtmatig is jegens derden. In zoverre heeft de advocaat derhalve ook een zorgplicht jegens derden.

4.6. Toegepast op het onderhavige geval brengt dit het volgende mee.

Van onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] kan geen sprake zijn op de enkele grond dat hij behoorde te weten dat zijn cliënten (nog) geen aanspraak konden maken op de geconsigneerde gelden, omdat artikel 54p lid 2 Ow hier, anders dan [gedaagde 1] op dat moment kennelijk meende, geen grondslag voor biedt. Op dit punt moet onderscheid worden gemaakt tussen de zorgplicht van de advocaat jegens de cliënt en jegens derden. Voor zover een advocaat zijn cliënt schade toebrengt doordat hij niet op de hoogte is van (de (juiste) toepassing van) een wetsartikel, terwijl hij daarvan wel op de hoogte behoorde te zijn, zal hij in beginsel jegens zijn cliënt aansprakelijk zijn uit hoofde van schending van zijn zorgplicht jegens de cliënt. Dat is echter niet, althans niet zonder meer het geval in de relatie tot derden.

Voor zover [gedaagde 1] de Staat heeft misleid door bewust informatie achter te houden of bewust onjuiste mededelingen te doen, heeft hij onrechtmatig gehandeld jegens de Staat. Wat de gestelde misleiding betreft heeft [persoon 4] ter gelegenheid van de pleidooien gezegd dat zij tijdens het telefoongesprek met [gedaagde 1] heeft gevraagd hoe het zat met de procedure tegen [persoon 3] en dat [gedaagde 1] toen tegen haar heeft gezegd dat de procedure tegen [persoon 3] was afgerond en dat [persoon 3] geen recht had op het geld. Dit brengt mee dat het door de Staat gestelde niet de conclusie kan rechtvaardigen dat [gedaagde 1] de Staat heeft misleid door geen melding te maken van de nog lopende procedure tussen zijn cliënten enerzijds en [persoon 3] anderzijds. De weergave van het telefoongesprek door [persoon 4] bevestigt immers dat die procedure in de contacten met de Staat wel degelijk aan de orde is geweest. De misleiding kan derhalve alleen gelegen zijn in de gestelde mededeling van [gedaagde 1] dat de procedure tegen [persoon 3] was afgerond.

4.7. Voor zover in rechte komt vast te staan dat [gedaagde 1] in het met [persoon 4] gevoerde telefoongesprek tegen [persoon 4] heeft gezegd dat [persoon 3] geen aanspraak kon maken op de geconsigneerde gelden, heeft [gedaagde 1] onrechtmatig gehandeld. In dat geval heeft [gedaagde 1] immers bewust de Staat misleid door een mededeling te doen waarvan hij wist dat deze onjuist is. Niet ter discussie staat dat [gedaagde 1] ervan op de hoogte was dat de procedure tegen [persoon 3] op dat moment nog lopende was, zodat geenszins duidelijkheid bestond over de vraag of [persoon 3] al dan niet aanspraak kon maken op de geconsigneerde gelden. Ter gelegenheid van de pleidooien heeft [gedaagde 1] ook bevestigd dat voor hem ten tijde van de telefoongesprekken met [persoon 4] volstrekt duidelijk was dat onzeker was of [persoon 3] aanspraak kon maken op de gelden.

4.8. [gedaagde 1] heeft betwist dat hij tegen [persoon 4] heeft gezegd dat [persoon 3] geen aanspraak kon maken op de geconsigneerde gelden en integendeel betoogd dat hij tegen [persoon 4] expliciet heeft gezegd dat de procedure tegen [persoon 3] nog liep. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rust op de Staat de bewijslast van zijn stelling dat [gedaagde 1] in het telefoongesprek met [persoon 4] heeft gezegd dat de procedure tegen [persoon 3] was afgerond en [persoon 3] geen aanspraak kon maken op de geconsigneerde bedragen. Anders dan de Staat betoogt is er geen reden het bewijs reeds geleverd te achten of de bewijslast om te keren. De Staat heeft er in dat verband op gewezen dat de door [gedaagde 1] gegeven lezing van het telefoongesprek ongeloofwaardig is, nu [gedaagde 1] in de brief die hij na het telefoongesprek heeft gestuurd op geen enkele wijze heeft verwezen naar artikel 54p lid 2 Ow en evenmin erop heeft gewezen dat de procedure tegen [persoon 3] nog liep. Hoewel voor de hand had gelegen dat [gedaagde 1] in zijn brief erop zou hebben gewezen dat hij een mogelijkheid voor uitbetaling zag in artikel 54p Ow en dat de procedure tegen [persoon 3] nog lopende was, kan uit het feit dat dit niet is geschied niet worden afgeleid dat de door [gedaagde 1] geschetste gang van zaken ongeloofwaardig is. De rechtbank acht hierbij mede van belang de opmerking van [persoon 4] tijdens het pleidooi dat zij bij een telefonisch verzoek om uitkering altijd zegt dat de verzoeker een schriftelijk verzoek om uitbetaling moet doen, met de relevante stukken erbij. Dat is wat [gedaagde 1] heeft gedaan: hij heeft schriftelijk verzocht om uitbetaling, en daarbij een afschrift van het (onteigenings-) vonnis mee gestuurd.

4.9. Voor zover de Staat in voornoemd bewijs slaagt, moet in rechte worden aangenomen dat [gedaagde 1] onrechtmatig heeft gehandeld. Het causaal verband is in dat geval ook gegeven. [gedaagde 1] kan zich er in dat kader niet op beroepen dat de Staat een onderzoeksplicht heeft geschonden door niet (conform het bepaalde in artikel 7 van de Beschikking consignatie van gelden) na te gaan of [persoon 1] en [persoon 2] gerechtigd waren tot de verzochte uitkering. Als in rechte komt vast te staan dat [gedaagde 1] heeft gezegd dat de procedure tegen [persoon 3] was afgerond en dat [persoon 3] geen aanspraak kon maken op de geconsigneerde gelden, heeft [gedaagde 1] ernstig verwijtbaar onrechtmatig gehandeld jegens de Staat en is hij verplicht de dientengevolge door de Staat geleden schade volledig te vergoeden. Op dezelfde grond faalt in dat geval het beroep op eigen schuld aan de zijde van de Staat. Immers, [gedaagde 1] kan in dat geval de Staat niet tegenwerpen dat hij niet had mogen vertrouwen op de misleidende en onjuiste mededelingen van [gedaagde 1]. In dat geval zal de vordering derhalve worden toegewezen.

4.10. Voor zover de Staat niet in voornoemd bewijs slaagt, zal de vordering worden afgewezen. In dat geval ontvalt immers de feitelijke grondslag van het gestelde onrechtmatig handelen.

4.11. Voor zover de Staat het bewijs (mede) wil leveren door het doen horen van getuigen, zullen de enquête en de contra-enquête zoveel mogelijk op dezelfde zitting worden gehouden.

4.12. In afwachting van de bewijslevering zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. draagt de Staat op te bewijzen dat [gedaagde 1] in het telefoongesprek met [persoon 4] heeft gezegd dat de procedure tegen [persoon 3] was afgerond en [persoon 3] geen aanspraak kon maken op de geconsigneerde bedragen,

5.2. bepaalt dat, indien de Staat het bewijs door middel van getuigen wil leveren, het getuigenverhoor aan de zijde van de Staat zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. F. Damsteegt-Molier in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan het Wilhelminaplein 100 - 125 op vrijdag 22 maart 2013 van 9.00 uur tot 12.00 uur, en dat eventuele getuigenverhoren aan de zijde van [gedaagde 1] op dezelfde datum en dezelfde locatie zullen plaatsvinden van 13.00 uur tot 17.00 uur,

5.3. bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen of die voorziet dat de hem toegemeten tijd onvoldoende is, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank ter attentie van sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen en de getuigen in de drie maanden volgend op het uitstelverzoek,

5.4. bepaalt dat partijen uiterlijk een week voor het verhoor de namen van de te horen getuigen moeten opgeven aan de rechtbank,

5.5. bepaalt dat de Staat, indien deze het bewijs niet door getuigen wil leveren maar door overlegging van bewijsstukken en / of door een ander bewijsmiddel, het voornemen hiertoe binnen twee weken na de datum van deze uitspraak schriftelijk aan de rechtbank ter attentie van sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - en aan de wederpartij moet opgeven, waarna de verdere procesvoering zal worden bepaald,

5.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Damsteegt-Molier en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2013.?

[2148/1729]